Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

210 jaar Nationaal Archief


Den Haag

Hendrik van Wijn werd in 1802 tot de eerste landsarchivarius benoemd. Zijn aanstelling wordt gezien als het begin van het nationaal archiefbeheer en het latere Nationaal Archief. 

‘Burger Hendrik van Wyn’

De Oprechte Haarlemsche Courant van donderdag 24 juni 1802 kondigde zijn benoeming aan: ‘By Besluit van den 17 juny is door het Staats-Bewind de Burger Hendrik van Wyn’, verzocht ‘tot het nazien en schiften van alle Charters en Staatsstukken van dit Gemeenebest, speciaal die der tyden tot op het sluiten van den Munsterschen Vreede’. Op 24 juni aanvaardde Van Wijn deze benoeming en op 29 juni nam de president van de Raad voor Binnenlandse zaken hem de eed af. Toen kon hij officieel aan de slag.

‘Archivarius Van Wyn’

Op voordracht van de Raad voor Binnenlandse Zaken werd Van Wijn op  5 juli 1802 de titel van ‘Archivarius der Bataafsche Republiek’ toegekend. De ‘archivarius’ kreeg als taak het opsporen, afzonderen, inspecteren en inventariseren van archieven vanaf de oudste tijden tot 1648, het jaar waarin de Tachtigjarige Oorlog met Spanje werd beëindigd.

Op 26 augustus 1802 kreeg Van Wijn er nog een taak bij: het departementaal bestuur van Holland verleende hem de titel ‘Archivarius van het Departement Holland’. In deze functie beheerde hij de archieven van de grafelijke domein- en rekenkamer, de Hollandse leen- en registerkamer, de secretarie van Holland, het Hof van Holland en de Ridderschap Holland. Alle archieven lagen in volgestouwde ruimtes aan het Binnenhof. Van Wijn kreeg bij zijn werk hulp van commies-chartermeester Huijgens en de ‘custos der Nationale Bijbliotheek’, Charles Sulpice Flament.

Gesleep met archieven

Lodewijk Napoleon werd in 1806 door de Franse keizer tot Koning van Holland benoemd en vestigde zich op het Binnenhof. Dat betekende dat de meeste diensten en bewoners van het Binnenhof moesten verdwijnen. Ook de archieven moesten plaatsmaken voor de nieuwe koning en verhuisden naar het Logement van Rotterdam op het Plein. In 1807 verkoos Lodewijk Napoleon Utrecht tot zijn nieuwe residentie en nog geen jaar later nam hij zijn intrek in het Paleis op de Dam in Amsterdam. Een groot aantal archieven moest naar de nieuwe regeringszetel Amsterdam worden overgebracht.

Protest

Van Wijn was daar allesbehalve gelukkig mee. Hij stuurde de minister van Binnenlandse Zaken dan ook een brief waarin hij er met nadruk op wees dat er geen enkele noodzaak bestond om ‘zijn’ archieven naar de hoofdstad over te brengen, de administratie zou ze zeker niet dagelijks nodig hebben en bovendien dienden ze ‘slechts’ tot ‘elucidatie’ van onze geschiedenis. Hij behaalde zijn gelijk: Van Wijn en ‘zijn’ archieven mochten blijven waar ze waren.

Naar Parijs?

Omdat Napoleon ontevreden was over het beleid van Lodewijk Napoleon, lijfde hij Holland in 1810 bij Frankrijk in. Al snel kwamen Franse gezanten met snode plannen om archieven uit Nederland naar een nog op te richten depot in Parijs over te brengen. Van Wijn was absoluut niet van zins aan deze verhuizing mee te werken. De tijd werd Van Wijns grootste bondgenoot en zorgde ervoor dat van uitstel afstel kwam.

Terug naar het Binnenhof

In 1813 herstelde de teruggekeerde stadhouder Willem V, dan soeverein vorst Willem I, Hendrik van Wijn in zijn ambt van archivaris. In 1814 werd ook bepaald dat de archieven weer op het Binnenhof terug moesten keren. Van Wijn bleef tot zijn dood in 1831 de archivaris, zijn rechterhand J.C. de Jonge volgde hem op. Na hen volgden nog vele Rijksarchivarissen. De archieven werden nog wel vaker verhuisd maar zijn tot op de dag van vandaag in Den Haag gebleven.

Nationaal Archief

2.01.01.05, Staatsbewind, inv.nrs. 45, 48

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in