Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Snouck Hurgronje en de Mekkabedevaart van 1923


Den Haag

In de 2e week van oktober trekken dit jaar miljoenen islamitische pelgrims (hadji’s) naar Mekka in Saudi-Arabië. Het is natuurlijk niet gemakkelijk om zo’n enorme hoeveelheid mensen in goede banen te leiden. Dat het soms wel heel erg mis kan gaan, blijkt uit een 90 jaar oude brief van de Nederlandse consul in Djeddah. Hij rapporteert in 1923 over berovingen, moorden en ontvoeringen tijdens de bedevaart.

Consul is verontrust

De Nederlandse consul in Djeddah stuurt op 2 mei 1923 een nogal verontruste brief aan de minister van Buitenlandse Zaken Van Karnebeek over de reis die moslimpelgrims uit Nederlands-Indië maken naar Mekka. ‘De pelgrims hebben overal zwaar moeten betalen (…) Voorts zijn zij op meerdere plaatsen, zelfs in de stad Medina zelve, aangevallen, uitgeplunderd, vermoord of als slaaf weggevoerd.’

De consul geeft de minister in overweging om met zijn collega van Koloniën te overleggen of de regering in laatste instantie bereid zou zijn de bedevaart te verbieden, totdat de veiligheid van de vanuit Nederlands-Indië georganiseerde karavanen gewaarborgd is. Zo’n verbod zou nu juist op veel steun in de publieke opinie kunnen rekenen, schat de consul in. Maar hij realiseert zich ook dat een verbod op de bedevaart ‘een wapen [is] dat alleen in uiterste noodzaak toegepast mag worden’.

Geen verbod op Mekkabedevaart

Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), in april 1893 benoemd tot adviseur voor Inlandse en Arabische Zaken, is niet onder de indruk. Dat laat hij duidelijk blijken in een brief van 13 juni 1923 aan minister De Graaff van Koloniën: ‘Zoals ik reeds dikwijls in herinnering heb gebracht, zijn de berichten omtrent de lotgevallen der hadji’s (…) bijna telken jare alarmeerend en heet het bijna altijd, dat de plunderingen, afzetterijen en geweldplegingen, waaraan zij dít jaar blootgestaan hebben, die van alle voorafgaande jaren in de schaduw stellen. Zoo was het in de veertig jaren, waarin ik de zaken van de Hidjâz nauwkeurig volgde, en zoo was het, blijkens de historische overlevering, reeds meer dan duizend jaren daarvóór.’

Niets nieuws onder de zon dus. De Arabische regering luistert niet naar waarschuwingen, maar liever ‘naar de lokstemmen van hare bij eene flinke deelneming aan de bedevaart belanghebbende geloofsgenooten’. En de pelgrims zelf laten zich niet beïnvloeden door de negatieve verhalen: ‘Zelfs de onaangename ervaringen, die vele pelgrims inderdaad opdoen, brengen geene vermindering te weeg in den lust tot de reis naar het heilige land: de meesten hunner vergeten het leed spoedig of maken er om andere redenen ongaarne gewag van’. Snouck Hurgronje ziet daarom geen enkel heil in een officieel verbod op de Mekkabedevaart of om daarmee te gaan dreigen.

‘Nutteloze bemoeienis met den hadj’

In een brief van 9 december aan de minister van Koloniën herhaalt Snouck Hurgronje zijn standpunt: ‘Hier heeft men nu weer een nieuw voorbeeld van zulke onhandigheid die zonder schade voor eenig ander belang vermeeden had kunnen worden, wanneer men eindelijk eens principieel besloten had, alle nutteloze bemoeienis met den hadj te laten varen.’

Nationaal Archief

Bibliotheek

  • E. Gobbée & C. Adriaanse (eds.), Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje 1889-1936 (Den Haag 1956-1965) Rijks Geschiedkundige Publicatiën 33 (Kleine Reeks), 3 delen. Signatuur Studiezaal: RGP SNOU

Kijk voor een digitale versie hiervan op de website van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Een biografie van C. Snouck Hurgronje is te vinden in het digitale Biografische Woordenboek van Nederland.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in