Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Het eerste carnaval na de oorlog


Den Haag

Van 2 tot en met de avond van 4 maart staat een groot deel van Nederland, met name Noord-Brabant en Limburg, weer in het teken van het carnaval.

Feestelijke optochten, excentrieke verkleedpartijen en veel alcoholische versnaperingen zijn de constanten bij de carnavalsviering. In 1946 worstelen de autoriteiten flink met het eerste naoorlogse carnaval. De belangen van een traditionele viering, de openbare orde en de economie strijden om voorrang.

Openbare orde

Met het oog op het naderende carnaval schrijft de minister van Binnenlandse Zaken op 9 februari 1946 een brief aan de commissarissen van de Koningin ‘dat maskerades in het openbaar met het oog op de handhaving van de openbare orde niet wenschelijk zijn’. Ook zouden openbare verkleedpartijen tussen 24.00 uur en 07.00 uur verboden moeten zijn en moet de verkoop van sterke drank aan banden worden gelegd. De minister roept de commissarissen op hun burgemeesters van die gemeenten waar traditioneel een carnavalsviering plaatsvindt, te vragen gemeentelijke bepalingen vast te laten stellen om dit te regelen.

Economische belangen

In Limburg speelt een ander probleem. De Mijnindustrieraad uit Heerlen laat op 11 februari 1946 aan de minister van Binnenlandse Zaken weten dat feestelijkheden in het kader van carnaval de kolenproductie zullen schaden. Hij vraagt de minister daarom de burgemeesters van de mijngemeenten ‘op te dragen (…) een openbare viering van den Carnaval (…) zooveel mogelijk te beperken’. Deze brief is eveneens gestuurd aan de ministers van Verkeer & Energie en Handel & Nijverheid. Beiden onderschrijven de economische bezwaren tegen een uitbundige viering van carnaval. De minister van Verkeer & Energie is het meest uitgesproken in zijn afwijzing. ‘Gezien het vitale belang van een zoo groot mogelijke kolenproductie, waarvan ons geheele economische leven in sterke mate afhankelijk is (…) moet een ernstige stagnatie in de productie gedurende meerdere dagen – die het onvermijdelijke gevolg zou zijn van het toestaan van een carnavalsviering – m.i.z. in ieder geval worden voorkomen’, zo laat hij zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken op 26 februari weten.

De oproep heeft (beperkt) effect. Een aantal gemeenten, zoals Sittard, vaardigt een maskerverbod uit en blaast daarmee feitelijk de carnavalsviering af. Maar in andere steden van de mijnstreek (Roermond, Kerkrade) gaan de festiviteiten wel op kleinere schaal door. Carnavalsmaandag en –dinsdag zijn echter nu geen vrije dagen, zoals in het verleden wel altijd. Ook onbetaald verlof kan op deze dagen ‘in geen geval worden verleend’, zo laat de Beheerder der Mijnen in het Limburgsch Dagblad van 25 februari 1946 weten.

Traditionele carnavalsviering

De burgemeester van Den Bosch heeft om andere redenen bezwaar tegen beperkingen aan de carnavalsviering. Hij voelt er niets voor om nu, een paar dagen vóór het begin van het carnaval, alsnog allerlei verboden en voorschriften uit te vaardigen. Ook de politiecommissaris en enkele vooraanstaande inwoners hebben de burgemeester geadviseerd geen aanvullende maatregelen te nemen. Hij verzoekt de minister daarom begrip te hebben voor de gekozen beleidslijn en de viering van het carnaval in Den Bosch gewoon zoals gepland te laten doorgaan.

Het carnaval in zijn stad wordt al sinds de jaren ’30 in goede banen geleid door de vereniging ‘Jheroen Bosch’. Enkele maanden geleden hebben de 10 Bossche carnavalsverenigingen aan de burgemeester gevraagd het carnaval in 1946 opnieuw te organiseren zoals ze dat gewend zijn. De vereniging ‘Jheroen Bosch’ is zelfs weer nieuw leven ingeblazen om leiding te geven aan (de organisatie van) de feestelijkheden. De burgemeester heeft er dan ook alle vertrouwen in dat deze vereniging het carnaval keurig zal laten verlopen. En inderdaad. Het verslag in dagblad De Waarheid maakt duidelijk dat het eerste naoorlogse carnaval in Oeteldonk op ouderwetse manier is gevierd.

Nationaal Archief

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in