gahetNA in het Nationaal Archief

Watersnood in Zevenaar in 1799


Den Haag

Rond 1 februari wordt weer stilgestaan bij de verwoestende watersnoodramp die in 1953 Zeeland, Zuid-Holland en West-Brabant plaatsvond. Ook de vroegere geschiedenis van Nederland is doorspekt met grote en kleinere overstromingen. In februari 1799 wordt het rivierenland getroffen door een grote overstroming. Niet alleen water, ook ijs bedreigt mens en dier.

Een van de getroffen steden is Zevenaar. De watersnood kan de stad nauwelijks op een slechter moment treffen. Het gebied is net bekomen van een pokkenepidemie die de bevolking in de maanden daarvoor heeft getroffen.

De dominee van de gemeente, Ottho Gerhard Heldring (1762-1841), ziet het allemaal gebeuren en maakt er korte aantekeningen van. Heldring is sinds 1788 predikant in Zevenaar. Inmiddels is hij op 8 mei 1796 het nabijgelegen Pfalzdorf bij Kleef in het huwelijk getreden met domineesdochter Louisa Gertruda Janssen. Het jonge paar heeft 2 zoons op het moment dat de Waal in 1799 buiten zijn oevers treedt.

Vrees voor het water

De hele winter heerst in en om de stad Zevenaar een sterke vrees voor het opkomende water van de Waal. Maar tot een echte dreiging is het nog niet gekomen. Op 3 februari komen er al wel berichten dat in de omgeving bij Babberich en Huissen delen van het land zijn overstroomd. Het lukt niet om de dijken te verhogen; de mest die daarvoor gebruikt wordt, wordt direct weggeslagen door het water. De bevroren ondergrond maakt het onmogelijk om extra waterkeringen te verankeren. De bewoners van het platteland vluchten naar de veiligheid van de stad Zevenaar.

Alarmklokken

Maar dan luiden op 5 februari ook daar de alarmklokken: de dijken staan op doorbreken! Langzaam maar zeker vindt het water zijn weg naar de straten van de stad. Aanvankelijk wordt het huis van de familie Heldring nog gespaard, maar de volgende dag stroomt ook daar het water naar binnen. De voorzorgsmaatregelen die Ottho heeft getroffen, hebben geen effect meer ‘dewijl het water voor & agter in spoelden, & reedts in onze slaapkamer’.

Heldring is zich ervan bewust dat nu ook voor zijn mede-stadbewoners actie nodig is. ‘Den toestand was onbeschrijvelijk, eerlang stond alles onder; ik liet de school openen & gav last de arme lieden daar in te bergen, wijl die vrij hoog lag’. Het vee wordt in de kerk gestald.

Ondertussen blijft het water stijgen, vriest het stevig en wakkert uiteindelijk ook de wind nog aan. ‘Menig een moest in die felle koude de Nagt op zolder doorbrengen, en wandelen over dezelve om niet te bevriezen.’ De eerste doden zijn op 8 februari te betreuren. In totaal zal deze watersnood 4 inwoners van Zevenaar fataal worden.

Volop liefdadigheid

Tot merkbaar genoegen van dominee Heldring bloeit de onderlinge hulp en liefdadigheid volop: ‘elk heeft armen lui geborgen – men vind overal blijken van Liefden’. Ook de regering vindt het tijd voor een gebaar; op 20 februari noteert Heldring: ‘order van den hoge Regeering om de eerste zondag kerke Collecte te houden voor den ongelukkigen’.

Einde aan de wateroverlast

Langzaam maar zeker begint de dooi zijn intrede te doen en zakt het water. Ook de familie Heldring kan het woonhuis weer op orde brengen, ‘het huis dezen middag geledigt van ijs op het Secreet kamertie naa’. Op 24 februari is de stad bevrijd van de watersnood. De dominee kan die zondag weer gewoon in de kerk zijn preek houden. In het land rondom Zevenaar is het water dan nog niet helemaal weggetrokken, maar het gewone leven komt weer langzaam op gang.

Nationaal Archief

Bibliotheek

  • Cornelis Zillesen, Beschryving van den watersnood, van ’t jaar MDCCXCIX. In verscheidene gedeelten van ons vaderland door ysverstoppingen veroorzaakt; met kunst-plaaten en een rivier-kaart (Amsterdam 1800). Signatuur 40 D 13
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in