Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: Schermerhorn kwam uit een familie, waarin aan de kerk 'niet werd gedaan' hoewel zijn moeder doopsgezind lidmaat was en hij catechisatie volgde bij de hervormde predikant te Grootschermer. Vooral na het vertrek uit het ouderlijk huis in 1913 kreeg een algemeen christelijk-protestantse levensovertuiging terdege betekenis voor zijn denken. De Vrijzinnig Christelijke Studenten Beweging heeft later hiervoor een blijvende grondslag gelegd. Hij volgde lager onderwijs te Grootschermer en bezocht vervolgens op aandringen van het schoolhoofd in 1908 de HBS te Alkmaar, omdat hij lichamelijk niet geschikt bleek voor de boerderij. In 1913 deed hij eindexamen en liet zich aan de TH te Delft voor de studie van civiel ingenieur inschrijven, waarvoor hij in 1918 het diploma behaalde. Tot 1926 was hij werkzaam als assistent voor landmeetkunde bij prof. J.H. Heuvelink, maar hij sloeg al spoedig met de wetenschappelijke toepassing een eigen weg in, die hem een internationale reputatie zou bezorgen. Hij stichtte een particulier adviesbureau voor landmeetkunde en cartografie, waarvan hij van 1921 tot 1931 de leiding had. De meeste invloed op zijn wetenschappelijke vorming had daarbij zijn 10 jaar oudere Duitse vriend prof. Otto von Gruber te Jena. In 1926 werd hij, nog geen 32 jaar oud, benoemd tot hoogleraar in de landmeet- en waterpaskunde en de geodesie te Delft; een functie, die hij tot 1945 zou blijven bekleden. In 1931 werd hem daarnaast de wetenschappelijke leiding van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat opgedragen. Zijn belangrijkste vernieuwing in die hoedanigheid was de introductie van de voordien in Nederland nog niet toegepaste fotogrammetrie, waardoor een veel doelmatiger kartering werd bereikt. Al vanaf 1929 had hij daarvoor samengewerkt met de KLM. Eén hoogtepunt van deze werkzaamheden als fotogrammeter vormde de luchtkartering van Nieuw-Guinea in 1936, waarbij hij de leiding had. Een steile en onproblematische loopbaan tot zover, waarbij een wetenschappelijke en praktischorganisatorisch gerichte belangstelling en activiteit elkaar gelukkig aanvulden en stimuleerden. Toch waren er al tekenen, dat Schermerhorn nooit volledig opging in deze op zichzelf niet geringe activiteiten van hoogleraar, Rijksadviseur en praktiserend luchtkarteerder. Hij was niet het type van een theoreticus, zoals zijn op de directe praktijk gerichte specialisatie trouwens al bewees en gaf in deze jaren steeds meer blijk van maatschappelijke belangstelling. Een kwestie, die hem daarbij met name aantrok was de verhouding tussen landbouw en moderne samenleving; concreter: de gevolgen, die de confrontatie met een technologische maatschappij voor het traditionalistische denk- en levenspatroon van het agrarische bevolkingsdeel moest hebben. Een vraag, die correspondeerde met Schermerhorns eigen ontwikkeling van landbouwerszoon tot wetenschapsman en cartograaf, met de spanning tussen zijn herkomst uit een agrarisch-traditionalistisch milieu en zijn technische gerichtheid. Een serie lezingen voor de VPRO, in 1934 gebundeld in De boeren in de volksgemeenschap, en een brochure De plaats van de boerenstand in de volkshuishouding, op grond van een lezing voor de Vrijzinnig-Democratische Bond te Leeuwarden in 1937 gehouden, zouden van deze belangstelling getuigen. Hij werd lid van de vereniging Landbouw en Maatschappij. Ook was hij tot 1933 lid van Kerk en Vrede, een interkerkelijke geloofsgemeenschap van sterk pacifistisch georiënteerde christenen. Daarnaast werkte hij van 1934-1935 als mederedacteur van De Smidse. Maandblad voor moderne religie en humanistische cultuur. Directe politieke activiteiten ontwikkelde hij echter nog niet, al sloot hij zich eerst bij de Liberale Staatspartij en later bij de Vrijzinnig-Democratische Bond aan. Zijn lidmaatschap van het bestuur van de VPRO (1924-1942) en zijn commissariaat van de N.V. Glasfabriek Leerdam (1934-1936) wijzen echter eveneens op zijn maatschappelijk gerichte belangstelling. Het was - deze kleine opsomming van activiteiten in de jaren dertig toont het aan - meer een algemene sociaal-ethische instelling, dan uitgesproken politieke ambitie, die hem dreef. In 1935 nam hij samen met een aantal overtuigde democraten het initiatief tot oprichting van de beweging Eenheid door Democratie, die zich bestrijding van de groeiende antidemocratische stromingen van rechts en links ten doel stelde en daarvoor een bovenpartijdig, buitenparlementair front wilde vormen. In 1938 nam hij op aandringen van ir. J. Goudriaan, president-directeur van de NS, de leiding op zich, die hij tot de ontbinding in mei 1940 behield. In mei 1942 werd hij, vermoedelijk op grond van zijn anti-fascistische reputatie, met andere prominenten door de bezetter in het klein-seminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel gegijzeld. Samen met W. Banning, W. Drees e.a. speelde hij een vooraanstaande rol in de discussies over de noodzakelijk geachte vernieuwing na de oorlog. Daarbij kregen de doorbraakgedachte en het plan van de Nederlandse Volksbeweging meer vorm, speciaal ook door toedoen van Schermerhorn. In december 1943 vrijgelaten, werd hij onmiddellijk mederedacteur van het illegale blad Je Maintiendrai, (JM) waarin de Gestelse groep zich o.a. verder met de partijvernieuwing bezighield. Deze enge samenwerking met SDAP'ers bezorgde Schermerhorn en de JM- groep de naam 'Oranje-socialisten'. Zijn conceptie kwam neer op een personalistisch getint socialisme, waarbij de klassenstrijd als verouderd werd verworpen en de Oranjemonarchie als symbool en garantie van de eenheid een rol kreeg toebedeeld. Ook fungeerde Schermerhorn als voorzitter van de Indische Commissie, die uit diverse verzetsgroepen gerekruteerd werd. Direct na de bevrijding tekende hij op 12 mei 1945 de oproep in naam van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), waarbij politieke vernieuwing in de geest van christendom en humanisme werd bepleit. Twee weken later volgde zijn benoeming tot voorzitter van de NVB maar nog in dezelfde maand werd hij, als één van de meest geprofileerde figuren van de nationale vernieuwingsgedachte, door koningin Wilhelmina samen met W. Drees tot kabinetsformateur benoemd. Op 23 juni presenteerden zij het nieuwe kabinet, waarvan de kern bestond uit mannen uit de NVB en SDAP. Schermerhorn zelf aanvaardde het voorzitterschap en de portefeuille van Algemene Zaken van deze eerste naoorlogse regering met de woorden: 'Majesteit, wie in deze put springt is een verloren man.' Het nationale kabinet-Schermerhorn-Drees trad in één van de meest beslissende perioden van de Nederlandse geschiedenis op en zag zich voor een kolossale opgave geplaatst: de wederopbouw, en het materieel en geestelijk herstel van een ontwricht land, na vijf zware oorlogsjaren. Een nadeel was stellig dat antirevolutionairen en communisten géén zitting in de regering hadden, zodat niet alle volksgroepen zich ermee konden identificeren. Op 27 juni verkondigde Schermerhorn over de zender Herrijzend Nederland het omvangrijke regeringsprogram, waarin hij, in de hem eigen klare eenvoudige taal, de bovengenoemde kwesties aan de orde stelde en voor politieke vernieuwing pleitte. Samen met de minister van Onderwijs G. van der Leeuw bleef hij in het kabinet de meest uitgesproken exponent van de doorbraak, die het voor de idealen van de NVB en voor een socialistisch personalisme opnam. De snelle terugkeer van de vooroorlogse partijverhoudingen - vooral van confessionele zijde, gedeeltelijk al vóór de bevrijding, met kracht en succes bevorderd - belette, dat er veel van terechtkwam. Een bundeling van vernieuwingsgroeperingen, met name uit SDAP, VDB en Christelijk Democratische Unie richtten daarom op 9 februari 1946 de Partij van de Arbeid op, als drager van die idealen. Doch de PvdA ontwikkelde zich steeds meer, gedeeltelijk gedwongen en zeker tegen Schermerhorns wens, tot opvolger van de vooroorlogse SDAP dan tot nationale doorbraakpartij. Schermerhorn behoorde tot de oprichters en bleef tot 1961 lid van het partijbestuur. Vanzelf speelde hij een voorname rol in alle belangrijke activiteiten van de regering: de beëindiging van het militair gezag, de reconstructie van de Staten-Generaal; de hele zuivering, de moeilijkheden rond de Eenheidsvak-centrale (EVC) en de grote Rotterdamse havenstakingen in de zomer 1945; de oprichting van het Centraal Planbureau en de Stichting van de Arbeid evenals de nationalisatie van de mijnen. Met zijn maandelijkse 'praatjes op de brug', waarin hij zich via de omroep direct tot de bevolking richtte, en ook in het kabinet zelf introduceerde hij een non-conformistische stijl: een mengsel van kordaat aanpakken en praktisch idealisme, zoals dat tijdens de bezetting in verzetskringen had kunnen ontstaan. Een vraagstuk van onverwachte overschaduwende betekenis, ook voor zijn persoonlijke loopbaan, werd echter al spoedig de Indonesische kwestie. Deze maakte hem tot één van de felst omstreden politici. Overtuigd van de absurditeit van een herstel van de vooroorlogse verhoudingen en open oog voor het fenomeen van een wereldwijd revolutionair dekolonisatieproces trachtte hij samen met de luitenant-GG dr. H.J. van Mook en de minister van Koloniën J.H.A. Logemann door een soepele politiek van onderhandelingen met de Indonesische nationalisten zowel een gewapend conflict als een volledige losscheuring van Indonesië te voorkomen. Zijn streven was tot een zelfstandig federatief Indonesië in Rijksverband volgens de conceptie van Van Mook te komen. Een tactiek, die door de rechtse oppositiepartijen heftig werd bestreden en die ook bij het merendeel van de bevolking op onbegrip en argwaan stuitte. De positie van het kabinet-Schermerhorn werd bemoeilijkt doordat het niet op een parlementaire meerderheid kon steunen. De verkiezingen in mei 1946 betekenden in feite een 'neen' jegens de doorbraakgedachte en de omstreden Indonesië-politiek en daarom nam Schermerhorn in het nieuwe kabinet-Beel geen zitting meer. Wel nam hij het voorzitterschap op zich van de Commissie-Generaal, die na langdurige onderhandelingen op 15 november 1946 de ontwerp-overeenkomst van Linggadjati met de Indonesische leiders parafeerde, waarbij men het eens werd over een zelfstandige Indonesische federatie, in Unie met Nederland verbonden. Maar nieuwe onlusten leidden tot de eerste militaire actie (21 juli - 4/ 5 augustus 1947), waarmee Schermerhorn tegen zijn geweten instemde, onder druk van partijvoorzitter J.J. Vorrink, die benauwd was voor de val van het katholiek-socialistische kabinet en een terugslag voor de PvdA. De verbitterde kritiek op de Commissie-Generaal en de animositeit jegens de persoon van Schermerhorn droegen er toe bij, dat hij, toen de Commissie ontbonden werd in de herfst 1947, meer op de politieke achtergrond raakte. In een uitvoerig dagboek heeft hij even openhartig als informatief zijn bevindingen als voorzitter van de Commissie-Generaal neergelegd. In juli 1948 behaalde hij een zetel in de Tweede Kamer voor de PvdA en in 1951 ging hij naar de Eerste Kamer, die hij in 1965 verliet. Vooral de buitenlandse politiek en onderwijszaken hadden in die jaren zijn belangstelling. Na zijn pensionering in 1965 mengde hij zich opnieuw in de tegenstellingen binnen de PvdA en koos de zijde van Nieuw-Links en van de jeugdige vernieuwingsvleugel. Zo betuigde hij ook adhesie aan het pamflet Tien over rood (1966). Op het partijcongres in 1967 hield hij een pleidooi voor meer democratisering binnen de partij. Inmiddels was hij zich na beëindiging van zijn regeringsfuncties ook weer met wetenschappelijk werk bezig gaan houden. Van 1951 tot 1965 (jaar van zijn emeritaat) was hij directeur van het Internationaal Instituut voor luchtkartering te Delft. Verschillende buitenlandse eredoctoraten (Gent, Zürich, Milaan, Glasgow en Hannover) en andere hoge binnen- en buitenlandse onderscheidingen vielen hem in die jaren ten deel. Zijn maatschappelijke belangstelling had hem al vlak voor de oorlog ook met het vraagstuk van de onderwijsvernieuwing in verbinding gebracht, met name met de Werkplaats van Kees Boeke te Bilthoven. Bij de oprichting van de stichting van die school in 1948, die mede door zijn toedoen tot stand was gekomen, bleek hij de aangewezen voorzitter; een functie, die hij tot 1969 bekleedde. In al die jaren toonde hij zich een krachtig voorvechter van Boekes ideeën. Schermerhorns betekenis als pionier in de luchtkartering is onbetwist, terwijl zijn politieke rol dat vanzelfsprekend allerminst is gebleven. Toch kan men hier van een pioniersrol spreken, ook al is die hem niet in onverdeelde dankbaarheid afgenomen: pionier als voorstander van de doorbraak, als criticus - voor 1940 al - van het verzuilde parlementaire bestel, maar bovenal als iemand die al spoedig in 1945 begreep, dat slechts erkenning van het Indonesische nationalisme een reële basis bood voor een politiek, die een geweldloze en soepele transformatie van het failliete koloniale bestel naar een vrij, doch met Nederland verbonden Indonesië tot doel had. Dat hij politieke visie had, is later ook door toenmalige opponenten erkend. De verguizing, die hem jarenlang ten deel is gevallen, hing gedeeltelijk stellig samen met het feit, dat de meerderheid ook van de Nederlandse politieke voormannen t.a.v. de Indonesische kwestie deze visie miste. Aan de andere kant was Schermerhorn geen tacticus, geen diplomaat bereid om met gevoeligheden rekening te houden, tenen of belangen te ontzien. Hij hield van een zeer onopgesmukte, doch in zijn openhartigheid ook vaak emotionele en provocatieve aanpak. Zijn democratisch bewustzijn was doortrokken van het besef, dat niet gevestigde instituties en regelingen doch de juiste mensen op de juiste plaats de doorslag geven, die dan ook recht op de nodige bewegingsvrijheid dienen te hebben. Beslissend voor zijn lot als politicus was echter de sterke restauratieve tegenstroom na 1945, die niet de uit het verzet opgekomen vernieuwers maar de tactici en partijmanagers onder de politieke elite begunstigde.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer Schermerhorn kwam uit een familie, waarin aan de kerk 'niet werd gedaan' hoewel zijn moeder doopsgezind lidmaat was en hij catechisatie volgde bij de hervormde predikant te Grootschermer. Vooral na het vertrek uit het ouderlijk huis in 1913 kreeg een algemeen christelijk-protestantse levensovertuiging terdege betekenis voor zijn denken. De Vrijzinnig Christelijke Studenten Beweging heeft later hiervoor een blijvende grondslag gelegd. Hij volgde lager onderwijs te Grootschermer en bezocht vervolgens op aandringen van het schoolhoofd in 1908 de HBS te Alkmaar, omdat hij lichamelijk niet geschikt bleek voor de boerderij. In 1913 deed hij eindexamen en liet zich aan de TH te Delft voor de studie van civiel ingenieur inschrijven, waarvoor hij in 1918 het diploma behaalde. Tot 1926 was hij werkzaam als assistent voor landmeetkunde bij prof. J.H. Heuvelink, maar hij sloeg al spoedig met de wetenschappelijke toepassing een eigen weg in, die hem een internationale reputatie zou bezorgen. Hij stichtte een particulier adviesbureau voor landmeetkunde en cartografie, waarvan hij van 1921 tot 1931 de leiding had. De meeste invloed op zijn wetenschappelijke vorming had daarbij zijn 10 jaar oudere Duitse vriend prof. Otto von Gruber te Jena. In 1926 werd hij, nog geen 32 jaar oud, benoemd tot hoogleraar in de landmeet- en waterpaskunde en de geodesie te Delft; een functie, die hij tot 1945 zou blijven bekleden. In 1931 werd hem daarnaast de wetenschappelijke leiding van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat opgedragen. Zijn belangrijkste vernieuwing in die hoedanigheid was de introductie van de voordien in Nederland nog niet toegepaste fotogrammetrie, waardoor een veel doelmatiger kartering werd bereikt. Al vanaf 1929 had hij daarvoor samengewerkt met de KLM. Eén hoogtepunt van deze werkzaamheden als fotogrammeter vormde de luchtkartering van Nieuw-Guinea in 1936, waarbij hij de leiding had.
Een steile en onproblematische loopbaan tot zover, waarbij een wetenschappelijke en praktischorganisatorisch gerichte belangstelling en activiteit elkaar gelukkig aanvulden en stimuleerden. Toch waren er al tekenen, dat Schermerhorn nooit volledig opging in deze op zichzelf niet geringe activiteiten van hoogleraar, Rijksadviseur en praktiserend luchtkarteerder. Hij was niet het type van een theoreticus, zoals zijn op de directe praktijk gerichte specialisatie trouwens al bewees en gaf in deze jaren steeds meer blijk van maatschappelijke belangstelling. Een kwestie, die hem daarbij met name aantrok was de verhouding tussen landbouw en moderne samenleving; concreter: de gevolgen, die de confrontatie met een technologische maatschappij voor het traditionalistische denk- en levenspatroon van het agrarische bevolkingsdeel moest hebben. Een vraag, die correspondeerde met Schermerhorns eigen ontwikkeling van landbouwerszoon tot wetenschapsman en cartograaf, met de spanning tussen zijn herkomst uit een agrarisch-traditionalistisch milieu en zijn technische gerichtheid. Een serie lezingen voor de VPRO, in 1934 gebundeld in De boeren in de volksgemeenschap, en een brochure De plaats van de boerenstand in de volkshuishouding, op grond van een lezing voor de Vrijzinnig-Democratische Bond te Leeuwarden in 1937 gehouden, zouden van deze belangstelling getuigen. Hij werd lid van de vereniging Landbouw en Maatschappij. Ook was hij tot 1933 lid van Kerk en Vrede, een interkerkelijke geloofsgemeenschap van sterk pacifistisch georiënteerde christenen. Daarnaast werkte hij van 1934-1935 als mederedacteur van De Smidse. Maandblad voor moderne religie en humanistische cultuur. Directe politieke activiteiten ontwikkelde hij echter nog niet, al sloot hij zich eerst bij de Liberale Staatspartij en later bij de Vrijzinnig-Democratische Bond aan. Zijn lidmaatschap van het bestuur van de VPRO (1924-1942) en zijn commissariaat van de N.V. Glasfabriek Leerdam (1934-1936) wijzen echter eveneens op zijn maatschappelijk gerichte belangstelling. Het was - deze kleine opsomming van activiteiten in de jaren dertig toont het aan - meer een algemene sociaal-ethische instelling, dan uitgesproken politieke ambitie, die hem dreef.
In 1935 nam hij samen met een aantal overtuigde democraten het initiatief tot oprichting van de beweging Eenheid door Democratie, die zich bestrijding van de groeiende antidemocratische stromingen van rechts en links ten doel stelde en daarvoor een bovenpartijdig, buitenparlementair front wilde vormen. In 1938 nam hij op aandringen van ir. J. Goudriaan, president-directeur van de NS, de leiding op zich, die hij tot de ontbinding in mei 1940 behield.
In mei 1942 werd hij, vermoedelijk op grond van zijn anti-fascistische reputatie, met andere prominenten door de bezetter in het klein-seminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel gegijzeld. Samen met W. Banning, W. Drees e.a. speelde hij een vooraanstaande rol in de discussies over de noodzakelijk geachte vernieuwing na de oorlog. Daarbij kregen de doorbraakgedachte en het plan van de Nederlandse Volksbeweging meer vorm, speciaal ook door toedoen van Schermerhorn. In december 1943 vrijgelaten, werd hij onmiddellijk mederedacteur van het illegale blad Je Maintiendrai, (JM) waarin de Gestelse groep zich o.a. verder met de partijvernieuwing bezighield. Deze enge samenwerking met SDAP'ers bezorgde Schermerhorn en de JM- groep de naam 'Oranje-socialisten'. Zijn conceptie kwam neer op een personalistisch getint socialisme, waarbij de klassenstrijd als verouderd werd verworpen en de Oranjemonarchie als symbool en garantie van de eenheid een rol kreeg toebedeeld. Ook fungeerde Schermerhorn als voorzitter van de Indische Commissie, die uit diverse verzetsgroepen gerekruteerd werd.
Direct na de bevrijding tekende hij op 12 mei 1945 de oproep in naam van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), waarbij politieke vernieuwing in de geest van christendom en humanisme werd bepleit. Twee weken later volgde zijn benoeming tot voorzitter van de NVB maar nog in dezelfde maand werd hij, als één van de meest geprofileerde figuren van de nationale vernieuwingsgedachte, door koningin Wilhelmina samen met W. Drees tot kabinetsformateur benoemd. Op 23 juni presenteerden zij het nieuwe kabinet, waarvan de kern bestond uit mannen uit de NVB en SDAP. Schermerhorn zelf aanvaardde het voorzitterschap en de portefeuille van Algemene Zaken van deze eerste naoorlogse regering met de woorden: 'Majesteit, wie in deze put springt is een verloren man.'
Het nationale kabinet-Schermerhorn-Drees trad in één van de meest beslissende perioden van de Nederlandse geschiedenis op en zag zich voor een kolossale opgave geplaatst: de wederopbouw, en het materieel en geestelijk herstel van een ontwricht land, na vijf zware oorlogsjaren. Een nadeel was stellig dat antirevolutionairen en communisten géén zitting in de regering hadden, zodat niet alle volksgroepen zich ermee konden identificeren. Op 27 juni verkondigde Schermerhorn over de zender Herrijzend Nederland het omvangrijke regeringsprogram, waarin hij, in de hem eigen klare eenvoudige taal, de bovengenoemde kwesties aan de orde stelde en voor politieke vernieuwing pleitte. Samen met de minister van Onderwijs G. van der Leeuw bleef hij in het kabinet de meest uitgesproken exponent van de doorbraak, die het voor de idealen van de NVB en voor een socialistisch personalisme opnam. De snelle terugkeer van de vooroorlogse partijverhoudingen - vooral van confessionele zijde, gedeeltelijk al vóór de bevrijding, met kracht en succes bevorderd - belette, dat er veel van terechtkwam. Een bundeling van vernieuwingsgroeperingen, met name uit SDAP, VDB en Christelijk Democratische Unie richtten daarom op 9 februari 1946 de Partij van de Arbeid op, als drager van die idealen. Doch de PvdA ontwikkelde zich steeds meer, gedeeltelijk gedwongen en zeker tegen Schermerhorns wens, tot opvolger van de vooroorlogse SDAP dan tot nationale doorbraakpartij. Schermerhorn behoorde tot de oprichters en bleef tot 1961 lid van het partijbestuur. Vanzelf speelde hij een voorname rol in alle belangrijke activiteiten van de regering: de beëindiging van het militair gezag, de reconstructie van de Staten-Generaal; de hele zuivering, de moeilijkheden rond de Eenheidsvak-centrale (EVC) en de grote Rotterdamse havenstakingen in de zomer 1945; de oprichting van het Centraal Planbureau en de Stichting van de Arbeid evenals de nationalisatie van de mijnen. Met zijn maandelijkse 'praatjes op de brug', waarin hij zich via de omroep direct tot de bevolking richtte, en ook in het kabinet zelf introduceerde hij een non-conformistische stijl: een mengsel van kordaat aanpakken en praktisch idealisme, zoals dat tijdens de bezetting in verzetskringen had kunnen ontstaan.
Een vraagstuk van onverwachte overschaduwende betekenis, ook voor zijn persoonlijke loopbaan, werd echter al spoedig de Indonesische kwestie. Deze maakte hem tot één van de felst omstreden politici. Overtuigd van de absurditeit van een herstel van de vooroorlogse verhoudingen en open oog voor het fenomeen van een wereldwijd revolutionair dekolonisatieproces trachtte hij samen met de luitenant-GG dr. H.J. van Mook en de minister van Koloniën J.H.A. Logemann door een soepele politiek van onderhandelingen met de Indonesische nationalisten zowel een gewapend conflict als een volledige losscheuring van Indonesië te voorkomen. Zijn streven was tot een zelfstandig federatief Indonesië in Rijksverband volgens de conceptie van Van Mook te komen. Een tactiek, die door de rechtse oppositiepartijen heftig werd bestreden en die ook bij het merendeel van de bevolking op onbegrip en argwaan stuitte. De positie van het kabinet-Schermerhorn werd bemoeilijkt doordat het niet op een parlementaire meerderheid kon steunen. De verkiezingen in mei 1946 betekenden in feite een 'neen' jegens de doorbraakgedachte en de omstreden Indonesië-politiek en daarom nam Schermerhorn in het nieuwe kabinet-Beel geen zitting meer. Wel nam hij het voorzitterschap op zich van de Commissie-Generaal, die na langdurige onderhandelingen op 15 november 1946 de ontwerp-overeenkomst van Linggadjati met de Indonesische leiders parafeerde, waarbij men het eens werd over een zelfstandige Indonesische federatie, in Unie met Nederland verbonden. Maar nieuwe onlusten leidden tot de eerste militaire actie (21 juli - 4/ 5 augustus 1947), waarmee Schermerhorn tegen zijn geweten instemde, onder druk van partijvoorzitter J.J. Vorrink, die benauwd was voor de val van het katholiek-socialistische kabinet en een terugslag voor de PvdA. De verbitterde kritiek op de Commissie-Generaal en de animositeit jegens de persoon van Schermerhorn droegen er toe bij, dat hij, toen de Commissie ontbonden werd in de herfst 1947, meer op de politieke achtergrond raakte. In een uitvoerig dagboek heeft hij even openhartig als informatief zijn bevindingen als voorzitter van de Commissie-Generaal neergelegd.
In juli 1948 behaalde hij een zetel in de Tweede Kamer voor de PvdA en in 1951 ging hij naar de Eerste Kamer, die hij in 1965 verliet. Vooral de buitenlandse politiek en onderwijszaken hadden in die jaren zijn belangstelling. Na zijn pensionering in 1965 mengde hij zich opnieuw in de tegenstellingen binnen de PvdA en koos de zijde van Nieuw-Links en van de jeugdige vernieuwingsvleugel. Zo betuigde hij ook adhesie aan het pamflet Tien over rood (1966). Op het partijcongres in 1967 hield hij een pleidooi voor meer democratisering binnen de partij. Inmiddels was hij zich na beëindiging van zijn regeringsfuncties ook weer met wetenschappelijk werk bezig gaan houden. Van 1951 tot 1965 (jaar van zijn emeritaat) was hij directeur van het Internationaal Instituut voor luchtkartering te Delft. Verschillende buitenlandse eredoctoraten (Gent, Zürich, Milaan, Glasgow en Hannover) en andere hoge binnen- en buitenlandse onderscheidingen vielen hem in die jaren ten deel.
Zijn maatschappelijke belangstelling had hem al vlak voor de oorlog ook met het vraagstuk van de onderwijsvernieuwing in verbinding gebracht, met name met de Werkplaats van Kees Boeke te Bilthoven. Bij de oprichting van de stichting van die school in 1948, die mede door zijn toedoen tot stand was gekomen, bleek hij de aangewezen voorzitter; een functie, die hij tot 1969 bekleedde. In al die jaren toonde hij zich een krachtig voorvechter van Boekes ideeën.
Schermerhorns betekenis als pionier in de luchtkartering is onbetwist, terwijl zijn politieke rol dat vanzelfsprekend allerminst is gebleven. Toch kan men hier van een pioniersrol spreken, ook al is die hem niet in onverdeelde dankbaarheid afgenomen: pionier als voorstander van de doorbraak, als criticus - voor 1940 al - van het verzuilde parlementaire bestel, maar bovenal als iemand die al spoedig in 1945 begreep, dat slechts erkenning van het Indonesische nationalisme een reële basis bood voor een politiek, die een geweldloze en soepele transformatie van het failliete koloniale bestel naar een vrij, doch met Nederland verbonden Indonesië tot doel had. Dat hij politieke visie had, is later ook door toenmalige opponenten erkend. De verguizing, die hem jarenlang ten deel is gevallen, hing gedeeltelijk stellig samen met het feit, dat de meerderheid ook van de Nederlandse politieke voormannen t.a.v. de Indonesische kwestie deze visie miste. Aan de andere kant was Schermerhorn geen tacticus, geen diplomaat bereid om met gevoeligheden rekening te houden, tenen of belangen te ontzien. Hij hield van een zeer onopgesmukte, doch in zijn openhartigheid ook vaak emotionele en provocatieve aanpak. Zijn democratisch bewustzijn was doortrokken van het besef, dat niet gevestigde instituties en regelingen doch de juiste mensen op de juiste plaats de doorslag geven, die dan ook recht op de nodige bewegingsvrijheid dienen te hebben. Beslissend voor zijn lot als politicus was echter de sterke restauratieve tegenstroom na 1945, die niet de uit het verzet opgekomen vernieuwers maar de tactici en partijmanagers onder de politieke elite begunstigde.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in