Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: StudieLeonard de Gou werd op 22 december 1916 in Den Haag geboren. Zijn ouders waren Rooms-Katholiek en ook hij volgde hun sporen. Daarnaast toonde hij reeds in zijn gymnasiumtijd aan het Haganum belangstelling in archeologie door zelf opgravingen te verrichten in de voormalige Romeinse nederzetting in Ockenburg. In 1936 moest hij door ziekte zijn opleiding echter voltooien aan de Deutsche Ausland-Vollanstalt Fridericianum te Davos. Daarna studeerde hij Welthandel, rechten en wijsbegeerte aan de universiteiten van Wenen, Leuven, Leiden en Amsterdam, waar hij in 1941 zijn doctoraalexamen haalde. In 1943 promoveerde hij in Utrecht op een rechtshistorisch proefschrift over de Weeskamer van 's-Gravenhage. De geschiedenis van de Nederlandse instituties zou hem zijn leven lang bezig houden. In de oorlogHij vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij ook plaatsvervangend griffier aan de arrondissementsrechtbank werd en secretariaatswerkzaamheden verrichtte in verschillende (onder-)afdelingen van de "zelfstandige bedrijfsorganisatie" die in 1940 werd ingesteld tot regeling van het bedrijfsleven in Nederland (de zg. organisatie Woltersom). Gewaarschuwd door het verzet nam hij in 1943 afscheid van dat alles, omdat de Duitse bezettingsmacht voornemens was hem tot voorzitter van een op te richten Economische Raad aan te wijzen. Een bindende arbeidsovereenkomst werd voor hem noodzakelijk om de keuze tussen collaboratie of 'Arbeitseinsatz' te ontlopen; hij accepteerde een betrekking als referendaris aan de provinciale griffie in Drenthe. Daar werd hij actief in het culturele leven en had hij relaties met het verzet. Na de bevrijding publiceerde hij in het blad 'De vrije pers weekblad voor Drente van de voormalige illegalen'. Ook was hij betrokken bij de regionale geschiedenis, echter zonder in staat te zijn zijn studies te publiceren. Na de oorlogNa de oorlog werd hij actief in de partijpolitiek: hij geldt als een van de oprichters van de Katholieke Volkspartij, waar hij het initiatief nam tot een jongerenbeweging. In die kwaliteit had hij tot 1948 zitting in "de dagelijkse partijleiding", die periodiek in Den Haag vergaderde. Tot 1953 zat hij in het bestuur. Zijn verdere bijdrage tot de partij was de Nederlandse vertegenwoordiging in de Nouvelles Equipes Internationales, een gezamenlijke vergadering van partijen op Christelijke grondslag, die zich beschouwden als tegenhanger van de Socialistische Internationale. Ook was hij betrokken bij initiatieven voor de - mede door de Marshallhulp gestimuleerde - Europese samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de door de KVP-er P.A. Kersten mede georganiseerde Europese conferentie in Den Haag. In 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van het Noord-Brabantse Steenbergen, waar hij tevens zitting nam in de besturen van de daar werkzame waterschappen en enkele belangrijke verenigingen. Zo was hij betrokken bij het overleg over de waterwegverbinding tussen de Schelde en de Rijn, een kwestie die reeds vóór de oorlog een geschilpunt was tussen Nederland en België. Hij knoopte nauwe banden aan met het Franse Sedan, dat Steenbergen adopteerde als slachtoffer van de watersnood van 1953. Zijn kennis van het administratief recht paste hij toe door voor de Vereniging van Gemeenten te publiceren over de gemeentelijke bestuursorganen; zijn partij maakte van zijn kennis gebruik door hem te benoemen tot redacteur van het partijorgaan De gemeenteraad. In 1954 werd hij wegens zijn behartiging van West-Brabantse belangen voor de KVP verkozen in de provinciale staten van Noord-Brabant. Dit werd voor hem de opstap voor de verkiezing tot lid van de Eerste Kamer een jaar later. Deze uitverkiezing betekende meteen het einde van zijn activiteiten voor het partijbestuur; dit lidmaatschap was onverenigbaar met zijn rol als volksvertegenwoordiger. Nu diende het partijbestuur nog als relatie voor zijn sollicitaties, vooral toen hij zich als burgemeester van Steenbergen beijverde een hogere post te bereiken. Lid van de Eerste KamerAls Eerste Kamerlid specialiseerde De Gou zich in het defensiebeleid. Hij was in 1958 de woordvoerder voor de KVP toen deze partij via de Eerste Kamer met een motie van wantrouwen het ontslag afdwong van staatssecretaris F.J. Kranenburg wegens de indertijd beruchte "Helmenaffaire". Ook nam hij het op voor de Schelde-Rijnverbinding tegen F.C. Gerretson, een verklaard tegenstander, die reeds in 1924 in een comité met Mussert daartegen actie had gevoerd. Als Kamerlid had hij zitting in allerlei internationale delegaties, waaronder organen van de Benelux en de Europese Gemeenschappen - parlementen van deze organen werden toen niet rechtstreeks gekozen, maar afgevaardigd uit parlementen van de lidstaten -, de Raad van Europa, de West-Europese Unie en de NAVO. In 1962 leverde hij een bijdrage aan de vredesbesprekingen tussen Nederland en Indonesië inzake Nieuw-Guinea door zijn contacten met Indonesische familierelaties. In 1963 stelde De Gou zich niet meer herkiesbaar. Burgemeesterschap Venlo en HaarlemHij was inmiddels vanaf 1957 burgemeester van Venlo, dat sterke banden aanhaalde met enkele steden in de Duitse Bondsrepubliek. Dat lag in de visie van Venlo als internationaal knooppunt in het Europa zonder grenzen. Hartelijke relaties had De Gou met het Oostenrijkse Klagenfurt, welke samenwerking uitliep op de toekenning van het kruis van verdienste te Oostenrijk. Door Gedeputeerde Staten van Limburg benoemd in de provinciale planologische commissie en andere organen kon de Gou invloed uitoefenen op de ruimtelijke ordening en de infrastructuur van Noord-Limburg. Verder legde hij de grondslag voor een plaatselijk museumbeleid door de oprichting van het Goltziusmuseum, dat thans tot het Limburgs Museum is uitgegroeid. In 1969 werd De Gou benoemd tot burgemeester van Haarlem. In de hoofdstad van Noord-Holland legde hij zich meer en meer toe op het cultuurbeleid. In de stad was de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen gevestigd; waarvan hij achtereenvolgens directeur, bestuurslid en van 1979 tot 1985 voorzitter van het bestuur was. Als burgemeester haalde hij herhaaldelijk de landelijke pers door zijn uitgesproken stellingname voor decorum. Berucht werden zijn weigeringen tot het bijwonen van galavoorstellingen uit protest: omdat het volkslied niet werd gespeeld of het koninklijk huis zou zijn gekwetst[1]. Hij trad terug als president-regent van het Elisabeth-gasthuis toen bleek dat de toen nog illegale abortus de gynaecologische afdeling tot de financieel sterkste afdeling van het ziekenhuis maakte. Aan strafbare feiten wilde hij niet meewerken; hij geloofde in democratie, maar niet in gedoogbeleid. In 1974 zegde hij - evenwel eerst nadat hij tot driemaal toe getracht had daarover met het bestuur der K.V.P in discussie te gaan - zijn partijlidmaatschap op wegens de steun van de fractie aan de Machtigingswet van het kabinet-Den Uyl, In 1976 was hij om gezondheidsredenen genoodzaakt af te treden als burgemeester van Haarlem; het jaar daarop nam hij afscheid. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte[1]. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer StudieLeonard de Gou werd op 22 december 1916 in Den Haag geboren. Zijn ouders waren Rooms-Katholiek en ook hij volgde hun sporen. Daarnaast toonde hij reeds in zijn gymnasiumtijd aan het Haganum belangstelling in archeologie door zelf opgravingen te verrichten in de voormalige Romeinse nederzetting in Ockenburg. In 1936 moest hij door ziekte zijn opleiding echter voltooien aan de Deutsche Ausland-Vollanstalt Fridericianum te Davos. Daarna studeerde hij Welthandel, rechten en wijsbegeerte aan de universiteiten van Wenen, Leuven, Leiden en Amsterdam, waar hij in 1941 zijn doctoraalexamen haalde. In 1943 promoveerde hij in Utrecht op een rechtshistorisch proefschrift over de Weeskamer van 's-Gravenhage. De geschiedenis van de Nederlandse instituties zou hem zijn leven lang bezig houden.

In de oorlogHij vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij ook plaatsvervangend griffier aan de arrondissementsrechtbank werd en secretariaatswerkzaamheden verrichtte in verschillende (onder-)afdelingen van de "zelfstandige bedrijfsorganisatie" die in 1940 werd ingesteld tot regeling van het bedrijfsleven in Nederland (de zg. organisatie Woltersom). Gewaarschuwd door het verzet nam hij in 1943 afscheid van dat alles, omdat de Duitse bezettingsmacht voornemens was hem tot voorzitter van een op te richten Economische Raad aan te wijzen. Een bindende arbeidsovereenkomst werd voor hem noodzakelijk om de keuze tussen collaboratie of 'Arbeitseinsatz' te ontlopen; hij accepteerde een betrekking als referendaris aan de provinciale griffie in Drenthe. Daar werd hij actief in het culturele leven en had hij relaties met het verzet. Na de bevrijding publiceerde hij in het blad 'De vrije pers weekblad voor Drente van de voormalige illegalen'. Ook was hij betrokken bij de regionale geschiedenis, echter zonder in staat te zijn zijn studies te publiceren.

Na de oorlogNa de oorlog werd hij actief in de partijpolitiek: hij geldt als een van de oprichters van de Katholieke Volkspartij, waar hij het initiatief nam tot een jongerenbeweging. In die kwaliteit had hij tot 1948 zitting in "de dagelijkse partijleiding", die periodiek in Den Haag vergaderde. Tot 1953 zat hij in het bestuur. Zijn verdere bijdrage tot de partij was de Nederlandse vertegenwoordiging in de Nouvelles Equipes Internationales, een gezamenlijke vergadering van partijen op Christelijke grondslag, die zich beschouwden als tegenhanger van de Socialistische Internationale. Ook was hij betrokken bij initiatieven voor de - mede door de Marshallhulp gestimuleerde - Europese samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de door de KVP-er P.A. Kersten mede georganiseerde Europese conferentie in Den Haag.
In 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van het Noord-Brabantse Steenbergen, waar hij tevens zitting nam in de besturen van de daar werkzame waterschappen en enkele belangrijke verenigingen. Zo was hij betrokken bij het overleg over de waterwegverbinding tussen de Schelde en de Rijn, een kwestie die reeds vóór de oorlog een geschilpunt was tussen Nederland en België. Hij knoopte nauwe banden aan met het Franse Sedan, dat Steenbergen adopteerde als slachtoffer van de watersnood van 1953. Zijn kennis van het administratief recht paste hij toe door voor de Vereniging van Gemeenten te publiceren over de gemeentelijke bestuursorganen; zijn partij maakte van zijn kennis gebruik door hem te benoemen tot redacteur van het partijorgaan De gemeenteraad. In 1954 werd hij wegens zijn behartiging van West-Brabantse belangen voor de KVP verkozen in de provinciale staten van Noord-Brabant. Dit werd voor hem de opstap voor de verkiezing tot lid van de Eerste Kamer een jaar later. Deze uitverkiezing betekende meteen het einde van zijn activiteiten voor het partijbestuur; dit lidmaatschap was onverenigbaar met zijn rol als volksvertegenwoordiger. Nu diende het partijbestuur nog als relatie voor zijn sollicitaties, vooral toen hij zich als burgemeester van Steenbergen beijverde een hogere post te bereiken.

Lid van de Eerste KamerAls Eerste Kamerlid specialiseerde De Gou zich in het defensiebeleid. Hij was in 1958 de woordvoerder voor de KVP toen deze partij via de Eerste Kamer met een motie van wantrouwen het ontslag afdwong van staatssecretaris F.J. Kranenburg wegens de indertijd beruchte "Helmenaffaire". Ook nam hij het op voor de Schelde-Rijnverbinding tegen F.C. Gerretson, een verklaard tegenstander, die reeds in 1924 in een comité met Mussert daartegen actie had gevoerd. Als Kamerlid had hij zitting in allerlei internationale delegaties, waaronder organen van de Benelux en de Europese Gemeenschappen - parlementen van deze organen werden toen niet rechtstreeks gekozen, maar afgevaardigd uit parlementen van de lidstaten -, de Raad van Europa, de West-Europese Unie en de NAVO. In 1962 leverde hij een bijdrage aan de vredesbesprekingen tussen Nederland en Indonesië inzake Nieuw-Guinea door zijn contacten met Indonesische familierelaties. In 1963 stelde De Gou zich niet meer herkiesbaar.

Burgemeesterschap Venlo en HaarlemHij was inmiddels vanaf 1957 burgemeester van Venlo, dat sterke banden aanhaalde met enkele steden in de Duitse Bondsrepubliek. Dat lag in de visie van Venlo als internationaal knooppunt in het Europa zonder grenzen. Hartelijke relaties had De Gou met het Oostenrijkse Klagenfurt, welke samenwerking uitliep op de toekenning van het kruis van verdienste te Oostenrijk. Door Gedeputeerde Staten van Limburg benoemd in de provinciale planologische commissie en andere organen kon de Gou invloed uitoefenen op de ruimtelijke ordening en de infrastructuur van Noord-Limburg. Verder legde hij de grondslag voor een plaatselijk museumbeleid door de oprichting van het Goltziusmuseum, dat thans tot het Limburgs Museum is uitgegroeid.
In 1969 werd De Gou benoemd tot burgemeester van Haarlem. In de hoofdstad van Noord-Holland legde hij zich meer en meer toe op het cultuurbeleid. In de stad was de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen gevestigd; waarvan hij achtereenvolgens directeur, bestuurslid en van 1979 tot 1985 voorzitter van het bestuur was. Als burgemeester haalde hij herhaaldelijk de landelijke pers door zijn uitgesproken stellingname voor decorum. Berucht werden zijn weigeringen tot het bijwonen van galavoorstellingen uit protest: omdat het volkslied niet werd gespeeld of het koninklijk huis zou zijn gekwetst[1]. Hij trad terug als president-regent van het Elisabeth-gasthuis toen bleek dat de toen nog illegale abortus de gynaecologische afdeling tot de financieel sterkste afdeling van het ziekenhuis maakte. Aan strafbare feiten wilde hij niet meewerken; hij geloofde in democratie, maar niet in gedoogbeleid.
In 1974 zegde hij - evenwel eerst nadat hij tot driemaal toe getracht had daarover met het bestuur der K.V.P in discussie te gaan - zijn partijlidmaatschap op wegens de steun van de fractie aan de Machtigingswet van het kabinet-Den Uyl, In 1976 was hij om gezondheidsredenen genoodzaakt af te treden als burgemeester van Haarlem; het jaar daarop nam hij afscheid.

Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde.
De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie.
Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na.
De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba.
Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken.

Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde.
De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte[1]. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie.
Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na.
De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba.
Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in