Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: 1. Jean Baptiste Dumonceau (1760-1821)Jean Baptiste Dumonceau, geboren 7 november 1760 in Brussel als zoon van Petrus Dumonceau en Catharina van der Meiren, was oorspronkelijk meestersteenhouwer van beroep. Als zodanig wordt hij vermeld in de overlijdensakte van zijn eerste vrouw, Anna Maria Apollonia Colinet, geboren in Macon bij Chimay op 25 december 1758, gehuwd op 5 mei 1782 en overleden op 14 juni 1793 in Brussel. Jean Baptiste hertrouwde op 22 mei 1796 in Groningen met Agnes Wilhelmina Cornelia Cremers, geboren aldaar op 27 maart 1777 als dochter van Jacobus Cremers en Maria Lucia Heerkens en overleden te Brussel op 7 januari 1850. Dumonceau voelde zich meer aangetrokken tot de krijgskunst dan tot het bouwvak. Vandaar dat hij op 17 december 1789 door de staten van Brabant een compagnie kreeg toegewezen. Als krijgsman was hij van nut voor de Belgische patriotten, die tijdens de Brabantse revolutie van Jean François Vonk en Henri van der Noot de overwinning behaalden. Deze patriotten hielden ook bijeenkomsten op Staatsgrondgebied, o.a. in Breda, Princenhage en Zundert, waar zij door raadpensionaris Van de Spiegel in dank voor de vrijheid, die door de Oostenrijkse Nederlanden aan Hollandse uitgewekenen werd geboden, werden geduld; zij moesten zich echter van wapenhandel onthouden. Tijdens de opstand voegde Dumonceau zich bij het vrijwilligersleger in Diest, dat zojuist na de verovering van Turnhout door generaal Van der Mersch was bezet, en ontving het commando over een corps lichte infanterie. Deze vrijwilligers kregen weldra, vanwege hun geel tenue, de bijnaam van "les Canaris"; de kanarie komt ook op het wapen van de Dumonceau's voor. Na de terugtrekking van de Oostenrijkse legers ging dit eerste Belgische leger, dat ontevreden was over het verloop van de opstand en bovendien door de groep van Van der Noot kwalijk werd geduld, uiteen: enkelen weken uit naar Rijssel en Dowaai, waaronder Dumonceau, en werden daar voor het Franse leger geworven. Hun aanvoerder, de ontstuimige prins de Béthune-Charost, zou weldra op 25-jarige leeftijd onder de guillotine sterven. In juni 1792 trekt Dumonceau met het leger van Dumouriez en Pichegru naar België en Holland. Daar werd hem op 7 maart 1795 door Pichegru, dan "général en chef van het Noordelijk leger", het commando over Den Haag overgedragen. In mei 1795 ging hij over in Bataafse dienst, waar hij op 11 juni 1795 tot luitenant-generaal werd benoemd. Bij de Engels-Russische inval van 1799 in Noord-Holland weet hij zich zodanig te onderscheiden, dat koning Lodewijk Napoleon hem in april 1810 zou vereren met de titel van graaf van Bergerduin. In het Frans-Bataafse leger neemt hij vervolgens onder maarschalk Pierre François Charles Augerau o.m. deel aan de veldslagen bij Hohenlinde en Würzburg. Daarna had hij het bevel over de Bataafse divisie in het kamp te Zeist, in 1804 door Auguste Frédéric Louis Marmont, hertog van Raguse, opgericht om het Bataafse en Franse leger in onder te brengen, dat bestemd was voor Napoleons voorgenomen invasie in Engeland. In 1805 vertrekt hij vanuit Zeist naar Oostenrijk, waar hij zich onder bevel van maarschalk Adolphe Edouard Mortier, hertog van Trévise, onderscheidt bij de overtocht van de Donau. Op 21 december 1806 benoemde Lodewijk Napoleon hem tot maarschalk van Holland; dit werd hem bericht bij brief van de Koning van 3 januari 1807 (zie inv. nr. 4, brief nr. 409). Tijdens de inval van de Engelsen op Walcheren in 1809 vocht hij onder Jean Baptiste Bernadotte. Ook maakte hij de tocht naar Rusland en de slagen bij Kulm, Lützen en Bautzen mee. Op 11 november 1813 capituleerde bij Dresden het corps van maarschalk de Gouvion-Saint Cyr, waaronder hij diende. Nadat aanvankelijk vrije ongewapende aftocht in etappes was toegezegd, werd op bevel van keizer Alexander bij monde van generaal Klenau het reeds oprukkende garnizoen krijgsgevangen verklaard. Dumonceau verbleef in deze situatie tot 14 juni 1814 in Bohemen, vanwaar hij naar zijn familie vertrok in Mézières. Twintig uur na zijn aankomst aldaar vertrok hij naar Parijs om daar zijn opwachting te maken bij Willem I; de souvereine vorst had echter deze stad weer verlaten. Hij bleef in Franse dienst, omdat hij inmiddels vernam, dat de directeur-generaal van oorlog, generaal Janssens, reeds diverse officieren had uitgenodigd om naar Holland terug te keren, waaruit hij de conclusie trok, dat men hem als vreemdeling beschouwde. Toen Napoleon in 1815 weer Frankrijk binnenviel, bood hij hem zijn diensten aan. Hij werd naar Parijs geroepen door Davout, prins van Eckmuhl, toen minister van Oorlog maar verkoos zijn commando van de 2e militaire divisie in Mézières boven een door Napoleon aangeboden post. Nadat de stad in juni 1815 door de geallieerde legers was ingenomen, vertrok hij naar Parijs om zijn ontslag aan te vragen. In 1816 verhuisde hij met zijn gezin naar Vorst (Forest) bij Brussel, waar hij zijn oorspronkelijke beroep van steenhouwer weer opnam. In 1820 werd hij afgevaardigde voor Zuid-Brabant in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In datzelfde jaar werd hij bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1820 nr. 24 tot de Nederlandse adelstand toegelaten met de titel van graaf bij eerstgeboorte. Bij zijn verheffing tot "comte de l'Empire" door keizer Napoleon bij decreet van 2 mei 1811 was zijn titel graaf van Bergenduin reeds veranderd in graaf van Bergendal. Deze naam is echter alleen in de Belgische tak van de familie blijven voortbestaan. Jean Baptiste graaf Dumonceau overleed in Brussel op 29 december 1821. 2. Jean François Dumonceau (1790-1884)Jean François Dumonceau werd op 1 maart 1790 te Brussel geboren als zoon van Jean Baptiste Dumonceau en diens eerste vrouw Anna Maria Apollonia Colinet. Op 13 januari 1819 trouwde hij met Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé. Als kanonnier trad hij in Bataafse dienst bij het 4e bataljon artillerie. In 1805 werd hij - 15 jaar oud - benoemd tot 2e luitenant bij het regiment Bataafse dragonders. Na de inlijving van 1810 ging hij over in Franse dienst, zodat hij in 1812 als ritmeester de tocht naar Rusland meemaakte. Op 9 november 1813 werd hij eervol uit Franse dienst ontslagen; in Nederland teruggekeerd trad hij eerst op 19 februari 1815 weer in actieve dienst als majoor bij het 6e regiment huzaren. Hij bracht het tot adjudant van de prins van Oranje (10 augustus 1827) en tot luitenant-kolonel (25 maart 1831). Als zodanig nam hij deel aan de l0-daagse veldtocht. Op 25 mei 1854 volgde zijn benoeming tot chef van het Militaire Huis van de Koning in welke betrekking hij op 9 september 1854 werd gepensioneerd. Op 1 maart 1884 overleed hij in Den Haag. 3. Charles Henri Felix Dumonceau (1827-1918)Charles Henri Felix Dumonceau, zoon van Jean François Dumonceau en Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, werd op 16 november 1827 in Doornik geboren. Op 4 oktober 1854 trouwde hij in Parijs met Sophie Félice de Forestier. Na zijn benoeming tot page bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1843, nr. 51, werd hij op drie augustus van datzelfde jaar kadet bij de infanterie en in september 1843 leerling aan de K.M.A. te Breda. Via de rang van korporaal (30 september 1846), tweede luitenant (bij het 5e regiment infanterie, 7 juli 1847) klom hij op tot ordonnans-officier van Koning Willem III (9 oktober 1849). Daarna volgde zijn overplaatsing naar het bataljon grenadiers en jagers in 1852 en zijn benoeming tot eerste luitenant bij het 6 regiment infanterie in juli 1853. Bij Koninklijk Besluit van 4 november 1853, nr 7.7, werd hij wederom aangesteld als ordonnans-officier bij de Koning, welke post hij behield tot 1857, toen zijn benoeming volgde tot 's Konings adjudant bij de "Groote Staf" bij Koninklijk Besluit van 2 november 1857, nr. 19. Na diens dood diende hij in deze functie ook Koningin Wilhelmina, die hem in 1891 aanstelde tot chef van het Militaire Huis van de Koningin. Hij bekleedde deze functie tot zijn overlijden op 6 augustus 1918 in Den Haag. 4. Joseph Henri Felix Dumonceau (1859-1952)Diens zoon Joseph Henri Felix Dumonceau werd in Den Haag geboren op 22 augustus 1859. Op 31 juli 1900 trouwde hij aldaar met Idzardina Juliana Frederika de Constant Rebecque. Hij begon zijn loopbaan als vrijwilliger in het regiment grenadiers en jagers op 4 oktober 1877, waar hij een jaar later korporaal werd en in datzelfde jaar grenadier op eigen verzoek. Op 3 december 1884 klom hij op tot tweede luitenant bij het 8e regiment infanterie, in 1890 tot 1e luitenant. Bij Koninklijk Besluit van 2 mei 1890, nr. 56, benoemde Koning Willem III hem tot zijn ordonnans-officier en op 27 april 1891 trad hij in deze functie bij Koningin Wilhelmina in dienst. Op 16 december 1901 volgde na eervolle ontheffing uit de bestaande betrekking, zijn benoeming tot kapitein bij het 8e regiment infanterie. Bij Koninklijk Besluit van 31 december 1903, werd hij benoemd tot adjudant van de Koningin en in verband daarmee overgeplaatst naar de "Groote Staf". Hij overleed in Barneveld in 1952. 5. Aanverwante geslachtenVan het geslacht d' Aubremé, waarvan de stukken vermoedelijk via de echtgenote van Jean François Dumonceau, Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, in het archief Dumonceau zijn gekomen, zijn van Alexander Charles Joseph Ghisbin d' Aubremé de meeste stukken bewaard. Deze werd op 17 juni 1773 in Brussel geboren als zoon van Charles François Joseph Laurent d' Aubremé en Anne Marie Léonard. Hij was gehuwd met Amélie Caroline Ballet, geadopteerde dochter van Pierre Jean François Dubois Dubais. In het wijnkopershuis van zijn ouders vonden soms geheime Belgische Patriottische bijeenkomsten plaats; het was dus geen wonder dat hij de ziel van deze beweging werd en a.h.w. een wapenbroeder was van Jean Baptiste Dumonceau. In 1792 treft men hem aan als 2e luitenant bij het regiment Infanterie in Franse dienst, achtereenvolgens onder de generaals Dumouriez, Custine, Houchard en Pichegru. Evenals Jean Baptiste Dumonceau trok hij met laatstgenoemde de Republiek der Vereenigde Nederlanden binnen, trad hij in 1795 in dienst van de Bataafse republiek en keerde na de inlijving van 1810 weer in Franse dienst terug. In 1813 nam hij deel aan de slag bij Lutzen. In oktober 1814 meldde hij zich aan voor Nederlandse dienst, waarna hij vocht in de slag bij Waterloo. Van 1819 tot 1826 was hij commissaris-generaal van Oorlog. In het jaar van zijn eervol ontslag werd hij in de adelstand verheven met de titel van graaf. (16 juni 1826). Op 13 februari 1835 overleed hij in Aken.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer 1. Jean Baptiste Dumonceau (1760-1821)Jean Baptiste Dumonceau, geboren 7 november 1760 in Brussel als zoon van Petrus Dumonceau en Catharina van der Meiren, was oorspronkelijk meestersteenhouwer van beroep. Als zodanig wordt hij vermeld in de overlijdensakte van zijn eerste vrouw, Anna Maria Apollonia Colinet, geboren in Macon bij Chimay op 25 december 1758, gehuwd op 5 mei 1782 en overleden op 14 juni 1793 in Brussel. Jean Baptiste hertrouwde op 22 mei 1796 in Groningen met Agnes Wilhelmina Cornelia Cremers, geboren aldaar op 27 maart 1777 als dochter van Jacobus Cremers en Maria Lucia Heerkens en overleden te Brussel op 7 januari 1850.
Dumonceau voelde zich meer aangetrokken tot de krijgskunst dan tot het bouwvak. Vandaar dat hij op 17 december 1789 door de staten van Brabant een compagnie kreeg toegewezen. Als krijgsman was hij van nut voor de Belgische patriotten, die tijdens de Brabantse revolutie van Jean François Vonk en Henri van der Noot de overwinning behaalden. Deze patriotten hielden ook bijeenkomsten op Staatsgrondgebied, o.a. in Breda, Princenhage en Zundert, waar zij door raadpensionaris Van de Spiegel in dank voor de vrijheid, die door de Oostenrijkse Nederlanden aan Hollandse uitgewekenen werd geboden, werden geduld; zij moesten zich echter van wapenhandel onthouden. Tijdens de opstand voegde Dumonceau zich bij het vrijwilligersleger in Diest, dat zojuist na de verovering van Turnhout door generaal Van der Mersch was bezet, en ontving het commando over een corps lichte infanterie. Deze vrijwilligers kregen weldra, vanwege hun geel tenue, de bijnaam van "les Canaris"; de kanarie komt ook op het wapen van de Dumonceau's voor. Na de terugtrekking van de Oostenrijkse legers ging dit eerste Belgische leger, dat ontevreden was over het verloop van de opstand en bovendien door de groep van Van der Noot kwalijk werd geduld, uiteen: enkelen weken uit naar Rijssel en Dowaai, waaronder Dumonceau, en werden daar voor het Franse leger geworven. Hun aanvoerder, de ontstuimige prins de Béthune-Charost, zou weldra op 25-jarige leeftijd onder de guillotine sterven.
In juni 1792 trekt Dumonceau met het leger van Dumouriez en Pichegru naar België en Holland. Daar werd hem op 7 maart 1795 door Pichegru, dan "général en chef van het Noordelijk leger", het commando over Den Haag overgedragen. In mei 1795 ging hij over in Bataafse dienst, waar hij op 11 juni 1795 tot luitenant-generaal werd benoemd. Bij de Engels-Russische inval van 1799 in Noord-Holland weet hij zich zodanig te onderscheiden, dat koning Lodewijk Napoleon hem in april 1810 zou vereren met de titel van graaf van Bergerduin. In het Frans-Bataafse leger neemt hij vervolgens onder maarschalk Pierre François Charles Augerau o.m. deel aan de veldslagen bij Hohenlinde en Würzburg. Daarna had hij het bevel over de Bataafse divisie in het kamp te Zeist, in 1804 door Auguste Frédéric Louis Marmont, hertog van Raguse, opgericht om het Bataafse en Franse leger in onder te brengen, dat bestemd was voor Napoleons voorgenomen invasie in Engeland. In 1805 vertrekt hij vanuit Zeist naar Oostenrijk, waar hij zich onder bevel van maarschalk Adolphe Edouard Mortier, hertog van Trévise, onderscheidt bij de overtocht van de Donau.
Op 21 december 1806 benoemde Lodewijk Napoleon hem tot maarschalk van Holland; dit werd hem bericht bij brief van de Koning van 3 januari 1807 (zie inv. nr. 4, brief nr. 409). Tijdens de inval van de Engelsen op Walcheren in 1809 vocht hij onder Jean Baptiste Bernadotte. Ook maakte hij de tocht naar Rusland en de slagen bij Kulm, Lützen en Bautzen mee. Op 11 november 1813 capituleerde bij Dresden het corps van maarschalk de Gouvion-Saint Cyr, waaronder hij diende. Nadat aanvankelijk vrije ongewapende aftocht in etappes was toegezegd, werd op bevel van keizer Alexander bij monde van generaal Klenau het reeds oprukkende garnizoen krijgsgevangen verklaard. Dumonceau verbleef in deze situatie tot 14 juni 1814 in Bohemen, vanwaar hij naar zijn familie vertrok in Mézières. Twintig uur na zijn aankomst aldaar vertrok hij naar Parijs om daar zijn opwachting te maken bij Willem I; de souvereine vorst had echter deze stad weer verlaten. Hij bleef in Franse dienst, omdat hij inmiddels vernam, dat de directeur-generaal van oorlog, generaal Janssens, reeds diverse officieren had uitgenodigd om naar Holland terug te keren, waaruit hij de conclusie trok, dat men hem als vreemdeling beschouwde. Toen Napoleon in 1815 weer Frankrijk binnenviel, bood hij hem zijn diensten aan. Hij werd naar Parijs geroepen door Davout, prins van Eckmuhl, toen minister van Oorlog maar verkoos zijn commando van de 2e militaire divisie in Mézières boven een door Napoleon aangeboden post. Nadat de stad in juni 1815 door de geallieerde legers was ingenomen, vertrok hij naar Parijs om zijn ontslag aan te vragen.
In 1816 verhuisde hij met zijn gezin naar Vorst (Forest) bij Brussel, waar hij zijn oorspronkelijke beroep van steenhouwer weer opnam. In 1820 werd hij afgevaardigde voor Zuid-Brabant in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In datzelfde jaar werd hij bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1820 nr. 24 tot de Nederlandse adelstand toegelaten met de titel van graaf bij eerstgeboorte. Bij zijn verheffing tot "comte de l'Empire" door keizer Napoleon bij decreet van 2 mei 1811 was zijn titel graaf van Bergenduin reeds veranderd in graaf van Bergendal. Deze naam is echter alleen in de Belgische tak van de familie blijven voortbestaan.
Jean Baptiste graaf Dumonceau overleed in Brussel op 29 december 1821.

2. Jean François Dumonceau (1790-1884)Jean François Dumonceau werd op 1 maart 1790 te Brussel geboren als zoon van Jean Baptiste Dumonceau en diens eerste vrouw Anna Maria Apollonia Colinet. Op 13 januari 1819 trouwde hij met Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé.
Als kanonnier trad hij in Bataafse dienst bij het 4e bataljon artillerie. In 1805 werd hij - 15 jaar oud - benoemd tot 2e luitenant bij het regiment Bataafse dragonders. Na de inlijving van 1810 ging hij over in Franse dienst, zodat hij in 1812 als ritmeester de tocht naar Rusland meemaakte. Op 9 november 1813 werd hij eervol uit Franse dienst ontslagen; in Nederland teruggekeerd trad hij eerst op 19 februari 1815 weer in actieve dienst als majoor bij het 6e regiment huzaren. Hij bracht het tot adjudant van de prins van Oranje (10 augustus 1827) en tot luitenant-kolonel (25 maart 1831). Als zodanig nam hij deel aan de l0-daagse veldtocht. Op 25 mei 1854 volgde zijn benoeming tot chef van het Militaire Huis van de Koning in welke betrekking hij op 9 september 1854 werd gepensioneerd. Op 1 maart 1884 overleed hij in Den Haag.

3. Charles Henri Felix Dumonceau (1827-1918)Charles Henri Felix Dumonceau, zoon van Jean François Dumonceau en Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, werd op 16 november 1827 in Doornik geboren. Op 4 oktober 1854 trouwde hij in Parijs met Sophie Félice de Forestier.
Na zijn benoeming tot page bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1843, nr. 51, werd hij op drie augustus van datzelfde jaar kadet bij de infanterie en in september 1843 leerling aan de K.M.A. te Breda. Via de rang van korporaal (30 september 1846), tweede luitenant (bij het 5e regiment infanterie, 7 juli 1847) klom hij op tot ordonnans-officier van Koning Willem III (9 oktober 1849). Daarna volgde zijn overplaatsing naar het bataljon grenadiers en jagers in 1852 en zijn benoeming tot eerste luitenant bij het 6 regiment infanterie in juli 1853. Bij Koninklijk Besluit van 4 november 1853, nr 7.7, werd hij wederom aangesteld als ordonnans-officier bij de Koning, welke post hij behield tot 1857, toen zijn benoeming volgde tot 's Konings adjudant bij de "Groote Staf" bij Koninklijk Besluit van 2 november 1857, nr. 19. Na diens dood diende hij in deze functie ook Koningin Wilhelmina, die hem in 1891 aanstelde tot chef van het Militaire Huis van de Koningin. Hij bekleedde deze functie tot zijn overlijden op 6 augustus 1918 in Den Haag.

4. Joseph Henri Felix Dumonceau (1859-1952)Diens zoon Joseph Henri Felix Dumonceau werd in Den Haag geboren op 22 augustus 1859. Op 31 juli 1900 trouwde hij aldaar met Idzardina Juliana Frederika de Constant Rebecque.
Hij begon zijn loopbaan als vrijwilliger in het regiment grenadiers en jagers op 4 oktober 1877, waar hij een jaar later korporaal werd en in datzelfde jaar grenadier op eigen verzoek. Op 3 december 1884 klom hij op tot tweede luitenant bij het 8e regiment infanterie, in 1890 tot 1e luitenant. Bij Koninklijk Besluit van 2 mei 1890, nr. 56, benoemde Koning Willem III hem tot zijn ordonnans-officier en op 27 april 1891 trad hij in deze functie bij Koningin Wilhelmina in dienst. Op 16 december 1901 volgde na eervolle ontheffing uit de bestaande betrekking, zijn benoeming tot kapitein bij het 8e regiment infanterie. Bij Koninklijk Besluit van 31 december 1903, werd hij benoemd tot adjudant van de Koningin en in verband daarmee overgeplaatst naar de "Groote Staf". Hij overleed in Barneveld in 1952.

5. Aanverwante geslachtenVan het geslacht d' Aubremé, waarvan de stukken vermoedelijk via de echtgenote van Jean François Dumonceau, Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, in het archief Dumonceau zijn gekomen, zijn van Alexander Charles Joseph Ghisbin d' Aubremé de meeste stukken bewaard. Deze werd op 17 juni 1773 in Brussel geboren als zoon van Charles François Joseph Laurent d' Aubremé en Anne Marie Léonard. Hij was gehuwd met Amélie Caroline Ballet, geadopteerde dochter van Pierre Jean François Dubois Dubais. In het wijnkopershuis van zijn ouders vonden soms geheime Belgische Patriottische bijeenkomsten plaats; het was dus geen wonder dat hij de ziel van deze beweging werd en a.h.w. een wapenbroeder was van Jean Baptiste Dumonceau. In 1792 treft men hem aan als 2e luitenant bij het regiment Infanterie in Franse dienst, achtereenvolgens onder de generaals Dumouriez, Custine, Houchard en Pichegru. Evenals Jean Baptiste Dumonceau trok hij met laatstgenoemde de Republiek der Vereenigde Nederlanden binnen, trad hij in 1795 in dienst van de Bataafse republiek en keerde na de inlijving van 1810 weer in Franse dienst terug. In 1813 nam hij deel aan de slag bij Lutzen. In oktober 1814 meldde hij zich aan voor Nederlandse dienst, waarna hij vocht in de slag bij Waterloo. Van 1819 tot 1826 was hij commissaris-generaal van Oorlog. In het jaar van zijn eervol ontslag werd hij in de adelstand verheven met de titel van graaf. (16 juni 1826). Op 13 februari 1835 overleed hij in Aken.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in