Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: De oudste geschiedenis van de familie Veegens is op een levendige manier beschreven in de "Herinneringen uit het begin dezer eeuw" door de negentiende-eeuwse historicus Daniel Veegens. Te zijner nagedachtenis werd zij, fragmentarisch als zij was, opgenomen in een bundel Historische Studiën, die kort na zijn overlijden in 1884 werd uitgegeven. In 1979 voltooide zijn kleinzoon mr D.J. Veegens een handgeschreven genealogie onder de titel Vier eeuwen Veegens, waarin van de voornaamste personen levensbeschrijvingen zijn opgenomen. De eerste Veegens waarvan papieren bewaard zijn gebleven, is Dirk (1723-1797), gereformeerd predikant in Ilpendam, Vlissingen en Haarlem, die naast zijn herderlijk ambt ook letterkundige arbeid verrichtte. Zijn zoon Dirk (1762-1801) vestigde zich als arts in Haarlem en zou daar een gezagvolle notabele zijn geworden, als hij niet vroegtijdig aan een tyfus-epidemie was bezweken. Zijn echtgenote, Johanna Wilhelmina Vijgh (1772-1806), hertrouwde kort daarop met Pieter Hamminck Schepel, adjudant van Daendels. In 1806 stierf zij in het kraambed. Haar man kwam in 1812 om tijdens de veldtocht van Napoleon naar Rusland. Haar vroeg verweesde kinderen kwamen nu onder de zorg van haar moeder, Maria Vriends, weduwe van de boekdrukker Daniël Vijgh (1748-1793). Daniël was afkomstig van een oorspronkelijk doopsgezinde familie, waarvan de nakomelingen in de achttiende eeuw zich toelegden op de letterkunde en zich aansloten bij de patriotten. De eruditie van deze familie was van grote invloed op de opvoeding van de kinderen Veegens. De oudste, Dirk Jacob Veegens (1798-1861), kandidaat in de letteren, brak zijn studie af om praeceptor te worden aan de Latijnse school in Haarlem. In 1846 werd hij rector aan de Latijnse school van Amsterdam. Hij beschikte over een brede kennis op allerlei gebied, promoveerde in 1839 op een klassiek onderwerp, maar had dat evengoed in de rechten kunnen doen. Van belang van de kennis van zijn leven en zijn opvattingen zijn vooral de brieven aan zijn broer Daniel. 2. Daniel Veegens Reeds vroeg verweesd werd Daniel Veegens vanaf 1806 door zijn grootouders van moederszijde, de boekdrukkersfamilie Vijgh, opgevoed. Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1813 begon hij zijn loopbaan als notarisklerk. In 1820 trad hij echter in dienst als klerk bij de hoofdinspectie van het lager en middelbaar onderwijs. Sedertdien reisde hij vaak met schoolinspecteur A. van den Ende mee naar de Zuidelijke Nederlanden. Op 1 januari 1828 werd hij op proef aangenomen in de redactie van de Nederlandsche Staatscourant; officiële aanstelling volgde bij beschikking van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 9 februari 1828, nr. 1, geheim. Doordat zijn benoeming eerst bij Koninklijk Besluit van 14 september 1836, nr. 28, bekrachtigd werd, was dit lange tijd een functie met een onzekere rechtspositie. In maart 1847 benoemde de Tweede Kamer hem tot griffier. In deze functie vergrijsde hij, tot hij zich op 81-jarige leeftijd om gezondheidsredenen terugtrok. Hij werd in de Kamer een alom geachte en vertrouwde persoonlijkheid, op wie men achter de schermen vaak een beroep deed. In het jaar van zijn ontslagname, 1881, werd hem door de Utrechtse universiteit het eredoctoraat in de rechten toegekend. Veegens had zich namelijk, geïnspireerd door de eruditie van de boekhandelsfamilie Vijgh en door de wetenschappelijke loopbaan van zijn broer Dirk Jacob, in zijn vrije tijd aan de geschiedschrijving gewijd. In tal van tijdschriften publiceerde hij artikelen over historische persoonlijkheden, voornamelijk uit de tijd van Frederik Hendrik en Johan de Witt. Verder beoefende hij op dusdanige wijze de historische topografie, dat hem in 1879 door het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid werd opgedragen een officiële beschrijving van de Hofkapel in het Haagse Binnenhof samen te stellen. Op 28 april 1884 overleed Veegens, waardoor hij tal van geschiedkundige werken onafgeschreven moest laten. 3. Jacob Dirk Veegens Op 22 januari 1845 werd Jacob Dirk Veegens in Den Haag geboren als zoon van Daniël en Anna Maria van Baalen. Na een schoolopleiding aan het Gymnasium Haganum schreef hij zich in 1863 in aan de faculteit der rechten aan de Leidse universiteit. Daar bleek hij, door zijn redacteurschap van de studentenalmanak en zijn bemoeienis met het novitiaat in het Corps, een actief student met essayistische begaafdheden te zijn. In debatingclubs toonde hij zich een enthousiaste leerling van de econoom S. Vissering, bij wie hij in 1868/69 promoveerde over "De banken van leening in Noord-Nederland". Na zijn studie was hij correspondent in de Tweede Kamer voor het Haagse dagblad Het Vaderland, dat toen onder redactie stond van zijn geestverwant H. Goeman Borgesius. Hij beëindigde zijn werkzaamheden bij dit blad in 1872, omdat hij zich toen als advocaat en procureur in Brielle vestigde. Niettemin bleef hij de plaatselijke kranten van parlementair commentaar voorzien, waarbij hij vooral van leer trok tegen de conservatieve regeringspartij. In 1874 vestigde hij zich wederom in Den Haag, waar hij naam begon te maken als politiek essayist en rechtsgeleerde: hij publiceerde enkele kleine monografieën over het auteursrecht en het faillissementsrecht, en artikelen over de Franse Revolutie, waarin hij de personen en politieke opvattingen van de Jacobijnen besprak. In 1873 publiceerde hij een soort program in De Gids onder de titel Politieke Gedachten van een Leek. Hij schaarde zich hiermee onder de prominente jong-liberalen, die vanaf 1874 een eigen spreekbuis hadden in het maandblad Vragen des Tijds. De scherpe literaire criticus Busken Huet oordeelde hierover "Onder de redacteuren ... is de heer Veegens de enige die talent van schrijven heeft". In die periode verkeerde het constitutionele stelsel door de buitenparlementaire oppositie tegen de Schoolwet van het kabinet Kappeyne van de Coppello in een crisis. Veegens zag de oplossing in de oprichting van een Comité voor Algemeen Stemrecht, dat ijverde voor kiesrecht voor vrouwen. Volgens Veegens moest de volksvertegenwoordiging "de photographie der natie" zijn. Omdat toekenning van alle burgerrechten de oplegging van alle burgerplichten impliceerde, toonde Veegens zich eveneens voorstander van de algemene dienstplicht. Tevens pleitte hij voor staats-inmenging ter oplossing van het arbeidsvraagstuk en sociale wetgeving: zijn opvattingen kwamen sterk overeen met de Owenistische initiatieven van de Delftse fabrikant J.C. van Marken, voor wie hij grote bewondering had. Necrologieën in liberale bladen beschreven hem dan ook als "een onzer kathedersocialisten" en "min of meer staatssocialistisch". In 1881 volgde hij zijn vader op als griffier van de Tweede Kamer: alom beschouwde men hem als "een verjongde uitgave van zijn vader", wiens voorkomen en optreden in de loop der decennia karakteristiek was geworden! Bij invloedrijk parlementair werk achter de schermen bleef het echter niet: in 1888 werd hij als kandidaat voor de unieliberalen gekozen door het district Groningen. Als kamerlid schaarde hij zich ter linkerzijde. Hij liet zich kennen als een gedegen, zijn teksten tot in de puntjes voorlezende docent die van elke redenaarskunst was verstoken, doch die om zijn inhoudelijke bijdragen respect inboezemde. Hij steunde de kieswet-Tak van 1893 en stemde in 1896 tegen de hem te beperkte kieswet-Van Houten. Zelfs voerde hij oppositie tegen de hem te behoudende ongevallenwet van het geestverwante kabinet-Pierson in 1899. Van 1899 tot 1901 was hij tweede vice-voorzitter van de Kamer. Voorbereidende arbeid bij de wetgeving leverde hij bovendien in de belangrijke Staatscommissie van enquête naar de arbeidstoestanden in 1890 en in de Staatscommissie voor de droogmaking van de Zuiderzee in 1892. In 1901 stelde hij zich voor de Vrijzinnig Democratische Bond verkiesbaar als kandidaat in Hoogezand. Deze partij had zich in datzelfde jaar van de Liberale Unie afgesplitst en zou, mede onder invloed van Veegens, tenderen om op enkele parlementaire vraagstukken met de aan invloed winnende sociaaldemocraten samen te werken. Veegens verloor de verkiezingen; in zijn plaats werd een sociaaldemocraat gekozen. Opnieuw kon hij zich daardoor aan juridische studie wijden; in hetzelfde jaar verscheen zijn monografie Het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Hij werd in 1903 weer in de staatspolitiek betrokken als voorzitter van de Staatscommissie van enquête omtrent het spoor- en tramwegpersoneel, om het sociale antwoord van de regering te vinden op de spoorwegstakingen, die tot een revolutionaire beweging dreigden uit te groeien. In 1904 werd hij tot lid van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten benoemd. Toen er na de val van het coalitie-kabinet-Kuyper in 1905 een "uit onvoorzichtigheid geboren" ministerie van liberale signatuur aan het bewind kwam, vertegenwoordigde Veegens met E. van Raalte de vrijzinnig-democratische stroming. Veegens beheerde het nieuw opgerichte departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, waar hij weldra een eigen stempel op drukte door het organisatorisch uit te bouwen. Een aparte Afdeling Handel werd opgericht en Veegens wist op doortastende wijze kredieten voor scheepvaartverbindingen naar Latijns Amerika gevoteerd te krijgen. Nog intensiever was zijn bemoeienis met de sociale wetgeving: hij diende naast vele kleine ontwerp-wetten een ontwerp-wet op de ziektever-zekering, de ongevallenverzekering en de ouderdomsverzekering in. Zij kwamen echter niet in behandeling in de Tweede Kamer als gevolg van de val van het kabinet-De Meester in 1908 door de zwakte van de coalitie. Zijn opvolger, de antirevolutionaire A.S. Talma, trok de ontwerpen in. Indrukwekkend was zijn optreden in de waarneming van het departement van Waterstaat als vervanger van dr ir J. Kraus, toen in februari 1906 door een stormramp de polders bij Rilland Bath verloren dreigden te gaan. Met het argument "men stopt geen dijken met papier, maar met cement" wist hij een versneld krediet voor de redding van deze polders te bewerkstelligen. Veegens bleef actief op staatkundig terrein: in 1909 stelde hij zich opnieuw kandidaat voor de Tweede Kamer, maar vergeefs; hij werd voorzitter van de Tiendcommissie, die de gevolgen moest regelen van de door hemzelf tot stand gebrachte wet op de afschaffing der tienden. Op 27 december 1910 werd hij door de dood uit het politieke leven weggerukt. 4. Dirk Jacob Veegens De kwaliteiten van Jacob Dirk Veegens "als toegewijde en opgewekte man en vader kwamen" eerst na diens tweede huwelijk in 1895 "tot volle ontplooiing". Op 8 augustus 1899 werd Dirk Jacob Veegens geboren. Deze promoveerde in 1924 in de rechten en vestigde toen een advocatenpraktijk. Vanaf 1927 was hij werkzaam als plaatsvervangend Rijksadvocaat, later werd hij ook Rijksadvocaat. In 1940 werd hij benoemd tot auditeur-militair bij de Krijgsraad in 's-Gravenhage en als zodanig was hij betrokken bij de afdoening van krijgstuchtelijke feiten, bedreven tijdens krijgshandelingen van Nederlandse militairen na de Duitse inval op 10 mei. Ook werd hij in 1943 als krijgsgevangene naar Duitsland weggevoerd. Veegens stelde zijn ervaringen te boek en na zijn pensionering als rijksadvocaat en raadsheer bij de Raad van Cassatie legde hij ook enkele belevenissen tijdens zijn werkzaamheden voor de krijgsraad voor de geschiedenis vast. Zijn historische belangstelling kwam ook tot uiting in enkele levendig opgestelde genealogische 'beschrijvingen.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer De oudste geschiedenis van de familie Veegens is op een levendige manier beschreven in de "Herinneringen uit het begin dezer eeuw" door de negentiende-eeuwse historicus Daniel Veegens. Te zijner nagedachtenis werd zij, fragmentarisch als zij was, opgenomen in een bundel Historische Studiën, die kort na zijn overlijden in 1884 werd uitgegeven. In 1979 voltooide zijn kleinzoon mr D.J. Veegens een handgeschreven genealogie onder de titel Vier eeuwen Veegens, waarin van de voornaamste personen levensbeschrijvingen zijn opgenomen.

De eerste Veegens waarvan papieren bewaard zijn gebleven, is Dirk (1723-1797), gereformeerd predikant in Ilpendam, Vlissingen en Haarlem, die naast zijn herderlijk ambt ook letterkundige arbeid verrichtte. Zijn zoon Dirk (1762-1801) vestigde zich als arts in Haarlem en zou daar een gezagvolle notabele zijn geworden, als hij niet vroegtijdig aan een tyfus-epidemie was bezweken.

Zijn echtgenote, Johanna Wilhelmina Vijgh (1772-1806), hertrouwde kort daarop met Pieter Hamminck Schepel, adjudant van Daendels. In 1806 stierf zij in het kraambed. Haar man kwam in 1812 om tijdens de veldtocht van Napoleon naar Rusland.

Haar vroeg verweesde kinderen kwamen nu onder de zorg van haar moeder, Maria Vriends, weduwe van de boekdrukker Daniël Vijgh (1748-1793). Daniël was afkomstig van een oorspronkelijk doopsgezinde familie, waarvan de nakomelingen in de achttiende eeuw zich toelegden op de letterkunde en zich aansloten bij de patriotten. De eruditie van deze familie was van grote invloed op de opvoeding van de kinderen Veegens.

De oudste, Dirk Jacob Veegens (1798-1861), kandidaat in de letteren, brak zijn studie af om praeceptor te worden aan de Latijnse school in Haarlem. In 1846 werd hij rector aan de Latijnse school van Amsterdam. Hij beschikte over een brede kennis op allerlei gebied, promoveerde in 1839 op een klassiek onderwerp, maar had dat evengoed in de rechten kunnen doen. Van belang van de kennis van zijn leven en zijn opvattingen zijn vooral de brieven aan zijn broer Daniel.

2. Daniel Veegens
Reeds vroeg verweesd werd Daniel Veegens vanaf 1806 door zijn grootouders van moederszijde, de boekdrukkersfamilie Vijgh, opgevoed.

Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1813 begon hij zijn loopbaan als notarisklerk. In 1820 trad hij echter in dienst als klerk bij de hoofdinspectie van het lager en middelbaar onderwijs. Sedertdien reisde hij vaak met schoolinspecteur A. van den Ende mee naar de Zuidelijke Nederlanden.

Op 1 januari 1828 werd hij op proef aangenomen in de redactie van de Nederlandsche Staatscourant; officiële aanstelling volgde bij beschikking van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 9 februari 1828, nr. 1, geheim. Doordat zijn benoeming eerst bij Koninklijk Besluit van 14 september 1836, nr. 28, bekrachtigd werd, was dit lange tijd een functie met een onzekere rechtspositie.

In maart 1847 benoemde de Tweede Kamer hem tot griffier. In deze functie vergrijsde hij, tot hij zich op 81-jarige leeftijd om gezondheidsredenen terugtrok. Hij werd in de Kamer een alom geachte en vertrouwde persoonlijkheid, op wie men achter de schermen vaak een beroep deed. In het jaar van zijn ontslagname, 1881, werd hem door de Utrechtse universiteit het eredoctoraat in de rechten toegekend.

Veegens had zich namelijk, geïnspireerd door de eruditie van de boekhandelsfamilie Vijgh en door de wetenschappelijke loopbaan van zijn broer Dirk Jacob, in zijn vrije tijd aan de geschiedschrijving gewijd. In tal van tijdschriften publiceerde hij artikelen over historische persoonlijkheden, voornamelijk uit de tijd van Frederik Hendrik en Johan de Witt. Verder beoefende hij op dusdanige wijze de historische topografie, dat hem in 1879 door het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid werd opgedragen een officiële beschrijving van de Hofkapel in het Haagse Binnenhof samen te stellen.

Op 28 april 1884 overleed Veegens, waardoor hij tal van geschiedkundige werken onafgeschreven moest laten.

3. Jacob Dirk Veegens
Op 22 januari 1845 werd Jacob Dirk Veegens in Den Haag geboren als zoon van Daniël en Anna Maria van Baalen. Na een schoolopleiding aan het Gymnasium Haganum schreef hij zich in 1863 in aan de faculteit der rechten aan de Leidse universiteit. Daar bleek hij, door zijn redacteurschap van de studentenalmanak en zijn bemoeienis met het novitiaat in het Corps, een actief student met essayistische begaafdheden te zijn. In debatingclubs toonde hij zich een enthousiaste leerling van de econoom S. Vissering, bij wie hij in 1868/69 promoveerde over "De banken van leening in Noord-Nederland".

Na zijn studie was hij correspondent in de Tweede Kamer voor het Haagse dagblad Het Vaderland, dat toen onder redactie stond van zijn geestverwant H. Goeman Borgesius. Hij beëindigde zijn werkzaamheden bij dit blad in 1872, omdat hij zich toen als advocaat en procureur in Brielle vestigde. Niettemin bleef hij de plaatselijke kranten van parlementair commentaar voorzien, waarbij hij vooral van leer trok tegen de conservatieve regeringspartij. In 1874 vestigde hij zich wederom in Den Haag, waar hij naam begon te maken als politiek essayist en rechtsgeleerde: hij publiceerde enkele kleine monografieën over het auteursrecht en het faillissementsrecht, en artikelen over de Franse Revolutie, waarin hij de personen en politieke opvattingen van de Jacobijnen besprak. In 1873 publiceerde hij een soort program in De Gids onder de titel Politieke Gedachten van een Leek. Hij schaarde zich hiermee onder de prominente jong-liberalen, die vanaf 1874 een eigen spreekbuis hadden in het maandblad Vragen des Tijds. De scherpe literaire criticus Busken Huet oordeelde hierover "Onder de redacteuren ... is de heer Veegens de enige die talent van schrijven heeft".

In die periode verkeerde het constitutionele stelsel door de buitenparlementaire oppositie tegen de Schoolwet van het kabinet Kappeyne van de Coppello in een crisis. Veegens zag de oplossing in de oprichting van een Comité voor Algemeen Stemrecht, dat ijverde voor kiesrecht voor vrouwen. Volgens Veegens moest de volksvertegenwoordiging "de photographie der natie" zijn. Omdat toekenning van alle burgerrechten de oplegging van alle burgerplichten impliceerde, toonde Veegens zich eveneens voorstander van de algemene dienstplicht. Tevens pleitte hij voor staats-inmenging ter oplossing van het arbeidsvraagstuk en sociale wetgeving: zijn opvattingen kwamen sterk overeen met de Owenistische initiatieven van de Delftse fabrikant J.C. van Marken, voor wie hij grote bewondering had. Necrologieën in liberale bladen beschreven hem dan ook als "een onzer kathedersocialisten" en "min of meer staatssocialistisch".

In 1881 volgde hij zijn vader op als griffier van de Tweede Kamer: alom beschouwde men hem als "een verjongde uitgave van zijn vader", wiens voorkomen en optreden in de loop der decennia karakteristiek was geworden! Bij invloedrijk parlementair werk achter de schermen bleef het echter niet: in 1888 werd hij als kandidaat voor de unieliberalen gekozen door het district Groningen. Als kamerlid schaarde hij zich ter linkerzijde. Hij liet zich kennen als een gedegen, zijn teksten tot in de puntjes voorlezende docent die van elke redenaarskunst was verstoken, doch die om zijn inhoudelijke bijdragen respect inboezemde. Hij steunde de kieswet-Tak van 1893 en stemde in 1896 tegen de hem te beperkte kieswet-Van Houten. Zelfs voerde hij oppositie tegen de hem te behoudende ongevallenwet van het geestverwante kabinet-Pierson in 1899. Van 1899 tot 1901 was hij tweede vice-voorzitter van de Kamer. Voorbereidende arbeid bij de wetgeving leverde hij bovendien in de belangrijke Staatscommissie van enquête naar de arbeidstoestanden in 1890 en in de Staatscommissie voor de droogmaking van de Zuiderzee in 1892.

In 1901 stelde hij zich voor de Vrijzinnig Democratische Bond verkiesbaar als kandidaat in Hoogezand. Deze partij had zich in datzelfde jaar van de Liberale Unie afgesplitst en zou, mede onder invloed van Veegens, tenderen om op enkele parlementaire vraagstukken met de aan invloed winnende sociaaldemocraten samen te werken. Veegens verloor de verkiezingen; in zijn plaats werd een sociaaldemocraat gekozen. Opnieuw kon hij zich daardoor aan juridische studie wijden; in hetzelfde jaar verscheen zijn monografie Het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Hij werd in 1903 weer in de staatspolitiek betrokken als voorzitter van de Staatscommissie van enquête omtrent het spoor- en tramwegpersoneel, om het sociale antwoord van de regering te vinden op de spoorwegstakingen, die tot een revolutionaire beweging dreigden uit te groeien. In 1904 werd hij tot lid van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten benoemd.

Toen er na de val van het coalitie-kabinet-Kuyper in 1905 een "uit onvoorzichtigheid geboren" ministerie van liberale signatuur aan het bewind kwam, vertegenwoordigde Veegens met E. van Raalte de vrijzinnig-democratische stroming. Veegens beheerde het nieuw opgerichte departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, waar hij weldra een eigen stempel op drukte door het organisatorisch uit te bouwen. Een aparte Afdeling Handel werd opgericht en Veegens wist op doortastende wijze kredieten voor scheepvaartverbindingen naar Latijns Amerika gevoteerd te krijgen. Nog intensiever was zijn bemoeienis met de sociale wetgeving: hij diende naast vele kleine ontwerp-wetten een ontwerp-wet op de ziektever-zekering, de ongevallenverzekering en de ouderdomsverzekering in. Zij kwamen echter niet in behandeling in de Tweede Kamer als gevolg van de val van het kabinet-De Meester in 1908 door de zwakte van de coalitie.

Zijn opvolger, de antirevolutionaire A.S. Talma, trok de ontwerpen in. Indrukwekkend was zijn optreden in de waarneming van het departement van Waterstaat als vervanger van dr ir J. Kraus, toen in februari 1906 door een stormramp de polders bij Rilland Bath verloren dreigden te gaan.

Met het argument "men stopt geen dijken met papier, maar met cement" wist hij een versneld krediet voor de redding van deze polders te bewerkstelligen.

Veegens bleef actief op staatkundig terrein: in 1909 stelde hij zich opnieuw kandidaat voor de Tweede Kamer, maar vergeefs; hij werd voorzitter van de Tiendcommissie, die de gevolgen moest regelen van de door hemzelf tot stand gebrachte wet op de afschaffing der tienden.

Op 27 december 1910 werd hij door de dood uit het politieke leven weggerukt.

4. Dirk Jacob Veegens
De kwaliteiten van Jacob Dirk Veegens "als toegewijde en opgewekte man en vader kwamen" eerst na diens tweede huwelijk in 1895 "tot volle ontplooiing". Op 8 augustus 1899 werd Dirk Jacob Veegens geboren. Deze promoveerde in 1924 in de rechten en vestigde toen een advocatenpraktijk. Vanaf 1927 was hij werkzaam als plaatsvervangend Rijksadvocaat, later werd hij ook Rijksadvocaat. In 1940 werd hij benoemd tot auditeur-militair bij de Krijgsraad in 's-Gravenhage en als zodanig was hij betrokken bij de afdoening van krijgstuchtelijke feiten, bedreven tijdens krijgshandelingen van Nederlandse militairen na de Duitse inval op 10 mei. Ook werd hij in 1943 als krijgsgevangene naar Duitsland weggevoerd. Veegens stelde zijn ervaringen te boek en na zijn pensionering als rijksadvocaat en raadsheer bij de Raad van Cassatie legde hij ook enkele belevenissen tijdens zijn werkzaamheden voor de krijgsraad voor de geschiedenis vast. Zijn historische belangstelling kwam ook tot uiting in enkele levendig opgestelde genealogische 'beschrijvingen.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in