Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: De familie Snouckaert van Schauburg en de aanverwante geslachten Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Zomergem Er wordt voor het eerst melding gemaakt van het geslacht Snouckaert in een op 7 februari 1165 te Sens uitgegeven bul van paus Alexander III. In deze bul neemt Alexander III de abdij te Dunes in bescherming en wordt Walter Snocart genoemd als een van de eigenaren van de aan dit klooster toebehorende vaste goederen te Erembalde Capelle (ofwel Aernouts-Capelle) dat een halve mijl ten westen van St. Winoxbergen, in Vlaanderen, gelegen was. De geregelde stamreeks van het geslacht begint met Henri Snocart die in 1380 te Lyesele in de omgeving van Hontschote leefde. Sinds de 15e eeuw worden meer en meer leden van het geslacht Snouckaert te Brugge aangetroffen waar zij regelmatig hoge functies binnen het stadsbestuur vervullen. Aan het einde van de 16e eeuw splitste het geslacht Snouckaert zich in drie grote takken, namelijk de takken Schauburg, Binckhorst en Zomergem. De heren van Binckhorst en Zomergem bleven katholiek terwijl de tak Snouckaert van Schauburg overging tot de gereformeerde religie. De beide eerstgenoemde takken stierven in de loop van de 18e eeuw uit. De namen van de diverse takken werden ontleend aan de bezittingen van de verschillende heren van het geslacht Snouckaert. Zo werd de naam Schauburg afgeleid van de heerlijkheid van die naam waarmee Martin Snouckaert (nr. 3a) in 1523, tegelijk met Zomergem, werd beleend. De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad Binckhorst die in Delfland, in de omgeving van 's-Gravenhage, was gelegen. Deze ridderhofstad bleef nadien tot 1690 in het bezit van respectievelijk de tak Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Schauburg. De Vlaamse tak van de familie stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. Deze naam werd ontleend aan de heerlijkheid Zomergem die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel en met alle hieraan verbonden rechten in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. De heerlijkheid was leenroerig aan de Burcht van Gent (de Oudburch) en werd in 1523 uit handen van de graaf van Vlaanderen, keizer Karel V, verkregen. In 1562 kocht Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) de heerlijkheid, met alle hieraan verbonden rechten, van koning Philips II. In 1706 werd de heerlijkheid Zomergem, door de sinds 1589 in het bezit van Zomergem gestelde Vlaamse tak van de familie, verkocht. A. De Familie Snouckaert van Schauburg De wortels van het geslacht Snouckaert lagen oorspronkelijk in de omgeving van Leysele en Hontschote, in de loop van de 16e eeuw echter treft men de naam van de familie in Brugge aan waar de familie zich een plaats wist te verschaffen in de plaatselijke stedelijke aristocratie. Met een zekere regelmaat waren leden van de familie vertegenwoordigd in de bestuurlijke functies die in Brugge te vergeven waren. Maar ook boven het lokale niveau wist de familie zich aanzien te verschaffen. Dit was voor een niet onaanzienlijk deel te danken aan de functies die Martin Snouckaert (nr. 1) wist te verwerven. Als particulier secretaris van keizer Karel V en 1e raadpensionaris en hoofd-griffier van de regering van de stad Brugge wist hij Schauburg en de heerlijkheden Zomergem, Waerschot, Hansbeke en Lovendegem in leen te krijgen (1523). Hiermee legde hij de grondslag voor het latere grondbezit van de familie. Elf jaar later kwam de familie, waarschijnlijk eveneens dankzij de bijzondere inspanningen van de hiervoor genoemde Martin Snouckaert, voor het eerst in het bezit van een adellijke titel. Op 8 november 1544 werden zijn zoons Michiel, Willem, Jacob en Jean Snouckaert door keizer Karel V erkend in hun "oude adel" en verheven tot Erfelijke Ridders van het Heilige Roomse Rijk. In 1562 kwam Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) door koop in het bezit van het kasteel Schauburg en de lage, middelbare en hoge heerlijkheid Zomergem. Dit grondbezit werd door Martin nog uitgebreid toen hij op 30 mei 1565 het in de Noordelijke Nederlanden gelegen goed De Binckhorst erfde van zijn broer Willem Snouckaert van Schauburg. (nr. 5). Op 10 september 1569 schonk hij de Binckhorst aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze ridderhofstede bij diens kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Onder Nicolas Snouckaert van Schauburg (nr. 10) werden door de tak Snouckaert van Schauburg nog gebieden in Duitsland verworven. Hij verliet Vlaanderen in 1568 en vertrok naar Wenen waar hij werd benoemd tot edelman van het huis van keizer Rudolf II. Hij stond bij de keizer in hoog aanzien en werd als diens zaakgelastigde te Praag gestationeerd. Hij vestigde zich te Halle in Saksen en op 21 februari 1620 kocht hij van de graaf van Mansfeldt de Duitse ambten Dornstadt, Amstorff, Stettin, Wansleben, Stenden en Hochstedt. Naast de nauwe banden die hij met het Duitse Rijk onderhield haalde hij echter ook de banden met de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden strakker aan. Dit blijkt uit de aankoop, eveneens in 1620, van een huis aan het Voorhout te Den Haag. Ook in een ander belangrijk opzicht onderscheidde hij zich van zijn voorgeslacht, als eerste van de familie ging hij, hoogstwaarschijnlijk al in Duitsland, over tot het protestantisme. De relaties met de Republiek der Verenigde Nederlanden werden door de zoon van Nicolaas, Maerten Snouckaert van Schauburg (nr. 13a), nog inniger aangehaald. Nadat hij aanvankelijk in Praag was opgegroeid liet hij zich als student inschrijven aan de Hogeschool van Leiden, waar hij wijsbegeerte en staatswetenschappen studeerde. Hij vestigde zich in het huis aan het Voorhout en huwde met Martina Joachimi. Zij was de dochter van de Zeeuwse diplomaat Albert Joachimi. In het gevolg van zijn schoonvader, en in het gezelschap van zijn vrouw, reisde hij naar Engeland. Onsuccesvol was hij daar niet en hij werd benoemd tot ridder en edelman van de Privékamer van Koning Karel I. Maertens zoon Albert Snouckaert van Schauburg (nr. 15a) verwierf in de Republiek de baronie Heeze en Leende en Zes Gehuchten (1659), maar verloor de heerlijkheden en "amten" Dornstadt, Amstorff, Stettin en Schraplau in het Duitse. De laatste belangrijke aanvulling van het familiebezit werd door Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) gerealiseerd toen hij in 1776 de heerlijkheid de Duckenburg, in de omgeving van Nijmegen, aankocht. Met het overlijden van Maerten Snouckaert van Schauburg (nr 13a) verdween ook de traditie van de diplomatie uit de familie. In de plaats hiervoor kwam een militaire traditie die tot ca. 1795 dominant bleef. Nieuwe carrièremogelijkheden voor het geslacht Snouckaert van Schauburg werden geopend door Albert Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) die als zoon van luitenant-generaal Willem Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 19a), allereerst in de voetsporen van zijn vader trad. Zijn militaire carrière vond echter een vroegtijdig einde door de politieke en militaire gebeurtenissen in 1795. In dat jaar werd hij op 18 januari ontslagen uit zijn functie van luitenant-kolonel bij de cavalerie, maar slaagde erin zijn carrière onder de Bataafse Republiek, het Franse Keizerrijk en het Koninkrijk der Nederlanden voort te zetten. Na een reeks andere benoemingen verkreeg hij de functie van intendant van de koninklijke paleizen te Utrecht (1808) en Amsterdam (1810). Na afloop van de Franse periode slaagde hij erin opnieuw voor hoffuncties in aanmerking te komen, zo werd hij in 1814 door koning Willem I tot kamerheer benoemd. Vrijwel gelijktijdig werd hij aangesteld in een aantal andere belangrijke commissies en colleges waaronder de Commissie tot samenstelling van een Kamer van Heraldiek, de Commissie tot Organisatie der Landmilitie en de Hoge Raad van Adel. Op grond van zijn verdiensten werden hij en zijn nakomelingen, bij Koninklijk Besluit van 27 augustus 1814, erkend te behoren tot de Nederlandse Adel met titel van baron. Met deze reeks van benoemingen waaraan in 1815 en 1832 nog die van kamerheer-ceremoniemeester en opperschenker werden toegevoegd zette Albert Carel de toon voor een geheel nieuwe traditie in het carrièreverloop van de familie Snouckaert van Schauburg; namelijk het vervullen van hoffuncties bij leden van het Nederlandse Koninklijk Huis. Zo dienden bijvoorbeeld drie opeenvolgende Albert Carels Snouckaert van Schauburg (nrs. 25a, 37a en 40) in diverse hoffuncties onder de koningen Willem I, Willem II en Willem III en onder koningin Wilhelmina. Deze werkzaamheden combineerden zij bovendien alledrie met het lidmaatschap van de Hoge Raad van Adel. Zij waren echter niet de enigen van de familie die aanzienlijke hoffuncties vervulden bij leden van het Koninklijk Huis. De desbetreffende archiefbestanddelen bevatten dan ook interessante bronnen voor diegenen die zich een goed beeld van het hofleven in de 19e eeuw willen verschaffen. B. De familie Snouckaert van Binckhorst. De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr.5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad De Binckhorst die in Delfland in de omgeving van 's-Gravenhage was gelegen. Het huis was zeer oud en werd reeds in de 11e eeuw genoemd. Oorspronkelijk was het huis in bezit van het reeds lang uitgestorven geslacht Van Binckhorst. Het huis De Binckhorst dat in deze vroege periode een vrij eigendom schijnt te zijn geweest werd in het jaar 1308, met alle hiertoe behorende goederen, door de toenmalige bezitter Simon van Benthem opgedragen aan Willem III, graaf van Holland, van wie hij het weer in leen ontving. Sindsdien is dit adellijke huis altijd een leen van Holland gebleven waarbij ook verschillende achterlenen behoorden. Het is onduidelijk wie het huis na Simon van Benthem in bezit heeft gehad. Het is waarschijnlijk dat het in jaar 1350, toen het huis door graaf Willem V werd belegerd, aan Jacob van Binckhorst behoorde. Deze Jacob van Binckhorst behoorde vrijwel zeker tot het oud riddermatig geslacht Van Binckhorst dat in 1576, met Simon van Binckhorst, uitgestorven is. In 1389 werd, door Jan van Arkel, Johan van Leyenburgh met De Binckhorst beleend. Van hem ging het over naar Aart van Leyenburgh die het in 1409 verkocht aan Dirk Ploeg die het op zijn beurt overdroeg aan Dirk van Zwieten. Via zijn zoon Aart van Zwieten en diens broers' zoon Jan van Zwieten kwam het in het jaar 1464 aan Dirk Poes, die in het jaar 1467 werd benoemd tot griffier van het Hof van Holland. Het geslacht Poes voegde de naam Van Binckhorst aan de familienaam toe. De opvolger van Dirk Poes, Lodewijk Poes van Binckhorst werd, bij sententie van 7 mei 1568, door Alva verbannen terwijl zijn goederen verbeurd werden verklaard. In de tussentijd was het huis echter, wegens het overlijden van Johanna Poes van Binckhorst in 1563, bij testamentaire dispositie, aan haar echtgenoot Willem Snouckaert van Schauburg vervallen (nr. 5). Na zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Schauburg (nr 3a) op 30 mei 1565 in het bezit van De Binckhorst gesteld. Op 10 september 1569 schonk hij de ridderhofstad aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze bij zijn kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Met deze Jacob Snouckaert begint dan de tak Snouckaert van Binckhorst. Hij was eerste auditeur en, later, rentmeester van Holland. In het jaar 1572 nam hij, gedwongen door de troebelen in de Nederlanden, de wijk naar Utrecht waar hij overleed. Hierdoor verviel De Binckhorst aan zoon Jacob Snouckaert van Binckhorst (nr. 63) en vervolgens aan nog twee elkaar opeenvolgende Jacobs uit dezelfde tak (1575-1678). Bij het overlijden van deze laatste telg werd de ridderhofstede op 29 juli 1678 opgedragen aan Willem de Nobelaer die met Wilhelmina Snouckaert was gehuwd. Zij ontving het goed bij het overlijden van haar man op 13 januari 1685 en verkocht het op 22 augustus 1690 aan Henry Du Vernet, ridder, heer van Lavalle. C. De familie Snouckaert van Zomergem Deze Vlaamse tak stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. De naam Zomergem werd ontleend aan de heerlijkheid van die naam die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel, en met alle hieraan verbonden rechten, in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. Tot de heerlijkheid Zomergem behoorden een groot aantal lenen te Hansbeke, Oostwinkel, Wachtebeke, Winkel, Saffelare, Ertvelde, Kluizen en Landegem. De voornaamste hiervan waren Briarde, Schipdonk of Berendale, Laatschap, Herzele, Rivish, Hoetsel of Breusleen, het Prootsche of St. Pieters, Overdam, Schauburg of Schaubroek, Beke, Van den Rudder, Ten Broeke, Kruisstrate, de Platte Gaverij, Immetuin, Leischoot, Twaalf Bunder, Staaktevijvere en het goed ter Meersch. De oudst bekende bezitter van de heerlijkheid Zomergem was Herman van Zomergem die in 1085 met graaf Robert de Fries ter kruisvaart ging. Het is onbekend hoe lang de leden van het geslacht Zomergem de heerlijkheid in bezit hebben gehad. Zeker is in ieder geval dat de heerlijkheid in het jaar 1235 aan Boudewijn van der Meersch (of Van der Weiden) toebehoorde. In hetzelfde jaar begiftigde Lodewijk van Nevers, ter gelegenheid van haar huwelijk met Simoen van Mirabelle, zijn bastaarddochter Elisabeth met de heerlijkheid. Na de dood van Van Mirabello werden de goederen van Elisabeth door de graaf van Vlaanderen aangeslagen uit hoofde van achterstallige afdrachten van gelden die Simoen, als rewaard en ontvanger van de graaf van Vlaanderen had gelicht. Er werd een overeenkomst gesloten waarbij de graaf en zijn opvolgers in het bezit kwamen van Het Hof ten Walle te Gent (later de Prinsenhof genaamd), en van de weiden tussen dit hof en de Lieve. Elisabeth en haar tweede echtgenoot, Arnout van Heule, heer van Rumene, bleven in het bezit van de heerlijkheid Zomergem maar verloren alle rechten op de heerlijkheden van Eeklo, Kaprijke en Lembeke. Korte tijd later kocht de graaf de heerlijkheid opnieuw en kwam deze, door het huwelijk van Beatrix van Blaesvelt, de natuurlijke dochter van de graaf van Vlaanderen, met Philips van Massemen, gouverneur van Dendermonde, aan het huis van Massemen te Gent. Bij zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Zomergem (nr. 64a) met de heerlijkheden beleend (28 maart 1589) welke tot 1706 aan deze Vlaamse tak van de familie bleven toebehoren. De laatste heer van Zomergem was Martin Pierre Ignase Snouckaert van Zomergem (nr. 75) die sinds 4 maart 1654 in het bezit van de heerlijkheid was gesteld; hij sneuvelde op 29 juli 1693, als majoor der cavalerie, te Neerwinden. Na zijn dood werd de heerlijkheid Zomergen op 11 december 1706, voor f 70.600, - aan Jan Theodoor de Jonge verkocht. In de loop van de 18e eeuw werd het oorspronkelijk door Maerten Snouckaert te Zomergem gebouwde kasteel door De Montmorency's afgebroken en naar Bellem overgebracht.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer De familie Snouckaert van Schauburg en de aanverwante geslachten Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Zomergem
Er wordt voor het eerst melding gemaakt van het geslacht Snouckaert in een op 7 februari 1165 te Sens uitgegeven bul van paus Alexander III. In deze bul neemt Alexander III de abdij te Dunes in bescherming en wordt Walter Snocart genoemd als een van de eigenaren van de aan dit klooster toebehorende vaste goederen te Erembalde Capelle (ofwel Aernouts-Capelle) dat een halve mijl ten westen van St. Winoxbergen, in Vlaanderen, gelegen was.

De geregelde stamreeks van het geslacht begint met Henri Snocart die in 1380 te Lyesele in de omgeving van Hontschote leefde. Sinds de 15e eeuw worden meer en meer leden van het geslacht Snouckaert te Brugge aangetroffen waar zij regelmatig hoge functies binnen het stadsbestuur vervullen.

Aan het einde van de 16e eeuw splitste het geslacht Snouckaert zich in drie grote takken, namelijk de takken Schauburg, Binckhorst en Zomergem. De heren van Binckhorst en Zomergem bleven katholiek terwijl de tak Snouckaert van Schauburg overging tot de gereformeerde religie. De beide eerstgenoemde takken stierven in de loop van de 18e eeuw uit.

De namen van de diverse takken werden ontleend aan de bezittingen van de verschillende heren van het geslacht Snouckaert. Zo werd de naam Schauburg afgeleid van de heerlijkheid van die naam waarmee Martin Snouckaert (nr. 3a) in 1523, tegelijk met Zomergem, werd beleend.

De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad Binckhorst die in Delfland, in de omgeving van 's-Gravenhage, was gelegen. Deze ridderhofstad bleef nadien tot 1690 in het bezit van respectievelijk de tak Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Schauburg.

De Vlaamse tak van de familie stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. Deze naam werd ontleend aan de heerlijkheid Zomergem die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel en met alle hieraan verbonden rechten in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. De heerlijkheid was leenroerig aan de Burcht van Gent (de Oudburch) en werd in 1523 uit handen van de graaf van Vlaanderen, keizer Karel V, verkregen. In 1562 kocht Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) de heerlijkheid, met alle hieraan verbonden rechten, van koning Philips II. In 1706 werd de heerlijkheid Zomergem, door de sinds 1589 in het bezit van Zomergem gestelde Vlaamse tak van de familie, verkocht.

A. De Familie Snouckaert van Schauburg
De wortels van het geslacht Snouckaert lagen oorspronkelijk in de omgeving van Leysele en Hontschote, in de loop van de 16e eeuw echter treft men de naam van de familie in Brugge aan waar de familie zich een plaats wist te verschaffen in de plaatselijke stedelijke aristocratie. Met een zekere regelmaat waren leden van de familie vertegenwoordigd in de bestuurlijke functies die in Brugge te vergeven waren. Maar ook boven het lokale niveau wist de familie zich aanzien te verschaffen. Dit was voor een niet onaanzienlijk deel te danken aan de functies die Martin Snouckaert (nr. 1) wist te verwerven.

Als particulier secretaris van keizer Karel V en 1e raadpensionaris en hoofd-griffier van de regering van de stad Brugge wist hij Schauburg en de heerlijkheden Zomergem, Waerschot, Hansbeke en Lovendegem in leen te krijgen (1523). Hiermee legde hij de grondslag voor het latere grondbezit van de familie.

Elf jaar later kwam de familie, waarschijnlijk eveneens dankzij de bijzondere inspanningen van de hiervoor genoemde Martin Snouckaert, voor het eerst in het bezit van een adellijke titel. Op 8 november 1544 werden zijn zoons Michiel, Willem, Jacob en Jean Snouckaert door keizer Karel V erkend in hun "oude adel" en verheven tot Erfelijke Ridders van het Heilige Roomse Rijk.

In 1562 kwam Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) door koop in het bezit van het kasteel Schauburg en de lage, middelbare en hoge heerlijkheid Zomergem. Dit grondbezit werd door Martin nog uitgebreid toen hij op 30 mei 1565 het in de Noordelijke Nederlanden gelegen goed De Binckhorst erfde van zijn broer Willem Snouckaert van Schauburg. (nr. 5). Op 10 september 1569 schonk hij de Binckhorst aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze ridderhofstede bij diens kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen.

Onder Nicolas Snouckaert van Schauburg (nr. 10) werden door de tak Snouckaert van Schauburg nog gebieden in Duitsland verworven. Hij verliet Vlaanderen in 1568 en vertrok naar Wenen waar hij werd benoemd tot edelman van het huis van keizer Rudolf II. Hij stond bij de keizer in hoog aanzien en werd als diens zaakgelastigde te Praag gestationeerd. Hij vestigde zich te Halle in Saksen en op 21 februari 1620 kocht hij van de graaf van Mansfeldt de Duitse ambten Dornstadt, Amstorff, Stettin, Wansleben, Stenden en Hochstedt. Naast de nauwe banden die hij met het Duitse Rijk onderhield haalde hij echter ook de banden met de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden strakker aan. Dit blijkt uit de aankoop, eveneens in 1620, van een huis aan het Voorhout te Den Haag. Ook in een ander belangrijk opzicht onderscheidde hij zich van zijn voorgeslacht, als eerste van de familie ging hij, hoogstwaarschijnlijk al in Duitsland, over tot het protestantisme.

De relaties met de Republiek der Verenigde Nederlanden werden door de zoon van Nicolaas, Maerten Snouckaert van Schauburg (nr. 13a), nog inniger aangehaald. Nadat hij aanvankelijk in Praag was opgegroeid liet hij zich als student inschrijven aan de Hogeschool van Leiden, waar hij wijsbegeerte en staatswetenschappen studeerde. Hij vestigde zich in het huis aan het Voorhout en huwde met Martina Joachimi. Zij was de dochter van de Zeeuwse diplomaat Albert Joachimi.

In het gevolg van zijn schoonvader, en in het gezelschap van zijn vrouw, reisde hij naar Engeland. Onsuccesvol was hij daar niet en hij werd benoemd tot ridder en edelman van de Privékamer van Koning Karel I.
Maertens zoon Albert Snouckaert van Schauburg (nr. 15a) verwierf in de Republiek de baronie Heeze en Leende en Zes Gehuchten (1659), maar verloor de heerlijkheden en "amten" Dornstadt, Amstorff, Stettin en Schraplau in het Duitse.

De laatste belangrijke aanvulling van het familiebezit werd door Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) gerealiseerd toen hij in 1776 de heerlijkheid de Duckenburg, in de omgeving van Nijmegen, aankocht.

Met het overlijden van Maerten Snouckaert van Schauburg (nr 13a) verdween ook de traditie van de diplomatie uit de familie. In de plaats hiervoor kwam een militaire traditie die tot ca. 1795 dominant bleef.

Nieuwe carrièremogelijkheden voor het geslacht Snouckaert van Schauburg werden geopend door Albert Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) die als zoon van luitenant-generaal Willem Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 19a), allereerst in de voetsporen van zijn vader trad. Zijn militaire carrière vond echter een vroegtijdig einde door de politieke en militaire gebeurtenissen in 1795. In dat jaar werd hij op 18 januari ontslagen uit zijn functie van luitenant-kolonel bij de cavalerie, maar slaagde erin zijn carrière onder de Bataafse Republiek, het Franse Keizerrijk en het Koninkrijk der Nederlanden voort te zetten. Na een reeks andere benoemingen verkreeg hij de functie van intendant van de koninklijke paleizen te Utrecht (1808) en Amsterdam (1810).

Na afloop van de Franse periode slaagde hij erin opnieuw voor hoffuncties in aanmerking te komen, zo werd hij in 1814 door koning Willem I tot kamerheer benoemd. Vrijwel gelijktijdig werd hij aangesteld in een aantal andere belangrijke commissies en colleges waaronder de Commissie tot samenstelling van een Kamer van Heraldiek, de Commissie tot Organisatie der Landmilitie en de Hoge Raad van Adel. Op grond van zijn verdiensten werden hij en zijn nakomelingen, bij Koninklijk Besluit van 27 augustus 1814, erkend te behoren tot de Nederlandse Adel met titel van baron.

Met deze reeks van benoemingen waaraan in 1815 en 1832 nog die van kamerheer-ceremoniemeester en opperschenker werden toegevoegd zette Albert Carel de toon voor een geheel nieuwe traditie in het carrièreverloop van de familie Snouckaert van Schauburg; namelijk het vervullen van hoffuncties bij leden van het Nederlandse Koninklijk Huis. Zo dienden bijvoorbeeld drie opeenvolgende Albert Carels Snouckaert van Schauburg (nrs. 25a, 37a en 40) in diverse hoffuncties onder de koningen Willem I, Willem II en Willem III en onder koningin Wilhelmina. Deze werkzaamheden combineerden zij bovendien alledrie met het lidmaatschap van de Hoge Raad van Adel. Zij waren echter niet de enigen van de familie die aanzienlijke hoffuncties vervulden bij leden van het Koninklijk Huis. De desbetreffende archiefbestanddelen bevatten dan ook interessante bronnen voor diegenen die zich een goed beeld van het hofleven in de 19e eeuw willen verschaffen.

B. De familie Snouckaert van Binckhorst.
De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr.5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad De Binckhorst die in Delfland in de omgeving van 's-Gravenhage was gelegen.

Het huis was zeer oud en werd reeds in de 11e eeuw genoemd. Oorspronkelijk was het huis in bezit van het reeds lang uitgestorven geslacht Van Binckhorst. Het huis De Binckhorst dat in deze vroege periode een vrij eigendom schijnt te zijn geweest werd in het jaar 1308, met alle hiertoe behorende goederen, door de toenmalige bezitter Simon van Benthem opgedragen aan Willem III, graaf van Holland, van wie hij het weer in leen ontving. Sindsdien is dit adellijke huis altijd een leen van Holland gebleven waarbij ook verschillende achterlenen behoorden. Het is onduidelijk wie het huis na Simon van Benthem in bezit heeft gehad. Het is waarschijnlijk dat het in jaar 1350, toen het huis door graaf Willem V werd belegerd, aan Jacob van Binckhorst behoorde. Deze Jacob van Binckhorst behoorde vrijwel zeker tot het oud riddermatig geslacht Van Binckhorst dat in 1576, met Simon van Binckhorst, uitgestorven is. In 1389 werd, door Jan van Arkel, Johan van Leyenburgh met De Binckhorst beleend. Van hem ging het over naar Aart van Leyenburgh die het in 1409 verkocht aan Dirk Ploeg die het op zijn beurt overdroeg aan Dirk van Zwieten. Via zijn zoon Aart van Zwieten en diens broers' zoon Jan van Zwieten kwam het in het jaar 1464 aan Dirk Poes, die in het jaar 1467 werd benoemd tot griffier van het Hof van Holland. Het geslacht Poes voegde de naam Van Binckhorst aan de familienaam toe. De opvolger van Dirk Poes, Lodewijk Poes van Binckhorst werd, bij sententie van 7 mei 1568, door Alva verbannen terwijl zijn goederen verbeurd werden verklaard. In de tussentijd was het huis echter, wegens het overlijden van Johanna Poes van Binckhorst in 1563, bij testamentaire dispositie, aan haar echtgenoot Willem Snouckaert van Schauburg vervallen (nr. 5). Na zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Schauburg (nr 3a) op 30 mei 1565 in het bezit van De Binckhorst gesteld. Op 10 september 1569 schonk hij de ridderhofstad aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze bij zijn kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Met deze Jacob Snouckaert begint dan de tak Snouckaert van Binckhorst. Hij was eerste auditeur en, later, rentmeester van Holland. In het jaar 1572 nam hij, gedwongen door de troebelen in de Nederlanden, de wijk naar Utrecht waar hij overleed. Hierdoor verviel De Binckhorst aan zoon Jacob Snouckaert van Binckhorst (nr. 63) en vervolgens aan nog twee elkaar opeenvolgende Jacobs uit dezelfde tak (1575-1678). Bij het overlijden van deze laatste telg werd de ridderhofstede op 29 juli 1678 opgedragen aan Willem de Nobelaer die met Wilhelmina Snouckaert was gehuwd. Zij ontving het goed bij het overlijden van haar man op 13 januari 1685 en verkocht het op 22 augustus 1690 aan Henry Du Vernet, ridder, heer van Lavalle.

C. De familie Snouckaert van Zomergem
Deze Vlaamse tak stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. De naam Zomergem werd ontleend aan de heerlijkheid van die naam die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel, en met alle hieraan verbonden rechten, in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. Tot de heerlijkheid Zomergem behoorden een groot aantal lenen te Hansbeke, Oostwinkel, Wachtebeke, Winkel, Saffelare, Ertvelde, Kluizen en Landegem. De voornaamste hiervan waren Briarde, Schipdonk of Berendale, Laatschap, Herzele, Rivish, Hoetsel of Breusleen, het Prootsche of St. Pieters, Overdam, Schauburg of Schaubroek, Beke, Van den Rudder, Ten Broeke, Kruisstrate, de Platte Gaverij, Immetuin, Leischoot, Twaalf Bunder, Staaktevijvere en het goed ter Meersch. De oudst bekende bezitter van de heerlijkheid Zomergem was Herman van Zomergem die in 1085 met graaf Robert de Fries ter kruisvaart ging. Het is onbekend hoe lang de leden van het geslacht Zomergem de heerlijkheid in bezit hebben gehad. Zeker is in ieder geval dat de heerlijkheid in het jaar 1235 aan Boudewijn van der Meersch (of Van der Weiden) toebehoorde. In hetzelfde jaar begiftigde Lodewijk van Nevers, ter gelegenheid van haar huwelijk met Simoen van Mirabelle, zijn bastaarddochter Elisabeth met de heerlijkheid. Na de dood van Van Mirabello werden de goederen van Elisabeth door de graaf van Vlaanderen aangeslagen uit hoofde van achterstallige afdrachten van gelden die Simoen, als rewaard en ontvanger van de graaf van Vlaanderen had gelicht. Er werd een overeenkomst gesloten waarbij de graaf en zijn opvolgers in het bezit kwamen van Het Hof ten Walle te Gent (later de Prinsenhof genaamd), en van de weiden tussen dit hof en de Lieve. Elisabeth en haar tweede echtgenoot, Arnout van Heule, heer van Rumene, bleven in het bezit van de heerlijkheid Zomergem maar verloren alle rechten op de heerlijkheden van Eeklo, Kaprijke en Lembeke. Korte tijd later kocht de graaf de heerlijkheid opnieuw en kwam deze, door het huwelijk van Beatrix van Blaesvelt, de natuurlijke dochter van de graaf van Vlaanderen, met Philips van Massemen, gouverneur van Dendermonde, aan het huis van Massemen te Gent.

Bij zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Zomergem (nr. 64a) met de heerlijkheden beleend (28 maart 1589) welke tot 1706 aan deze Vlaamse tak van de familie bleven toebehoren. De laatste heer van Zomergem was Martin Pierre Ignase Snouckaert van Zomergem (nr. 75) die sinds 4 maart 1654 in het bezit van de heerlijkheid was gesteld; hij sneuvelde op 29 juli 1693, als majoor der cavalerie, te Neerwinden. Na zijn dood werd de heerlijkheid Zomergen op 11 december 1706, voor f 70.600, - aan Jan Theodoor de Jonge verkocht.

In de loop van de 18e eeuw werd het oorspronkelijk door Maerten Snouckaert te Zomergem gebouwde kasteel door De Montmorency's afgebroken en naar Bellem overgebracht.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in