gahetNA in het Nationaal Archief

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: 1. Het huis Offem Het terrein, genaamd Hofvenne, in Noordwijk, dat later Offem zou heten, komt - afgezien van een verpachting in 1316 - het eerst voor in 1336, toen Jan van Henegouwen zijn dochter Johanna een rente van 10 pond hollands op dit perceel verzekerde, die na haar dood zou komen aan de wijnkelder van de abdij Leeuwenhorst. In 1342 gaf Jan van Henegouwen nog eens 5 pond op de Hofvenne. Naderhand droeg Gui van Châtillon, kleinzoon van Jan van Henegouwen, in 1396 de Hofvenne, die belast was met 15 pond voor de abdij Leeuwenhorst, samen met een stuk land, genaamd Hofland, over aan Frederik van der Zevender. Wij vinden dit perceel hierna nauwelijks meer in akten terug, omdat het eigen goed was. Wel duikt de rente, die bij de eerste gelegenheid in 1410 tot 10 pond was beperkt, in de rekeningen van Leeuwenhorst op. Aanvankelijk wordt niet vermeld, wie deze 10 pond voldeed, maar in 1424 blijkt dat Jan van de Boekhorst te zijn, dezelfde die in 1430 de heerlijkheid Offem verwerft. De betalingen worden voortgezet vanaf 1452 door Elisabeth van Alkemade, zijn weduwe, naderhand door Jan van Noordwijk, hun zoon, tenslotte door Nikolaas Korf, die het bedrag in 1504 voor het vijfentwintigvoudige afkocht. Door de geschetste vererving bestaat er geen twijfel aan de vereenzelviging van Offem met de Hofvenne, al is de verwerving door Jan van de Boekhorst niet geboekstaafd. De namen Hofvenne en Hofland doen een bijbehorende hof met versterkt huis vermoeden. Inderdaad tekent C. van Alkemade in zijn verhandeling over de stad Leiden onder de titel "oud kasteel van Noordwijk" een rechthoekig kasteel, voorzien van vier hoektorens, een poortgebouw en een zware donjon. Wij mogen dit bouwsel wel toeschrijven aan de fantasie van Van Alkemade. Meer vertrouwen verdient een getuigenis uit 1655 van bejaarde inwoners van Noordwijk, dat zij op het land, genaamd Bergweide, ongeveer zestig jaar daarvoor nog oud muurwerk van blauwe steen hadden zien staan''. Het perceel was gelegen in de Bronsgeest op de grens tussen Noordwijk en Noordwijkerhout. Door deze situering ligt de Bergweide in de heerlijkheid Offem. Het ligt voor de hand, dat dit versterkte huis uit het bezit stamde van Gerard van Velsen, al wiens goed in 1308 door graaf Willem III aan Jan van Henegouwen werd toegewezen, in 1313 gevolgd door het gerecht van Noordwijk. Het latere huis Offem stond echter ruimschoots bezuiden de oude sterkte en wel ten oosten van het dorp Noordwijk even buiten de heerlijkheid Offem. Het werd in zijn geschiedenis slechts eenmaal overgedragen en wel in 1661 door Arnout van Wassenaar, wiens vrouw Anna Margaretha van Scherpenzeel het in huwelijk had meegebracht. Tevoren zal het steeds in het bezit zijn geweest van de elkaar opvolgende heren van Offem maar het wordt nooit met zoveel woorden genoemd. Wanneer het in oorsprong is gebouwd, blijft daarom onbekend. Omstreeks 1750 werd het door Theodora Odilia Doys ingrijpend verbouwd en verfraaid met een symmetrische tuin. In de negentiende eeuw werd het huis door Frederik Albert Govert graaf van Limburg Stirum afgebroken en op iets kleinere schaal herbouwd. Voor dit werk legde Susanna Geertruida Françoise Gevers, zijn vrouw, in 1856 de eerste steen. Nadat dit huis in de laatste Wereldoorlog door de Duitsers als commandopost was gebruikt, werd het in 1953 grotendeels afgebroken, omdat het uitgewoond was. Thans herinnert alleen het huidige woonhuis, dat enige eeuwen oud is, aan het oudere Offem. 2. De families Van Limburg Stirum, Doys en Van der Does Van Limburg Stirum De stamvader van de in het archief behandelde tak van de familie Van Limburg Stirum was Albert Dominicus, tweede zoon van Otto Ernst graaf van Limburg Stirum. Hij maakte evenals velen van zijn nakomelingen een carrière in het leger. Tevens gaf hij blijk van een zin voor historie door de voorvaderlijke bezitting Wildenburg te kopen. Van hem zet de tak zich hier voort met zijn vierde zoon Leopold, het bekende lid van het driemanschap van 1813, die huwde met Theodora Odilia Carolina Louise van der Does. Zij bracht de heerlijkheid Noordwijk in de familie, zodat Wigbold Albert Willem, oudste zoon van Leopold, zich aan het beheer en bestuur daarvan kon gaan wijden. De tak Noordwijk zou zich voortaan blijven bezighouden met bestuurlijke activiteiten op provinciaal en gemeentelijk terrein. Zijn jongere broer Otto Jan Herbert was daarentegen militair evenals diens zoon Willem. Deze kreeg door zijn vroegtijdige pensionering gelegenheid zich diepgaand bezig te houden met de geschiedenis van zijn familie, die hij neerlegde in zijn "Stamtafel". Ook daarna zette hij zijn onderzoekingen echter nog voort zoals blijkt uit de grote hoeveelheid documentatie, die hij na 1878 verzamelde. Zijn arbeid heeft in de laatste jaren een fraaie bekroning gevonden in het standaardwerk over de graven van Limburg Stirum, dat tot stand kwam dankzij de krachtige steun van W.J.H. graaf van Limburg Stirum. Dit oeuvre bevat zowel een inventaris van het archief van de graven vanaf het begin van de dertiende eeuw tot het overlijden van Frederik Willem graaf van Limburg Stirum , grootvader van Albert Dominicus, in 1722, als repertoria op de leen-hoven van Bronkhorst, Borculo, Wisch en de Wildenburg, die in handen van de familie waren. Van der Does Ook deze familie werd reeds in een monografie behandeld, zij het op minder grootscheepse wijze dan de graven van Limburg Stirum. Het beroemdste lid van dit geslacht was Jan van der Does, die aan diverse universiteiten studeerde en bij zijn terugkeer een rol speelde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Hij werd de eerste curator van de Leidse universiteit en tevens geschiedschrijver van Holland. Als zodanig stonden hij en zijn zoons Jan, Steven, Frans en George in contact met geleerden van die tijd zoals J. Lipsius en A. van Buchel. Zijn nakomelingen trokken zich evenwel terug van het veld van de wetenschap en bleven zich voornamelijk bezighouden met het bestuur van Holland, waar zij zitting hadden in de Ridderschap, en met het beheer van hun bezittingen. In de eerste plaats was dat de heerlijkheid Noordwijk, later vermeerderd met de aparte heerlijkheden Offem en Ter Lucht in die plaats. In het Westland kwam de familie door het huwelijk van Wigbold van der Does met Wilhelmina Henriette van Reede in het bezit van de heerlijkheid De Lier en verder zuidwaarts van de heerlijkheid St. Anthoniepolder, die afkomstig was van de familie Van der Mijle. De familie stierf in 1810 in mannelijke uit met Gerlach Jan Doys van der Does, die de naam Doys van de eerder uitgestorven familie van zijn moeder aan de zijne had toegevoegd. Doys Deze familie is de minst bekende van de drie hier behandelde. Aan haar is geen monografie gewijd. Daar staat tegenover, dat Gerlach Doys (1626-1685), jongere zoon van Dirk Doys, in drie delen de geschiedenisvan zijn familie beschreef en daar als bewijsstukken de akten van het familiearchief bijvoegde. Hij kon dat des te gereder doen, omdat hij het familiearchief grotendeels had meegenomen. In de zestiende eeuw woonde de familie in Deventer, waar zij aanzienlijke posten bekleedde. Zo was Gerlach Doys burgemeester en mocht Pieter Doys, zijn zoon, zich deken van de St. Lebuinus noemen. Omdat de familie vanaf de zeventiende eeuw een carrière in het leger nastreefde, verplaatsten zij zich naar Gelderland, Brabant, Zeeland en Friesland. De oudste tak stierf in 1774 uit met Theodora Odilia Doys ongeveer ter zelfder tijd als de jongere tak, die zich in Friesland had gevestigd. 3. De heerlijkheden Noordwijk, Offem, St. Anthoniepolder en De Lier De heerlijkheid Noordwijk met haar reilen en zeilen werd vooral voor de jongere tijd uitvoerig behandeld door J. Kloos. Wij geven daarom slechts een beknopt overzicht van de heerlijkheid. In 1438 werd Jan van de Boekhorst door Margaretha van Bourgondië beleend met de heerlijkheid zonder Offem, Langeveld en Ter Lucht. Van zijn zoon Jan van Noordwijk vererfde zij op Jan van der Does, in wiens familie de heerlijkheid ruim driehonderd jaar bleef tot 1810, toen de familie Van Limburg Stirum haar erfde. Alleen van 1620 tot 1640 was zij in handen van Nikolaas van de Boekhorst en Caspar en Willem van Ewsum, verwanten van Van der Does. Acht jaar voor de heerlijkheid Noordwijk ontving Jan van de Boekhorst de heerlijkheid Offem van Margaretha van Bourgondië in leen. Dit was een rechthoekig terrein aan de oostzijde van Noordwijk, dat in het noorden grensde aan Noordwijkerhout en zuidwaarts strekte ter breedte van de Bronsgeest. Deze heerlijkheid vererfde van de familie Van de Boekhorst achtereenvolgens op de families Korf, Pijns en Van Scherpenzeel, die haar in 1661 verkocht aan Wigbold van der Does, waarna zij dezelfde weg volgde als de heerlijkheid Noordwijk. De problemen over de grenzen tussen beide heerlijkheden waren door de transactie van 1661 geheel uit de weg geruimd, daar Offem in Noordwijk opging. Wigbolds gelijknamige kleinzoon verwierf in 1695 de resterende heerlijkheden Langeveld en Ter Lucht. Ook deze gingen nu dezelfde weg als Noordwijk tot Langeveld in 1774 werd toegedeeld aan Gerlach Jan Doys van der Does, die evenwel in 1788 ook Noordwijk erfde. Daardoor was de heerlijkheid herenigd. St. Anthoniepolder werd in 1357 bedijkt door Hugo Duking en zijn metgezellen. Zij deden hun werk blijkbaar bekwaam want als enige in de Hoekse waard bleef hun bedijking droog tijdens de St. Elisabeths-vloed van 1421. In de negentiende eeuw werd de gemeente onder Maasdam gebracht. De heerlijkheid was vanaf de zestiende tot het begin van de achttiende eeuw in handen van de familie Van der Mijle, van wie zij in 1712 vererfde op Wilhelmina Henriette van Reede, gehuwd met Wigbold van der Does. Zij bleef hierna in de families Van der Does en Van Limburg Stirum. De heerlijkheid De Lier in het Westland werd in 1675 verworven door Frederik van Reede, via wiens dochter Wilhelmina Henriette zij vererfde op de familie Van der Does. Bij boedelscheiding van 1812 werd zij toegedeeld aan Johanna Jacoba Herbertina Mauritia van der Does, gehuwd met Timon Cornelis de Heerdt van Eversberg. Deze familie verkocht de heerlijkheid in 1825 weer aan een plaatselijke burgemeester, waarna elk spoor van het archief ontbreekt. 4. Het klooster St. Katharina en Barbara te Noordwijk Dit klooster van Augustinessen werd in 1456 door Frank van de Boekhorst gesticht op een terrein ten noorden van de kerk van Noordwijk. Daarop had reeds eerder een geestelijke stichting gestaan, die de regel van de Derde Orde volgde, maar in 1450 was verbrand. De nieuwe stichting werd gesteld onder het toezicht van het klooster St. Hieronymus, genaamd Roma, aan het Rapenburg te Leiden en in 1465 bovendien nog onder het klooster Syon. In 1492 werd het klooster onder de hoede van het kapittel van Windesheim geplaatst. In 1572 werd het klooster opgeheven en werden de goederen voortaan beheerd door het Geestelijk kantoor. Bij die gelegenheid wist men zich in het bezit te stellen van het archief. Dit was aanzienlijk omvangrijker dan thans, te schatten naar de charters, die Romeins genummerd zijn. Het hoogste nog aanwezige nummer 87 maakt aannemelijk, dat ruim zeventig charters verloren gingen of omstreeks 1572 door de zusgers werden meegenomen. In de eerste helft van de zeventiende eeuw wisten de heren van Noordwijk zich in het bezit van de goederen te stellen, die zij voor de bekostiging van de eredienst gebruikten. Zij konden dat doen omdat zij nazaten van de stichter waren.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer 1. Het huis Offem
Het terrein, genaamd Hofvenne, in Noordwijk, dat later Offem zou heten, komt - afgezien van een verpachting in 1316 - het eerst voor in 1336, toen Jan van Henegouwen zijn dochter Johanna een rente van 10 pond hollands op dit perceel verzekerde, die na haar dood zou komen aan de wijnkelder van de abdij Leeuwenhorst. In 1342 gaf Jan van Henegouwen nog eens 5 pond op de Hofvenne. Naderhand droeg Gui van Châtillon, kleinzoon van Jan van Henegouwen, in 1396 de Hofvenne, die belast was met 15 pond voor de abdij Leeuwenhorst, samen met een stuk land, genaamd Hofland, over aan Frederik van der Zevender. Wij vinden dit perceel hierna nauwelijks meer in akten terug, omdat het eigen goed was. Wel duikt de rente, die bij de eerste gelegenheid in 1410 tot 10 pond was beperkt, in de rekeningen van Leeuwenhorst op. Aanvankelijk wordt niet vermeld, wie deze 10 pond voldeed, maar in 1424 blijkt dat Jan van de Boekhorst te zijn, dezelfde die in 1430 de heerlijkheid Offem verwerft. De betalingen worden voortgezet vanaf 1452 door Elisabeth van Alkemade, zijn weduwe, naderhand door Jan van Noordwijk, hun zoon, tenslotte door Nikolaas Korf, die het bedrag in 1504 voor het vijfentwintigvoudige afkocht. Door de geschetste vererving bestaat er geen twijfel aan de vereenzelviging van Offem met de Hofvenne, al is de verwerving door Jan van de Boekhorst niet geboekstaafd.

De namen Hofvenne en Hofland doen een bijbehorende hof met versterkt huis vermoeden. Inderdaad tekent C. van Alkemade in zijn verhandeling over de stad Leiden onder de titel "oud kasteel van Noordwijk" een rechthoekig kasteel, voorzien van vier hoektorens, een poortgebouw en een zware donjon. Wij mogen dit bouwsel wel toeschrijven aan de fantasie van Van Alkemade. Meer vertrouwen verdient een getuigenis uit 1655 van bejaarde inwoners van Noordwijk, dat zij op het land, genaamd Bergweide, ongeveer zestig jaar daarvoor nog oud muurwerk van blauwe steen hadden zien staan''. Het perceel was gelegen in de Bronsgeest op de grens tussen Noordwijk en Noordwijkerhout. Door deze situering ligt de Bergweide in de heerlijkheid Offem. Het ligt voor de hand, dat dit versterkte huis uit het bezit stamde van Gerard van Velsen, al wiens goed in 1308 door graaf Willem III aan Jan van Henegouwen werd toegewezen, in 1313 gevolgd door het gerecht van Noordwijk.

Het latere huis Offem stond echter ruimschoots bezuiden de oude sterkte en wel ten oosten van het dorp Noordwijk even buiten de heerlijkheid Offem. Het werd in zijn geschiedenis slechts eenmaal overgedragen en wel in 1661 door Arnout van Wassenaar, wiens vrouw Anna Margaretha van Scherpenzeel het in huwelijk had meegebracht. Tevoren zal het steeds in het bezit zijn geweest van de elkaar opvolgende heren van Offem maar het wordt nooit met zoveel woorden genoemd.

Wanneer het in oorsprong is gebouwd, blijft daarom onbekend. Omstreeks 1750 werd het door Theodora Odilia Doys ingrijpend verbouwd en verfraaid met een symmetrische tuin. In de negentiende eeuw werd het huis door Frederik Albert Govert graaf van Limburg Stirum afgebroken en op iets kleinere schaal herbouwd. Voor dit werk legde Susanna Geertruida Françoise Gevers, zijn vrouw, in 1856 de eerste steen. Nadat dit huis in de laatste Wereldoorlog door de Duitsers als commandopost was gebruikt, werd het in 1953 grotendeels afgebroken, omdat het uitgewoond was. Thans herinnert alleen het huidige woonhuis, dat enige eeuwen oud is, aan het oudere Offem.

2. De families Van Limburg Stirum, Doys en Van der Does
Van Limburg Stirum
De stamvader van de in het archief behandelde tak van de familie Van Limburg Stirum was Albert Dominicus, tweede zoon van Otto Ernst graaf van Limburg Stirum. Hij maakte evenals velen van zijn nakomelingen een carrière in het leger. Tevens gaf hij blijk van een zin voor historie door de voorvaderlijke bezitting Wildenburg te kopen. Van hem zet de tak zich hier voort met zijn vierde zoon Leopold, het bekende lid van het driemanschap van 1813, die huwde met Theodora Odilia Carolina Louise van der Does. Zij bracht de heerlijkheid Noordwijk in de familie, zodat Wigbold Albert Willem, oudste zoon van Leopold, zich aan het beheer en bestuur daarvan kon gaan wijden. De tak Noordwijk zou zich voortaan blijven bezighouden met bestuurlijke activiteiten op provinciaal en gemeentelijk terrein. Zijn jongere broer Otto Jan Herbert was daarentegen militair evenals diens zoon Willem. Deze kreeg door zijn vroegtijdige

pensionering gelegenheid zich diepgaand bezig te houden met de geschiedenis van zijn familie, die hij neerlegde in zijn "Stamtafel". Ook daarna zette hij zijn onderzoekingen echter nog voort zoals blijkt uit de grote hoeveelheid documentatie, die hij na 1878 verzamelde. Zijn arbeid heeft in de laatste jaren een fraaie bekroning gevonden in het standaardwerk over de graven van Limburg Stirum, dat tot stand kwam dankzij de krachtige steun van W.J.H. graaf van Limburg Stirum. Dit oeuvre bevat zowel een inventaris van het archief van de graven vanaf het begin van de dertiende eeuw tot het overlijden van Frederik Willem graaf van Limburg Stirum , grootvader van Albert Dominicus, in 1722, als repertoria op de leen-hoven van Bronkhorst, Borculo, Wisch en de Wildenburg, die in handen van de familie waren.

Van der Does
Ook deze familie werd reeds in een monografie behandeld, zij het op minder grootscheepse wijze dan de graven van Limburg Stirum. Het beroemdste lid van dit geslacht was Jan van der Does, die aan diverse universiteiten studeerde en bij zijn terugkeer een rol speelde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Hij werd de eerste curator van de Leidse universiteit en tevens geschiedschrijver van Holland. Als zodanig stonden hij en zijn zoons Jan, Steven, Frans en George in contact met geleerden van die tijd zoals J. Lipsius en A. van Buchel.

Zijn nakomelingen trokken zich evenwel terug van het veld van de wetenschap en bleven zich voornamelijk bezighouden met het bestuur van Holland, waar zij zitting hadden in de Ridderschap, en met het beheer van hun bezittingen. In de eerste plaats was dat de heerlijkheid Noordwijk, later vermeerderd met de aparte heerlijkheden Offem en Ter Lucht in die plaats. In het Westland kwam de familie door het huwelijk van Wigbold van der Does met Wilhelmina Henriette van Reede in het bezit van de heerlijkheid De Lier en verder zuidwaarts van de heerlijkheid St. Anthoniepolder, die afkomstig was van de familie Van der Mijle.

De familie stierf in 1810 in mannelijke uit met Gerlach Jan Doys van der Does, die de naam Doys van de eerder uitgestorven familie van zijn moeder aan de zijne had toegevoegd.

Doys
Deze familie is de minst bekende van de drie hier behandelde. Aan haar is geen monografie gewijd. Daar staat tegenover, dat Gerlach Doys (1626-1685), jongere zoon van Dirk Doys, in drie delen de geschiedenisvan zijn familie beschreef en daar als bewijsstukken de akten van het familiearchief bijvoegde. Hij kon dat des te gereder doen, omdat hij het familiearchief grotendeels had meegenomen.

In de zestiende eeuw woonde de familie in Deventer, waar zij aanzienlijke posten bekleedde. Zo was Gerlach Doys burgemeester en mocht Pieter Doys, zijn zoon, zich deken van de St. Lebuinus noemen. Omdat de familie vanaf de zeventiende eeuw een carrière in het leger nastreefde, verplaatsten zij zich naar Gelderland, Brabant, Zeeland en Friesland. De oudste tak stierf in 1774 uit met Theodora Odilia Doys ongeveer ter zelfder tijd als de jongere tak, die zich in Friesland had gevestigd.

3. De heerlijkheden Noordwijk, Offem, St. Anthoniepolder en De Lier
De heerlijkheid Noordwijk met haar reilen en zeilen werd vooral voor de jongere tijd uitvoerig behandeld door J. Kloos. Wij geven daarom slechts een beknopt overzicht van de heerlijkheid. In 1438 werd Jan van de Boekhorst door Margaretha van Bourgondië beleend met de heerlijkheid zonder Offem, Langeveld en Ter Lucht. Van zijn zoon Jan van Noordwijk vererfde zij op Jan van der Does, in wiens familie de heerlijkheid ruim driehonderd jaar bleef tot 1810, toen de familie Van Limburg Stirum haar erfde. Alleen van 1620 tot 1640 was zij in handen van Nikolaas van de Boekhorst en Caspar en Willem van Ewsum, verwanten van Van der Does.

Acht jaar voor de heerlijkheid Noordwijk ontving Jan van de Boekhorst de heerlijkheid Offem van Margaretha van Bourgondië in leen. Dit was een rechthoekig terrein aan de oostzijde van Noordwijk, dat in het noorden grensde aan Noordwijkerhout en zuidwaarts strekte ter breedte van de Bronsgeest. Deze heerlijkheid vererfde van de familie Van de Boekhorst achtereenvolgens op de families Korf, Pijns en Van Scherpenzeel, die haar in 1661 verkocht aan Wigbold van der Does, waarna zij dezelfde weg volgde als de heerlijkheid Noordwijk. De problemen over de grenzen tussen beide heerlijkheden waren door de transactie van 1661 geheel uit de weg geruimd, daar Offem in Noordwijk opging.

Wigbolds gelijknamige kleinzoon verwierf in 1695 de resterende heerlijkheden Langeveld en Ter Lucht. Ook deze gingen nu dezelfde weg als Noordwijk tot Langeveld in 1774 werd toegedeeld aan Gerlach Jan Doys van der Does, die evenwel in 1788 ook Noordwijk erfde. Daardoor was de heerlijkheid herenigd.

St. Anthoniepolder werd in 1357 bedijkt door Hugo Duking en zijn metgezellen. Zij deden hun werk blijkbaar bekwaam want als enige in de Hoekse waard bleef hun bedijking droog tijdens de St. Elisabeths-vloed van 1421. In de negentiende eeuw werd de gemeente onder Maasdam gebracht.

De heerlijkheid was vanaf de zestiende tot het begin van de achttiende eeuw in handen van de familie Van der Mijle, van wie zij in 1712 vererfde op Wilhelmina Henriette van Reede, gehuwd met Wigbold van der Does. Zij bleef hierna in de families Van der Does en Van Limburg Stirum.

De heerlijkheid De Lier in het Westland werd in 1675 verworven door Frederik van Reede, via wiens dochter Wilhelmina Henriette zij vererfde op de familie Van der Does. Bij boedelscheiding van 1812 werd zij toegedeeld aan Johanna Jacoba Herbertina Mauritia van der Does, gehuwd met Timon Cornelis de Heerdt van Eversberg. Deze familie verkocht de heerlijkheid in 1825 weer aan een plaatselijke burgemeester, waarna elk spoor van het archief ontbreekt.

4. Het klooster St. Katharina en Barbara te Noordwijk
Dit klooster van Augustinessen werd in 1456 door Frank van de Boekhorst gesticht op een terrein ten noorden van de kerk van Noordwijk. Daarop had reeds eerder een geestelijke stichting gestaan, die de regel van de Derde Orde volgde, maar in 1450 was verbrand. De nieuwe stichting werd gesteld onder het toezicht van het klooster St. Hieronymus, genaamd Roma, aan het Rapenburg te Leiden en in 1465 bovendien nog onder het klooster Syon. In 1492 werd het klooster onder de hoede van het kapittel van Windesheim geplaatst.

In 1572 werd het klooster opgeheven en werden de goederen voortaan beheerd door het Geestelijk kantoor. Bij die gelegenheid wist men zich in het bezit te stellen van het archief. Dit was aanzienlijk omvangrijker dan thans, te schatten naar de charters, die Romeins genummerd zijn. Het hoogste nog aanwezige nummer 87 maakt aannemelijk, dat ruim zeventig charters verloren gingen of omstreeks 1572 door de zusgers werden meegenomen.

In de eerste helft van de zeventiende eeuw wisten de heren van Noordwijk zich in het bezit van de goederen te stellen, die zij voor de bekostiging van de eredienst gebruikten. Zij konden dat doen omdat zij nazaten van de stichter waren.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in