Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: De erkenning van Franco-Spanje, 1938-1939 In de periode 1936-1939 woedde in Spanje de burgeroorlog. De republikeinse regering had in de voorafgaande periode weinig aandacht besteed aan buitenlandse betrekkingen. De enige vertegenwoordiging van Nederland bestond dan ook uit een Duitser, F. Schlosser. Zelfs nog in 1946, toen volgens een VN-resolutie alle gezanten uit Spanje teruggeroepen dienden te worden, waren er slechts vijf landen die aan die oproep gehoor konden geven. Andere landen hadden geen vertegenwoordiging van enige rang in Spanje. Gedurende het jaar 1938 boekte generaal Franco, leider van de nationalistische tegenregering, grote successen op de republikeinen en veroverde steeds grotere delen van het land. Uit economische overwegingen werd het interessant contact met hem te leggen, als waarschijnlijke winnaar van de burgeroorlog. Naast Schlosser, die bij de republikeinse regering in Barcelona verbleef, stuurde de Nederlandse regering jhr.mr. W.E. van Panhuys als 'agent' naar het Franse St. Jean de Luz, om de belangen bij Franco te behartigen. De nationalistische regering van Franco in Burgos had enkele economische troeven in handen, waaronder de handel in erts. Franco weigerde handel toe te staan tussen Spanje en landen die zijn regering niet erkend hadden. Daarom besprak het Nederlands agentschap in St. Jean de Luz in mei 1938 met de nationalistische regering op welke manier Nederland over kon gaan tot erkenning van het nationalistische regime, waarbij de keus bestond tussen de facto-, de jure-erkenning of een geheimgehouden belofte tot de jure-erkenning. Officieel erkende Nederland alleen de Republikeinse regering in Barcelona als regering van Spanje. Een de jure-erkenning van de tegenregering van Franco was dus uitgesloten. Nederland wilde eigenlijk het voorbeeld van Groot-Brittannië, dat handel mocht voeren met Franco-Spanje, volgen maar de regering in Londen ontkende dat ze Franco de facto erkend had en gaf geen informatie over de aard van haar overeenkomst met Franco. Franco-Spanje stelde zich zelfbewust op. Bij de onderhandelingen met Nederland verwezen de nationalisten er zelfs naar dat franquistisch Spanje een groter oppervlak had dan Nederland, en toonden ze vertrouwen in de goede afloop van de oorlog. In dat opzicht hoefden ze niks te pikken van andere landen en vonden ze een 'agent' eigenlijk te weinig. In de praktijk accepteerden ze echter wel agenten, zolang de de facto erkenning openbaar was. Ze hielden echter wel een economische slag om de arm; er werd met nadruk op gewezen dat een de facto-erkenning en het uitwisselen van agenten niet betekende dat de commerciële betrekkingen normaliseerden. In de loop van juli 1938 kwam er een verklaring tot stand welke een de facto-erkenning van het Franco-regime inhield waar beide partijen mee in konden stemmen. De handel met Franco-Spanje was gered, terwijl Nederland zich niet had verplicht tot een de jure-erkenning van Franco-Spanje. Ongeveer een maand voor het beëindigen van de burgeroorlog door de overwinning van Franco, werd de regering van Franco door Nederland de jure erkend en werd jhr. Van Panhuys, die tot die tijd als agent vanuit St. Jean de Luz had gewerkt, tijdelijk zaakgelastigde bij de Spaanse regering, waar al vrij snel C.H.J. Schuller tot Peursum aankwam als gezant. Van Panhuys werd de tweede man van het gezantschap. Diplomatieke vernedering Tijdens WO II was het de taak van de gezant om de Nederlandse regering op de hoogte te houden van Franco's houding tijdens de oorlog, waarbij de grootste vraag was of hij mee zou doen aan de strijd van de As-mogendheden of dat hij neutraal zou blijven. Deze missie werd bemoeilijkt doordat de Duitse gezant de Spaanse regering onder druk zette om de gezantschappen van de door Duitsland veroverde gebieden weg te pesten. De Duitse delegatie probeerde zo de Nederlandse regering zover te krijgen dat Nederland zijn vertegenwoordiging terugriep. Uiteindelijk gebeurde dit niet, maar er werd wel rekening mee gehouden: het ministerie in Den Haag had Zweden al bereid gevonden de Nederlandse belangen te behartigen mocht, de gezant teruggetrokken worden. Het was de verdienste van Schuller tot Peursum dat hij zich niet weg liet pesten en jarenlang protocollaire vernederingen slikte om het gezantschap draaiende te houden, ten behoeve van het nuttige werk dat gedaan kon worden voor de Nederlandse vluchtelingen in Spanje. De vertegenwoordigingen van België, Noorwegen, Polen, Joegoslavië en Griekenland werden wel teruggeroepen. De pesterijen begonnen na het overlijden van de verbannen koning Alfonso XIII. Voor de kerkelijke eredienst die in verband met het overlijden werd gehouden, werd de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging niet uitgenodigd. Het was het startsein voor een reeks van officiële gelegenheden waarbij de Nederlandse gezant niet welkom was. Ook kreeg hij in plaats van de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken alleen maar de Secretaris-generaal als hoogste regeringsfunctionaris te spreken. Toen echter de kansen voor de As-mogenheden begonnen te keren, koos Franco eieren voor zijn geld. Spanje verstevigde zijn onafhankelijke en neutrale positie en haalde de diplomatieke contacten aan om zich politiek staande te kunnen houden na de oorlog. Rond kerst 1943 werd de achtergestelde positie van Nederland en de andere door Duitsland bezette gebieden ongedaan gemaakt tijdens het afscheidsbanket van de Egyptische gezant. Tegen de tijd dat Schuller tot Peursum op het punt stond van post te wisselen, werd hij weer met alle egards ontvangen en bleken de Spanjaarden veel eerbied gehad te hebben voor koningin Wilhelmina tijdens haar verblijf te Londen. Vluchtelingenzorg Tijdens de oorlog probeerden veel vervolgden en verzetsstrijders via Spanje naar vrij gebied te vluchten. Uit Nederland kwamen vluchtelingen, die doorreisden naar Noord- en Zuid-Amerika, en Engelandvaarders, die naar Groot-Brittannië wilden om daar dienst te nemen in het Britse leger. Het was mogelijk een doorreisvisum te bemachtigen, maar dit gold niet voor personen tussen de 18 en de 41 jaar. Deze personen, die illegaal de grens overstaken, werden aan de zuidkant van de Pyreneeën opgevangen door grenspatrouilles en in interneringskampen geplaatst. De opvang van vluchtelingen was, wat Schuller betreft, een zaak van het consulaat-generaal. Vanuit het gezantschap werd wel door gezantschapsraad Van Panhuys toezicht gehouden op het consulaat-generaal en de werkzaamheden ten behoeve van vluchtelingen, maar die controle was niet erg strikt. Het gezantschap diende zich ervoor in te spannen dat de vluchtelingen zo snel mogelijk het kamp konden verlaten en naar vrij gebied konden gaan. Wegens gebrekkige coördinatie tussen het gezantschap en het consulaat-generaal verliep de hulp aan de vluchtelingen chaotisch. In tegenstelling tot geïnterneerden van andere nationaliteiten, kregen de Nederlanders in de kampen en gevangenissen weinig hulpgoederen, zoals kleding en voedsel, van het gezantschap. Ook bleven zij veel langer dan anderen in de kampen. Het Nederlandse gezantschap leek weinig begaan te zijn met het lot van zijn landgenoten in gevangenschap. Jongemannen die ontsnapten en op het gezantschap of het consulaat-generaal in Madrid papieren wilden bemachtigen om via Portugal naar Groot-Brittannië te gaan, werden met weinig egards behandeld en als 'brutale jongens' weggestuurd. Na een inspectiereis van de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken werd in 1943 de zorg voor de vluchtelingen gescheiden van de andere taken van het gezantschap en het consulaat-generaal en werden de betreffende diplomaten (Schuller tot Peursum, Van Panhuys en consul-generaal De Bruyn Tengbergen) gedreigd met overplaatsing. Wegens de precaire situatie van de vertegenwoordiging naar aanleiding van de Duitse protocollaire pesterijen kwam het daar echter niet van. De situatie was des te opmerkelijker omdat Nederland überhaupt een gezantschap had in Spanje, terwijl de andere landen, die protocollaire vernederingen niet hadden willen ondergaan en zich hadden teruggetrokken, wél adequate hulp aan hun gestrande landgenoten wisten te bieden. Na afloop van de oorlog werd een onderzoek ingesteld naar het verloop van de vluchtelingenopvang in onder andere Spanje. De tendens van het onderzoeksrapport was dat de Nederlandse vertegenwoordiging in Spanje gefaald had: er was te weinig tact en persoonlijke belangstelling te bespeuren geweest bij de diplomaten die betrokken waren bij de hulpverlening aan uitgeweken landgenoten. Toelating tot de Verenigde Naties Tijdens de naoorlogse besprekingen over de oprichting van de VN werd besloten dat staten met regimes die door buitenlandse strijdkrachten in het zadel waren geholpen, tegen de zin van de bevolking in, niet toegelaten zouden worden tot de VN of organisaties verbonden aan de VN. Er werd besloten dat dit ook voor Spanje gold, omdat Franco met Duitse en Italiaanse hulp de burgeroorlog zou hebben gewonnen. Ook speelde mee dat Spanje in de ogen van de internationale gemeenschap iets te veel met de fascistische vijand had geheuld en zich niet strikt neutraal had gehouden. Spanje ontkende dit in alle hevigheid en beriep zich op het non-interventiepact dat de Europese staten hadden gesloten met betrekking tot de Spaanse burgeroorlog, waaruit bleek dat de burgeroorlog uitgevochten was door Spaanse strijders. Ondanks de tegenwerpingen werd Spanje niet toegelaten tot de VN. Het doel van de VN was het regime van Franco zo spoedig mogelijk te vervangen door een democratisch bewind. De mensenrechtensituatie in het land werd onder de loep genomen en naar aanleiding van dat onderzoek werd in december 1946 een resolutie aangenomen om de diplomatieke banden met Spanje te verbreken en het land uit te sluiten van de gespecialiseerde organen van de VN. Van Kleffens, de Nederlandse vertegenwoordiger bij de VN, was tegen de resolutie. Hoewel hij geen sympathie voelde voor het bewind, kon niet aangetoond worden dat Franco een gevaar voor de vrede was en dus moest het accepteren of verwerpen van zijn regime gezien worden als een Spaanse binnenlandse aangelegenheid. Van Kleffens zag juist heil in het handhaven van de diplomatieke betrekkingen, omdat zo nog enige controle uitgeoefend kon worden op Francos regime. Vooral het inmengen in binnenlandse aangelegenheden wilde Nederland ontmoedigen met het oog op zijn eigen 'politionele acties' in Indonesië, die later veroordeeld zouden worden door de VN. Hoewel Nederland zich onthield van stemming over de resolutie van 1946, werd gezant Teppema toch vervangen door een tijdelijk zaakgelastigde, baron Van Voorst tot Voorst. Ondanks de uiteindelijke terugtrekking van Teppema, bleef de Spaanse pers positief tegenover Nederland (de Spaanse bladen spraken instemmend over de 'politionele acties' in Indonesië als strijd tegen het 'rode en gele gevaar'), omdat Nederland had laten weten het niet eens te zijn met het voorstel en de daaruit volgende resolutie. Ook volgde Nederland het VN-beleid om Spanje te weren uit de gespecialiseerde organen, ondanks de nadelige gevolgen die dit had voor de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Spanje. Zo werd een concessie voor een burgerluchtvaartverbinding tussen Amsterdam en Barcelona geweigerd. De VS gingen eerst bilaterale militaire banden aan met Spanje. In ruil voor vliegbases leverde de VS wapens aan Spanje, leidde officieren op en ging handelsrelaties aan. Ook mocht Spanje vanaf 1948 van de Marshallhulp profiteren. De Westerse lidstaten van de NAVO waren hevig gekant tegen de Amerikaanse toenadering tot het ondemocratische Spanje. Volgens een verdedigingsstrategie zou de Atlantische verdediging steunen op Groot-Brittannië en Spanje als pijlers. Tegen de tijd dat de Russen daar zouden zijn, was het voor de andere Europese landen dan al te laat - vandaar o.a. de protesten van Frankrijk, dat de eigen verdediging gecompromitteerd zag. Het strategisch belang van de VS woog niet op tegen de politieke implicaties; immers, door het steunen van een fascistoïde regime, ondermijnde de VS het groeiende vertrouwen in de democratie in Europa. Daarbij vreesde West-Europa dat steun aan Franco de stijgende kansen op zijn omverwerping teniet zouden doen (zo leken de verbannen oppositiegroepen van de monarchisten en de socialisten zich te verenigen in Parijs). En Francos rechtvaardiging met verwijzing naar de ondermijnende positie van socialisten en communisten liep schade op door de succesvolle integratie van socialisten in de Italiaanse politiek. Nederland ondersteunde een onverminderde boycot van Franco's regime. Het Nederlands beleid veranderde echter toen de Koude Oorlog vaste vormen aan begon te nemen en het fascistoïde regime van Franco een minder grote bedreiging voor de wereldvrede vormde dan de Sovjet-Unie en haar satellieten. Franco stond in dat conflict duidelijk aan de zijde van West-Europa. Langzaamaan begon ook in de Nederlandse pers het idee wortel te schieten dat Spanje cruciaal was voor de verdediging van Europa en waarschuwde men ervoor de propaganda van de communisten te geloven, die Franco af bleven schilderen als een bondgenoot en geestverwant van Hitler. In 1952 ontstond er een breuk in het Europese socialistische blok over de vraag of Spanje buiten de VN gehouden moest worden (het eensgezinde 'ja' sneuvelde) en kon Spanje toetreden tot de UNESCO (UN Educational Scientific and Cultural Organization). In 1951 was er ook al weer een gezant naar Madrid gezonden, die in 1954 de status van ambassadeur kreeg. Culturele betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog In zijn reportage aan het departement classificeerde Schuller het bewind van Franco als een schrikbewind. Het verzet tegen zijn regime werd echter ernstig geschaad door de buitenlandse steun die het kreeg. Deze steun kwam voornamelijk vanuit Groot-Brittannië dat, enerzijds uit vrees voor een door communisten gedomineerde Spaanse republiek en anderzijds vanuit strategische oogpunt met betrekking tot Gibraltar, de betrekkingen met Franco niet al te ernstig wilde verstoren. Schuller tot Peursum en daarna Teppema hielden de minister van Buitenlandse Zaken na het aflopen van WO II nauwkeurig op de hoogte van het verzet tegen Franco zowel binnen als buiten Spanje door middel van een bijna tweewekelijkse rapportage. Naast de vele stukken met overwegend negatieve tendens over Franco's regime, was Nederland tegelijkertijd bezig met de charmes van met name Andalusië te ontdekken. Tussen de politieke commentaren op Franco's dictatuur, schitterden reisverslagen over stierengevechten en markten in pittoreske Zuid-Spaanse stadjes. Ook bestond er een wederzijdse interesse voor religieuze groepen. De Spaanse correspondent in Amsterdam, Carlos Delgado Olivares, bracht de positie van de Nederlandse katholieken in beeld (op zijn opmerking dat de Nederlandse katholieken in aantal toenamen, maakte de gezant een notitie of die gegevens gecontroleerd konden worden), terwijl Nederlandse kranten aandacht schonken aan de achtergestelde positie van protestanten in Spanje. Het katholicisme was de officiële staatsgodsdienst en protestanten werden meer dan eens gedwarsboomd in het belijden van hun geloof, wat grote verontwaardiging teweegbracht in Nederland. Handelsbetrekkingen De Nederlands-Spaanse handelsbetrekkingen hadden zwaar te lijden onder de Spaanse Burgeroorlog en WO II. Relatief bleef het Nederlandse aandeel op de Spaanse markt weliswaar behouden, maar de totale omvang van de Spaanse buitenlandse handel was door het vele oorlogsgeweld en het internationale isolement in de naoorlogse jaren gehalveerd, en daarmee het Nederlands-Spaanse handelsvolume ook. Bijkomende factor was dat in 1948, toen er onderzoek werd verricht naar de Nederlandse handelspositie, de Franse en Duitse handel ook ingezakt waren, maar te verwachten viel dat deze twee economieën zich spoedig zouden herstellen en dan geduchte concurrenten van Nederland zouden worden. Tot 1950 toonde de Nederlandse-Spaans handel geen opleving, maar samenhangend met de politieke rehabilitatie van Spanje in de jaren '50 werd die wel verwacht. Tot 1951 weigerde Spanje gebruik te maken van buitenlandse kredieten, zoals de Marshallhulp. Toen men wel eenmaal besloten had te profiteren van deze zogenaamde manipulatiekredieten, bracht het geen verlichting, omdat de geïmporteerde producten relatief steeds duurder werden en de geëxporteerde productie een waardevermindering ondergingen. Nederland wilde graag zijn positie op de Spaanse markt verbeteren, maar gezien de ongunstige omstandigheden kon dit in de eerste helft van de jaren '50 niet verwezenlijkt worden.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer De erkenning van Franco-Spanje, 1938-1939
In de periode 1936-1939 woedde in Spanje de burgeroorlog. De republikeinse regering had in de voorafgaande periode weinig aandacht besteed aan buitenlandse betrekkingen. De enige vertegenwoordiging van Nederland bestond dan ook uit een Duitser, F. Schlosser. Zelfs nog in 1946, toen volgens een VN-resolutie alle gezanten uit Spanje teruggeroepen dienden te worden, waren er slechts vijf landen die aan die oproep gehoor konden geven. Andere landen hadden geen vertegenwoordiging van enige rang in Spanje.

Gedurende het jaar 1938 boekte generaal Franco, leider van de nationalistische tegenregering, grote successen op de republikeinen en veroverde steeds grotere delen van het land. Uit economische overwegingen werd het interessant contact met hem te leggen, als waarschijnlijke winnaar van de burgeroorlog. Naast Schlosser, die bij de republikeinse regering in Barcelona verbleef, stuurde de Nederlandse regering jhr.mr. W.E. van Panhuys als 'agent' naar het Franse St. Jean de Luz, om de belangen bij Franco te behartigen. De nationalistische regering van Franco in Burgos had enkele economische troeven in handen, waaronder de handel in erts. Franco weigerde handel toe te staan tussen Spanje en landen die zijn regering niet erkend hadden. Daarom besprak het Nederlands agentschap in St. Jean de Luz in mei 1938 met de nationalistische regering op welke manier Nederland over kon gaan tot erkenning van het nationalistische regime, waarbij de keus bestond tussen de facto-, de jure-erkenning of een geheimgehouden belofte tot de jure-erkenning. Officieel erkende Nederland alleen de Republikeinse regering in Barcelona als regering van Spanje. Een de jure-erkenning van de tegenregering van Franco was dus uitgesloten. Nederland wilde eigenlijk het voorbeeld van Groot-Brittannië, dat handel mocht voeren met Franco-Spanje, volgen maar de regering in Londen ontkende dat ze Franco de facto erkend had en gaf geen informatie over de aard van haar overeenkomst met Franco.

Franco-Spanje stelde zich zelfbewust op. Bij de onderhandelingen met Nederland verwezen de nationalisten er zelfs naar dat franquistisch Spanje een groter oppervlak had dan Nederland, en toonden ze vertrouwen in de goede afloop van de oorlog. In dat opzicht hoefden ze niks te pikken van andere landen en vonden ze een 'agent' eigenlijk te weinig. In de praktijk accepteerden ze echter wel agenten, zolang de de facto erkenning openbaar was. Ze hielden echter wel een economische slag om de arm; er werd met nadruk op gewezen dat een de facto-erkenning en het uitwisselen van agenten niet betekende dat de commerciële betrekkingen normaliseerden.

In de loop van juli 1938 kwam er een verklaring tot stand welke een de facto-erkenning van het Franco-regime inhield waar beide partijen mee in konden stemmen. De handel met Franco-Spanje was gered, terwijl Nederland zich niet had verplicht tot een de jure-erkenning van Franco-Spanje. Ongeveer een maand voor het beëindigen van de burgeroorlog door de overwinning van Franco, werd de regering van Franco door Nederland de jure erkend en werd jhr. Van Panhuys, die tot die tijd als agent vanuit St. Jean de Luz had gewerkt, tijdelijk zaakgelastigde bij de Spaanse regering, waar al vrij snel C.H.J. Schuller tot Peursum aankwam als gezant. Van Panhuys werd de tweede man van het gezantschap.

Diplomatieke vernedering
Tijdens WO II was het de taak van de gezant om de Nederlandse regering op de hoogte te houden van Franco's houding tijdens de oorlog, waarbij de grootste vraag was of hij mee zou doen aan de strijd van de As-mogendheden of dat hij neutraal zou blijven. Deze missie werd bemoeilijkt doordat de Duitse gezant de Spaanse regering onder druk zette om de gezantschappen van de door Duitsland veroverde gebieden weg te pesten. De Duitse delegatie probeerde zo de Nederlandse regering zover te krijgen dat Nederland zijn vertegenwoordiging terugriep. Uiteindelijk gebeurde dit niet, maar er werd wel rekening mee gehouden: het ministerie in Den Haag had Zweden al bereid gevonden de Nederlandse belangen te behartigen mocht, de gezant teruggetrokken worden. Het was de verdienste van Schuller tot Peursum dat hij zich niet weg liet pesten en jarenlang protocollaire vernederingen slikte om het gezantschap draaiende te houden, ten behoeve van het nuttige werk dat gedaan kon worden voor de Nederlandse vluchtelingen in Spanje. De vertegenwoordigingen van België, Noorwegen, Polen, Joegoslavië en Griekenland werden wel teruggeroepen.

De pesterijen begonnen na het overlijden van de verbannen koning Alfonso XIII. Voor de kerkelijke eredienst die in verband met het overlijden werd gehouden, werd de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging niet uitgenodigd. Het was het startsein voor een reeks van officiële gelegenheden waarbij de Nederlandse gezant niet welkom was. Ook kreeg hij in plaats van de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken alleen maar de Secretaris-generaal als hoogste regeringsfunctionaris te spreken.

Toen echter de kansen voor de As-mogenheden begonnen te keren, koos Franco eieren voor zijn geld. Spanje verstevigde zijn onafhankelijke en neutrale positie en haalde de diplomatieke contacten aan om zich politiek staande te kunnen houden na de oorlog. Rond kerst 1943 werd de achtergestelde positie van Nederland en de andere door Duitsland bezette gebieden ongedaan gemaakt tijdens het afscheidsbanket van de Egyptische gezant. Tegen de tijd dat Schuller tot Peursum op het punt stond van post te wisselen, werd hij weer met alle egards ontvangen en bleken de Spanjaarden veel eerbied gehad te hebben voor koningin Wilhelmina tijdens haar verblijf te Londen.

Vluchtelingenzorg
Tijdens de oorlog probeerden veel vervolgden en verzetsstrijders via Spanje naar vrij gebied te vluchten. Uit Nederland kwamen vluchtelingen, die doorreisden naar Noord- en Zuid-Amerika, en Engelandvaarders, die naar Groot-Brittannië wilden om daar dienst te nemen in het Britse leger. Het was mogelijk een doorreisvisum te bemachtigen, maar dit gold niet voor personen tussen de 18 en de 41 jaar. Deze personen, die illegaal de grens overstaken, werden aan de zuidkant van de Pyreneeën opgevangen door grenspatrouilles en in interneringskampen geplaatst.

De opvang van vluchtelingen was, wat Schuller betreft, een zaak van het consulaat-generaal. Vanuit het gezantschap werd wel door gezantschapsraad Van Panhuys toezicht gehouden op het consulaat-generaal en de werkzaamheden ten behoeve van vluchtelingen, maar die controle was niet erg strikt. Het gezantschap diende zich ervoor in te spannen dat de vluchtelingen zo snel mogelijk het kamp konden verlaten en naar vrij gebied konden gaan. Wegens gebrekkige coördinatie tussen het gezantschap en het consulaat-generaal verliep de hulp aan de vluchtelingen chaotisch. In tegenstelling tot geïnterneerden van andere nationaliteiten, kregen de Nederlanders in de kampen en gevangenissen weinig hulpgoederen, zoals kleding en voedsel, van het gezantschap. Ook bleven zij veel langer dan anderen in de kampen. Het Nederlandse gezantschap leek weinig begaan te zijn met het lot van zijn landgenoten in gevangenschap. Jongemannen die ontsnapten en op het gezantschap of het consulaat-generaal in Madrid papieren wilden bemachtigen om via Portugal naar Groot-Brittannië te gaan, werden met weinig egards behandeld en als 'brutale jongens' weggestuurd. Na een inspectiereis van de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken werd in 1943 de zorg voor de vluchtelingen gescheiden van de andere taken van het gezantschap en het consulaat-generaal en werden de betreffende diplomaten (Schuller tot Peursum, Van Panhuys en consul-generaal De Bruyn Tengbergen) gedreigd met overplaatsing. Wegens de precaire situatie van de vertegenwoordiging naar aanleiding van de Duitse protocollaire pesterijen kwam het daar echter niet van. De situatie was des te opmerkelijker omdat Nederland überhaupt een gezantschap had in Spanje, terwijl de andere landen, die protocollaire vernederingen niet hadden willen ondergaan en zich hadden teruggetrokken, wél adequate hulp aan hun gestrande landgenoten wisten te bieden.

Na afloop van de oorlog werd een onderzoek ingesteld naar het verloop van de vluchtelingenopvang in onder andere Spanje. De tendens van het onderzoeksrapport was dat de Nederlandse vertegenwoordiging in Spanje gefaald had: er was te weinig tact en persoonlijke belangstelling te bespeuren geweest bij de diplomaten die betrokken waren bij de hulpverlening aan uitgeweken landgenoten.

Toelating tot de Verenigde Naties
Tijdens de naoorlogse besprekingen over de oprichting van de VN werd besloten dat staten met regimes die door buitenlandse strijdkrachten in het zadel waren geholpen, tegen de zin van de bevolking in, niet toegelaten zouden worden tot de VN of organisaties verbonden aan de VN. Er werd besloten dat dit ook voor Spanje gold, omdat Franco met Duitse en Italiaanse hulp de burgeroorlog zou hebben gewonnen. Ook speelde mee dat Spanje in de ogen van de internationale gemeenschap iets te veel met de fascistische vijand had geheuld en zich niet strikt neutraal had gehouden. Spanje ontkende dit in alle hevigheid en beriep zich op het non-interventiepact dat de Europese staten hadden gesloten met betrekking tot de Spaanse burgeroorlog, waaruit bleek dat de burgeroorlog uitgevochten was door Spaanse strijders. Ondanks de tegenwerpingen werd Spanje niet toegelaten tot de VN.

Het doel van de VN was het regime van Franco zo spoedig mogelijk te vervangen door een democratisch bewind. De mensenrechtensituatie in het land werd onder de loep genomen en naar aanleiding van dat onderzoek werd in december 1946 een resolutie aangenomen om de diplomatieke banden met Spanje te verbreken en het land uit te sluiten van de gespecialiseerde organen van de VN. Van Kleffens, de Nederlandse vertegenwoordiger bij de VN, was tegen de resolutie. Hoewel hij geen sympathie voelde voor het bewind, kon niet aangetoond worden dat Franco een gevaar voor de vrede was en dus moest het accepteren of verwerpen van zijn regime gezien worden als een Spaanse binnenlandse aangelegenheid. Van Kleffens zag juist heil in het handhaven van de diplomatieke betrekkingen, omdat zo nog enige controle uitgeoefend kon worden op Francos regime. Vooral het inmengen in binnenlandse aangelegenheden wilde Nederland ontmoedigen met het oog op zijn eigen 'politionele acties' in Indonesië, die later veroordeeld zouden worden door de VN.

Hoewel Nederland zich onthield van stemming over de resolutie van 1946, werd gezant Teppema toch vervangen door een tijdelijk zaakgelastigde, baron Van Voorst tot Voorst. Ondanks de uiteindelijke terugtrekking van Teppema, bleef de Spaanse pers positief tegenover Nederland (de Spaanse bladen spraken instemmend over de 'politionele acties' in Indonesië als strijd tegen het 'rode en gele gevaar'), omdat Nederland had laten weten het niet eens te zijn met het voorstel en de daaruit volgende resolutie. Ook volgde Nederland het VN-beleid om Spanje te weren uit de gespecialiseerde organen, ondanks de nadelige gevolgen die dit had voor de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Spanje. Zo werd een concessie voor een burgerluchtvaartverbinding tussen Amsterdam en Barcelona geweigerd.

De VS gingen eerst bilaterale militaire banden aan met Spanje. In ruil voor vliegbases leverde de VS wapens aan Spanje, leidde officieren op en ging handelsrelaties aan. Ook mocht Spanje vanaf 1948 van de Marshallhulp profiteren. De Westerse lidstaten van de NAVO waren hevig gekant tegen de Amerikaanse toenadering tot het ondemocratische Spanje. Volgens een verdedigingsstrategie zou de Atlantische verdediging steunen op Groot-Brittannië en Spanje als pijlers. Tegen de tijd dat de Russen daar zouden zijn, was het voor de andere Europese landen dan al te laat - vandaar o.a. de protesten van Frankrijk, dat de eigen verdediging gecompromitteerd zag. Het strategisch belang van de VS woog niet op tegen de politieke implicaties; immers, door het steunen van een fascistoïde regime, ondermijnde de VS het groeiende vertrouwen in de democratie in Europa. Daarbij vreesde West-Europa dat steun aan Franco de stijgende kansen op zijn omverwerping teniet zouden doen (zo leken de verbannen oppositiegroepen van de monarchisten en de socialisten zich te verenigen in Parijs). En Francos rechtvaardiging met verwijzing naar de ondermijnende positie van socialisten en communisten liep schade op door de succesvolle integratie van socialisten in de Italiaanse politiek. Nederland ondersteunde een onverminderde boycot van Franco's regime.

Het Nederlands beleid veranderde echter toen de Koude Oorlog vaste vormen aan begon te nemen en het fascistoïde regime van Franco een minder grote bedreiging voor de wereldvrede vormde dan de Sovjet-Unie en haar satellieten. Franco stond in dat conflict duidelijk aan de zijde van West-Europa.

Langzaamaan begon ook in de Nederlandse pers het idee wortel te schieten dat Spanje cruciaal was voor de verdediging van Europa en waarschuwde men ervoor de propaganda van de communisten te geloven, die Franco af bleven schilderen als een bondgenoot en geestverwant van Hitler. In 1952 ontstond er een breuk in het Europese socialistische blok over de vraag of Spanje buiten de VN gehouden moest worden (het eensgezinde 'ja' sneuvelde) en kon Spanje toetreden tot de UNESCO (UN Educational Scientific and Cultural Organization). In 1951 was er ook al weer een gezant naar Madrid gezonden, die in 1954 de status van ambassadeur kreeg.

Culturele betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog
In zijn reportage aan het departement classificeerde Schuller het bewind van Franco als een schrikbewind. Het verzet tegen zijn regime werd echter ernstig geschaad door de buitenlandse steun die het kreeg. Deze steun kwam voornamelijk vanuit Groot-Brittannië dat, enerzijds uit vrees voor een door communisten gedomineerde Spaanse republiek en anderzijds vanuit strategische oogpunt met betrekking tot Gibraltar, de betrekkingen met Franco niet al te ernstig wilde verstoren.

Schuller tot Peursum en daarna Teppema hielden de minister van Buitenlandse Zaken na het aflopen van WO II nauwkeurig op de hoogte van het verzet tegen Franco zowel binnen als buiten Spanje door middel van een bijna tweewekelijkse rapportage.

Naast de vele stukken met overwegend negatieve tendens over Franco's regime, was Nederland tegelijkertijd bezig met de charmes van met name Andalusië te ontdekken. Tussen de politieke commentaren op Franco's dictatuur, schitterden reisverslagen over stierengevechten en markten in pittoreske Zuid-Spaanse stadjes.

Ook bestond er een wederzijdse interesse voor religieuze groepen. De Spaanse correspondent in Amsterdam, Carlos Delgado Olivares, bracht de positie van de Nederlandse katholieken in beeld (op zijn opmerking dat de Nederlandse katholieken in aantal toenamen, maakte de gezant een notitie of die gegevens gecontroleerd konden worden), terwijl Nederlandse kranten aandacht schonken aan de achtergestelde positie van protestanten in Spanje. Het katholicisme was de officiële staatsgodsdienst en protestanten werden meer dan eens gedwarsboomd in het belijden van hun geloof, wat grote verontwaardiging teweegbracht in Nederland.

Handelsbetrekkingen
De Nederlands-Spaanse handelsbetrekkingen hadden zwaar te lijden onder de Spaanse Burgeroorlog en WO II. Relatief bleef het Nederlandse aandeel op de Spaanse markt weliswaar behouden, maar de totale omvang van de Spaanse buitenlandse handel was door het vele oorlogsgeweld en het internationale isolement in de naoorlogse jaren gehalveerd, en daarmee het Nederlands-Spaanse handelsvolume ook. Bijkomende factor was dat in 1948, toen er onderzoek werd verricht naar de Nederlandse handelspositie, de Franse en Duitse handel ook ingezakt waren, maar te verwachten viel dat deze twee economieën zich spoedig zouden herstellen en dan geduchte concurrenten van Nederland zouden worden. Tot 1950 toonde de Nederlandse-Spaans handel geen opleving, maar samenhangend met de politieke rehabilitatie van Spanje in de jaren '50 werd die wel verwacht.

Tot 1951 weigerde Spanje gebruik te maken van buitenlandse kredieten, zoals de Marshallhulp. Toen men wel eenmaal besloten had te profiteren van deze zogenaamde manipulatiekredieten, bracht het geen verlichting, omdat de geïmporteerde producten relatief steeds duurder werden en de geëxporteerde productie een waardevermindering ondergingen. Nederland wilde graag zijn positie op de Spaanse markt verbeteren, maar gezien de ongunstige omstandigheden kon dit in de eerste helft van de jaren '50 niet verwezenlijkt worden.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in