gahetNA in het Nationaal Archief

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: Jeugd en studie Op 14 november 1899 werd Augustus Johannes Veenendaal als derde kind uit het huwelijk van behanger en stoffeerder Cornelis Willem Veenendaal en Petronella Cornelia Sloot te Soest geboren. Hij groeide op in het huis "Zomerzorg", een ouderwets sfeervol dubbel-huis aan de Van Weedestraat. Het was aan aanmoedigingen van de publicist D. Wouters, hoofd van de normaalschool te Baarn, te danken, dat Veenendaals ouders er in toestemden, dat hij verder mocht leren. Als voorbereiding daarop gaf Wouters, die zich als zijn mentor opwierp, hem zelf privé-lessen. In 1918 respectievelijk 1921 behaalde hij de akten voor onderwijzer en hoofdonderwijzer bij het lager onderwijs. Na eerst in verschillende plaatsen een tijdelijke betrekking te hebben gehad, kreeg hij in 1922 een vaste aanstelling aan de Prins Willemschool te Scheveningen ( Hij was achtereenvolgens onderwijzer te Hees (10 juni - 31 juli 1918); Vianen (1-13 oktober 1918), Soest (1 november - 7 december 1918), Hees (1 maart - 9 juni 1919), Treebeek (10 juni 1919 - 31 augustus 1922), 's-Gravenhage (1 september 1922 - 31 augustus 1925).). Hier leerde hij als collega zijn latere vrouw Maria Petronella Slagter kennen met wie hij na een lange verloving op 26 augustus 1931 te 's-Gravenhage trouwde. Aangezien hij verder wilde studeren, behaalde Veenendaal in 1924 het benodigde staatsexamen gymnasium om in 1925 in Utrecht een studie Nederlands en Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te beginnen. Als belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk werd hij lid van de Nederlandsche Christelijke Studenten Vereniging. Hij genoot tijdens zijn studie het voorrecht om college te mogen lopen bij de bekende historici G.W. Kernkamp, O.A. Oppermann en H. Bolkestein en de neerlandicus prof. G.C.N. de Vooys. Hoewel Veenendaal nog maar nauwelijks met deze studie was begonnen leverde hij al zijn eerste historische bijdrage. Aangezien Wouters namelijk niet binnen de overeengekomen tijd kans zag om met zijn aandeel in het schrijven van het "Groot Vertelboek van de Geschiedenis des Vaderlands" klaar te komen, liet hij Veenendaal hiervan op basis van zijn onderzoeksresultaten enkele tijdvakken schrijven. Naarmate hij vorderde met zijn studie, raakte hij geboeid door de artikelen van prof. dr. P.C.A. Geyl over de Groot Nederlandse Gedachte. Hoewel hem bekend was, dat zijn leermeester Kernkamp niets van de Vlaams-nationalistische opvattingen van deze wilde weten, koos hij toch voor zijn doctoraalscriptie een onderwerp, dat hier direct mee te maken had. Hij studeerde hierop op 7 februari 1931 cum laude af. Kort voordien waren P.J. Meertens en Veenendaal door Wouters bij de verzorging van de herdruk van een door hem verzorgde platenatlas betrokken. Mede door de bezwaren van Veenendaal jegens de gebrekkige bijschriften en de onbetrouwbaarheid van afgedrukte teksten ondervonden de werkzaamheden de nodige vertraging. Uiteindelijk zou het werk door de economische crisis en het verschijnen van twee gelijksoortige werken bij dezelfde uitgeverij, waarvan Veenendaal er zelf een recenseerde, in die tijd niet doorgaan. Dit zelfde lot trof een herdruk van Wouter's "Historieën onzer lage landen bij de zee". Aan deze bijzondere vriendschap kwam bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog een definitief einde, omdat Wouters met de Duitsers sympathiseerde. Promotie Veenendaal had nog tijdens zijn studie in het cursusjaar 1928-1929 les gegeven aan het Christelijk Lyceum te Zeist. Nadat hij was afgestudeerd kreeg hij ondanks de verzadigde arbeidsmarkt binnen een half jaar een tijdelijke aanstelling aan het Christelijk Lyceum te Haarlem, welke aanstelling met ingang van 1 februari 1934 in een vaste werd omgezet. Tot de vele leerlingen, die hij daar in de loop der jaren Nederlands en Geschiedenis gaf, behoorden onder andere Harry Mulisch en Barend Biesheuvel. De eerste plannen voor het schrijven van een dissertatie dateerden uit 1933. Aanvankelijk overwoog hij een studie te wijden aan "Utrecht tijdens Leicester" of aan "De verhouding van de Noordelijke- en Zuidelijke-Nederlanden in de periode van 1632-1635". Drie jaar later blijkt hij inmiddels gekozen te hebben voor "Het Engels-Nederlands condominium in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Spaanse Successieoorlog". Hieraan was uiteraard niet vreemd, dat prof. Geyl inmiddels prof. Kernkamp in 1935 was opgevolgd en nu als promotor van één van Kernkamps "beste studenten" optrad. In 1940 was hij hier zover mee gevorderd, dat prof. Geyl op grond van het manuscript oordeelde, dat het "een belangrijke bijdrage beloofde te worden". Zelfs vanuit het kamp te Buchenwald en St. Michielsgestel bleef hij hierover met Veenendaal corresponderen. In de loop van de Tweede Wereldoorlog voltooide Veenendaal zijn dissertatie, waarop hij als eerste naoorlogse promovendus te Utrecht op 3 augustus 1945 cum laude promoveerde. Een kwalificatie, die prof. dr. F.C. Gerretson dit werk al eerder toekende. Veenendaals dissertatie, die over een ook voor de Engelse geschiedschrijving belangrijk tijdvak handelde, was des te opmerkelijker, omdat hij als Nederlander op verschillende essentiële punten in zijn opvattingen met Sir W.S. Churchill's werk "Marlborough, his life and times" verschilde. Aanvankelijk lag het in de bedoeling, dat er een vervolg op deze dissertatie zou verschijnen. Toen dit door allerlei omstandigheden niet mogelijk was, bewerkte Veenendaal in plaats daarvan in de loop der tijd onderdelen tot afzonderlijke artikelen. Bezettingstijd In de bezettingstijd was Veenendaal als lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers actief in het ongewapend verzet. Hij verleende daadwerkelijk hulp door gedurende vrijwel de gehele oorlog aan een Joods meisje onderdak te verschaffen, terwijl hij ook vele anderen voor kortere of langere duur bij zich liet onderduiken, zoals zijn vriend dr. L.M. van Dis. Zodoende weigerde hij dan ook in 1943 om principiële redenen vanwege het tijdelijke lidmaatschap van het Nationaal Front van prof. dr. A.A. van Schelven en diens blijvende sympathie voor Arnold Meijer om deel te nemen aan een door deze op te richten historische kring. Aan het eind van de oorlog ontstond er een hooglopend conflict tussen dr. J. van der Elst, de rector, en het personeel van het Christelijk Lyceum te Haarlem enerzijds en het bestuur anderzijds. Aanleiding hiertoe was het feit, dat een van de bestuursleden onder druk van de Duitsers een lijst had afgegeven van de jongens in de leeftijdsgroep, die voor de arbeidsinzet in aanmerking kwam. Veenendaal speelde een bemiddelende rol bij de oplossing van dit conflict. De neerslag van de bezetting vindt men zelfs nog terug in enkele van Veenendaals stellingen (De stellingen 14 en 18-20. Tijdens het opstellen hiervan adviseerde prof. dr. P.C.A. Geyl d.d. 21 juni 1945 hem aan om sommige af te zwakken en het woord "Mof" door "Duitser" te vervangen.). Na de oorlog Vanwege zijn bekendheid bij de illegaliteit werd hij in augustus 1945 door het Militair Gezag aangezocht als secretaris van de Commissie voor zuivering van architecten. Een taak, die hem niet trok, maar waarvan hij zich met grote accuratesse kweet. Dr. L. de Jong verzocht hem in 1946 tevergeefs om een geschiedenis van het medisch verzet te schrijven. Wel schreef hij voor de redactie van de Winkler Prins Encyclopaedie op grond van zijn dissertarie artikelen op een aantal door deze voorgestelde trefwoorden. Toen de redactie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (AGN) Veenendaal in 1950 voor het schrijven van twee hoofdstukken over de Europese grote mogendheden in de periode 1648-1748 hem onvoldoende tijd gunde, zag hij hiervan af. In plaats daarvan recenseerde hij het bewuste deel voor de AGN. Dit probleem deed zich gelukkig niet voor bij de bijdrage, die hij op verzoek van prof. dr. J.S. Bromley voor het beroemde standaardwerk "The new Cambridge Modern History" over de Spaanse Successieoorlog leverde. Naast zijn historische belangstelling gaf Veenendaal geregeld blijk van een grote belangstelling voor literaire onderwerpen, zoals uit zijn artikelen en lezingen valt op te merken. Dientengevolge nam hij in oktober 1948 samen met dr. J. van der Elst, rector van het (Eerste) Christelijk Lyceum te Haarlem, het initiatief tot het oprichten van het "Comité tot behoud van het huis van Looy". Door een geldinzameling en gesprekken met de erven Van Looy kon een groot deel van Van Looys literaire oeuvre en schilderwerk op de veiling worden aangekocht, waarna het in diens woonhuis werd ondergebracht. Later is het vandaar naar het Frans Halsmuseum overgebracht. Omstreeks 1949 volgde nog een eervolle benoeming tot lid van het Bilderdijk Museum, waarvan de collectie momenteel in de Vrije Universiteit te Amsterdam berust. Directiefunctie Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën Kort voordien was Veenendaal van werkkring veranderd, toen hij met ingang van 1 mei 1949 tot onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën werd benoemd. Ondanks de drukte, die deze baan met zich meebracht, hervatte hij in 1952 daarnaast het contact met het onderwijs. Ditmaal door gedurende achttien jaar als gecommitteerde bij de eindexamens gymnasium op te treden en op het allerlaatst ook nog bij die der kweekscholen. Het stemde prof. Geyl, lid van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, tot voldoening dat dit college Veenendaal, die weliswaar geen ervaringen had met het uitgeven van bronnen, zoals één van de beide andere kandidaten voor de functie van onderdirecteur dit wel had, hem desondanks vanwege andere gebleken capaciteiten toch had uitgekozen. Naast zijn bestuurlijke activiteiten verzorgde hij met prof. Geyl als toezichthouder in bijzondere korte tijd een bronnenuitgave van het Dagboek van Gisbert Cuper, dat over hetzelfde tijdvak handelde als zijn dissertatie. Vervolgens hervatte hij onder dezelfde toezichthouder het werk van wijlen S.P. Haak, namelijk het uitgeven van de bescheiden van Johan van Oldenbarnevelt en zijn familie. Mede "vanwege zijn rustige en beheerste persoonlijkheid, kalme voortvarendheid en toewijding aan de Oldenbarnevelt-uitgave" werd Veenendaal met ingang van 1 augustus 1951 als opvolger van dr. H.J. Smit als directeur van het Bureau benoemd. In deze functie wist hij in samenwerking met de voorzitter, prof. dr. P.J. van Winter, het reeds jaren slepende geschil tussen het Bureau en prof. dr. F.C. Gerretson over de door hem samen met prof. dr. A. Goslinga uit te geven briefwisseling van G. Groen van Prinsterer tot een oplossing te brengen. De relatie tussen Veenendaal en Gerretson leed hier niet wezenlijk onder, zoals blijkt uit het feit, dat laatstgenoemde Veenendaal in 1958 bij het Departement van O. K. en W. voor de vacature van Geyl aanbeval. Des te opmerkelijker als men bedenkt, dat Veenendaal vanwege zijn kennis van Oldenbarnevelt ongewild in een wetenschappelijke discussie tussen de hoogleraren Geyl en Gerretson betrokken raakte, waarbij hij onmogelijk begrip kon opbrengen voor Gerretsons visie. Tussen voornoemde personen was namelijk een pennestrijd uitgebroken over de klassieke vraag of de terechtstelling van Oldenbarnevelt al of niet rechtmatig was. Gerretson was daarbij de mening toegedaan van de Oranjegezinden van weleer, terwijl Geyl daarentegen het Staatsgezinde standpunt verdedigde. Toen Veenendaal naar aanleiding hiervan door beide om zijn oordeel werd gevraagd, verontschuldigde hij zich ervoor "dat een korporaal zich gemengd heeft in een strijd tussen twee generaals"64. Deze discussie bracht al evenmin als bij andere historici bij voorgaande gelegenheden een oplossing. Nadat de strijd was geluwd als gevolg van een door mr. J. den Tex te publiceren artikel hierover, verscheen over deze materie posthuum nog een boek van Gerretson. Veenendaal kon al evenmin het oordeel van Den Tex, zoals dit door hem in de biografie over Oldenbarnevelt was beschreven, onderschrijven. Tijdgebrek verhinderde hem om op diens verzoek in te gaan om hierover voor het genootschap "Delvia Batavorum" in het openbaar te discussiëren. Prinses Wilhelmina In de jaren 1956-1957 deed Veenendaal als directeur een bijzondere onprettige ervaring op met Prinses Wilhelmina, die weigerde om toestemming te verlenen voor het uitgeven van een der bronnenuitgaven. Het betrof hier de door mr. dr. C. Smit verzorgde uitgave van het Eerste deel van de Derde periode van de "Bescheiden betreffende buitenlandse politiek van Nederland, 1849-1919", betreffende de periode 1893-1903. Hierin bevonden zich elf staatsstukken, waarvan de strekking door de behandeling in de Staten-Generaal reeds bekend was, inzake de tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken van Nederland en Mecklenburg gevoerde correspondentie over de vraag of hertog Hendrik van Mecklenburg na zijn huwelijk naast de verkregen Nederlandse nationaliteit tevens de Duitse zou mogen behouden. De Rijkscommissie verzocht voor de publicatie van deze stukken formeel toestemming aan het Kabinet der Koningin. Na overleg met het Koninklijk Huisarchief, de Ministerraad en de Ministeries van O. K. en W. en Buitenlandse Zaken, die hiertegen geen van alle bezwaar hadden, en een gunstig advies van jkhr. ir. P.F.O.R. Sickinge, directeur van het Koninklijk Huisarchief, aan Prinses Wilhelmina, liet zij desondanks veten, dat dit deel niet tijdens haar leven zou mogen verschijnen. Doordat de bewerker mr. dr. C. Smit in 1959 evenwel in zijn boek "Hoogtij der neutraliteitspolitiek: de buitenlandse politiek van Nederland, 1899-1919", een geheel hoofdstuk aan het huwelijk van Koningin Wilhelmina wijdde, waarbij hij verwees naar de desbetreffende staatsstukken in het nog niet verschenen Eerste deel, werd deze zaak zonder voorkennis van de Rijkscommissie overigens in feite toch eerder openbaar. Toen het Eerste deel in 1963 eindelijk verscheen, sprak de recensent E. van Raalte, na reeds eerder aandacht te hebben besteed aan het uitstel van het verschijnen van dit deel bij de verschijning ervan zijn verbazing erover uit, dat de Rijkscommissie geen verantwoording aflegde van de vertraging van de publikatie van dit deel, dat immers het jaartal 1957 droeg. In het verslag van dat jaar reageerde Veenendaal hierop uitgebreid. Aan het eind van datzelfde jaar verscheen een belangrijke studie van de hand van Veenendaal over het essayistische werk van Geyl, waarin hij veel aandacht aan diens historische beschouwingswijze besteedde. Als oudpromovendus had hij ook een groot aandeel in de huldiging van zijn promotor, die op 31 mei 1958 met emeritaat ging. Lidmaatschap Nederlands Hervormde Kerk en politiek Onder de positief christelijke collega's bleef Veenendaals "discipelschap" van Geyl voortdurend bevreemding wekken. Geyl adviseerde Veenendaal om hen in verband daarmee te attenderen op een recensie van zijn "Debates with Historians" in: The Christian Century. Veenendaal was tot aan zijn dood een meelevend gemeentelid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als lid van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging kon hij moeilijk begrip opbrengen voor het besluit van de Generale Synode om op advies van de Wereldraad van Kerken tot het steunen van verzetsbewegingen in Zuid-Afrika over te gaan. Al of niet met anderen diende hij hiertegen enkele bezwaarschriften bij de Synode en zijn wijkkerkeraad in. In één daarvan gaf hij een historische uiteenzetting over de houding van Jezus van Nazareth tegenover de Joodse verzetsbewegingen van zijn tijd. Hiervoor ontleende hij rechtstreeks argumenten aan de tekst van de door hem in 1962 voor het Haags Historisch Gezelschap over Pieter van Guethem gehouden lezing. Zijn lidmaatschap van deze kerk impliceerde overigens niet, dat hij zijn leven lang, zoals dit vroeger vrijwel een ongeschreven wet was, op de Christelijk-Historische Unie stemde. Uit enthousiasme voor het ideaal van één grote volkspartij werd hij na de Tweede Wereldoorlog lid van de Partij van de Arbeid. Toen de socialistische idealen daar echter de overhand kregen, keerde hij korte tijd naar de Christelijk-Historische Unie terug om zich vervolgens bij de Democratische Socialisten '70 aan te sluiten. Toen deze partij vanwege zijn geringe omvang niet langer meer een wezenlijke invloed op de politiek kon uitoefenen, verliet hij die omstreeks 1900. Uitgave historische bescheiden Ondanks dat Veenendaal veel tijd aan bestuurlijke activiteiten moest besteden, werkte hij gestaag door aan de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren. Deel II in de reeks verscheen in 1962, terwijl het laatste deel pas enkele jaren na het ingaan van Veenendaals pensioen op 27 november 1964 uitkwam. Het jaar daarvoor was hij reeds voor het verschijnen van deel II en zijn verdiensten als directeur gehonoreerd door de benoeming tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op grond van de bij het editeren van de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren opgedane ervaringen legde Veenendaal, al of niet in samenwerking met prof. dr. P.J. van Winter, de grondslagen voor een verdere professionalisering van uitgeven van bronnen. Hierbij ging hij er vanuit, dat het leveren van een tekst voorop diende te staan en dat de toelichtende annotatie op de laatste plaats diende te komen en bij voorkeur zelfs zoveel mogelijk moest worden vermeden. Vanwege zijn verdiensten op dit gebied benoemde de Vereniging Nederlandsch Economisch-Historisch Archief hem in 1959 tot lid van de Raad van Advies. Hij werd tevens door het bestuur van het Historisch Genootschap aangezocht om zitting te nemen in de Commissie, die belast was met het opstellen van nieuwe regels voor het uitgeven van historische bescheiden. Vrijwel tegelijk met het gereedkomen van deze opdracht ontving Veenendaal het unieke verzoek van de Rijkscommissie om ondanks zijn pensioen lid van de Commissie voor Vaderlandse Geschiedenis te willen worden. Nadat Van Winter de hiertegen door Veenendaal aangevoerde principiële bezwaren voldoende had weerlegd, ging laatstgenoemde er op in. Publicaties en lezingen Hoewel bij de besprekingen van de hierboven genoemde activiteiten reeds op verschillende van Veenendaal publikaties werd gewezen, is een aparte bespreking van dit onderdeel van zijn werk gewenst. Kort na zijn promotie verschenen twee artikelen te weten over het landgoed Oosterhout bij Haarlem, en het Wilhelmus, als uitwerking van enkele van zijn stellingen. Als gevolg van zijn promotie en benoeming tot (onder)directeur kreeg hij nog meer kennissen onder de historici. Met name moet zijn latere huisvriend J.W. Wijn worden genoemd. Deze vriendschap ontstond uit hun gemeenschappelijke interesse voor de Spaanse Successieoorlog. Wijn beschreef de militaire geschiedenis uit die tijd in deel VIII van "Het Staatsche Leger". Zij hielden ook gezamenlijk lezingen. Voor het schrijven van Wijns levensbericht putte Veenendaal rijkelijk uit diens particuliere papieren. Hij kon hier vrij over beschikken omdat hij samen met mr. B. van 't Hoff als Wijns executeur-testamentair optrad. Dit verklaart de aanwezigheid van zo veel papieren van Wijn in Veenendaals archief. Onder de bescheiden betreffende Wijns militaire loopbaan nemen de brieven van hem, als commandant van het vliegpark Soesterberg in mei '40 en vanuit het krijgsgevangenkamp te Stanislaw een unieke plaats in. Omstreeks 1950 werd Veenendaal ook voor verschillende historische kringen gevraagd. Bij sommige, zoals bijvoorbeeld het Haags Historisch Gezelschap en het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, waren de leden verplicht om geregeld lezingen te houden. Bovendien bereikten Veenendaal ook regelmatig verzoeken om vanwege zijn dissertatieonderwerp en de door hem uit te geven bronnen lezingen te houden. De tekst hiervan werd deels naderhand tot artikelen omgewerkt. Een belangrijk deel hiervan handelde over de geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Helaas werd een door Veenendaal in 1977 opgevat plan om tien eerder verschenen studies in een bundel onder de titel "Noord en Zuid" te laten herdrukken, niet gerealiseerd. Uit artikelen zoals over de Fossa Eugeniana en over Samuel Lipman blijkt, dat hij een veelzijdig man was en dat hij zich niet enkel tot zijn specialismen, de Spaanse Successieoorlog en het Oldenbarnevelt-tijdvak, beperkte. Na zijn pensioen schreef hij zelfs nog een boek over de achttiende eeuwse zeeman Matthijs Sloot, een familielid van moederszijde. Naast zijn eigen werk recenseerde hij ook veel publicaties waaruit eveneens zijn eruditie bleek. Om dezelfde reden won de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderwijs ook herhaaldelijk zijn advies in. Met name zijn recensie over de eerste drie delen van de biografie van Den Tex over Oldenbarnevelt dient te worden genoemd. Bij een eerdere gelegenheid had hij aan de AVRO geweigerd om het tweede deel van dit werk voor de microfoon te bespreken, omdat hij zelf "vrij wat contact had gehad bij het ontstaan van zijn boek" waarom hij zich tot dan toe ook van recensie s had onthouden. Aan dit arbeidzaam leven, waarin hij tot 1981 publiceerde, kwam op 23 januari 1985 een einde, toen Veenendaal op 85-jarige leeftijd te 's-Gravenhage overleed.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer Jeugd en studie
Op 14 november 1899 werd Augustus Johannes Veenendaal als derde kind uit het huwelijk van behanger en stoffeerder Cornelis Willem Veenendaal en Petronella Cornelia Sloot te Soest geboren. Hij groeide op in het huis "Zomerzorg", een ouderwets sfeervol dubbel-huis aan de Van Weedestraat. Het was aan aanmoedigingen van de publicist D. Wouters, hoofd van de normaalschool te Baarn, te danken, dat Veenendaals ouders er in toestemden, dat hij verder mocht leren. Als voorbereiding daarop gaf Wouters, die zich als zijn mentor opwierp, hem zelf privé-lessen. In 1918 respectievelijk 1921 behaalde hij de akten voor onderwijzer en hoofdonderwijzer bij het lager onderwijs. Na eerst in verschillende plaatsen een tijdelijke betrekking te hebben gehad, kreeg hij in 1922 een vaste aanstelling aan de Prins Willemschool te Scheveningen ( Hij was achtereenvolgens onderwijzer te Hees (10 juni - 31 juli 1918); Vianen (1-13 oktober 1918), Soest (1 november - 7 december 1918), Hees (1 maart - 9 juni 1919), Treebeek (10 juni 1919 - 31 augustus 1922), 's-Gravenhage (1 september 1922 - 31 augustus 1925).). Hier leerde hij als collega zijn latere vrouw Maria Petronella Slagter kennen met wie hij na een lange verloving op 26 augustus 1931 te 's-Gravenhage trouwde.

Aangezien hij verder wilde studeren, behaalde Veenendaal in 1924 het benodigde staatsexamen gymnasium om in 1925 in Utrecht een studie Nederlands en Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te beginnen. Als belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk werd hij lid van de Nederlandsche Christelijke Studenten Vereniging. Hij genoot tijdens zijn studie het voorrecht om college te mogen lopen bij de bekende historici G.W. Kernkamp, O.A. Oppermann en H. Bolkestein en de neerlandicus prof. G.C.N. de Vooys. Hoewel Veenendaal nog maar nauwelijks met deze studie was begonnen leverde hij al zijn eerste historische bijdrage. Aangezien Wouters namelijk niet binnen de overeengekomen tijd kans zag om met zijn aandeel in het schrijven van het "Groot Vertelboek van de Geschiedenis des Vaderlands" klaar te komen, liet hij Veenendaal hiervan op basis van zijn onderzoeksresultaten enkele tijdvakken schrijven. Naarmate hij vorderde met zijn studie, raakte hij geboeid door de artikelen van prof. dr. P.C.A. Geyl over de Groot Nederlandse Gedachte. Hoewel hem bekend was, dat zijn leermeester Kernkamp niets van de Vlaams-nationalistische opvattingen van deze wilde weten, koos hij toch voor zijn doctoraalscriptie een onderwerp, dat hier direct mee te maken had. Hij studeerde hierop op 7 februari 1931 cum laude af. Kort voordien waren P.J. Meertens en Veenendaal door Wouters bij de verzorging van de herdruk van een door hem verzorgde platenatlas betrokken. Mede door de bezwaren van Veenendaal jegens de gebrekkige bijschriften en de onbetrouwbaarheid van afgedrukte teksten ondervonden de werkzaamheden de nodige vertraging. Uiteindelijk zou het werk door de economische crisis en het verschijnen van twee gelijksoortige werken bij dezelfde uitgeverij, waarvan Veenendaal er zelf een recenseerde, in die tijd niet doorgaan. Dit zelfde lot trof een herdruk van Wouter's "Historieën onzer lage landen bij de zee". Aan deze bijzondere vriendschap kwam bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog een definitief einde, omdat Wouters met de Duitsers sympathiseerde.

Promotie
Veenendaal had nog tijdens zijn studie in het cursusjaar 1928-1929 les gegeven aan het Christelijk Lyceum te Zeist. Nadat hij was afgestudeerd kreeg hij ondanks de verzadigde arbeidsmarkt binnen een half jaar een tijdelijke aanstelling aan het Christelijk Lyceum te Haarlem, welke aanstelling met ingang van 1 februari 1934 in een vaste werd omgezet. Tot de vele leerlingen, die hij daar in de loop der jaren Nederlands en Geschiedenis gaf, behoorden onder andere Harry Mulisch en Barend Biesheuvel. De eerste plannen voor het schrijven van een dissertatie dateerden uit 1933. Aanvankelijk overwoog hij een studie te wijden aan "Utrecht tijdens Leicester" of aan "De verhouding van de Noordelijke- en Zuidelijke-Nederlanden in de periode van 1632-1635". Drie jaar later blijkt hij inmiddels gekozen te hebben voor "Het Engels-Nederlands condominium in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Spaanse Successieoorlog". Hieraan was uiteraard niet vreemd, dat prof. Geyl inmiddels prof. Kernkamp in 1935 was opgevolgd en nu als promotor van één van Kernkamps "beste studenten" optrad. In 1940 was hij hier zover mee gevorderd, dat prof. Geyl op grond van het manuscript oordeelde, dat het "een belangrijke bijdrage beloofde te worden". Zelfs vanuit het kamp te Buchenwald en St. Michielsgestel bleef hij hierover met Veenendaal corresponderen. In de loop van de Tweede Wereldoorlog voltooide Veenendaal zijn dissertatie, waarop hij als eerste naoorlogse promovendus te Utrecht op 3 augustus 1945 cum laude promoveerde. Een kwalificatie, die prof. dr. F.C. Gerretson dit werk al eerder toekende. Veenendaals dissertatie, die over een ook voor de Engelse geschiedschrijving belangrijk tijdvak handelde, was des te opmerkelijker, omdat hij als Nederlander op verschillende essentiële punten in zijn opvattingen met Sir W.S. Churchill's werk "Marlborough, his life and times" verschilde. Aanvankelijk lag het in de bedoeling, dat er een vervolg op deze dissertatie zou verschijnen. Toen dit door allerlei omstandigheden niet mogelijk was, bewerkte Veenendaal in plaats daarvan in de loop der tijd onderdelen tot afzonderlijke artikelen.

Bezettingstijd
In de bezettingstijd was Veenendaal als lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers actief in het ongewapend verzet. Hij verleende daadwerkelijk hulp door gedurende vrijwel de gehele oorlog aan een Joods meisje onderdak te verschaffen, terwijl hij ook vele anderen voor kortere of langere duur bij zich liet onderduiken, zoals zijn vriend dr. L.M. van Dis. Zodoende weigerde hij dan ook in 1943 om principiële redenen vanwege het tijdelijke lidmaatschap van het Nationaal Front van prof. dr. A.A. van Schelven en diens blijvende sympathie voor Arnold Meijer om deel te nemen aan een door deze op te richten historische kring. Aan het eind van de oorlog ontstond er een hooglopend conflict tussen dr. J. van der Elst, de rector, en het personeel van het Christelijk Lyceum te Haarlem enerzijds en het bestuur anderzijds. Aanleiding hiertoe was het feit, dat een van de bestuursleden onder druk van de Duitsers een lijst had afgegeven van de jongens in de leeftijdsgroep, die voor de arbeidsinzet in aanmerking kwam. Veenendaal speelde een bemiddelende rol bij de oplossing van dit conflict. De neerslag van de bezetting vindt men zelfs nog terug in enkele van Veenendaals stellingen (De stellingen 14 en 18-20. Tijdens het opstellen hiervan adviseerde prof. dr. P.C.A. Geyl d.d. 21 juni 1945 hem aan om sommige af te zwakken en het woord "Mof" door "Duitser" te vervangen.).

Na de oorlog
Vanwege zijn bekendheid bij de illegaliteit werd hij in augustus 1945 door het Militair Gezag aangezocht als secretaris van de Commissie voor zuivering van architecten. Een taak, die hem niet trok, maar waarvan hij zich met grote accuratesse kweet. Dr. L. de Jong verzocht hem in 1946 tevergeefs om een geschiedenis van het medisch verzet te schrijven. Wel schreef hij voor de redactie van de Winkler Prins Encyclopaedie op grond van zijn dissertarie artikelen op een aantal door deze voorgestelde trefwoorden. Toen de redactie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (AGN) Veenendaal in 1950 voor het schrijven van twee hoofdstukken over de Europese grote mogendheden in de periode 1648-1748 hem onvoldoende tijd gunde, zag hij hiervan af. In plaats daarvan recenseerde hij het bewuste deel voor de AGN. Dit probleem deed zich gelukkig niet voor bij de bijdrage, die hij op verzoek van prof. dr. J.S. Bromley voor het beroemde standaardwerk "The new Cambridge Modern History" over de Spaanse Successieoorlog leverde. Naast zijn historische belangstelling gaf Veenendaal geregeld blijk van een grote belangstelling voor literaire onderwerpen, zoals uit zijn artikelen en lezingen valt op te merken. Dientengevolge nam hij in oktober 1948 samen met dr. J. van der Elst, rector van het (Eerste) Christelijk Lyceum te Haarlem, het initiatief tot het oprichten van het "Comité tot behoud van het huis van Looy". Door een geldinzameling en gesprekken met de erven Van Looy kon een groot deel van Van Looys literaire oeuvre en schilderwerk op de veiling worden aangekocht, waarna het in diens woonhuis werd ondergebracht. Later is het vandaar naar het Frans Halsmuseum overgebracht. Omstreeks 1949 volgde nog een eervolle benoeming tot lid van het Bilderdijk Museum, waarvan de collectie momenteel in de Vrije Universiteit te Amsterdam berust.

Directiefunctie Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën
Kort voordien was Veenendaal van werkkring veranderd, toen hij met ingang van 1 mei 1949 tot onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën werd benoemd. Ondanks de drukte, die deze baan met zich meebracht, hervatte hij in 1952 daarnaast het contact met het onderwijs. Ditmaal door gedurende achttien jaar als gecommitteerde bij de eindexamens gymnasium op te treden en op het allerlaatst ook nog bij die der kweekscholen. Het stemde prof. Geyl, lid van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, tot voldoening dat dit college Veenendaal, die weliswaar geen ervaringen had met het uitgeven van bronnen, zoals één van de beide andere kandidaten voor de functie van onderdirecteur dit wel had, hem desondanks vanwege andere gebleken capaciteiten toch had uitgekozen. Naast zijn bestuurlijke activiteiten verzorgde hij met prof. Geyl als toezichthouder in bijzondere korte tijd een bronnenuitgave van het Dagboek van Gisbert Cuper, dat over hetzelfde tijdvak handelde als zijn dissertatie. Vervolgens hervatte hij onder dezelfde toezichthouder het werk van wijlen S.P. Haak, namelijk het uitgeven van de bescheiden van Johan van Oldenbarnevelt en zijn familie. Mede "vanwege zijn rustige en beheerste persoonlijkheid, kalme voortvarendheid en toewijding aan de Oldenbarnevelt-uitgave" werd Veenendaal met ingang van 1 augustus 1951 als opvolger van dr. H.J. Smit als directeur van het Bureau benoemd. In deze functie wist hij in samenwerking met de voorzitter, prof. dr. P.J. van Winter, het reeds jaren slepende geschil tussen het Bureau en prof. dr. F.C. Gerretson over de door hem samen met prof. dr. A. Goslinga uit te geven briefwisseling van G. Groen van Prinsterer tot een oplossing te brengen. De relatie tussen Veenendaal en Gerretson leed hier niet wezenlijk onder, zoals blijkt uit het feit, dat laatstgenoemde Veenendaal in 1958 bij het Departement van O. K. en W. voor de vacature van Geyl aanbeval. Des te opmerkelijker als men bedenkt, dat Veenendaal vanwege zijn kennis van Oldenbarnevelt ongewild in een wetenschappelijke discussie tussen de hoogleraren Geyl en Gerretson betrokken raakte, waarbij hij onmogelijk begrip kon opbrengen voor Gerretsons visie. Tussen voornoemde personen was namelijk een pennestrijd uitgebroken over de klassieke vraag of de terechtstelling van Oldenbarnevelt al of niet rechtmatig was. Gerretson was daarbij de mening toegedaan van de Oranjegezinden van weleer, terwijl Geyl daarentegen het Staatsgezinde standpunt verdedigde. Toen Veenendaal naar aanleiding hiervan door beide om zijn oordeel werd gevraagd, verontschuldigde hij zich ervoor "dat een korporaal zich gemengd heeft in een strijd tussen twee generaals"64. Deze discussie bracht al evenmin als bij andere historici bij voorgaande gelegenheden een oplossing. Nadat de strijd was geluwd als gevolg van een door mr. J. den Tex te publiceren artikel hierover, verscheen over deze materie posthuum nog een boek van Gerretson. Veenendaal kon al evenmin het oordeel van Den Tex, zoals dit door hem in de biografie over Oldenbarnevelt was beschreven, onderschrijven. Tijdgebrek verhinderde hem om op diens verzoek in te gaan om hierover voor het genootschap "Delvia Batavorum" in het openbaar te discussiëren.

Prinses Wilhelmina
In de jaren 1956-1957 deed Veenendaal als directeur een bijzondere onprettige ervaring op met Prinses Wilhelmina, die weigerde om toestemming te verlenen voor het uitgeven van een der bronnenuitgaven. Het betrof hier de door mr. dr. C. Smit verzorgde uitgave van het Eerste deel van de Derde periode van de "Bescheiden betreffende buitenlandse politiek van Nederland, 1849-1919", betreffende de periode 1893-1903. Hierin bevonden zich elf staatsstukken, waarvan de strekking door de behandeling in de Staten-Generaal reeds bekend was, inzake de tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken van Nederland en Mecklenburg gevoerde correspondentie over de vraag of hertog Hendrik van Mecklenburg na zijn huwelijk naast de verkregen Nederlandse nationaliteit tevens de Duitse zou mogen behouden. De Rijkscommissie verzocht voor de publicatie van deze stukken formeel toestemming aan het Kabinet der Koningin. Na overleg met het Koninklijk Huisarchief, de Ministerraad en de Ministeries van O. K. en W. en Buitenlandse Zaken, die hiertegen geen van alle bezwaar hadden, en een gunstig advies van jkhr. ir. P.F.O.R. Sickinge, directeur van het Koninklijk Huisarchief, aan Prinses Wilhelmina, liet zij desondanks veten, dat dit deel niet tijdens haar leven zou mogen verschijnen. Doordat de bewerker mr. dr. C. Smit in 1959 evenwel in zijn boek "Hoogtij der neutraliteitspolitiek: de buitenlandse politiek van Nederland, 1899-1919", een geheel hoofdstuk aan het huwelijk van Koningin Wilhelmina wijdde, waarbij hij verwees naar de desbetreffende staatsstukken in het nog niet verschenen Eerste deel, werd deze zaak zonder voorkennis van de Rijkscommissie overigens in feite toch eerder openbaar. Toen het Eerste deel in 1963 eindelijk verscheen, sprak de recensent E. van Raalte, na reeds eerder aandacht te hebben besteed aan het uitstel van het verschijnen van dit deel bij de verschijning ervan zijn verbazing erover uit, dat de Rijkscommissie geen verantwoording aflegde van de vertraging van de publikatie van dit deel, dat immers het jaartal 1957 droeg. In het verslag van dat jaar reageerde Veenendaal hierop uitgebreid. Aan het eind van datzelfde jaar verscheen een belangrijke studie van de hand van Veenendaal over het essayistische werk van Geyl, waarin hij veel aandacht aan diens historische beschouwingswijze besteedde. Als oudpromovendus had hij ook een groot aandeel in de huldiging van zijn promotor, die op 31 mei 1958 met emeritaat ging.

Lidmaatschap Nederlands Hervormde Kerk en politiek
Onder de positief christelijke collega's bleef Veenendaals "discipelschap" van Geyl voortdurend bevreemding wekken. Geyl adviseerde Veenendaal om hen in verband daarmee te attenderen op een recensie van zijn "Debates with Historians" in: The Christian Century. Veenendaal was tot aan zijn dood een meelevend gemeentelid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als lid van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging kon hij moeilijk begrip opbrengen voor het besluit van de Generale Synode om op advies van de Wereldraad van Kerken tot het steunen van verzetsbewegingen in Zuid-Afrika over te gaan. Al of niet met anderen diende hij hiertegen enkele bezwaarschriften bij de Synode en zijn wijkkerkeraad in. In één daarvan gaf hij een historische uiteenzetting over de houding van Jezus van Nazareth tegenover de Joodse verzetsbewegingen van zijn tijd. Hiervoor ontleende hij rechtstreeks argumenten aan de tekst van de door hem in 1962 voor het Haags Historisch Gezelschap over Pieter van Guethem gehouden lezing. Zijn lidmaatschap van deze kerk impliceerde overigens niet, dat hij zijn leven lang, zoals dit vroeger vrijwel een ongeschreven wet was, op de Christelijk-Historische Unie stemde. Uit enthousiasme voor het ideaal van één grote volkspartij werd hij na de Tweede Wereldoorlog lid van de Partij van de Arbeid. Toen de socialistische idealen daar echter de overhand kregen, keerde hij korte tijd naar de Christelijk-Historische Unie terug om zich vervolgens bij de Democratische Socialisten '70 aan te sluiten. Toen deze partij vanwege zijn geringe omvang niet langer meer een wezenlijke invloed op de politiek kon uitoefenen, verliet hij die omstreeks 1900.

Uitgave historische bescheiden
Ondanks dat Veenendaal veel tijd aan bestuurlijke activiteiten moest besteden, werkte hij gestaag door aan de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren. Deel II in de reeks verscheen in 1962, terwijl het laatste deel pas enkele jaren na het ingaan van Veenendaals pensioen op 27 november 1964 uitkwam. Het jaar daarvoor was hij reeds voor het verschijnen van deel II en zijn verdiensten als directeur gehonoreerd door de benoeming tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op grond van de bij het editeren van de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren opgedane ervaringen legde Veenendaal, al of niet in samenwerking met prof. dr. P.J. van Winter, de grondslagen voor een verdere professionalisering van uitgeven van bronnen. Hierbij ging hij er vanuit, dat het leveren van een tekst voorop diende te staan en dat de toelichtende annotatie op de laatste plaats diende te komen en bij voorkeur zelfs zoveel mogelijk moest worden vermeden. Vanwege zijn verdiensten op dit gebied benoemde de Vereniging Nederlandsch Economisch-Historisch Archief hem in 1959 tot lid van de Raad van Advies. Hij werd tevens door het bestuur van het Historisch Genootschap aangezocht om zitting te nemen in de Commissie, die belast was met het opstellen van nieuwe regels voor het uitgeven van historische bescheiden. Vrijwel tegelijk met het gereedkomen van deze opdracht ontving Veenendaal het unieke verzoek van de Rijkscommissie om ondanks zijn pensioen lid van de Commissie voor Vaderlandse Geschiedenis te willen worden. Nadat Van Winter de hiertegen door Veenendaal aangevoerde principiële bezwaren voldoende had weerlegd, ging laatstgenoemde er op in.

Publicaties en lezingen
Hoewel bij de besprekingen van de hierboven genoemde activiteiten reeds op verschillende van Veenendaal publikaties werd gewezen, is een aparte bespreking van dit onderdeel van zijn werk gewenst. Kort na zijn promotie verschenen twee artikelen te weten over het landgoed Oosterhout bij Haarlem, en het Wilhelmus, als uitwerking van enkele van zijn stellingen. Als gevolg van zijn promotie en benoeming tot (onder)directeur kreeg hij nog meer kennissen onder de historici. Met name moet zijn latere huisvriend J.W. Wijn worden genoemd. Deze vriendschap ontstond uit hun gemeenschappelijke interesse voor de Spaanse Successieoorlog. Wijn beschreef de militaire geschiedenis uit die tijd in deel VIII van "Het Staatsche Leger". Zij hielden ook gezamenlijk lezingen. Voor het schrijven van Wijns levensbericht putte Veenendaal rijkelijk uit diens particuliere papieren. Hij kon hier vrij over beschikken omdat hij samen met mr. B. van 't Hoff als Wijns executeur-testamentair optrad. Dit verklaart de aanwezigheid van zo veel papieren van Wijn in Veenendaals archief. Onder de bescheiden betreffende Wijns militaire loopbaan nemen de brieven van hem, als commandant van het vliegpark Soesterberg in mei '40 en vanuit het krijgsgevangenkamp te Stanislaw een unieke plaats in. Omstreeks 1950 werd Veenendaal ook voor verschillende historische kringen gevraagd. Bij sommige, zoals bijvoorbeeld het Haags Historisch Gezelschap en het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, waren de leden verplicht om geregeld lezingen te houden.

Bovendien bereikten Veenendaal ook regelmatig verzoeken om vanwege zijn dissertatieonderwerp en de door hem uit te geven bronnen lezingen te houden. De tekst hiervan werd deels naderhand tot artikelen omgewerkt. Een belangrijk deel hiervan handelde over de geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Helaas werd een door Veenendaal in 1977 opgevat plan om tien eerder verschenen studies in een bundel onder de titel "Noord en Zuid" te laten herdrukken, niet gerealiseerd. Uit artikelen zoals over de Fossa Eugeniana en over Samuel Lipman blijkt, dat hij een veelzijdig man was en dat hij zich niet enkel tot zijn specialismen, de Spaanse Successieoorlog en het Oldenbarnevelt-tijdvak, beperkte. Na zijn pensioen schreef hij zelfs nog een boek over de achttiende eeuwse zeeman Matthijs Sloot, een familielid van moederszijde. Naast zijn eigen werk recenseerde hij ook veel publicaties waaruit eveneens zijn eruditie bleek. Om dezelfde reden won de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderwijs ook herhaaldelijk zijn advies in. Met name zijn recensie over de eerste drie delen van de biografie van Den Tex over Oldenbarnevelt dient te worden genoemd. Bij een eerdere gelegenheid had hij aan de AVRO geweigerd om het tweede deel van dit werk voor de microfoon te bespreken, omdat hij zelf "vrij wat contact had gehad bij het ontstaan van zijn boek" waarom hij zich tot dan toe ook van recensie s had onthouden. Aan dit arbeidzaam leven, waarin hij tot 1981 publiceerde, kwam op 23 januari 1985 een einde, toen Veenendaal op 85-jarige leeftijd te 's-Gravenhage overleed.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in