Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: 1. De geschiedenis van het Vaticaan Nederland en de Pauselijke Staat gingen diplomatieke betrekkingen aan in 1814. De Pauselijke vertegenwoordiging in Nederland werd in 1829 ingesteld en sindsdien gehandhaafd. De Nederlandse vertegenwoordiging bij het Vaticaan werd echter in 1872 opgeheven. Aangezien de Paus in 1871 zijn wereldlijke heerschappij had verloren (in 1871 kwam de Italiaanse eenheidsstaat tot stand met koning Victor Emmanuel van Savoie als staatshoofd), werd in de Nederlandse volksvertegenwoordiging het nut van een gezantschap bij de Heilige Stoel niet meer ingezien. De antikatholieke leden van de Tweede Kamer was de vertegenwoordiging bij de Paus een doorn in het oog. Men wilde niet de indruk wekken het geestelijk leiderschap van de Paus te erkennen door een gezant bij hem te accrediteren. 2. De Nederlandse betrekkingen met de Heilige Stoel Het Vaticaan ontwikkelde zich tot een centrum van diplomatie. Tijdens WO I waren in het Vaticaan diplomaten van alle oorlogsvoerende partijen geaccrediteerd, wat Rome de uitgelezen plek voor vredesbesprekingen maakte. Wegens het grote aantal gezantschappen was het Vaticaan een interessante 'luisterpost', ook voor neutrale mogendheden zoals Nederland, die hun steentje wilden bijdragen aan de vredesonderhandelingen. In 1915 werden kabinet en parlement het eens over het herstellen van de betrekkingen met het Vaticaan. Nog enkele jaren na afloop van WO I bleef de missie bestaan. Maar omdat het gezantschap bij de Heilige Stoel een aparte post op de begroting van Buitenlandse Zaken was, kon de missie iedere keer dat er over de begroting gedebatteerd werd, ter discussie gesteld worden. Dit gebeurde dan ook geregeld door de voormannen van de Christelijke Historische Unie (CHU), die een vertegenwoordiging bij de katholieke leider niet ondersteunden. In principe bestond in de Tweede Kamer geen meerderheid voor het afschaffen van het gezantschap (de anti-revolutionairen waren niet tegen de post), maar in 1925 kregen de christelijk-historischen steun van de liberalen, die het zittende kabinet ten val wilden brengen en daarvoor de anti-paapse motie van de CHU aangrepen. In 1926 werd de post officieel opgeheven. Tijdens de oorlog van 1914-1918 achtte de Nederlandse regering het, ondanks fel verzet van de CHU - met het oog op bemiddelingsacties ten gunste van de vrede - van belang een vertegenwoordiger te hebben in één van de weinige overgebleven centra van diplomatiek verkeer. Dat leidde tot tijdelijk herstel van de betrekkingen met het Vaticaan welke in 1871 waren beëindigd. In 1915 werd mr. L.H.W. Regout benoemd als gezant bij het Vaticaan in tijdelijke en speciale zending. Mr. L.H.W. Regout overleed enkele weken na zijn benoeming. In 1916 werd jhr. O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer benoemd. Na de wapenstilstand van 1918 wilde Minister H.A. van Karnebeek deze vertegenwoordiging blijvend maken, maar hij kreeg A.F de Savornin Lohmann tegen zich. Enkele jaren kon de Minister het gezantschap houden omdat de SDAP en de Vrijzinnige Democraten hem steunde. In het najaar van 1925 diende ds. G.H. Kersten van de SGP een amendement in bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken, dat schrapping van het krediet voor het gezantschap bij het Vaticaan beoogde. Op 10 november 1925 ging de linkerzijde - de SDAP en de Vrijzinnig Democraten - om en haalde het amendement van ds. G.H. Kersten een meerderheid. Hierdoor kwam het kabinet te vallen. De terugroepingsbrieven van gezant O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer werden op 3 juni 1926 overhandigd. Van Nispen had zelf gewild dat hij het leedwezen van de regering over het kamervotum kenbaar had mogen maken, maar zijn instructie luidde minder scherp. Hij diende de kardinaal staatssecretaris Gasparri mee te delen dat de Nederlandse regering erop vertrouwde 'dat de door haar betreurde opheffing van het gezant voor het overige geen wijziging zal brengen in het oprecht vriendelijk karakter der diplomatieke betrekkingen welke sedert zovele jaren tussen het Vaticaan en de Nederlandse regering bestaan.' In 1944 werden de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan opnieuw aangeknoopt. Op 16 augustus 1944 werd jhr. mr. M.W. van Weede benoemd als gezant bij het Vaticaan. Hij werd in 1956 opgevolgd door F.R.W.H.M.J. graaf de Marchant d'Ansembourg. In 1967 werd mr. S.G.M. baron Voorst tot Voorst benoemd als ambassadeur. Hij werd in 1975 opgevolgd door mr. J.I.M. Welsing. Tijdens WO II kwam het vestigen van een nieuw gezantschap wederom ter sprake. Na het uitbreken van de oorlog nam Nederland nog altijd een neutrale houding aan en liet die zelfs niet geheel gaan toen het door Duitsland onder de voet werd gelopen. Het verlangen vredesbesprekingen te voeren of op zijn minst bij te wonen was groot en het Vaticaan leek weer een centrum van vredesinitiatieven te worden. Ook was het Vaticaan, met 37 gezanten uit allerlei landen, een bron van inlichtingen, een 'luisterpost'. De Amerikanen begonnen al in 1940 druk uit te oefenen op de Nederlandse regering om de kwestie van de betrekkingen weer op te nemen met het Vaticaan. Maar Nederland liep bij de eerste poging tegen een weigering op. Het Vaticaan bracht praktische bezwaren naar voren, maar de moeilijkheden die van Duitsland verwacht werden als de Paus diplomatieke betrekkingen aanknoopte met een bezet land waren de werkelijke reden. Aangezien die reden voor 1942 doorslaggevend was, omdat Duitsland aan de winnende hand was in Europa, wilde noch Nederland, noch het Vaticaan op de zaak terugkomen, alle Amerikaanse pressie ten spijt. Pas in 1943 stonden beide staten positiever tegen het uitwisselen van vertegenwoordigers. De Heilige Stoel bracht echter wel de eis ter tafel dat de Nederlandse zending geen noodmaatregel mocht zijn. Dat wil zeggen: een herhaling van 1925, waarin de gezant onder protestantse en liberale druk teruggetrokken werd, wilde het Vaticaan pertinent voorkomen. Dit leidde tot de vraag of de Nederlandse regering in ballingschap een dergelijke beslissing wel kon nemen, zonder de instemming van de volksvertegenwoordiging. Ook vreesde men het verzet van koningin Wilhelmina. Deze twee kwesties hingen samen, omdat de koningin zeker wilde weten dat het protestantse deel der natie gediend was van een dergelijke zending (zijzelf stond niet bepaald te springen). De Nederlandse ministers stonden in het algemeen positief tegenover het aangaan van diplomatieke betrekkingen, maar zij konden de koningin niet vermurwen. Minister van Kleffens dreigde zijn portefeuille ter beschikking te stellen en enkele collega's verklaarden zich solidair. Gezond verstand wendde uiteindelijk een regeringscrisis af, omdat men inzag dat een kabinetsval niet de belangen van het bezette Nederland diende. Gelukkig gaf uiteindelijk de koningin toe en konden de papieren in orde worden gemaakt. In 1946 werd er nog een poging gedaan door de CHU om de post weer te doen opheffen, maar deze motie werd zo overtuigend verworpen dat het gezantschap niet meer in gevaar kwam en daarna ook niet meer ter discussie werd gesteld. De Paus in oorlogstijd, Pius XII, betuigde meermaals zijn medeleven met het Nederlandse volk in oorlogstijd, dat, volgens de lezing van de 'minister van Buitenlandse Zaken' van de Paus, een van de zwaarst getroffen volken was. Vooral met het deel van het land dat in 1945 nog bezet was, werd hevig meegeleefd. Ook aan de Koninklijke familie liet de Paus geregeld de hartelijke groeten overbrengen, die even hartelijk geretourneerd werden. Pius XII had veel respect voor koningin Wilhelmina, die in zijn ogen een voorbeeldig vorstin was. De koningin was op haar beurt zeer te spreken over de rol van de Nederlandse katholieken en de katholieke geestelijkheid tijdens WO II, die een actieve rol hadden gespeeld in het verzet tegen de Duitse overheersing. 3. Na de Tweede Wereldoorlog Na WO II brak voor de Kerk in zekere zin een onzekere tijd aan. Het katholicisme was onverenigbaar met het atheïstische en materialistische communisme, dat in de landen die door de USSR bevrijd waren de nieuwe regeringsdoctrine werd. Door de Russische en andere communistische media werd de katholieke Kerk afgeschilderd als verdediger van de Duitse, Italiaanse en Japanse regimes. Daar tegenover stelde de Vaticaanse pers een heftige campagne om de beschuldigingen van de Sovjets de weerleggen en greep te houden op de Russische gelovigen. Afgezien van deze ideologische strijd, moest de Kerk afwachten hoe de katholieken door de nieuwe communistische regimes behandeld zouden worden. De behandeling van de kerkelijke leiders was echter niet goed. Verschillende hoge geestelijken werden gearresteerd en hun werk werd onmogelijk gemaakt. Ook de vertegenwoordigers van de Paus bij de verschillende regeringen werd het functioneren onmogelijk gemaakt en steeds meer van hen werden teruggeroepen of overgeplaatst. De Paus maakte zich hier diepe zorgen over, maar bleef tegelijkertijd bereid diplomatieke betrekkingen aan te knopen met onder andere de Sovjet-Unie. Dit paste in de traditie van het Vaticaan een zo compleet mogelijk diplomatiek netwerk aan zich te binden, waardoor vredesbesprekingen konden plaatsvinden. Deze praktijk had zowel tijdens de eerste als de tweede wereldoorlog bestaan en de Heilige Stoel zag een dergelijke rol weer voor zich weggelegd tijdens de Koude Oorlog. De USSR was zelf echter niet bereid betrekkingen aan te gaan. De dood van Stalin in 1953 bracht geen merkbare veranderingen teweeg in de Russische opstelling. De buitenlandse politiek van de Heilige Stoel werd uiteraard gekenmerkt door dogmatische katholieke opvattingen. Zo kon de Paus het niet eens zijn met het vormen van een Joodse staat in Palestina als dat inhield dat de heilige plaatsen in Jeruzalem en Bethlehem niet meer toegankelijk zouden zijn voor katholieken. Met betrekking tot Indonesië stoorde het de Kerk vooral dat veel civielrechtelijke instanties in handen waren van Islamitische instituties, terwijl de bevolking - volgens het Vaticaan - nog veelal animistisch was. De dominantie van het Islamitische bestuur ontnam de katholieke zending iedere bewegingsvrijheid. In 1951 kondigde het Vaticaan de oprichting van een vloot onder pauselijke vlag aan. De schepen zouden gebruikt worden voor het vervoer van levensmiddelen en andere hulpgoederen, die de Paus bijeenbracht in het kader van zijn charitatieve inspanningen. Een jaar later stuurde de Nederlandse gezant de feitelijke beheerder van de vloot het curriculum vitae van een hoge officier van de Nederlandse vloot, H.C. Ackermann, met het doel de officier een hoge post binnen de vloot te bezorgen. Daarop moest echter de beheerder toegeven dat de pauselijke vloot nog slechts op papier bestond en dat er door de bevoegde instanties nog geen initiatieven ontplooid werden om de plannen van de Paus in praktijk te brengen. 4. De post, 1944-1954 De eerste gezant van Nederland bij de Heilige Stoel was jhr. M. W. van Weede. De post bestond verder uit een honorair gezantschapsraad voor kerkelijke aangelegenheden (vanaf 1944 de bejaarde mgr. dr. B.J. Eras) en een kanselier, mej. E.S.F. van Alphen, die ook allerhande vertaalwerk voor haar rekening nam. Deze bezetting leek de gezant wat mager, maar het departement weigerde een extra diplomaat beschikbaar te stellen. Buiten oorlogstijd was het Vaticaan niet van een dergelijk diplomatiek belang dat die post voorrang kreeg bij de toewijzing van ambtenaren. De post kwam eerder juist op de laatste plaats bij het toewijzen van de schaarse diplomaten. Gezant van Weede, hoewel geen katholiek, had groot respect voor de Paus en vooral voor de bisschoppen in de communistische Oostbloklanden, die hun werk nauwelijks konden doen onder het antikerkelijke bewind. Met veel eerbied en een weinig kritische blik rapporteerde hij over de Paus en diens politieke en religieuze doelstellingen. Vooral in de berichtgeving van het Vaticaanse dagblad de 'Osservatore Romano' werden door Van Weede nauwelijks nuanceringen aangebracht. Van Weede was met de hoofdredacteur van de 'Osservatore Romano', het Vaticaanse huisblad, overeengekomen dat deze krant geregeld artikelen over Nederland zou publiceren. Dit werd ter hand genomen onder andere door aandacht te besteden aan de audiënties van Van Weede bij Pius XII en het publiceren van Nederlandse herderlijke brieven, maar ook door enkele enthousiaste 'Nederland-correspondenten'. Deze baseerden hun artikelen echter geregeld op onvolledige of onjuiste gegevens, waardoor Van Weede zijn handen vol had aan het rechtzetten van de misleidende informatie over de positie van de Nederlandse katholieken in verschillende sectoren van de maatschappij en de toename van hun aantal.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer 1. De geschiedenis van het Vaticaan
Nederland en de Pauselijke Staat gingen diplomatieke betrekkingen aan in 1814.

De Pauselijke vertegenwoordiging in Nederland werd in 1829 ingesteld en sindsdien gehandhaafd. De Nederlandse vertegenwoordiging bij het Vaticaan werd echter in 1872 opgeheven. Aangezien de Paus in 1871 zijn wereldlijke heerschappij had verloren (in 1871 kwam de Italiaanse eenheidsstaat tot stand met koning Victor Emmanuel van Savoie als staatshoofd), werd in de Nederlandse volksvertegenwoordiging het nut van een gezantschap bij de Heilige Stoel niet meer ingezien. De antikatholieke leden van de Tweede Kamer was de vertegenwoordiging bij de Paus een doorn in het oog. Men wilde niet de indruk wekken het geestelijk leiderschap van de Paus te erkennen door een gezant bij hem te accrediteren.

2. De Nederlandse betrekkingen met de Heilige Stoel
Het Vaticaan ontwikkelde zich tot een centrum van diplomatie. Tijdens WO I waren in het Vaticaan diplomaten van alle oorlogsvoerende partijen geaccrediteerd, wat Rome de uitgelezen plek voor vredesbesprekingen maakte. Wegens het grote aantal gezantschappen was het Vaticaan een interessante 'luisterpost', ook voor neutrale mogendheden zoals Nederland, die hun steentje wilden bijdragen aan de vredesonderhandelingen. In 1915 werden kabinet en parlement het eens over het herstellen van de betrekkingen met het Vaticaan.

Nog enkele jaren na afloop van WO I bleef de missie bestaan. Maar omdat het gezantschap bij de Heilige Stoel een aparte post op de begroting van Buitenlandse Zaken was, kon de missie iedere keer dat er over de begroting gedebatteerd werd, ter discussie gesteld worden. Dit gebeurde dan ook geregeld door de voormannen van de Christelijke Historische Unie (CHU), die een vertegenwoordiging bij de katholieke leider niet ondersteunden. In principe bestond in de Tweede Kamer geen meerderheid voor het afschaffen van het gezantschap (de anti-revolutionairen waren niet tegen de post), maar in 1925 kregen de christelijk-historischen steun van de liberalen, die het zittende kabinet ten val wilden brengen en daarvoor de anti-paapse motie van de CHU aangrepen. In 1926 werd de post officieel opgeheven.

Tijdens de oorlog van 1914-1918 achtte de Nederlandse regering het, ondanks fel verzet van de CHU - met het oog op bemiddelingsacties ten gunste van de vrede - van belang een vertegenwoordiger te hebben in één van de weinige overgebleven centra van diplomatiek verkeer. Dat leidde tot tijdelijk herstel van de betrekkingen met het Vaticaan welke in 1871 waren beëindigd. In 1915 werd mr. L.H.W. Regout benoemd als gezant bij het Vaticaan in tijdelijke en speciale zending. Mr. L.H.W. Regout overleed enkele weken na zijn benoeming. In 1916 werd jhr. O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer benoemd.

Na de wapenstilstand van 1918 wilde Minister H.A. van Karnebeek deze vertegenwoordiging blijvend maken, maar hij kreeg A.F de Savornin Lohmann tegen zich. Enkele jaren kon de Minister het gezantschap houden omdat de SDAP en de Vrijzinnige Democraten hem steunde. In het najaar van 1925 diende ds. G.H. Kersten van de SGP een amendement in bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken, dat schrapping van het krediet voor het gezantschap bij het Vaticaan beoogde. Op 10 november 1925 ging de linkerzijde - de SDAP en de Vrijzinnig Democraten - om en haalde het amendement van ds. G.H. Kersten een meerderheid. Hierdoor kwam het kabinet te vallen.

De terugroepingsbrieven van gezant O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer werden op 3 juni 1926 overhandigd. Van Nispen had zelf gewild dat hij het leedwezen van de regering over het kamervotum kenbaar had mogen maken, maar zijn instructie luidde minder scherp. Hij diende de kardinaal staatssecretaris Gasparri mee te delen dat de Nederlandse regering erop vertrouwde 'dat de door haar betreurde opheffing van het gezant voor het overige geen wijziging zal brengen in het oprecht vriendelijk karakter der diplomatieke betrekkingen welke sedert zovele jaren tussen het Vaticaan en de Nederlandse regering bestaan.'

In 1944 werden de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan opnieuw aangeknoopt. Op 16 augustus 1944 werd jhr. mr. M.W. van Weede benoemd als gezant bij het Vaticaan. Hij werd in 1956 opgevolgd door F.R.W.H.M.J. graaf de Marchant d'Ansembourg. In 1967 werd mr. S.G.M. baron Voorst tot Voorst benoemd als ambassadeur. Hij werd in 1975 opgevolgd door mr. J.I.M. Welsing.

Tijdens WO II kwam het vestigen van een nieuw gezantschap wederom ter sprake. Na het uitbreken van de oorlog nam Nederland nog altijd een neutrale houding aan en liet die zelfs niet geheel gaan toen het door Duitsland onder de voet werd gelopen. Het verlangen vredesbesprekingen te voeren of op zijn minst bij te wonen was groot en het Vaticaan leek weer een centrum van vredesinitiatieven te worden. Ook was het Vaticaan, met 37 gezanten uit allerlei landen, een bron van inlichtingen, een 'luisterpost'. De Amerikanen begonnen al in 1940 druk uit te oefenen op de Nederlandse regering om de kwestie van de betrekkingen weer op te nemen met het Vaticaan. Maar Nederland liep bij de eerste poging tegen een weigering op. Het Vaticaan bracht praktische bezwaren naar voren, maar de moeilijkheden die van Duitsland verwacht werden als de Paus diplomatieke betrekkingen aanknoopte met een bezet land waren de werkelijke reden. Aangezien die reden voor 1942 doorslaggevend was, omdat Duitsland aan de winnende hand was in Europa, wilde noch Nederland, noch het Vaticaan op de zaak terugkomen, alle Amerikaanse pressie ten spijt.

Pas in 1943 stonden beide staten positiever tegen het uitwisselen van vertegenwoordigers. De Heilige Stoel bracht echter wel de eis ter tafel dat de Nederlandse zending geen noodmaatregel mocht zijn. Dat wil zeggen: een herhaling van 1925, waarin de gezant onder protestantse en liberale druk teruggetrokken werd, wilde het Vaticaan pertinent voorkomen. Dit leidde tot de vraag of de Nederlandse regering in ballingschap een dergelijke beslissing wel kon nemen, zonder de instemming van de volksvertegenwoordiging. Ook vreesde men het verzet van koningin Wilhelmina. Deze twee kwesties hingen samen, omdat de koningin zeker wilde weten dat het protestantse deel der natie gediend was van een dergelijke zending (zijzelf stond niet bepaald te springen). De Nederlandse ministers stonden in het algemeen positief tegenover het aangaan van diplomatieke betrekkingen, maar zij konden de koningin niet vermurwen. Minister van Kleffens dreigde zijn portefeuille ter beschikking te stellen en enkele collega's verklaarden zich solidair. Gezond verstand wendde uiteindelijk een regeringscrisis af, omdat men inzag dat een kabinetsval niet de belangen van het bezette Nederland diende. Gelukkig gaf uiteindelijk de koningin toe en konden de papieren in orde worden gemaakt.

In 1946 werd er nog een poging gedaan door de CHU om de post weer te doen opheffen, maar deze motie werd zo overtuigend verworpen dat het gezantschap niet meer in gevaar kwam en daarna ook niet meer ter discussie werd gesteld.

De Paus in oorlogstijd, Pius XII, betuigde meermaals zijn medeleven met het Nederlandse volk in oorlogstijd, dat, volgens de lezing van de 'minister van Buitenlandse Zaken' van de Paus, een van de zwaarst getroffen volken was. Vooral met het deel van het land dat in 1945 nog bezet was, werd hevig meegeleefd. Ook aan de Koninklijke familie liet de Paus geregeld de hartelijke groeten overbrengen, die even hartelijk geretourneerd werden. Pius XII had veel respect voor koningin Wilhelmina, die in zijn ogen een voorbeeldig vorstin was. De koningin was op haar beurt zeer te spreken over de rol van de Nederlandse katholieken en de katholieke geestelijkheid tijdens WO II, die een actieve rol hadden gespeeld in het verzet tegen de Duitse overheersing.

3. Na de Tweede Wereldoorlog
Na WO II brak voor de Kerk in zekere zin een onzekere tijd aan. Het katholicisme was onverenigbaar met het atheïstische en materialistische communisme, dat in de landen die door de USSR bevrijd waren de nieuwe regeringsdoctrine werd. Door de Russische en andere communistische media werd de katholieke Kerk afgeschilderd als verdediger van de Duitse, Italiaanse en Japanse regimes. Daar tegenover stelde de Vaticaanse pers een heftige campagne om de beschuldigingen van de Sovjets de weerleggen en greep te houden op de Russische gelovigen.

Afgezien van deze ideologische strijd, moest de Kerk afwachten hoe de katholieken door de nieuwe communistische regimes behandeld zouden worden. De behandeling van de kerkelijke leiders was echter niet goed. Verschillende hoge geestelijken werden gearresteerd en hun werk werd onmogelijk gemaakt. Ook de vertegenwoordigers van de Paus bij de verschillende regeringen werd het functioneren onmogelijk gemaakt en steeds meer van hen werden teruggeroepen of overgeplaatst. De Paus maakte zich hier diepe zorgen over, maar bleef tegelijkertijd bereid diplomatieke betrekkingen aan te knopen met onder andere de Sovjet-Unie. Dit paste in de traditie van het Vaticaan een zo compleet mogelijk diplomatiek netwerk aan zich te binden, waardoor vredesbesprekingen konden plaatsvinden. Deze praktijk had zowel tijdens de eerste als de tweede wereldoorlog bestaan en de Heilige Stoel zag een dergelijke rol weer voor zich weggelegd tijdens de Koude Oorlog. De USSR was zelf echter niet bereid betrekkingen aan te gaan. De dood van Stalin in 1953 bracht geen merkbare veranderingen teweeg in de Russische opstelling.

De buitenlandse politiek van de Heilige Stoel werd uiteraard gekenmerkt door dogmatische katholieke opvattingen. Zo kon de Paus het niet eens zijn met het vormen van een Joodse staat in Palestina als dat inhield dat de heilige plaatsen in Jeruzalem en Bethlehem niet meer toegankelijk zouden zijn voor katholieken. Met betrekking tot Indonesië stoorde het de Kerk vooral dat veel civielrechtelijke instanties in handen waren van Islamitische instituties, terwijl de bevolking - volgens het Vaticaan - nog veelal animistisch was. De dominantie van het Islamitische bestuur ontnam de katholieke zending iedere bewegingsvrijheid.

In 1951 kondigde het Vaticaan de oprichting van een vloot onder pauselijke vlag aan. De schepen zouden gebruikt worden voor het vervoer van levensmiddelen en andere hulpgoederen, die de Paus bijeenbracht in het kader van zijn charitatieve inspanningen. Een jaar later stuurde de Nederlandse gezant de feitelijke beheerder van de vloot het curriculum vitae van een hoge officier van de Nederlandse vloot, H.C. Ackermann, met het doel de officier een hoge post binnen de vloot te bezorgen. Daarop moest echter de beheerder toegeven dat de pauselijke vloot nog slechts op papier bestond en dat er door de bevoegde instanties nog geen initiatieven ontplooid werden om de plannen van de Paus in praktijk te brengen.

4. De post, 1944-1954
De eerste gezant van Nederland bij de Heilige Stoel was jhr. M. W. van Weede. De post bestond verder uit een honorair gezantschapsraad voor kerkelijke aangelegenheden (vanaf 1944 de bejaarde mgr. dr. B.J. Eras) en een kanselier, mej. E.S.F. van Alphen, die ook allerhande vertaalwerk voor haar rekening nam. Deze bezetting leek de gezant wat mager, maar het departement weigerde een extra diplomaat beschikbaar te stellen. Buiten oorlogstijd was het Vaticaan niet van een dergelijk diplomatiek belang dat die post voorrang kreeg bij de toewijzing van ambtenaren. De post kwam eerder juist op de laatste plaats bij het toewijzen van de schaarse diplomaten.

Gezant van Weede, hoewel geen katholiek, had groot respect voor de Paus en vooral voor de bisschoppen in de communistische Oostbloklanden, die hun werk nauwelijks konden doen onder het antikerkelijke bewind. Met veel eerbied en een weinig kritische blik rapporteerde hij over de Paus en diens politieke en religieuze doelstellingen. Vooral in de berichtgeving van het Vaticaanse dagblad de 'Osservatore Romano' werden door Van Weede nauwelijks nuanceringen aangebracht.

Van Weede was met de hoofdredacteur van de 'Osservatore Romano', het Vaticaanse huisblad, overeengekomen dat deze krant geregeld artikelen over Nederland zou publiceren. Dit werd ter hand genomen onder andere door aandacht te besteden aan de audiënties van Van Weede bij Pius XII en het publiceren van Nederlandse herderlijke brieven, maar ook door enkele enthousiaste 'Nederland-correspondenten'. Deze baseerden hun artikelen echter geregeld op onvolledige of onjuiste gegevens, waardoor Van Weede zijn handen vol had aan het rechtzetten van de misleidende informatie over de positie van de Nederlandse katholieken in verschillende sectoren van de maatschappij en de toename van hun aantal.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in