gahetNA in het Nationaal Archief

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: Hoofdstuk 1: Het Geslacht Van Bylandt De heren Van Bylandt stammen af van de Gelderse ridder Willem Doys, zoon van Theodoricus Doys, die in 1275 beleend werd door Diederik VIII graaf van Kleef met het slot Scathe bij Pannerden, genaamd Bilant. Deze naam werd door hem aangenomen als grondsof goedheer. Zijn nazaten splitsten zich in een tak, die door huwelijk verbonden werd met het huis Halt en een tak, die zich verbond met de heerlijkheid Rheydt. Dit geslacht heeft verscheidene funkties in het maatschappelijke leven bekleed, zoals blijkt uit de hieronder beschreven personen. Hoofdstuk 1.1: Alexander Graaf van Bylandt Alexander was een telg van het geslacht Van Bylandt-Halt; hij werd op 29 december 1743 te Nijmegen geboren als jongste zoon van Otto Roeleman Frederik en Anna Constantia van Sevenaer. Op zijn eenentwintigste jaar trouwde hij met Anna barones van der Duyn. Samen kregen zij vijf zoons en twee dochters. In zijn militaire loopbaan bracht hij het tot generaal-majoor van de infanterie en kreeg bij afwezigheid van stadhouder Willem V het bevel over het garnizoen van Breda. Deze stad zou hij bij de Franse belegering in 1793 te snel hebben overgegeven, daardoor werd hij vervallen verklaard van al zijn militaire charges en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, die overigens tot de Bataafse onwenteling duurde. Hij stierf, gescheiden van zijn echtgenote, in 1819. Hoofdstuk 1.2: Otto Anne Graaf van Bylandt De oudste zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren in 1766. Hij werd belast met het toezicht over de studie van de erfprins, de latere koning Willem I, aan de Leidse universiteit waar hij zelf gestudeerd had. In 1783 trad hij in dienst van het staatse leger en bracht het tot ritmeester. Hij trouwde met de Leidse burgemeestersdochter Agatha Wilhelmina Twent in 1791. Otto Anne was kamerheer bij Willem Frederik van Oranje in 1804, de koningin van Holland in 1806, koning Lodewijk Napoleon in 1810 en koning Willem I in 1822. In 1848 werd hij lid van de Eerste Kamer en hij overleed te Breda op 20 februari 1857. Hoofdstuk 1.3: Jean Charles Graaf van Bylandt De vierde zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren op 5 januari 1776 te 's-Gravenhage. Jean Charles werd in 1792 aangesteld als brigadier en ritmeester bij de lijfgarde van Willem V tot de omwenteling in 1795. Hij begaf zich naar Osnabrück, waar meer dan achthonderd officieren zich verzameld hadden onder prins Frederik om de oude orde te herstellen, wat mislukte. Daarna studeerde hij staatswetenschappen aan de universiteit van Leipzig. Door koning Lodewijk Napoleon werd hij gevraagd weer in militaire dienst te treden, wat hij weigerde. Op 11 maart 1807 werd hij benoemd tot minister-plenipotentiaris te München. Regelmatig liet hij weten, dat zijn inkomsten niet in overeenstemming waren met de kosten van levensonderhoud in Beieren. In 1813 behoorde hij tot diegenen, die voor herstel van het huis van Oranje ijverden. Hij werd aangesteld bij de vrijwillige lijfwacht te paard en in 1814 kwam zijn benoeming tot gewoon kamerheer, die gevolgd werd door een aanstelling tot hofmaarschalk van 's konings oudste zoon, de latere koning Willem II. In 1815 werd Jean Charles lid der Provinciale Staten en acht jaar later lid der Gedeputeerde Staten van Holland. Van 1831 tot zijn dood was hij lid der Eerste Kamer. In 1838 werd hij opperkamerheer en opper-intendant der koninklijke paleizen. Hij was gehuwd met Otteline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum op 28 oktober 1805 te 's-Gravenhage en kreeg twee zonen. Hij stierf in 1841. Hoofdstuk 1.4: Eugène Jean Alexander Graaf van Bylandt De oudste zoon van Jean Charles en Otheline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum werd geboren op 1 juli 1807 te 's-Gravenhage. Hij studeerde in Leiden en promoveerde in 1830.(Bylandt, Specimen antiqui juris publici.) In 1837 trouwde hij met Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken en zij kregen in 1840 een zoon, Carel van Bylandt. Eugène van Bylandt werd referendaris bij het Kabinet des Konings, gouverneur der provincie Zuid-Holland tot 1859, commissaris des konings in Overijssel in 1864, lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland, lid van de Raad van State, lid en president der Eerste Kamer, curator der Leidse Universiteit en kamerheer des konings. Nadat zijn vrouw in 1849 gestorven was, hertrouwde hij met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, staatsdame van koningin Anna Paulowna. Hij overleed op 21 februari 1876 te 's-Gravenhage. Hoofdstuk 1.5: Carel Jan Emilius Graaf van Bylandt Carel van Bylandt werd geboren op 8 januari 1840 te 's-Gravenhage; zijn ouders waren Eugène Jean Alexander en Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken. Nadat hij het gymnasium Haganum had doorlopen, studeerde hij rechten te Leiden en promoveerde in 1864 op 'Het regt van petitie'. Hij nam een betrekking aan als volontair op de Provinciale Griffie van Zuid-Holland. In 1866 kwam Carel van Bylandt op het Departement van Koloniën, waarna hij commies van staat bij de Raad van State werd van 1866 tot 1872. In 1872 werd hij benoemd tot referendaris bij het Kabinet des Konings, maar na een jaar vertrok hij, toen hij tot lid van de gemeenteraad van Den Haag werd gekozen (1873-1877). Het Departement van Buitenlandse Zaken bood Van Bylandt in 1875 een post aan, die hij ondanks zijn lidmaatschap van de gemeenteraad accepteerde. In mei 1878 werd hij door het kiesdistrict 's-Gravenhage gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1883 droegen de Staten hem het lidmaatschap op van de Gedeputeerde Staten. Carel van Bylandt was liberaal afgevaardigde voor het kiesdistrict Gouda in de Tweede Kamer van 1894 tot 1901. In de Kamer bemoeide hij zich hoofdzakelijk met vraagstukken betreffende het universitaire onderwijs; dit staat in direkt verband met zijn curatorschap aan de Leidse universiteit (1891-1901). Bovendien was hij lid van vele sociale en culturele verenigingen, zoals het schildersgenootschap 'Pulchri Studio', het provinciaal comité tot bevordering van de afschaffing van de slavenhandel en hij was voorzitter van de Nederlandse commissie op de internationale tentoonstelling te Antwerpen. Van Bylandt werd tot voorzitter benoemd van het comité voor de inhuldigingsfeesten van koningin Wilhelmina in 1898 en bij het huwelijk van de koningin in 1901 met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. De neerslag hiervan is te vinden in een groot aantal archiefstukken. Op 30 januari 1873 trouwde Carel van Bylandt met jonkvrouw Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil, die hofdame van Amalia, prinses van Saksen-Weimar-Eisenach, was geweest.(Echtgenote van de derde zoon van koning Willem II, prins Hendrik) Zij kregen twee dochters, waarvan de jongste op vijfjarige leeftijd al stierf. In Den Haag woonde Van Bylandt op de Lange Voorhout, maar hij verbleef ook veel in het buitenland. Hij erfde van zijn grootmoeder Elisabeth Henriette Emilia van Tuyll van Serooskerken geboren Collot d'Escury de heerlijkheid Sliedrecht en de landgoederen Oostduin en Waalsdorp. Na zijn dood in 1902 gingen deze goederen over op de laatste telg van deze tak van de familie Van Bylandt, Marie van Bylandt. Hoofdstuk 1.6: Marie Alexandrine Otheline Caroline Gravin van Bylandt De oudste dochter van Carel van Bylandt en Sophie van der Staal van Piershil werd geboren op 17 april l874. Zij tekende veel in haar jeugd en maakte met haar ouders reizen naar het buitenland. Haar moeder stierf jong en nadat ook haar vader was overleden, zette zij zijn liefdadigheidswerk voort en beheerde de vele bezittingen zorgvuldig. 's Winters woonde zij in het pand aan de Lange Voorhout; de zomers bracht ze door op Oostduin. Na de Ie Wereldoorlog verbleef ze uitsluitend op Oostduin en moest het in de jaren '40 op gezag van de Duitsers verlaten. ("De freule". Het Vaderland.) Na de oorlog heeft zij Oostduin af laten breken, omdat er van het terrein misbruik was gemaakt o.a. door er V-1's en V-2's te lanceren. Zij verkocht het terrein aan de Diakonie van de Hervormde gemeente, de Nederlandse Hervormde Synode en de Haagse Hervormde kerkvoogdij, die er het Haags Hervormd rusthuis Oostduin en het flatgebouw Arendsdorp bouwden. Zijzelf ging in Laren wonen. Vlak voor haar dood werd zij ter verpleging in genoemd rusthuis opgenomen. Na haar dood werd haar gehele vermogen in een stichting ondergebracht, waarvan de statuten werden vastgelegd bij akte van 17 maart 1964. De stichting kreeg de naam M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting en heeft tot doel steun te verlenen aan rechtspersonen, die het algemeen belang van mens en dier binnen het Rijk en Europa beogen. Hoofdstuk 2: Van Bylandt-Rheydt Over het geslacht Van Bylandt-Rheydt is niet veel te vinden. Hendrik (1500-na 1527) was degene, die de titel heer van Rheydt verwierf door vererving. Van zijn verre nazaten Willem Karel Frederik graaf van Bylandt, Carl Hermann graaf van Bylandt en Agnes Hilda Johanna Maria gravin van Bylandt staan enkele gegevens boven de inventarisnummers 395, 396 en 397. Hoofdstuk 3: Rechten en bevoegdheden Hoofdstuk 3.1: Het hoogheemraadschap de Alblasserwaard De Alblasserwaard is gelegen in Zuid-Holland en kan verdeeld worden in de Overwaard, omvattend het stroomgebied van de Giessen, en de Nederwaard, het stroomgebied van de Alblas. In 1277 kreeg de Alblasserwaard haar eerste onder algemeen bestuur gestelde dijk bij handvest van graaf Floris V. De naam Alblasserwaard werd niet eerder gebruikt dan nadat de landen van Alblas bedijkt werden in 1365. Naast het hoofdzakelijk met dijkzorg belaste dijkscollege bestonden er twee afzonderlijke colleges, die het beheer voerden over de Neder- en Overwaard. Het bestuur van het waterschap de Nederwaard bestond uit twee colleges van watergraaf en heemraden, ingesteld in 1320 en 1323, bijgestaan door twee waarslieden, een klerk of sekretaris die tevens penningmeester was, een fabriek-landmeter, twee sluismeesters en een bode. Het toezicht op het bestuur hadden gecommitteerden uit de dorpen en ambachten. Tot de Nederwaard behoorden o.a. de heerlijkheden Hofwegen, Naaldwijk, Papendrecht, Sliedrecht en Streefkerk. Het beheer van de uitwatering van het waterschap de Overwaard werd geregeld in een verdrag van 1366. Daaruit heeft zich het waterschap de Overwaard ontwikkeld. Een gezworen rechter, later ook wel erfwatergraaf genoemd, met zeven heemraden schouwden de dijken. Het bestuur werd bijgestaan door een klerk, ook collecteur, gadermeester of sekretaris-penningmeester genoemd, een bode, een fabriek-landmeter en een sluismeester. Het toezicht op het bestuur hadden commissarissen, die in tegenstelling tot de gecommitteerden van de Nederwaard geen afgevaardigden van de dorpen waren. In de Overwaard lagen o.a. de heerlijkheden Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld. De archiefstukken zijn waarschijnlijk bij het persoonlijk archief van Adriaan van Bleyenburg, heer van Naaldwijk in zijn funktie als penningmeester van de Alblasserwaard terechtgekomen. Via aanverwante families Van der Burch en Collot d'Escury is het bij de Van Bylandts beland. Hoofdstuk 3.2: De heerlijkheid Benthorn De heerlijkheid Benthorn, gelegen in Zuid-Holland werd in 1724 door de Staten van Holland, aan wie het door onvermogen van de vorige eigenaren vervallen was, verkocht aan Adam Adriaan van der Duyn, heer van 's-Gravenmoer.( Aa, Aardrijkskundig woordenboek, II, 279, 280. ) Sedertdien is de heerlijkheid in de familie Van der Duyn gebleven. Het is niet geheel duidelijk hoe deze stukken bij Carel van Bylandt terechtgekomen zijn. Waarschijnlijk ligt de oorsprong in familie-banden, die sinds het huwelijk van Alexander graaf van Bylandt met Anna barones van der Duyn bestaan. In 1846 werd Benthorn met Benthuizen verenigd. Hoofdstuk 3.3: De heerlijkheid Oud-Beyerland De polder Oud-Beyerland, gelegen in de Hoekse Waard in Zuid-Holland, werd genoemd naar Sabina van Beyeren, echtgenote van Lamoraal van Egmond. In 1556 werd een begin gemaakt met de bedijking door Lamoraal van Egmond, die de middelen voor de bedijking bij elkaar bracht door alvast het land te verkopen. Na de onthoofding van zijn vader in 1568, waarbij alle goederen verbeurd verklaard werden, kreeg Philips van Egmond de Beyerlanden (Oud- en Nieuw-Beyerland) bij de pacificatie weer in bezit. Hij ging door met het bedijken van Oud-Beyerland totdat hij de Spaanse zijde in 1579 gekozen had en zijn goederen in beslag werden genomen door de Staten van Holland. De vruchten van Oud-Beyerland werden genoten door Philip's zusters Françoise en Sabine van Egmond, die in de Noordelijke Nederlanden verbleven en gereformeerd waren. In 1589 stierf Françoise; het jaar daarop Philips, toen kwamen de rechten aan zijn broer Lamoraal. Hij droeg de rechten over aan Sabine in 1593; zij werd door de Staten van Holland met de hoge heerlijkheid beleend. Sabine overleed in 16l4 en in 1619 werden de Beyerlanden te koop aangeboden. Ze gingen voor een goede prijs van de hand en werden door de Staten van Holland genaast. Eén archiefstuk is in het bezit van de Van Bylandts gekomen via de aanverwante familie Van der Staal van Piershil. Hoofdstuk 3.4: De heerlijkheid Hofwegen De heerlijkheid Hofwegen, gelegen in de Alblasserwaard, was tot in het begin van de 15e eeuw in het bezit van het geslacht Van Brederode. Het werd in de 18e eeuw eigendom van de familie Van Hogendorp. Dit enige overgeleverde archiefstuk is waarschijnlijk meegekomen met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, die getrouwd was met mr. Eugène Jean Alexander graaf van Bylandt. Nadat de laatste heerlijke rechten in 1848 werden afgeschaft, ging de heerlijkheid op in de gemeente Bleskensgraaf. Hoofdstuk 3.5: De polder het nieuwland genaamd Den Andel De polder het Nieuwland is ontstaan door aanwas van gronden ten zuiden van Delfland in Zuid-Holland. In 1322 werd in een akte melding gemaakt van gorzen gelegen onder 's-Gravenzande tussen de Delflandse Dijk en de Maas genaamd Den Grooten Andel. Nadat het geslacht Van Voorne ermee beleend was door graaf Willem III in 1328, krijgt het Kapittel van St. Marie in Den Haag in 1371 Den Andel. Het Kapittel gaf de gorzen ter bedijking uit in 1414 aan zijn kanunnik Jan Gillisz van Wissenkerc, tevens deken van het Kapittel van St. Pieter in de Noordmonsterkerk te Middelburg. De confirmatie van 1415 bevat ook bestuurlijke bepalingen, zoals de instelling van een college van vijf hoofdingelanden, dat als uitvoerend orgaan een dijkgraaf en gezworenen aanstelde. Het bedijkte land werd later het Binnen-Nieuwland, het buitendijkse werd het Buiten-Nieuwland genoemd en het geheel heette het Nieuwland genaamd Den Andel. Het Kapittel van St. Marie behield het eigendom van een zevende deel, zowel binnen- als buitendijks met vrijdom van alle lasten, het zogenaamde "vrije zevende". Delfland was belast met het toezicht en de zorg voor de Kapittelduinen, waar het Nieuwland contributie voor betaalde. Regelmatig ontstonden er geschillen over ieders aandeel in de kosten van herstel en versterking van de zeewering. De konijnen vormden een bedreiging van de zeewering van binnenuit, daartegen werden maatregelen getroffen zoals te vinden is in diverse inventarisnummers. In 1852 werd de polder binnen de grenzen van het Hoogheemraadschap Delfland gebracht, dat de zorg en het onderhoud van de zeewering op zich nam. Via Hendrik Collot d'Escury kwamen de stukken betreffende het Nieuwland terecht bij de Van Bylandts. Hoofdstuk 3.6: De heerlijkheid Papendrecht Ook de heerlijkheid Papendrecht was gelegen in de Alblasserwaard. De Brederode's die de machtigste heren in dit gebied waren in de Middeleeuwen, bezaten Papendrecht, leengoed van de graven van Holland, tot het begin van de 15e eeuw. Na een jarenlang durend proces over de vererving tussen de dijkgraaf en de hoogheemraden van de Alblasserwaard aan de ene kant en de Van Muilwijks aan de andere kant kocht in 1625 Tielman van Muilwijk Papendrecht. In 1744 kwam de heerlijkheid in het bezit van Dordrecht. De stukken zijn waarschijnlijk via de aanverwante familie Van Bleyenburg op de familie Van der Burch en daarna op het geslacht Collot d'Escury overgegaan. Hendrik Collot d'Escury die geen stamhouder had, heeft zijn stukken betreffende heerlijkheden nagelaten aan Carel van Bylandt. Hoofdstuk 3.7: De heerlijkheid Piershil De heerlijkheid Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, is in de 17e eeuw in handen geweest van het geslacht Van Hesse. Hendrik Pelt kocht in 1721 de heerlijkheid van Gillis van Hesse, waarna Piershil vererfde via de familie Gevers, Meerman en Schoonhoven op Van der Staal. Tenslotte is de heerlijkheid via de echtgenote van Carel van Bylandt, Sophie Alexandrine op Marie van Bylandt overgegaan. Thans beheert de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting de laatste heerlijke rechten van Piershil. Het archief van de heerlijkheid bevindt zich op de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief in het archief van de familie Van der Staal van Piershil. Een aantal stukken zijn waarschijnlijk bij de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting achtergebleven en bij de papieren van de Van Bylandts terechtgekomen . Hoofdstuk 3.8: De heerlijkheid Sliedrecht Op het gebied van de gemeente Sliedrecht, gelegen in de Alblasserwaard, bestonden voor 1795 drie naast elkaar gelegen heerlijkheden, te weten Lokhorst of Oversliedrecht, Naaldwijk, en Niemandsvriend. Elk van de ambachten had dan ook zijn eigen schout en heemraden of schepenen, die door de ambachtsheer werden aangesteld. In 1853 erfde Carel Jan Emilius van Bylandt de drie samengevoegde heerlijkheden van Hendrik Collot d'Escury. Hoofdstuk 3.9: Lokhorst of Oversliedrecht Sliedrecht werd in de Middeleeuwen vaak aangeduid als Oversliedrecht, hiermee wordt Sliedrecht aan de overzijde van de Merwede in de Alblasserwaard onderscheiden van Sliedrecht bij Kraaiestein in de Grote Waard, dat met de St. Elizabethsvloed in 1421 verdronken is. Lokhorst is de naam, die leden van het geslacht Van Lockhorst aan deze heerlijkheid hebben gegeven, toen zij haar van de 14e tot in de 16e eeuw in leen hielden van de hofstede van de Merwede. Door huwelijk kwam het leen in 1597 aan Nicolaas van Schagen en Matenesse, waarna zijn leenopvolgers het in 1675 aan Johan Teding van Berkhout verkochten. Johan van der Burch verwierf de heerlijkheid in 1696; in 1759 werd Sliedrecht aan Simeon Petrus Collot d'Escury overgedragen. Hoofdstuk 3.10: Naaldwijk De naam van deze heerlijkheid was afkomstig van Willem van Naaldwijk, die haar in 1370 in leen kreeg. Naaldwijk blijkt van 1447 tot het eind van de 16e eeuw leenroerig te zijn aan de hofstede Brederode. Nadat de ambachtsheer de spade in de dijk had gestoken en het land verlaten had vanwege hoge dijklasten werd de Alblasserwaard eigenaar, die de heerlijkheid in 1625 overdroeg aan Adriaan van Bleyenburg. Naaldwijk ging over van het geslacht Van Bleyenburg naar het geslacht Van der Burch in 1730, waarna Simeon Petrus Collot d'Escury heer van Naaldwijk werd. Hoofdstuk 3.11: Niemandsvriend De naam Niemandsvriend, in de Middeleeuwen ook wel Colijnsambacht genoemd, is verbonden aan het tolhuis. In het begin van de 16e eeuw behoorde het ambacht Niemandsvriend aan de hofstede Nijenrode, die de helft in leen had uitgegeven. In 1771 verwierf Hendrik Collot d'Escury, de oudste zoon van Simeon Petrus, deze helft van Johan van der Burch; hij kocht de andere helft van het echtpaar Onderwater-Hoefft. Hoofdstuk 3.12: Het goed bij Klarenbeek De hof Ingen Elsen bij Klarenbeek was gelegen in het hertogdom Kleef. In 1437 schonk de hertog van Kleef het aan zijn natuurlijke zoon Johan van Kleef Blankenstein. Via zijn familie en de aanverwante geslachten Smullinck en Selbach is het goed in de 17e eeuw een leen van de Von Lützenraths geworden. Hoe het goed van het geslacht Von Lützenrath bij het geslacht Von Wartensleben terecht is gekomen is niet bekend, evenals hoe de stukken bij Van Bylandt-Halt in het archief zijn geraakt. Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln. Gorinchem, 1839-1851. Aa, C. van der. Geschiedenis van den jongst-geëindigden oorlog tot op het sluiten van de vrede te Amiëns, byzonder met betrekking tot de Bataafsche Republiek. 10 dln. Amsterdam, 1802-1808. Bos Jzn, W. Van hennepland tot huizenzee. Sliedrecht, 1978. Bosscha, J. Neêrlands heldendaden te land van de vroegste tijden af tot in onze dagen. 4 dln. Leeuwarden, 1834-1856. Bylandt, C.J.E. van. Het regt van petitie. 's-Gravenhage, 1864. Bylandt, E.J.A. van. Specimen antiqui juris publici Belgici inaugurale de Imperii Forma sub comitibus Hollandiae. Leiden, 1830. Die Lehnregister des Herzogtums Kleve. E. Dösseler, F.W. Oediger. Das Hauptstaatsarchiv Düsseldorf und seine Bestände. 8 dln. Siegburg, 1957-1974. Gouw, J.L. van der. De ring van Putten. 's-Gravenhage, 1967. Hardenberg, H. Oostduin en de graven van Bylandt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk. 's-Gravenhage, 1976. Hasselt, G. van. "Oorsprong van het geslacht Van Bylandt" in: Geldersche Byzonderheden, I-III. Arnhem, 1809. Isenburg, W.K. von. Stammtafeln zur Geschichte der Europäischen Staaten (Europäische Stammtafeln). 8 dln. Marburg, 1965-1980. Jansen, H.P.H. Kalendarium. Geschiedenis van de lage landen in jaartallen. Utrecht, 1974. Jansen, H.P.H.; Swart, K.W.; Deursen, A.Th. van,e.a. Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis. Alphen a/d Rijn, 1979. Kort, J.C. "Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Zuid-Holland, het land van Gelre, het Sticht van Utrecht, Putten en Heenvliet, 1199-1648" in: Ons Voorgeslacht, 1977. Groot Charterboek der graaven van Holland en Zeeland en heeren van Vriesland; beginnende met de eerste en oudste brieven van die landstreeken, en eindigende met den dood van onze gravinne, vrouwe Jacoba van Beyere. F. van Mieris. 4 dln. Leiden, 1753-1756. Molhuysen, P.C.; Blok, P.J.,e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. 10 dln. Leiden, 1911-1937. Nederland's Adelsboek. 10e jaargang. 's-Gravenhage, 1912. Nieuwe Nederlandsche jaarboeken of vervolg der merkwaardigste geschiedenissen, die voorgevallen zijn in de Vereenigde Provinciën, de Generaliteitslanden en de Volksplantingen van den staat. 33 dln. Leiden, 1748-1798. Teixeira de Mattos, L.F. De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland. 10 dln. in 14 bdn. 's-Gravenhage, 1906-1961. Het Vaderland, 13 augustus 1968. "De freule had het voor 't zeggen". Vey Mestdagh, J.H. de. "Het Nieuwland genaamd Den Andel" in: Rotterdams Jaarboekje, 1960. Vorsterman van Oyen, A.A.; Epen, Joh.D.G. van; Meulen, J.C. van der. Jaarboek van den Nederlandschen Adel. 5 dln. 's-Gravenhage, 1888-1891; Oisterwijk, 1893-1894.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer Hoofdstuk 1: Het Geslacht Van Bylandt
De heren Van Bylandt stammen af van de Gelderse ridder Willem Doys, zoon van Theodoricus Doys, die in 1275 beleend werd door Diederik VIII graaf van Kleef met het slot Scathe bij Pannerden, genaamd Bilant. Deze naam werd door hem aangenomen als grondsof goedheer. Zijn nazaten splitsten zich in een tak, die door huwelijk verbonden werd met het huis Halt en een tak, die zich verbond met de heerlijkheid Rheydt. Dit geslacht heeft verscheidene funkties in het maatschappelijke leven bekleed, zoals blijkt uit de hieronder beschreven personen.

Hoofdstuk 1.1: Alexander Graaf van Bylandt
Alexander was een telg van het geslacht Van Bylandt-Halt; hij werd op 29 december 1743 te Nijmegen geboren als jongste zoon van Otto Roeleman Frederik en Anna Constantia van Sevenaer. Op zijn eenentwintigste jaar trouwde hij met Anna barones van der Duyn. Samen kregen zij vijf zoons en twee dochters.

In zijn militaire loopbaan bracht hij het tot generaal-majoor van de infanterie en kreeg bij afwezigheid van stadhouder Willem V het bevel over het garnizoen van Breda. Deze stad zou hij bij de Franse belegering in 1793 te snel hebben overgegeven, daardoor werd hij vervallen verklaard van al zijn militaire charges en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, die overigens tot de Bataafse onwenteling duurde.

Hij stierf, gescheiden van zijn echtgenote, in 1819.

Hoofdstuk 1.2: Otto Anne Graaf van Bylandt
De oudste zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren in 1766. Hij werd belast met het toezicht over de studie van de erfprins, de latere koning Willem I, aan de Leidse universiteit waar hij zelf gestudeerd had. In 1783 trad hij in dienst van het staatse leger en bracht het tot ritmeester. Hij trouwde met de Leidse burgemeestersdochter Agatha Wilhelmina Twent in 1791.

Otto Anne was kamerheer bij Willem Frederik van Oranje in 1804, de koningin van Holland in 1806, koning Lodewijk Napoleon in 1810 en koning Willem I in 1822.

In 1848 werd hij lid van de Eerste Kamer en hij overleed te Breda op 20 februari 1857.

Hoofdstuk 1.3: Jean Charles Graaf van Bylandt
De vierde zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren op 5 januari 1776 te 's-Gravenhage.

Jean Charles werd in 1792 aangesteld als brigadier en ritmeester bij de lijfgarde van Willem V tot de omwenteling in 1795. Hij begaf zich naar Osnabrück, waar meer dan achthonderd officieren zich verzameld hadden onder prins Frederik om de oude orde te herstellen, wat mislukte. Daarna studeerde hij staatswetenschappen aan de universiteit van Leipzig. Door koning Lodewijk Napoleon werd hij gevraagd weer in militaire dienst te treden, wat hij weigerde. Op 11 maart 1807 werd hij benoemd tot minister-plenipotentiaris te München. Regelmatig liet hij weten, dat zijn inkomsten niet in overeenstemming waren met de kosten van levensonderhoud in Beieren.

In 1813 behoorde hij tot diegenen, die voor herstel van het huis van Oranje ijverden. Hij werd aangesteld bij de vrijwillige lijfwacht te paard en in 1814 kwam zijn benoeming tot gewoon kamerheer, die gevolgd werd door een aanstelling tot hofmaarschalk van 's konings oudste zoon, de latere koning Willem II.

In 1815 werd Jean Charles lid der Provinciale Staten en acht jaar later lid der Gedeputeerde Staten van Holland. Van 1831 tot zijn dood was hij lid der Eerste Kamer.

In 1838 werd hij opperkamerheer en opper-intendant der koninklijke paleizen.

Hij was gehuwd met Otteline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum op 28 oktober 1805 te 's-Gravenhage en kreeg twee zonen. Hij stierf in 1841.

Hoofdstuk 1.4: Eugène Jean Alexander Graaf van Bylandt
De oudste zoon van Jean Charles en Otheline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum werd geboren op 1 juli 1807 te 's-Gravenhage. Hij studeerde in Leiden en promoveerde in 1830.(Bylandt, Specimen antiqui juris publici.) In 1837 trouwde hij met Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken en zij kregen in 1840 een zoon, Carel van Bylandt. Eugène van Bylandt werd referendaris bij het Kabinet des Konings, gouverneur der provincie Zuid-Holland tot 1859, commissaris des konings in Overijssel in 1864, lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland, lid van de Raad van State, lid en president der Eerste Kamer, curator der Leidse Universiteit en kamerheer des konings.
Nadat zijn vrouw in 1849 gestorven was, hertrouwde hij met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, staatsdame van koningin Anna Paulowna.

Hij overleed op 21 februari 1876 te 's-Gravenhage.

Hoofdstuk 1.5: Carel Jan Emilius Graaf van Bylandt
Carel van Bylandt werd geboren op 8 januari 1840 te 's-Gravenhage; zijn ouders waren Eugène Jean Alexander en Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken.

Nadat hij het gymnasium Haganum had doorlopen, studeerde hij rechten te Leiden en promoveerde in 1864 op 'Het regt van petitie'.
Hij nam een betrekking aan als volontair op de Provinciale Griffie van Zuid-Holland.

In 1866 kwam Carel van Bylandt op het Departement van Koloniën, waarna hij commies van staat bij de Raad van State werd van 1866 tot 1872. In 1872 werd hij benoemd tot referendaris bij het Kabinet des Konings, maar na een jaar vertrok hij, toen hij tot lid van de gemeenteraad van Den Haag werd gekozen (1873-1877).

Het Departement van Buitenlandse Zaken bood Van Bylandt in 1875 een post aan, die hij ondanks zijn lidmaatschap van de gemeenteraad accepteerde.

In mei 1878 werd hij door het kiesdistrict 's-Gravenhage gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1883 droegen de Staten hem het lidmaatschap op van de Gedeputeerde Staten. Carel van Bylandt was liberaal afgevaardigde voor het kiesdistrict Gouda in de Tweede Kamer van 1894 tot 1901. In de Kamer bemoeide hij zich hoofdzakelijk met vraagstukken betreffende het universitaire onderwijs; dit staat in direkt verband met zijn curatorschap aan de Leidse universiteit (1891-1901).

Bovendien was hij lid van vele sociale en culturele verenigingen, zoals het schildersgenootschap 'Pulchri Studio', het provinciaal comité tot bevordering van de afschaffing van de slavenhandel en hij was voorzitter van de Nederlandse commissie op de internationale tentoonstelling te Antwerpen. Van Bylandt werd tot voorzitter benoemd van het comité voor de inhuldigingsfeesten van koningin Wilhelmina in 1898 en bij het huwelijk van de koningin in 1901 met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. De neerslag hiervan is te vinden in een groot aantal archiefstukken.

Op 30 januari 1873 trouwde Carel van Bylandt met jonkvrouw Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil, die hofdame van Amalia, prinses van Saksen-Weimar-Eisenach, was geweest.(Echtgenote van de derde zoon van koning Willem II, prins Hendrik) Zij kregen twee dochters, waarvan de jongste op vijfjarige leeftijd al stierf.

In Den Haag woonde Van Bylandt op de Lange Voorhout, maar hij verbleef ook veel in het buitenland.

Hij erfde van zijn grootmoeder Elisabeth Henriette Emilia van Tuyll van Serooskerken geboren Collot d'Escury de heerlijkheid Sliedrecht en de landgoederen Oostduin en Waalsdorp.

Na zijn dood in 1902 gingen deze goederen over op de laatste telg van deze tak van de familie Van Bylandt, Marie van Bylandt.

Hoofdstuk 1.6: Marie Alexandrine Otheline Caroline Gravin van Bylandt
De oudste dochter van Carel van Bylandt en Sophie van der Staal van Piershil werd geboren op 17 april l874. Zij tekende veel in haar jeugd en maakte met haar ouders reizen naar het buitenland. Haar moeder stierf jong en nadat ook haar vader was overleden, zette zij zijn liefdadigheidswerk voort en beheerde de vele bezittingen zorgvuldig.
's Winters woonde zij in het pand aan de Lange Voorhout; de zomers bracht ze door op Oostduin. Na de Ie Wereldoorlog verbleef ze uitsluitend op Oostduin en moest het in de jaren '40 op gezag van de Duitsers verlaten. ("De freule". Het Vaderland.) Na de oorlog heeft zij Oostduin af laten breken, omdat er van het terrein misbruik was gemaakt o.a. door er V-1's en V-2's te lanceren. Zij verkocht het terrein aan de Diakonie van de Hervormde gemeente, de Nederlandse Hervormde Synode en de Haagse Hervormde kerkvoogdij, die er het Haags Hervormd rusthuis Oostduin en het flatgebouw Arendsdorp bouwden. Zijzelf ging in Laren wonen. Vlak voor haar dood werd zij ter verpleging in genoemd rusthuis opgenomen.

Na haar dood werd haar gehele vermogen in een stichting ondergebracht, waarvan de statuten werden vastgelegd bij akte van 17 maart 1964. De stichting kreeg de naam M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting en heeft tot doel steun te verlenen aan rechtspersonen, die het algemeen belang van mens en dier binnen het Rijk en Europa beogen.

Hoofdstuk 2: Van Bylandt-Rheydt
Over het geslacht Van Bylandt-Rheydt is niet veel te vinden. Hendrik (1500-na 1527) was degene, die de titel heer van Rheydt verwierf door vererving.

Van zijn verre nazaten Willem Karel Frederik graaf van Bylandt, Carl Hermann graaf van Bylandt en Agnes Hilda Johanna Maria gravin van Bylandt staan enkele gegevens boven de inventarisnummers 395, 396 en 397.

Hoofdstuk 3: Rechten en bevoegdheden
Hoofdstuk 3.1: Het hoogheemraadschap de Alblasserwaard
De Alblasserwaard is gelegen in Zuid-Holland en kan verdeeld worden in de Overwaard, omvattend het stroomgebied van de Giessen, en de Nederwaard, het stroomgebied van de Alblas. In 1277 kreeg de Alblasserwaard haar eerste onder algemeen bestuur gestelde dijk bij handvest van graaf Floris V. De naam Alblasserwaard werd niet eerder gebruikt dan nadat de landen van Alblas bedijkt werden in 1365. Naast het hoofdzakelijk met dijkzorg belaste dijkscollege bestonden er twee afzonderlijke colleges, die het beheer voerden over de Neder- en Overwaard. Het bestuur van het waterschap de Nederwaard bestond uit twee colleges van watergraaf en heemraden, ingesteld in 1320 en 1323, bijgestaan door twee waarslieden, een klerk of sekretaris die tevens penningmeester was, een fabriek-landmeter, twee sluismeesters en een bode. Het toezicht op het bestuur hadden gecommitteerden uit de dorpen en ambachten. Tot de Nederwaard behoorden o.a. de heerlijkheden Hofwegen, Naaldwijk, Papendrecht, Sliedrecht en Streefkerk.

Het beheer van de uitwatering van het waterschap de Overwaard werd geregeld in een verdrag van 1366. Daaruit heeft zich het waterschap de Overwaard ontwikkeld. Een gezworen rechter, later ook wel erfwatergraaf genoemd, met zeven heemraden schouwden de dijken. Het bestuur werd bijgestaan door een klerk, ook collecteur, gadermeester of sekretaris-penningmeester genoemd, een bode, een fabriek-landmeter en een sluismeester. Het toezicht op het bestuur hadden commissarissen, die in tegenstelling tot de gecommitteerden van de Nederwaard geen afgevaardigden van de dorpen waren. In de Overwaard lagen o.a. de heerlijkheden Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld.

De archiefstukken zijn waarschijnlijk bij het persoonlijk archief van Adriaan van Bleyenburg, heer van Naaldwijk in zijn funktie als penningmeester van de Alblasserwaard terechtgekomen. Via aanverwante families Van der Burch en Collot d'Escury is het bij de Van Bylandts beland.

Hoofdstuk 3.2: De heerlijkheid Benthorn
De heerlijkheid Benthorn, gelegen in Zuid-Holland werd in 1724 door de Staten van Holland, aan wie het door onvermogen van de vorige eigenaren vervallen was, verkocht aan Adam Adriaan van der Duyn, heer van 's-Gravenmoer.(

Aa, Aardrijkskundig woordenboek, II, 279, 280.
) Sedertdien is de heerlijkheid in de familie Van der Duyn gebleven. Het is niet geheel duidelijk hoe deze stukken bij Carel van Bylandt terechtgekomen zijn. Waarschijnlijk ligt de oorsprong in familie-banden, die sinds het huwelijk van Alexander graaf van Bylandt met Anna barones van der Duyn bestaan.
In 1846 werd Benthorn met Benthuizen verenigd.

Hoofdstuk 3.3: De heerlijkheid Oud-Beyerland
De polder Oud-Beyerland, gelegen in de Hoekse Waard in Zuid-Holland, werd genoemd naar Sabina van Beyeren, echtgenote van Lamoraal van Egmond.

In 1556 werd een begin gemaakt met de bedijking door Lamoraal van Egmond, die de middelen voor de bedijking bij elkaar bracht door alvast het land te verkopen. Na de onthoofding van zijn vader in 1568, waarbij alle goederen verbeurd verklaard werden, kreeg Philips van Egmond de Beyerlanden (Oud- en Nieuw-Beyerland) bij de pacificatie weer in bezit. Hij ging door met het bedijken van Oud-Beyerland totdat hij de Spaanse zijde in 1579 gekozen had en zijn goederen in beslag werden genomen door de Staten van Holland. De vruchten van Oud-Beyerland werden genoten door Philip's zusters Françoise en Sabine van Egmond, die in de Noordelijke Nederlanden verbleven en gereformeerd waren. In 1589 stierf Françoise; het jaar daarop Philips, toen kwamen de rechten aan zijn broer Lamoraal.

Hij droeg de rechten over aan Sabine in 1593; zij werd door de Staten van Holland met de hoge heerlijkheid beleend.

Sabine overleed in 16l4 en in 1619 werden de Beyerlanden te koop aangeboden. Ze gingen voor een goede prijs van de hand en werden door de Staten van Holland genaast.

Eén archiefstuk is in het bezit van de Van Bylandts gekomen via de aanverwante familie Van der Staal van Piershil.
Hoofdstuk 3.4: De heerlijkheid Hofwegen
De heerlijkheid Hofwegen, gelegen in de Alblasserwaard, was tot in het begin van de 15e eeuw in het bezit van het geslacht Van Brederode.

Het werd in de 18e eeuw eigendom van de familie Van Hogendorp. Dit enige overgeleverde archiefstuk is waarschijnlijk meegekomen met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, die getrouwd was met mr. Eugène Jean Alexander graaf van Bylandt.

Nadat de laatste heerlijke rechten in 1848 werden afgeschaft, ging de heerlijkheid op in de gemeente Bleskensgraaf.

Hoofdstuk 3.5: De polder het nieuwland genaamd Den Andel
De polder het Nieuwland is ontstaan door aanwas van gronden ten zuiden van Delfland in Zuid-Holland. In 1322 werd in een akte melding gemaakt van gorzen gelegen onder 's-Gravenzande tussen de Delflandse Dijk en de Maas genaamd Den Grooten Andel.

Nadat het geslacht Van Voorne ermee beleend was door graaf Willem III in 1328, krijgt het Kapittel van St. Marie in Den Haag in 1371 Den Andel.

Het Kapittel gaf de gorzen ter bedijking uit in 1414 aan zijn kanunnik Jan Gillisz van Wissenkerc, tevens deken van het Kapittel van St. Pieter in de Noordmonsterkerk te Middelburg. De confirmatie van 1415 bevat ook bestuurlijke bepalingen, zoals de instelling van een college van vijf hoofdingelanden, dat als uitvoerend orgaan een dijkgraaf en gezworenen aanstelde. Het bedijkte land werd later het Binnen-Nieuwland, het buitendijkse werd het Buiten-Nieuwland genoemd en het geheel heette het Nieuwland genaamd Den Andel.

Het Kapittel van St. Marie behield het eigendom van een zevende deel, zowel binnen- als buitendijks met vrijdom van alle lasten, het zogenaamde "vrije zevende".

Delfland was belast met het toezicht en de zorg voor de Kapittelduinen, waar het Nieuwland contributie voor betaalde.

Regelmatig ontstonden er geschillen over ieders aandeel in de kosten van herstel en versterking van de zeewering.

De konijnen vormden een bedreiging van de zeewering van binnenuit, daartegen werden maatregelen getroffen zoals te vinden is in diverse inventarisnummers.

In 1852 werd de polder binnen de grenzen van het Hoogheemraadschap Delfland gebracht, dat de zorg en het onderhoud van de zeewering op zich nam.

Via Hendrik Collot d'Escury kwamen de stukken betreffende het Nieuwland terecht bij de Van Bylandts.

Hoofdstuk 3.6: De heerlijkheid Papendrecht
Ook de heerlijkheid Papendrecht was gelegen in de Alblasserwaard. De Brederode's die de machtigste heren in dit gebied waren in de Middeleeuwen, bezaten Papendrecht, leengoed van de graven van Holland, tot het begin van de 15e eeuw. Na een jarenlang durend proces over de vererving tussen de dijkgraaf en de hoogheemraden van de Alblasserwaard aan de ene kant en de Van Muilwijks aan de andere kant kocht in 1625 Tielman van Muilwijk Papendrecht.
In 1744 kwam de heerlijkheid in het bezit van Dordrecht. De stukken zijn waarschijnlijk via de aanverwante familie Van Bleyenburg op de familie Van der Burch en daarna op het geslacht Collot d'Escury overgegaan. Hendrik Collot d'Escury die geen stamhouder had, heeft zijn stukken betreffende heerlijkheden nagelaten aan Carel van Bylandt.

Hoofdstuk 3.7: De heerlijkheid Piershil
De heerlijkheid Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, is in de 17e eeuw in handen geweest van het geslacht Van Hesse. Hendrik Pelt kocht in 1721 de heerlijkheid van Gillis van Hesse, waarna Piershil vererfde via de familie Gevers, Meerman en Schoonhoven op Van der Staal. Tenslotte is de heerlijkheid via de echtgenote van Carel van Bylandt, Sophie Alexandrine op Marie van Bylandt overgegaan. Thans beheert de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting de laatste heerlijke rechten van Piershil.

Het archief van de heerlijkheid bevindt zich op de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief in het archief van de familie Van der Staal van Piershil. Een aantal stukken zijn waarschijnlijk bij de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting achtergebleven en bij de papieren van de Van Bylandts terechtgekomen .

Hoofdstuk 3.8: De heerlijkheid Sliedrecht
Op het gebied van de gemeente Sliedrecht, gelegen in de Alblasserwaard, bestonden voor 1795 drie naast elkaar gelegen heerlijkheden, te weten Lokhorst of Oversliedrecht, Naaldwijk, en Niemandsvriend. Elk van de ambachten had dan ook zijn eigen schout en heemraden of schepenen, die door de ambachtsheer werden aangesteld.

In 1853 erfde Carel Jan Emilius van Bylandt de drie samengevoegde heerlijkheden van Hendrik Collot d'Escury.

Hoofdstuk 3.9: Lokhorst of Oversliedrecht
Sliedrecht werd in de Middeleeuwen vaak aangeduid als Oversliedrecht, hiermee wordt Sliedrecht aan de overzijde van de Merwede in de Alblasserwaard onderscheiden van Sliedrecht bij Kraaiestein in de Grote Waard, dat met de St. Elizabethsvloed in 1421 verdronken is.

Lokhorst is de naam, die leden van het geslacht Van Lockhorst aan deze heerlijkheid hebben gegeven, toen zij haar van de 14e tot in de 16e eeuw in leen hielden van de hofstede van de Merwede.
Door huwelijk kwam het leen in 1597 aan Nicolaas van Schagen en Matenesse, waarna zijn leenopvolgers het in 1675 aan Johan Teding van Berkhout verkochten. Johan van der Burch verwierf de heerlijkheid in 1696; in 1759 werd Sliedrecht aan Simeon Petrus Collot d'Escury overgedragen.

Hoofdstuk 3.10: Naaldwijk
De naam van deze heerlijkheid was afkomstig van Willem van Naaldwijk, die haar in 1370 in leen kreeg. Naaldwijk blijkt van 1447 tot het eind van de 16e eeuw leenroerig te zijn aan de hofstede Brederode.
Nadat de ambachtsheer de spade in de dijk had gestoken en het land verlaten had vanwege hoge dijklasten werd de Alblasserwaard eigenaar, die de heerlijkheid in 1625 overdroeg aan Adriaan van Bleyenburg.

Naaldwijk ging over van het geslacht Van Bleyenburg naar het geslacht Van der Burch in 1730, waarna Simeon Petrus Collot d'Escury heer van Naaldwijk werd.

Hoofdstuk 3.11: Niemandsvriend
De naam Niemandsvriend, in de Middeleeuwen ook wel Colijnsambacht genoemd, is verbonden aan het tolhuis.

In het begin van de 16e eeuw behoorde het ambacht Niemandsvriend aan de hofstede Nijenrode, die de helft in leen had uitgegeven.

In 1771 verwierf Hendrik Collot d'Escury, de oudste zoon van Simeon Petrus, deze helft van Johan van der Burch; hij kocht de andere helft van het echtpaar Onderwater-Hoefft.

Hoofdstuk 3.12: Het goed bij Klarenbeek
De hof Ingen Elsen bij Klarenbeek was gelegen in het hertogdom Kleef. In 1437 schonk de hertog van Kleef het aan zijn natuurlijke zoon Johan van Kleef Blankenstein. Via zijn familie en de aanverwante geslachten Smullinck en Selbach is het goed in de 17e eeuw een leen van de Von Lützenraths geworden.
Hoe het goed van het geslacht Von Lützenrath bij het geslacht Von Wartensleben terecht is gekomen is niet bekend, evenals hoe de stukken bij Van Bylandt-Halt in het archief zijn geraakt.


Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln. Gorinchem, 1839-1851.
Aa, C. van der. Geschiedenis van den jongst-geëindigden oorlog tot op het sluiten van de vrede te Amiëns, byzonder met betrekking tot de Bataafsche Republiek. 10 dln. Amsterdam, 1802-1808.
Bos Jzn, W. Van hennepland tot huizenzee. Sliedrecht, 1978.
Bosscha, J. Neêrlands heldendaden te land van de vroegste tijden af tot in onze dagen. 4 dln. Leeuwarden, 1834-1856.
Bylandt, C.J.E. van. Het regt van petitie. 's-Gravenhage, 1864.
Bylandt, E.J.A. van. Specimen antiqui juris publici Belgici inaugurale de Imperii Forma sub comitibus Hollandiae. Leiden, 1830.
Die Lehnregister des Herzogtums Kleve. E. Dösseler, F.W. Oediger. Das Hauptstaatsarchiv Düsseldorf und seine Bestände. 8 dln. Siegburg, 1957-1974.
Gouw, J.L. van der. De ring van Putten. 's-Gravenhage, 1967.
Hardenberg, H. Oostduin en de graven van Bylandt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk. 's-Gravenhage, 1976.
Hasselt, G. van. "Oorsprong van het geslacht Van Bylandt" in: Geldersche Byzonderheden, I-III. Arnhem, 1809.
Isenburg, W.K. von. Stammtafeln zur Geschichte der Europäischen Staaten (Europäische Stammtafeln). 8 dln. Marburg, 1965-1980.
Jansen, H.P.H. Kalendarium. Geschiedenis van de lage landen in jaartallen. Utrecht, 1974.
Jansen, H.P.H.; Swart, K.W.; Deursen, A.Th. van,e.a. Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis. Alphen a/d Rijn, 1979.
Kort, J.C. "Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Zuid-Holland, het land van Gelre, het Sticht van Utrecht, Putten en Heenvliet, 1199-1648" in: Ons Voorgeslacht, 1977.
Groot Charterboek der graaven van Holland en Zeeland en heeren van Vriesland; beginnende met de eerste en oudste brieven van die landstreeken, en eindigende met den dood van onze gravinne, vrouwe Jacoba van Beyere. F. van Mieris. 4 dln. Leiden, 1753-1756.
Molhuysen, P.C.; Blok, P.J.,e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. 10 dln. Leiden, 1911-1937.
Nederland's Adelsboek. 10e jaargang. 's-Gravenhage, 1912.
Nieuwe Nederlandsche jaarboeken of vervolg der merkwaardigste geschiedenissen, die voorgevallen zijn in de Vereenigde Provinciën, de Generaliteitslanden en de Volksplantingen van den staat. 33 dln. Leiden, 1748-1798.
Teixeira de Mattos, L.F. De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland. 10 dln. in 14 bdn. 's-Gravenhage, 1906-1961.
Het Vaderland, 13 augustus 1968. "De freule had het voor 't zeggen".
Vey Mestdagh, J.H. de. "Het Nieuwland genaamd Den Andel" in: Rotterdams Jaarboekje, 1960.
Vorsterman van Oyen, A.A.; Epen, Joh.D.G. van; Meulen, J.C. van der. Jaarboek van den Nederlandschen Adel. 5 dln. 's-Gravenhage, 1888-1891; Oisterwijk, 1893-1894.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in