Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: De geschiedenis van de familie Baumhauer en Von Baumhauer begint, voor zover thans bekend, in de veertiende eeuw in het Westfaalse Coesfeld binnen het milieu van de Duitse Hanze. In een tijd waarin de spelling van familienamen nog niet vaststond, werd de schrijfwijze regionaal bepaald. Gosswin Boomhouwer van Coesfeld (ca. 1410-1486), die rechten in Keulen studeerde, was in de periode 1441-1477 secretaris van de machtige Duitse Hanze te Brugge. Zijn nazaten woonden als kooplieden in de Hanzestad Reval, het huidige Tallin in Estland. Eén van hen, Christianus Bomhower (ca. 1468-1518) stelde zijn leven in dienst van de rooms-katholieke kerk en was aanvankelijk aflaatcommissaris en later bisschop van Dorpat (Tartu in Estland). Als dank voor zijn verdiensten voor de rooms-katholieke kerk verleende Keizer Maximiliaan I van Oostenrijk in 1513 Christianus en zijn broers het recht tot het voeren van het wapen met de leeuw en drie boomstammen: 'De stammen onder de Leeuw'. Christianus' broer, Hans Bomhower, verliet omstreeks 1529 de stad Reval en werd vrijwel zeker de stamvader van de Eupense en Akense familie van lakenfabrikanten en lakenkooplieden. Omstreeks 1600 ging de familie Baumhewer over tot de Reformatie naar de inzichten van Johannes Calvijn. In de 17e-eeuw werden de gereformeerden uit Aken verdreven, waarna drie Baumhewer-broers zich in Maastricht vestigden en een omvangrijk nageslacht aan kooplieden, hoge militairen en bankiers voortbrachten. Johan Baumhewer (ca. 1621-1682) mocht vanwege zijn status als rijke koopman tegen betaling van het 'Beiwohnrecht' binnen de stadsmuren van Aken wonen. Zijn kleinzonen Johan (1689-1760) en Heinrich (1691-1741) stichtten aan het begin van de 18e-eeuw nieuwe lakenfabrieken in het nabijgelegen Eupen. Eupen werd de plaats waar drie nieuwe takken ontstonden: Wilhelm Jacob Baumhauer (1735-1796) trok naar Hamburg en kreeg daar nakomelingen tot in de tegenwoordige tijd. Zijn broer Heinrich Baumhauer (1726-1790) legde door zijn huwelijk met de rooms-katholieke Petronella Nicolai de basis voor een omvangrijke rooms-katholieke familie met nakomelingen tot in de huidige tijd in geheel West-Duitsland. Van Johan Boomhouer (1689-1760), lakenkoopman en leider van de gereformeerde gemeenschap te Eupen, is de vroegstbewaarde familiekroniek afkomstig. Uit deze kroniek is ondermeer bekend dat zijn dochter Anna Catharina Baumhauer (1730-1795) tegen de wil van haar vader trouwde met haar neef Jacob Reinhard Baumhauer (1729-1786), die in Aken een lakenfabriek had. Na het overlijden van Jacob Reinhard zette de weduwe het bedrijf samen met haar zoon Johann Matthias Baumhauer (1759-1818) voort. De bijbehorende schriftelijke overeenkomsten werden door Jon Baumhauer te München in 2002 aan het Familiearchief Von Baumhauer geschonken. Johans jongste zoon, de koopman Matthijs Jacob Boomhouer (1737-1789) vestigde zich omstreeks 1762 op de Keizersgracht te Amsterdam om de koopmansfirma van zijn kinderloze oom Wilhelm Baumhauer (1695-1758) en tante Elisabeth Cappel voort te zetten. Hij werd stamvader van de Nederlandse tak, die sinds het midden van de 19e-eeuw de naam 'Von Baumhauer' draagt, nadat eerst omstreeks 1790 in Nederland de schrijfwijze 'Baumhauer' was geworden. De oudste zonen van Matthijs Jacob Boomhouer en Helena Maria von Scheibler zagen in de Napoleontische tijd geen kans de oorspronkelijk zo vermogende koopmansfirma voort te zetten. In hun generatie voltrok zich de overgang naar beroepen op het bestuurlijke en juridische terrein. Zo werden Charles Matthieu Baumhauer (1779-1834) bestuursambtenaar in Nederlands-Indië en zijn jongere broer Matthieu Jacques Reinhard Baumhauer (1789-1822) aanvankelijk militair onder Napoleon en later secretaris van het Nederlandse Gouvernement in Malakka. Daar werd Jan Willem Samuel von Baumhauer (1820-1884) geboren, die na het vroegtijdige overlijden van zijn ouders in Brussel en vervolgens in Utrecht bij zijn oom Willem Theodorus (von) Baumhauer opgroeide. Hij studeerde daar rechten en was later werkzaam als bestuursambtenaar op Java en Borneo's westkust. Bij de Javaanse vrouw Sarina had hij één dochter, Maria (1852/4-1932). Centrale figuur in de 19e-eeuwse familie was een derde broer, Mr. Willem Theodorus (von) Baumhauer (1785-1849), Procureur-Generaal te Brussel en Utrecht, die in 1824 pogingen deed in de adelstand verheven te worden. Omdat hij geen bewijzen kon aanvoeren voor zijn afstamming van één van de in de wapenbrief van 1513 genoemde vier gebroeders Bomhower, kon de Hoge Raad van Adel niet aan dit verzoek voldoen. Sinds ongeveer 1842 noemden Willem Theodorus Baumhauer, zijn vier zonen en neef Jan Willem Samuel zich officieel 'Von Baumhauer', hetgeen tot op heden de schrijfwijze van de Nederlandse tak is gebleven. Het geslacht van Willem Theodorus (von) Baumhauer en Apollonia Joanna Croese werd tot in de huidige tijd door één zoon voortgezet in de persoon van Professor Edouard Henri von Baumhauer (1820-1885), gehuwd met Elisabeth Catharina Petronella Boonen. Hij genoot op scheikundig terrein een groot aanzien in binnen- en buitenland en stond in contact met belangrijke geleerden van zijn tijd. Door vererving kwamen landerijen en boerderijen in Elspeet en Vierhouten op de Veluwe, die al eeuwen in het bezit waren van de familie Boonen, in de familie Von Baumhauer. In 1917 verrees aldaar aan de Elspeterbosweg 'Huize Vierhouten' dat een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog zou spelen. Nakomelingen van het echtpaar Von Baumhauer-Boonen in rechte lijn zijn: Mr. Edouard Marie von Baumhauer (1853-1907), Officier van Justitie te Amsterdam; de broers Mr. Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950), advocaat te Amsterdam en Ir. Albert Gillis von Baumhauer (1891-1939) vliegtuigbouwkundige en ten slotte de bedrijfsjurist Mr. Edouard Mari Herminius von Baumhauer (geb. 1931). Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950) was een zelfstandig gevestigd advocaat in Amsterdam met uitgebreide contacten in het internationale zakenleven. Daarnaast was hij voorzitter van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en vertegenwoordiger van de Deutsche Bank. Voor zijn werk bij de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel ondernam hij in 1930, 1932 en 1938 enkele maandenlange reizen naar de Verenigde Staten van Amerika. Onder druk van de oorlogomstandigheden nam hij in 1943 vanuit 'Huize Vierhouten' het initiatief tot de oprichting en in standhouding van het 'Pas-Op-kamp' voor onderduikers in het Vierhoutense bos, dat bijna twee jaar in gebruik bleef. Hiermee redde het echtpaar Von Baumhauer met hulp van velen het leven van tientallen onderduikers. In de naoorlogse jaren verzamelde zijn weduwe Hermien verdere documentatie en bewijsmateriaal over de rol van haar man in de Tweede Wereldoorlog, mede omdat er over de betekenis van het werk van verschillende verzetsmensen verschil van mening bestaat. In het voorjaar van 1984 werd het verzetsherdenkingskruis uitgereikt aan Hermien von Baumhauer-Ribbink en haar dochter Clazien (1923-1984). Het echtpaar Von Baumhauer werd in mei 2000 postuum geëerd met de Yad Vashem-onderscheiding, die Eduard von Baumhauer (geb. 1931) namens zijn ouders te Wassenaar in ontvangst nam. De tak van de Zutphense predikant Theodore Charles Matthieu von Baumhauer (1823-1900) stierf wat betreft naamdragende nakomelingen uit met het overlijden van zijn oudste dochter Apollonia Johanna Wilhelmina von Baumhauer in 1937. Haar nageslacht vindt men heden binnen de families De Ranitz, Campert en Waszink.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer De geschiedenis van de familie Baumhauer en Von Baumhauer begint, voor zover thans bekend, in de veertiende eeuw in het Westfaalse Coesfeld binnen het milieu van de Duitse Hanze.

In een tijd waarin de spelling van familienamen nog niet vaststond, werd de schrijfwijze regionaal bepaald. Gosswin Boomhouwer van Coesfeld (ca. 1410-1486), die rechten in Keulen studeerde, was in de periode 1441-1477 secretaris van de machtige Duitse Hanze te Brugge. Zijn nazaten woonden als kooplieden in de Hanzestad Reval, het huidige Tallin in Estland. Eén van hen, Christianus Bomhower (ca. 1468-1518) stelde zijn leven in dienst van de rooms-katholieke kerk en was aanvankelijk aflaatcommissaris en later bisschop van Dorpat (Tartu in Estland). Als dank voor zijn verdiensten voor de rooms-katholieke kerk verleende Keizer Maximiliaan I van Oostenrijk in 1513 Christianus en zijn broers het recht tot het voeren van het wapen met de leeuw en drie boomstammen: 'De stammen onder de Leeuw'.

Christianus' broer, Hans Bomhower, verliet omstreeks 1529 de stad Reval en werd vrijwel zeker de stamvader van de Eupense en Akense familie van lakenfabrikanten en lakenkooplieden.

Omstreeks 1600 ging de familie Baumhewer over tot de Reformatie naar de inzichten van Johannes Calvijn. In de 17e-eeuw werden de gereformeerden uit Aken verdreven, waarna drie Baumhewer-broers zich in Maastricht vestigden en een omvangrijk nageslacht aan kooplieden, hoge militairen en bankiers voortbrachten. Johan Baumhewer (ca. 1621-1682) mocht vanwege zijn status als rijke koopman tegen betaling van het 'Beiwohnrecht' binnen de stadsmuren van Aken wonen. Zijn kleinzonen Johan (1689-1760) en Heinrich (1691-1741) stichtten aan het begin van de 18e-eeuw nieuwe lakenfabrieken in het nabijgelegen Eupen.

Eupen werd de plaats waar drie nieuwe takken ontstonden: Wilhelm Jacob Baumhauer (1735-1796) trok naar Hamburg en kreeg daar nakomelingen tot in de tegenwoordige tijd. Zijn broer Heinrich Baumhauer (1726-1790) legde door zijn huwelijk met de rooms-katholieke Petronella Nicolai de basis voor een omvangrijke rooms-katholieke familie met nakomelingen tot in de huidige tijd in geheel West-Duitsland.

Van Johan Boomhouer (1689-1760), lakenkoopman en leider van de gereformeerde gemeenschap te Eupen, is de vroegstbewaarde familiekroniek afkomstig. Uit deze kroniek is ondermeer bekend dat zijn dochter Anna Catharina Baumhauer (1730-1795) tegen de wil van haar vader trouwde met haar neef Jacob Reinhard Baumhauer (1729-1786), die in Aken een lakenfabriek had. Na het overlijden van Jacob Reinhard zette de weduwe het bedrijf samen met haar zoon Johann Matthias Baumhauer (1759-1818) voort. De bijbehorende schriftelijke overeenkomsten werden door Jon Baumhauer te München in 2002 aan het Familiearchief Von Baumhauer geschonken.

Johans jongste zoon, de koopman Matthijs Jacob Boomhouer (1737-1789) vestigde zich omstreeks 1762 op de Keizersgracht te Amsterdam om de koopmansfirma van zijn kinderloze oom Wilhelm Baumhauer (1695-1758) en tante Elisabeth Cappel voort te zetten. Hij werd stamvader van de Nederlandse tak, die sinds het midden van de 19e-eeuw de naam 'Von Baumhauer' draagt, nadat eerst omstreeks 1790 in Nederland de schrijfwijze 'Baumhauer' was geworden.

De oudste zonen van Matthijs Jacob Boomhouer en Helena Maria von Scheibler zagen in de Napoleontische tijd geen kans de oorspronkelijk zo vermogende koopmansfirma voort te zetten. In hun generatie voltrok zich de overgang naar beroepen op het bestuurlijke en juridische terrein.

Zo werden Charles Matthieu Baumhauer (1779-1834) bestuursambtenaar in Nederlands-Indië en zijn jongere broer Matthieu Jacques Reinhard Baumhauer (1789-1822) aanvankelijk militair onder Napoleon en later secretaris van het Nederlandse Gouvernement in Malakka. Daar werd Jan Willem Samuel von Baumhauer (1820-1884) geboren, die na het vroegtijdige overlijden van zijn ouders in Brussel en vervolgens in Utrecht bij zijn oom Willem Theodorus (von) Baumhauer opgroeide. Hij studeerde daar rechten en was later werkzaam als bestuursambtenaar op Java en Borneo's westkust. Bij de Javaanse vrouw Sarina had hij één dochter, Maria (1852/4-1932).

Centrale figuur in de 19e-eeuwse familie was een derde broer, Mr. Willem Theodorus (von) Baumhauer (1785-1849), Procureur-Generaal te Brussel en Utrecht, die in 1824 pogingen deed in de adelstand verheven te worden. Omdat hij geen bewijzen kon aanvoeren voor zijn afstamming van één van de in de wapenbrief van 1513 genoemde vier gebroeders Bomhower, kon de Hoge Raad van Adel niet aan dit verzoek voldoen.

Sinds ongeveer 1842 noemden Willem Theodorus Baumhauer, zijn vier zonen en neef Jan Willem Samuel zich officieel 'Von Baumhauer', hetgeen tot op heden de schrijfwijze van de Nederlandse tak is gebleven.

Het geslacht van Willem Theodorus (von) Baumhauer en Apollonia Joanna Croese werd tot in de huidige tijd door één zoon voortgezet in de persoon van Professor Edouard Henri von Baumhauer (1820-1885), gehuwd met Elisabeth Catharina Petronella Boonen. Hij genoot op scheikundig terrein een groot aanzien in binnen- en buitenland en stond in contact met belangrijke geleerden van zijn tijd.

Door vererving kwamen landerijen en boerderijen in Elspeet en Vierhouten op de Veluwe, die al eeuwen in het bezit waren van de familie Boonen, in de familie Von Baumhauer. In 1917 verrees aldaar aan de Elspeterbosweg 'Huize Vierhouten' dat een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog zou spelen.

Nakomelingen van het echtpaar Von Baumhauer-Boonen in rechte lijn zijn: Mr. Edouard Marie von Baumhauer (1853-1907), Officier van Justitie te Amsterdam; de broers Mr. Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950), advocaat te Amsterdam en Ir. Albert Gillis von Baumhauer (1891-1939) vliegtuigbouwkundige en ten slotte de bedrijfsjurist Mr. Edouard Mari Herminius von Baumhauer (geb. 1931).

Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950) was een zelfstandig gevestigd advocaat in Amsterdam met uitgebreide contacten in het internationale zakenleven. Daarnaast was hij voorzitter van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en vertegenwoordiger van de Deutsche Bank. Voor zijn werk bij de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel ondernam hij in 1930, 1932 en 1938 enkele maandenlange reizen naar de Verenigde Staten van Amerika.

Onder druk van de oorlogomstandigheden nam hij in 1943 vanuit 'Huize Vierhouten' het initiatief tot de oprichting en in standhouding van het 'Pas-Op-kamp' voor onderduikers in het Vierhoutense bos, dat bijna twee jaar in gebruik bleef. Hiermee redde het echtpaar Von Baumhauer met hulp van velen het leven van tientallen onderduikers. In de naoorlogse jaren verzamelde zijn weduwe Hermien verdere documentatie en bewijsmateriaal over de rol van haar man in de Tweede Wereldoorlog, mede omdat er over de betekenis van het werk van verschillende verzetsmensen verschil van mening bestaat. In het voorjaar van 1984 werd het verzetsherdenkingskruis uitgereikt aan Hermien von Baumhauer-Ribbink en haar dochter Clazien (1923-1984).

Het echtpaar Von Baumhauer werd in mei 2000 postuum geëerd met de Yad Vashem-onderscheiding, die Eduard von Baumhauer (geb. 1931) namens zijn ouders te Wassenaar in ontvangst nam.

De tak van de Zutphense predikant Theodore Charles Matthieu von Baumhauer (1823-1900) stierf wat betreft naamdragende nakomelingen uit met het overlijden van zijn oudste dochter Apollonia Johanna Wilhelmina von Baumhauer in 1937. Haar nageslacht vindt men heden binnen de families De Ranitz, Campert en Waszink.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in