Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: 1. Jan Jacob Rochussen (1797-1871) Op 23 oktober 1797 werd Jan Jacob Rochussen in Etten geboren als zoon van Jan Rochussen (1759-1818) en Aletta Jacoba Erbervelt (1764-1851). De Rochussens stamden van een Vlissings magistratengeslacht, welks stamvader Rochus Rochussen (1598 - na 1623) zich aldaar had gevestigd. Jan Jacob begon zijn loopbaan in het voetspoor van zijn vader, die was opgeklommen tot direkteur der accijnzen in Amsterdam. Toegerust met gelijke kennis en ervaring op fiskaal gebied als zijn vader, werd hij in 1826 sekretaris van de Kamer van Koophandel in Amsterdam en in 1828 direkteur van het Entrepotdok. Zijn handelsrelaties brachten hem op de weg der diplomatie: zo vertegenwoordigde hij Nederland in het college van de Rijnvaart, bij onderhandelingen met Pruisen over een scheepvaartverdrag in 1837 en met het Tolverbond over een verdrag in 1839. Op 25 juni 1840 werd hij door koning Willem I tot minister van Financiën benoemd, de eerste minister die, overeenkomstig de grondwetsherziening van 1840, jaarlijks zijn financiële politiek voor de Staten-Generaal moest verdedigen. Zijn nota van 28 oktober 1840 over het Amortisatie-syndicaat legde de deplorabele toestand van de schatkist bloot, maar zijn maatregelen ter sanering door een konversie van de werkelijke schuld van 4 in 3 procent werden in 1843 door de Tweede Kamer verworpen, als gevolg waarvan hij aftrad. De goede verstandhouding, waarin hij als gevolg van zijn diplomatieke aktiviteiten met koning Leopold I van België verkeerde, maakten hem bij uitstek geschikt voor onderhandelingen met België ter afwikkeling van geschilpunten, welke na de konferentie van Londen in 1839 waren blijven bestaan. Nog tijdens zijn ministerschap bracht hij deze tot een bevredigend einde en een post als gezant in België was hiervan het gevolg. In januari 1845 werd hij echter tot gouverneur-generaal van Nederlands -Indië benoemd. Zijn vijfjarig bewind aldaar kenmerkt zich door herziening van het muntwezen en voortzetting van het kultuurstelsel, zij het, dat hongersnoden in 1848 en 1849 tot verlichting van lasten op de inlanders noodzaakten. Hij kantte zich tegen voorstellen tot persvrijheid. Ook was hij de eerste gouverneur-generaal die daadwerkelijk streefde naar enige ordehandhaving in de Buitengewesten, zodat onder zijn bewind strafexpedities plaats vonden naar Borneo (tegen Chinese mijnwerkers) en naar de Soeloe-eilanden (tegen zeerovers). Op Java bracht hij kontraktuele bestuursbanden tot stand met de vorsten aldaar. In 1850 nam hij ontslag, doch eerst in 1852 keerde hij in Nederland terug. In datzelfde jaar nog werd hij voor het distrikt Alkmaar tot lid van de Tweede Kamer verkozen, waar hij grote invloed had bij de totstandkoming van het Regeringsreglement voor Nederlands-Indië van 1854. In 1857 trok hij zich terug, wijl hij geen oppositie wenste te voeren tegen de toenmalige minister van Koloniën P. Mijer. Zijn invloed op het koloniale beleid werd nochtans versterkt, nadat hij in 1853 was benoemd tot commissaris des konings bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Als zodanig was hij betrokken bij voorstellen tot de afschaffing van de slavernij in Oost- en West-Indië. In het voorjaar van 1858 werd Rochussen door de koning aangezocht een ministerie te vormen, "gematigd zonder partijschap". In dit eerste z.g. koninklijk kabinet "van fusie" (tussen konservatieven en liberalen) beheerde hij de portefeuille van Koloniën; het kabinet trad op 23 maart 1859 af na de verwerping van een wet op staatsexploitatie der spoorwegen. Rochussen, die een wet op de afschaffing van de slavernij in Oost-Indië aangenomen zag, bleef echter aan onder het volgende kabinet, dat door F.A. van Hall gepresideerd werd en in toenemende mate te kampen kreeg met de oppositie van een liberale Tweede Kamermeerderheid. Rochussens starre konservatieve stellingname voor het behoud van het kultuurstelsel en tegen parlementaire kontrole op het beheer der koloniale middelen droeg daar niet weinig toe bij. In december 1860 trad hij af, doordat zijn begroting in de Tweede Kamer werd afgestemd. Hij ging evenwel niet in op het voorstel van koning Willem III de Kamer te ontbinden. De koning, die hem node zag gaan, overlaadde hem met eerbewijzen (De koning bood hem verheffing in de adelstand aan onder de titel van graaf. Rochussen weigerde, zoals hij ook in 1842 een baronnentitel van koning Willem II had geweigerd. Rochussen werd nu het grootkruis van de Nederlandse Leeuw toegekend met briljanten, een dekoratie, die tot dan toe aan niemand was uitgereikt.). Als verpersoonlijking van "het behoudend stelsel" werd hij in 1864 wederom in de Tweede Kamer verkozen. Hij opponeerde tegen de ministeries Thorbecke en Fransen van de Putte en stelde zich achter het ministerie Van Zuylen-Heemskerk. In 1869 trok hij zich terug. Rochussen was op 14 december 1831 gehuwd met Anna Sara Velsberg (1807-1841), en wettigde hiermee drie tevoren geboren zoons en een dochter. Na het overlijden van zijn echtgenote huwde hij in Batavia op 25 september 1848 met Elisabeth Charlotta Vincent (1827-1851). Op 21 januari 1871 overleed hij in Den Haag. 2. Jhr. mr. Willem Frederik Rochussen (1832-1912) Willem Frederik, geboren in Amsterdam op 18 december 1832, was de eerste vanaf zijn geboorte wettige zoon van Jan Jacob Rochussen. Na een universitaire studie in Amsterdam, Utrecht en Leiden promoveert hij in 1855 op thesen, waarna hij de diplomatieke loopbaan kiest. Hij begint als attaché bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarna hij in 1856 tot gezantschapssekretaris te Berlijn wordt benoemd en vervolgens in 1858 te Parijs. Op 6 juli 1860 wordt hij zaakgelastigde te Kopenhagen. Hij valt op door een beleidvol en, ook in netelige kwesties, doortastend optreden. Dit leidt tot een uitbreiding van zijn post met de vertegenwoordiging in Zweden en Noorwegen. Op 14 december 1867 treedt hij in het huwelijk met Gregersone Mathilde barones Wedell-Wedellsborg (1835-1927). In 1870 wordt hij gezant in België, maar een gewichtiger post volgt, wanneer hij zich in 1871 benoemd ziet tot gezant bij het Duitse keizerrijk. Zijn berichtgeving over het nieuwe imperium bevat uitgebreide gegevens over de publieke geest aldaar en over Bismarcks politiek. Tevens bemiddelt hij voor het koninklijk huis, waarmee zijn vader steeds zulke gunstige betrekkingen had onderhouden. Op 5 januari 1876 wordt hij in de adelstand verheven met het predikaat jonkheer. Zijn vader had zelfs hogere titels steeds afgewezen. Op 15 september 1881 geeft hij na lang aandringen zijn lukratieve gezantschapspost prijs voor de benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het sterk heterogene kabinet-Van Lynden van Sandenburg. Hij verdedigt het voorstel van zijn voorganger tot uitbreiding van zijn departement met sukses, maar een onder zijn bewind gesloten handelsverdrag met Frankrijk wordt tot tweemaal toe door de Tweede Kamer verworpen, hetgeen op 9 mei 1882 tot zijn aftreden leidt. Het ontslag wordt geweigerd, maar het kabinet struikelt op een herziening van de kieswet op 23 april 1883. Rochussen blijft nu verder in Nederland, waar hij op 30 april 1886 wordt benoemd tot lid van de Raad van State, in welke funktie hij tot 1907 werkzaam blijft. Hij stelt zich in diverse publikaties konservatief en vaderlandslievend, doch ethisch bewogen, op en raakt op goede voet met koningin Wilhelmina( Vergelijk inventarisnummers 47, 60 en 64. ). Op 17 juli 1912 overlijdt hij in Den Haag. 3. Jhr. mr. Jan Jacob Rochussen (1871-1928) Jan Jacob Rochussen( Biografische gegevens van Jan Jacob Rochussen over zijn loopbaan tot 1815 bevinden zich in inventarisnummer 78. Mr. H.J. Sjollema maakt op pagina 46 van zijn studie over Isaac Rochussen melding van autobiografische aantekeningen van J.J. Rochussen. Deze zijn niet aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen, omdat zij hoofdzakelijk partikuliere aangelegenheden betreffen. ) werd op 5 november 1871 in de Nederlandse legatie in Berlijn geboren als zoon van Willem Frederik Rochussen. Deze had, juist terwille van de opleiding van zijn zoon, afgezien van nieuwe posten in het buitenland. Zolang deze vader nog lid was van de Raad van State, doorliep de jonge Jan Jacob een briljante loopbaan. Hij had sedert 1889 aan de Rijksuniversiteit van Leiden gestudeerd, waar hij in 1895 de titel van meester in de rechten verwierf. In 1895 werd hij als adjunkt-commies verbonden aan het departement van Buitenlandse Zaken, waar hij reeds in 1901 tot referendaris was geavanceerd. Hij heeft in verschillende commissies zitting gehad, en aan internationale konferenties deelgenomen, welke zich vooral bezig hielden met de arbitragegedachte en het internationaal privaatrecht. Geïnspireerd door zijn oom, jhr. mr. A.P.C, van Karnebeek en door mr. T.M.C. Asser, die hij als zijn leermeester beschouwde, werd hij betrokken bij de voorbereiding van de Tweede Vredesconferentie, die in 1907 zou plaatsvinden. In 1906 werd hij benoemd tot de belangrijke funktie van chef der afdeling Politieke Zaken van zijn ministerie. In 1907 trok hij zich uit deze ambtelijke funktie terug om het direktoraat te aanvaarden van het Rotterdamse kantoor der Amsterdamsche Bank. Tot dit besluit werkte, naast een aanzienlijke verbetering van zijn persoonlijke financiële positie (zijn inkomen werd aanstonds verviervoudigd!), ook zijn overtuiging mee, dat hij geen medewerking meer kon verlenen aan internationale vredesconferenties, die door de machtigsten voor eigen imperialistische doeleinden konden worden misbruikt. Wel heeft hij ook als zakenman incidenteel nog een rol gespeeld in de diplomatie; in 1915 intervenieerde hij officieus ten gunste van het kabinet-Cort van der Linden bij de Engelse regering. Intussen was hij op 12 november 1909 gehuwd met Mary Gervey, een Engelse, afkomstig uit Brits-Borneo. In december werd hij door zijn neef, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, H.A. van Karnebeek, benoemd tot minister-resident, toegevoegd aan de Nederlandse legatie te Parijs om daar samen met de direkteur der Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij, E. Heldring( Aantekeningen over Rochussen bevinden zich in Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring, uitgegeven door J. de Vries namens het Historisch Genootschap, Utrecht 1970, pag. 277-335. ), de Nederlandse belangen te behartigen tijdens de vredesonderhandelingen te Parijs inzake de aanvankelijk door Frankrijk gesteunde Belgische territoriale eisen. Rochussens arbeid was niet zonder sukses, en zijn bekwaam optreden voor de Nederlandse zaak maakte indruk. Hij had het overigens niet gemakkelijk, doordat zijn direkte chef, de gezant A.L.E. ridder de Stuers, hem als een dwarskijker beschouwde. Na de voltooiing van zijn missie zette Rochussen zijn direktoraat van het Rotterdamse kantoor van de Amsterdamsche Bank voort, totdat hij in 1922 om persoonlijke redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Sedertdien vestigde hij zich in Engeland. Op 5 november 1928 overleed hij aldaar in Barnes.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer 1. Jan Jacob Rochussen (1797-1871)
Op 23 oktober 1797 werd Jan Jacob Rochussen in Etten geboren als zoon van Jan Rochussen (1759-1818) en Aletta Jacoba Erbervelt (1764-1851). De Rochussens stamden van een Vlissings magistratengeslacht, welks stamvader Rochus Rochussen (1598 - na 1623) zich aldaar had gevestigd. Jan Jacob begon zijn loopbaan in het voetspoor van zijn vader, die was opgeklommen tot direkteur der accijnzen in Amsterdam. Toegerust met gelijke kennis en ervaring op fiskaal gebied als zijn vader, werd hij in 1826 sekretaris van de Kamer van Koophandel in Amsterdam en in 1828 direkteur van het Entrepotdok. Zijn handelsrelaties brachten hem op de weg der diplomatie: zo vertegenwoordigde hij Nederland in het college van de Rijnvaart, bij onderhandelingen met Pruisen over een scheepvaartverdrag in 1837 en met het Tolverbond over een verdrag in 1839. Op 25 juni 1840 werd hij door koning Willem I tot minister van Financiën benoemd, de eerste minister die, overeenkomstig de grondwetsherziening van 1840, jaarlijks zijn financiële politiek voor de Staten-Generaal moest verdedigen. Zijn nota van 28 oktober 1840 over het Amortisatie-syndicaat legde de deplorabele toestand van de schatkist bloot, maar zijn maatregelen ter sanering door een konversie van de werkelijke schuld van 4 in 3 procent werden in 1843 door de Tweede Kamer verworpen, als gevolg waarvan hij aftrad.

De goede verstandhouding, waarin hij als gevolg van zijn diplomatieke aktiviteiten met koning Leopold I van België verkeerde, maakten hem bij uitstek geschikt voor onderhandelingen met België ter afwikkeling van geschilpunten, welke na de konferentie van Londen in 1839 waren blijven bestaan. Nog tijdens zijn ministerschap bracht hij deze tot een bevredigend einde en een post als gezant in België was hiervan het gevolg. In januari 1845 werd hij echter tot gouverneur-generaal van Nederlands -Indië benoemd.

Zijn vijfjarig bewind aldaar kenmerkt zich door herziening van het muntwezen en voortzetting van het kultuurstelsel, zij het, dat hongersnoden in 1848 en 1849 tot verlichting van lasten op de inlanders noodzaakten. Hij kantte zich tegen voorstellen tot persvrijheid. Ook was hij de eerste gouverneur-generaal die daadwerkelijk streefde naar enige ordehandhaving in de Buitengewesten, zodat onder zijn bewind strafexpedities plaats vonden naar Borneo (tegen Chinese mijnwerkers) en naar de Soeloe-eilanden (tegen zeerovers). Op Java bracht hij kontraktuele bestuursbanden tot stand met de vorsten aldaar.

In 1850 nam hij ontslag, doch eerst in 1852 keerde hij in Nederland terug. In datzelfde jaar nog werd hij voor het distrikt Alkmaar tot lid van de Tweede Kamer verkozen, waar hij grote invloed had bij de totstandkoming van het Regeringsreglement voor Nederlands-Indië van 1854. In 1857 trok hij zich terug, wijl hij geen oppositie wenste te voeren tegen de toenmalige minister van Koloniën P. Mijer. Zijn invloed op het koloniale beleid werd nochtans versterkt, nadat hij in 1853 was benoemd tot commissaris des konings bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Als zodanig was hij betrokken bij voorstellen tot de afschaffing van de slavernij in Oost- en West-Indië.

In het voorjaar van 1858 werd Rochussen door de koning aangezocht een ministerie te vormen, "gematigd zonder partijschap". In dit eerste z.g. koninklijk kabinet "van fusie" (tussen konservatieven en liberalen) beheerde hij de portefeuille van Koloniën; het kabinet trad op 23 maart 1859 af na de verwerping van een wet op staatsexploitatie der spoorwegen. Rochussen, die een wet op de afschaffing van de slavernij in Oost-Indië aangenomen zag, bleef echter aan onder het volgende kabinet, dat door F.A. van Hall gepresideerd werd en in toenemende mate te kampen kreeg met de oppositie van een liberale Tweede Kamermeerderheid. Rochussens starre konservatieve stellingname voor het behoud van het kultuurstelsel en tegen parlementaire kontrole op het beheer der koloniale middelen droeg daar niet weinig toe bij. In december 1860 trad hij af, doordat zijn begroting in de Tweede Kamer werd afgestemd. Hij ging evenwel niet in op het voorstel van koning Willem III de Kamer te ontbinden. De koning, die hem node zag gaan, overlaadde hem met eerbewijzen (De koning bood hem verheffing in de adelstand aan onder de titel van graaf. Rochussen weigerde, zoals hij ook in 1842 een baronnentitel van koning Willem II had geweigerd. Rochussen werd nu het grootkruis van de Nederlandse Leeuw toegekend met briljanten, een dekoratie, die tot dan toe aan niemand was uitgereikt.).

Als verpersoonlijking van "het behoudend stelsel" werd hij in 1864 wederom in de Tweede Kamer verkozen. Hij opponeerde tegen de ministeries Thorbecke en Fransen van de Putte en stelde zich achter het ministerie Van Zuylen-Heemskerk. In 1869 trok hij zich terug.

Rochussen was op 14 december 1831 gehuwd met Anna Sara Velsberg (1807-1841), en wettigde hiermee drie tevoren geboren zoons en een dochter. Na het overlijden van zijn echtgenote huwde hij in Batavia op 25 september 1848 met Elisabeth Charlotta Vincent (1827-1851). Op 21 januari 1871 overleed hij in Den Haag.

2. Jhr. mr. Willem Frederik Rochussen (1832-1912)
Willem Frederik, geboren in Amsterdam op 18 december 1832, was de eerste vanaf zijn geboorte wettige zoon van Jan Jacob Rochussen. Na een universitaire studie in Amsterdam, Utrecht en Leiden promoveert hij in 1855 op thesen, waarna hij de diplomatieke loopbaan kiest.

Hij begint als attaché bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarna hij in 1856 tot gezantschapssekretaris te Berlijn wordt benoemd en vervolgens in 1858 te Parijs. Op 6 juli 1860 wordt hij zaakgelastigde te Kopenhagen. Hij valt op door een beleidvol en, ook in netelige kwesties, doortastend optreden. Dit leidt tot een uitbreiding van zijn post met de vertegenwoordiging in Zweden en Noorwegen. Op 14 december 1867 treedt hij in het huwelijk met Gregersone Mathilde barones Wedell-Wedellsborg (1835-1927).

In 1870 wordt hij gezant in België, maar een gewichtiger post volgt, wanneer hij zich in 1871 benoemd ziet tot gezant bij het Duitse keizerrijk. Zijn berichtgeving over het nieuwe imperium bevat uitgebreide gegevens over de publieke geest aldaar en over Bismarcks politiek. Tevens bemiddelt hij voor het koninklijk huis, waarmee zijn vader steeds zulke gunstige betrekkingen had onderhouden. Op 5 januari 1876 wordt hij in de adelstand verheven met het predikaat jonkheer. Zijn vader had zelfs hogere titels steeds afgewezen. Op 15 september 1881 geeft hij na lang aandringen zijn lukratieve gezantschapspost prijs voor de benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het sterk heterogene kabinet-Van Lynden van Sandenburg. Hij verdedigt het voorstel van zijn voorganger tot uitbreiding van zijn departement met sukses, maar een onder zijn bewind gesloten handelsverdrag met Frankrijk wordt tot tweemaal toe door de Tweede Kamer verworpen, hetgeen op 9 mei 1882 tot zijn aftreden leidt. Het ontslag wordt geweigerd, maar het kabinet struikelt op een herziening van de kieswet op 23 april 1883.

Rochussen blijft nu verder in Nederland, waar hij op 30 april 1886 wordt benoemd tot lid van de Raad van State, in welke funktie hij tot 1907 werkzaam blijft. Hij stelt zich in diverse publikaties konservatief en vaderlandslievend, doch ethisch bewogen, op en raakt op goede voet met koningin Wilhelmina(

Vergelijk inventarisnummers 47, 60 en 64.
). Op 17 juli 1912 overlijdt hij in Den Haag.

3. Jhr. mr. Jan Jacob Rochussen (1871-1928)
Jan Jacob Rochussen(

Biografische gegevens van Jan Jacob Rochussen over zijn loopbaan tot 1815 bevinden zich in inventarisnummer 78. Mr. H.J. Sjollema maakt op pagina 46 van zijn studie over Isaac Rochussen melding van autobiografische aantekeningen van J.J. Rochussen. Deze zijn niet aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen, omdat zij hoofdzakelijk partikuliere aangelegenheden betreffen.
) werd op 5 november 1871 in de Nederlandse legatie in Berlijn geboren als zoon van Willem Frederik Rochussen. Deze had, juist terwille van de opleiding van zijn zoon, afgezien van nieuwe posten in het buitenland. Zolang deze vader nog lid was van de Raad van State, doorliep de jonge Jan Jacob een briljante loopbaan. Hij had sedert 1889 aan de Rijksuniversiteit van Leiden gestudeerd, waar hij in 1895 de titel van meester in de rechten verwierf. In 1895 werd hij als adjunkt-commies verbonden aan het departement van Buitenlandse Zaken, waar hij reeds in 1901 tot referendaris was geavanceerd. Hij heeft in verschillende commissies zitting gehad, en aan internationale konferenties deelgenomen, welke zich vooral bezig hielden met de arbitragegedachte en het internationaal privaatrecht. Geïnspireerd door zijn oom, jhr. mr. A.P.C, van Karnebeek en door mr. T.M.C. Asser, die hij als zijn leermeester beschouwde, werd hij betrokken bij de voorbereiding van de Tweede Vredesconferentie, die in 1907 zou plaatsvinden. In 1906 werd hij benoemd tot de belangrijke funktie van chef der afdeling Politieke Zaken van zijn ministerie.

In 1907 trok hij zich uit deze ambtelijke funktie terug om het direktoraat te aanvaarden van het Rotterdamse kantoor der Amsterdamsche Bank. Tot dit besluit werkte, naast een aanzienlijke verbetering van zijn persoonlijke financiële positie (zijn inkomen werd aanstonds verviervoudigd!), ook zijn overtuiging mee, dat hij geen medewerking meer kon verlenen aan internationale vredesconferenties, die door de machtigsten voor eigen imperialistische doeleinden konden worden misbruikt. Wel heeft hij ook als zakenman incidenteel nog een rol gespeeld in de diplomatie; in 1915 intervenieerde hij officieus ten gunste van het kabinet-Cort van der Linden bij de Engelse regering. Intussen was hij op 12 november 1909 gehuwd met Mary Gervey, een Engelse, afkomstig uit Brits-Borneo.

In december werd hij door zijn neef, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, H.A. van Karnebeek, benoemd tot minister-resident, toegevoegd aan de Nederlandse legatie te Parijs om daar samen met de direkteur der Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij, E. Heldring(

Aantekeningen over Rochussen bevinden zich in Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring, uitgegeven door J. de Vries namens het Historisch Genootschap, Utrecht 1970, pag. 277-335.
), de Nederlandse belangen te behartigen tijdens de vredesonderhandelingen te Parijs inzake de aanvankelijk door Frankrijk gesteunde Belgische territoriale eisen. Rochussens arbeid was niet zonder sukses, en zijn bekwaam optreden voor de Nederlandse zaak maakte indruk. Hij had het overigens niet gemakkelijk, doordat zijn direkte chef, de gezant A.L.E. ridder de Stuers, hem als een dwarskijker beschouwde.

Na de voltooiing van zijn missie zette Rochussen zijn direktoraat van het Rotterdamse kantoor van de Amsterdamsche Bank voort, totdat hij in 1922 om persoonlijke redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Sedertdien vestigde hij zich in Engeland. Op 5 november 1928 overleed hij aldaar in Barnes.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in