Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: Jacobus Albertus Wilhelmus (Jaap) Burger werd op 20 augustus 1904 in het Noordbrabantse Willemstad geboren. Zijn familie was van christelijk historischen huize. Op 10 jarige leeftijd had hij al de lagere school doorlopen, waarna hij aanvankelijk naar de christelijke Keuchenius MULO in Oud Beijerland ging. Toen echter in diezelfde plaats een christelijke HBS werd gesticht stapte hij naar deze school over. Na de middelbare school studeerde Burger rechten in Utrecht waar hij lid werd van de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV). Na het behalen van zijn kandidaatsexamen verliet hij Utrecht om zijn studie te vervolgen en af te ronden aan de Universiteit van Amsterdam. Hier kwam hij in kontakt met medestudenten en docenten die wel gelovig waren maar geen lid waren van en zelfs niet sympathiseerden met een christelijke partij. Door deze kontakten werd Burger lid van de Sociaal Democratische Studentenclub (SDSC), waar hij mensen als J. Tinbergen en H. Verwey Jonker leerde kennen met wie hij ook in zijn latere carrière van doen zou krijgen. Burger noemde zichzelf wel democratisch maar niet vrijzinnig, reden waarom hij zich niet tot de vrijzinnig democratische richting aangetrokken voelde. In 1929, aan het eind van zijn studie, werd Burger wel lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), in welke partij het pacifisme, gesymboliseerd door het 'gebroken geweertje' hem sterk aantrok. Na een buitenlands verblijf in o.a. Zwitserland en Engeland liep Burger stage op een advocatenkantoor in Rotterdam, waarna hij zich in 1930 als advocaat in Dordrecht vestigde. In deze plaats richtte hij de afdeling Zuid Holland op van het Bureau voor Arbeidsrecht dat een orgaan van het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV) was. Hoewel hij wel secretaris werd van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (een instelling van de SDAP) weigerde hij hem aangeboden functies in de gemeentelijke en provinciale politiek. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Burger niet betrokken bij de georganiseerde illegaliteit. Wel wist hij een zestal Joden uit handen van de Duitse bezetter te houden door hen bij hem te verbergen. In januari 1943 schreef hij zijn eerste politieke brochure ('Perspectief van Onzen Tijd'), waarin hij bedenkingen uitte tegen een onmiddellijk herstel van de parlementaire democratie na afloop van de oorlog. Aan kritiek onderhevig was later een passage waarin hij zich terughoudend uitliet over volledige materiële tegemoetkomingen na de oorlog aan Joden wier bezit door de Duitsers was geroofd. Op 12 mei 1943 stak Burger met anderen per boot over naar Engeland, waarbij zijn stuurmanskunst (zeilen was een hobby van hem) uitstekend van pas kwam. Burger werd in Londen aangesteld tot verbindingsman met het Militair Gezag op het ministerie van Sociale Zaken. In juli 1943 maakte hij, zoals elke Engelandvaarder, kennis met koningin Wilhelmina die, samen met de Nederlandse regering, in Londen resideerde. Op dit kennismakingsgesprek volgden vele andere besprekingen met de vorstin die een grote sympathie voor elke Engelandvaarder koesterde en al langer van zins was om één van hen in de regering op te nemen. Zij stelde aan minister president P.S. Gerbrandy voor om Burger tot Minister zonder portefuille te benoemen, hetgeen op 11 augustus 1943 geschiedde. De nieuwe minister werd toegevoegd aan de Commissie Terugkeer, een commissie die zich bezighield met het opstellen van plannen voor het bestuur van Nederland na het einde van de oorlog, waartoe zij concept besluiten ontwierp betreffende de naoorlogse Staten Generaal, Provinciale Staten en Gemeenten. De samenwerking tussen Burger en Gerbrandy (de laatste ervoer Burger als een 'luis in zijn pels') was niet steeds optimaal en ook traden er andere wrijvingen in de ministersploeg op, ten gevolge waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, H. van Boeyen, aftrad. Op 31 mei 1944 werd Burger tot zijn opvolger benoemd. Als Minister van Binnenlandse Zaken was hem het functioneren van het Militair Gezag onder leiding van generaal H.J. Kruls in het bevrijde deel van Nederland een doorn in het oog. Burger kwam in het kabinet in een geïsoleerde positie te staan door zijn mening over de zuivering van onvaderlandslievende personen na het einde van de bezetting, een mening die afweek van die van het merendeel der ministers en van de koningin. Burger vond het raadzaam om een onderscheid te maken 'tusschen hen die alleen maar slap zijn geweest in hun houding tegenover den bezetter en hen, die door doen of nalaten den vijand of zijn handlangers bewust steun en hulp hebben verleend'. In een radiorede van 14 januari 1945 formuleerde hij het als volgt: 'Want het gaat niet om het vinden van begane fouten, maar om het vinden van hen, die fout zijn geweest'. Al op 3 januari 1945 was hij naar Nederland gegaan om aldaar de werkzaamheden van het Bureau Binnenlandse Zaken te ondersteunen. Naar aanleiding van zijn uitspraken in de radiorede van 14 januari werd op 23 januari 1945 door Gerbrandy een ontslagbrief opgesteld waarmee Burger de laan zou worden uitgestuurd. Uit solidariteit met de Minister van Binnenlandse Zaken dienden ook de twee andere socialistische ministers, J. van den Tempel en J.W. Albarda, hun ontslag in, hetgeen evenwel op dat ogenblik overbodig was daar Gerbrandy zelf al een dag tevoren het ontslag van het gehele kabinet bij de koningin had ingediend. Op 23 februari 1945 trad een nieuw kabinet aan waarvan Burger geen deel meer uitmaakte. Op die dag ook werd het Bureau Binnenlandse Zaken opgeheven. Al eerder was Burger in Cambridge geweest ten behoeve van een studie over de theoloog K. Barth en na de oorlog zette hij deze studie gedurende een korte tijd voort. Hij werd evenwel vanuit de SDAP benaderd om zitting te nemen in de Voorlopige Staten Generaal (ook 'Noodparlement' geheten), een uitnodiging waar Burger inderdaad op inging. Op 20 november 1945 werd hij met de andere volksvertegenwoordigers beëdigd. Op 16 mei 1946 werden de eerste na oorlogse verkiezingen gehouden die geen doorbraak te zien zouden geven naar een nieuwe partij politieke constellatie. Daarna werd Burger gewoon Kamerlid voor de nieuwe Partij van de Arbeid (PvdA) die op 9 februari 1946 was opgericht. In de jaren 1946 -1948 was hij ook gedelegeerde bij de Verenigde Naties in New York. Burger werd tevens op 16 maart 1946 benoemd tot president van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging te Dordrecht. Consternatie veroorzaakte in januari 1951 een uitspraak van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, M. van der Goes van Naters, die voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië was en die verklaarde dat de Nieuw-Guinea-kwestie hem wel een politieke crisis waard was. Van der Goes van Naters werd gedwongen tot aftreden (van de PvdA fractieleden stemde alleen Burger hiertegen) en werd opgevolgd door L.A. Donker. Toen laatstgenoemde echter in 1952 Minister van Justitie werd was het Burger die tot nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA werd gekozen. Hij leidde namens de PvdA de onderhandelingen bij de kabinetsformatie van 1952. Grote opschudding veroorzaakte een herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen in 1954 waarbij deze aan rooms-katholieken verboden om lid van socialistische organisaties te zijn. Burger stelde zich tegen dit 'Mandement' fel teweer en zag met genoegen dat rooms-katholieke Kamervertegenwoordigers voor de PvdA als J. Willems en G. Ruygers niet op de bisschoppelijke eisen ingingen. In de discussie over afschaffing van de geleide loonpolitiek pleitte Burger ervoor de rol van de overheid niet geheel te doen verdwijnen. Op 17 mei 1955 ontstond er een politieke crisis toen de PvdA weigerde om de Huurwet van minister H.B.J. Witte te accepteren. Op 26 mei van dat jaar werd Burger tot formateur benoemd die de politieke breuk wist te lijmen. Bij de Tweede Kamer verkiezingen van 13 juni 1956 werd de PvdA de grootste partij. Pas na drie maanden was er een nieuw kabinet dat mede tot stand kwam dankzij de werkzaamheden die Burger als informateur verrichtte. Voor de vierde maal formeerde daarop W. Drees een rooms-rood kabinet dat echter al in 1958 ten val kwam na een reeks van botsingen tussen PvdA en Katholieke Volkspartij (KVP). Naast regeermoeheid speelde er ook grote irritatie tussen beide fracties die gevoed werd door de zeven PvdA eisen ten aanzien van het regeringsbeleid die Burger op de zgn 'Fakkeldragersdag' van de PvdA (22 november 1958) formuleerde. De KVP onder leiding van C.P.M. Romme greep de belastingvoorstellen van de Minister van Financiën, H.J. Hofstra aan om te breken met de PvdA, wat het definitieve einde betekende van het premierschap van Drees. Op 23 december 1958 trad een interim kabinet aan dat onder leiding stond van KVP voorman L.J.M. Beel. Op de verkiezingen van 12 maart 1959 volgde het aantreden van een kabinet waaraan de socialisten niet deelnamen en dat onder leiding stond van de KVP'er J.E. de Quay. Burger werd nu leider van de oppositie, in welke hoedanigheid hij fel verzet aantekende tegen het beleid van wat wel eens genoemd werd het 'werkgeverskabinet De Quay'. De wijze waarop Burger oppositie voerde en de door hem beoogde doelstellingen trachtte te verwezenlijken werd niet altijd gesteund door partijgenoten als de oud ministers I. Samkalden, J.G. Suurhoff en A. Vondeling, die nu Tweede Kamerlid waren en angst koesterden dat de PvdA de middengroepen van zich zou vervreemden. Burgers optreden werd door medestanders omschreven als recht door zee, slim, oprecht, ontbloot van prietpraat en franje, terwijl tegenstanders hem als bruusk, bot, onbehouwen en als brulboei tegen rechts typeerden. En ook nu werd de kwestie Nieuw Guinea aanleiding tot beëindiging van het voorzitterschap van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Burger was tegen rechtstreekse onderhandelingen met Indonesië over de overdracht van Nieuw-Guinea, iets wat andere fractieleden wel voorstonden en als enige mogelijkheid zagen om de benarde politieke situatie op te lossen. Bovendien beschuldigde Burger minister J. Cals ervan een steunpunt in het kabinet te zijn voor de zgn 'groep Rijkens', bestaande uit een aantal zakenlieden dat grote financiële belangen had in Indonesië en daarom pleitte voor een snelle overdracht aan dit land van Nederlands Nieuw Guinea. Minister Cals voelde zich diep gegriefd en Burger werd gedwongen om zijn excuses te maken. Nu keerden ook geestverwante organen als 'Het Parool' en vooraanstaande PvdA'ers als J. de Kadt zich openlijk tegen Burger. Laatstgenoemde eiste daarop dat het Partijbestuur van de PvdA een kapittelende brief naar 'Het Parool' zou sturen, wat (met nipte meerderheid) door het Partijbestuur geweigerd werd, hetgeen een nederlaag voor Burger betekende. Op 27 maart 1962 schreef Burger zijn ontslagbrief die echter enkele maanden geheim werd gehouden om partij-politieke redenen. In juni 1962, na het volmaken als fractieleider van het parlementaire jaar, trad Burger daadwerkelijk af. Zijn opvolger werd oud minister A. Vondeling. In 1963 werd Jaap Burger lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke functie hij tot 1970 zou uitoefenen. Bovendien volgde later zijn benoeming tot lid van het Europees parlement en van de Interparlementaire Beneluxraad. In 1967 was inmiddels J.M. den Uyl voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA geworden, die, als oppositieleider, in 1971 een 'progressief schaduwkabinet' vormde waarin Burger Minister van Defensie was. Bij de verkiezingen in dat jaar 1971 verloren de regeringspartijen aanzienlijk. De nieuwe partij DS '70 was echter bereid om het nieuw geformeerde kabinet onder leiding van B.W. Biesheuvel te steunen en liet twee partijgenoten (W. Drees jr en M. de Brauw) als ministers aan het kabinet deelnemen. Na een jaar evenwel stapten de DS '70 ministers uit het kabinet, waarna er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Tot informateur werd M. Ruppert, oud CNV voorzitter, benoemd, die op 31 januari 1973 zijn eindrapport uitbracht. Een dag later werd Burger tot formateur benoemd. Opmerkelijk was zijn zeer zelfbewuste, door niet politieke vrienden als bijna onbehoorlijk ervaren optreden waarbij hij het akkoord van de progressieve partijen, 'Keerpunt' geheten, tot leidraad van zijn handelen nam. Bovendien wist hij handig tegenstellingen binnen het confessionele blok uit te buiten door het veelvuldig publiceren van correspondentie tussen hem en de leiders van politieke partijen. De confessionele partijen wezen echter samenwerking met de socialisten af, waarna Burger toch twee politici van de Anti-Revolutionaire Partij, W.F. de Gaay Fortman en J.Boersma, bereid vond om toe te treden tot een kabinet dat onder leiding zou staan van J.M. den Uyl, een handelwijze die door de confessionelen veelbetekenend met de term 'inbraak' werd betiteld. Nadat Burger door zijn tegenspelers F.H.J.J. Andriessen, W. Aantjes en H.W. Tilanus nog werd gedwongen zijn formatie opdracht terug te geven, werd hij, na informatiewerkzaamheden van W.Albeda en A.A.M. van Agt, opnieuw tot formateur benoemd, samen met Ruppert, de oud informateur. Op 11 mei 1973 ving het kabinet Den Uyl (een 'rood kabinet met een wit randje'), dat door KVP'ers en anti revolutionairen ternauwernood werd gedoogd, met zijn werkzaamheden aan. In 1970 was Burger lid van de Raad van State geworden, hetgeen hij tot 1979 zou blijven. Zes jaar later, op 4 april 1975, werd hij Minister van Staat. Bovendien werd hij in 1974 ereburger van zijn geboorteplaats Willemstad. Ook was Burger van 1949 tot 1966 voorzitter van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Burger overleed op 19 augustus 1986, een dag voor zijn 82e verjaardag, en werd begraven in zijn woonplaats Wassenaar.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer Jacobus Albertus Wilhelmus (Jaap) Burger werd op 20 augustus 1904 in het Noordbrabantse Willemstad geboren. Zijn familie was van christelijk historischen huize. Op 10 jarige leeftijd had hij al de lagere school doorlopen, waarna hij aanvankelijk naar de christelijke Keuchenius MULO in Oud Beijerland ging. Toen echter in diezelfde plaats een christelijke HBS werd gesticht stapte hij naar deze school over. Na de middelbare school studeerde Burger rechten in Utrecht waar hij lid werd van de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV). Na het behalen van zijn kandidaatsexamen verliet hij Utrecht om zijn studie te vervolgen en af te ronden aan de Universiteit van Amsterdam. Hier kwam hij in kontakt met medestudenten en docenten die wel gelovig waren maar geen lid waren van en zelfs niet sympathiseerden met een christelijke partij. Door deze kontakten werd Burger lid van de Sociaal Democratische Studentenclub (SDSC), waar hij mensen als J. Tinbergen en H. Verwey Jonker leerde kennen met wie hij ook in zijn latere carrière van doen zou krijgen. Burger noemde zichzelf wel democratisch maar niet vrijzinnig, reden waarom hij zich niet tot de vrijzinnig democratische richting aangetrokken voelde. In 1929, aan het eind van zijn studie, werd Burger wel lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), in welke partij het pacifisme, gesymboliseerd door het 'gebroken geweertje' hem sterk aantrok. Na een buitenlands verblijf in o.a. Zwitserland en Engeland liep Burger stage op een advocatenkantoor in Rotterdam, waarna hij zich in 1930 als advocaat in Dordrecht vestigde. In deze plaats richtte hij de afdeling Zuid Holland op van het Bureau voor Arbeidsrecht dat een orgaan van het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV) was. Hoewel hij wel secretaris werd van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (een instelling van de SDAP) weigerde hij hem aangeboden functies in de gemeentelijke en provinciale politiek.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Burger niet betrokken bij de georganiseerde illegaliteit. Wel wist hij een zestal Joden uit handen van de Duitse bezetter te houden door hen bij hem te verbergen. In januari 1943 schreef hij zijn eerste politieke brochure ('Perspectief van Onzen Tijd'), waarin hij bedenkingen uitte tegen een onmiddellijk herstel van de parlementaire democratie na afloop van de oorlog. Aan kritiek onderhevig was later een passage waarin hij zich terughoudend uitliet over volledige materiële tegemoetkomingen na de oorlog aan Joden wier bezit door de Duitsers was geroofd.

Op 12 mei 1943 stak Burger met anderen per boot over naar Engeland, waarbij zijn stuurmanskunst (zeilen was een hobby van hem) uitstekend van pas kwam. Burger werd in Londen aangesteld tot verbindingsman met het Militair Gezag op het ministerie van Sociale Zaken. In juli 1943 maakte hij, zoals elke Engelandvaarder, kennis met koningin Wilhelmina die, samen met de Nederlandse regering, in Londen resideerde. Op dit kennismakingsgesprek volgden vele andere besprekingen met de vorstin die een grote sympathie voor elke Engelandvaarder koesterde en al langer van zins was om één van hen in de regering op te nemen. Zij stelde aan minister president P.S. Gerbrandy voor om Burger tot Minister zonder portefuille te benoemen, hetgeen op 11 augustus 1943 geschiedde. De nieuwe minister werd toegevoegd aan de Commissie Terugkeer, een commissie die zich bezighield met het opstellen van plannen voor het bestuur van Nederland na het einde van de oorlog, waartoe zij concept besluiten ontwierp betreffende de naoorlogse Staten Generaal, Provinciale Staten en Gemeenten. De samenwerking tussen Burger en Gerbrandy (de laatste ervoer Burger als een 'luis in zijn pels') was niet steeds optimaal en ook traden er andere wrijvingen in de ministersploeg op, ten gevolge waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, H. van Boeyen, aftrad. Op 31 mei 1944 werd Burger tot zijn opvolger benoemd. Als Minister van Binnenlandse Zaken was hem het functioneren van het Militair Gezag onder leiding van generaal H.J. Kruls in het bevrijde deel van Nederland een doorn in het oog. Burger kwam in het kabinet in een geïsoleerde positie te staan door zijn mening over de zuivering van onvaderlandslievende personen na het einde van de bezetting, een mening die afweek van die van het merendeel der ministers en van de koningin. Burger vond het raadzaam om een onderscheid te maken 'tusschen hen die alleen maar slap zijn geweest in hun houding tegenover den bezetter en hen, die door doen of nalaten den vijand of zijn handlangers bewust steun en hulp hebben verleend'. In een radiorede van 14 januari 1945 formuleerde hij het als volgt: 'Want het gaat niet om het vinden van begane fouten, maar om het vinden van hen, die fout zijn geweest'. Al op 3 januari 1945 was hij naar Nederland gegaan om aldaar de werkzaamheden van het Bureau Binnenlandse Zaken te ondersteunen. Naar aanleiding van zijn uitspraken in de radiorede van 14 januari werd op 23 januari 1945 door Gerbrandy een ontslagbrief opgesteld waarmee Burger de laan zou worden uitgestuurd. Uit solidariteit met de Minister van Binnenlandse Zaken dienden ook de twee andere socialistische ministers, J. van den Tempel en J.W. Albarda, hun ontslag in, hetgeen evenwel op dat ogenblik overbodig was daar Gerbrandy zelf al een dag tevoren het ontslag van het gehele kabinet bij de koningin had ingediend. Op 23 februari 1945 trad een nieuw kabinet aan waarvan Burger geen deel meer uitmaakte. Op die dag ook werd het Bureau Binnenlandse Zaken opgeheven.

Al eerder was Burger in Cambridge geweest ten behoeve van een studie over de theoloog K. Barth en na de oorlog zette hij deze studie gedurende een korte tijd voort. Hij werd evenwel vanuit de SDAP benaderd om zitting te nemen in de Voorlopige Staten Generaal (ook 'Noodparlement' geheten), een uitnodiging waar Burger inderdaad op inging. Op 20 november 1945 werd hij met de andere volksvertegenwoordigers beëdigd. Op 16 mei 1946 werden de eerste na oorlogse verkiezingen gehouden die geen doorbraak te zien zouden geven naar een nieuwe partij politieke constellatie. Daarna werd Burger gewoon Kamerlid voor de nieuwe Partij van de Arbeid (PvdA) die op 9 februari 1946 was opgericht. In de jaren 1946 -1948 was hij ook gedelegeerde bij de Verenigde Naties in New York. Burger werd tevens op 16 maart 1946 benoemd tot president van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging te Dordrecht.

Consternatie veroorzaakte in januari 1951 een uitspraak van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, M. van der Goes van Naters, die voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië was en die verklaarde dat de Nieuw-Guinea-kwestie hem wel een politieke crisis waard was. Van der Goes van Naters werd gedwongen tot aftreden (van de PvdA fractieleden stemde alleen Burger hiertegen) en werd opgevolgd door L.A. Donker. Toen laatstgenoemde echter in 1952 Minister van Justitie werd was het Burger die tot nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA werd gekozen. Hij leidde namens de PvdA de onderhandelingen bij de kabinetsformatie van 1952.

Grote opschudding veroorzaakte een herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen in 1954 waarbij deze aan rooms-katholieken verboden om lid van socialistische organisaties te zijn. Burger stelde zich tegen dit 'Mandement' fel teweer en zag met genoegen dat rooms-katholieke Kamervertegenwoordigers voor de PvdA als J. Willems en G. Ruygers niet op de bisschoppelijke eisen ingingen. In de discussie over afschaffing van de geleide loonpolitiek pleitte Burger ervoor de rol van de overheid niet geheel te doen verdwijnen.

Op 17 mei 1955 ontstond er een politieke crisis toen de PvdA weigerde om de Huurwet van minister H.B.J. Witte te accepteren. Op 26 mei van dat jaar werd Burger tot formateur benoemd die de politieke breuk wist te lijmen.

Bij de Tweede Kamer verkiezingen van 13 juni 1956 werd de PvdA de grootste partij. Pas na drie maanden was er een nieuw kabinet dat mede tot stand kwam dankzij de werkzaamheden die Burger als informateur verrichtte. Voor de vierde maal formeerde daarop W. Drees een rooms-rood kabinet dat echter al in 1958 ten val kwam na een reeks van botsingen tussen PvdA en Katholieke Volkspartij (KVP). Naast regeermoeheid speelde er ook grote irritatie tussen beide fracties die gevoed werd door de zeven PvdA eisen ten aanzien van het regeringsbeleid die Burger op de zgn 'Fakkeldragersdag' van de PvdA (22 november 1958) formuleerde. De KVP onder leiding van C.P.M. Romme greep de belastingvoorstellen van de Minister van Financiën, H.J. Hofstra aan om te breken met de PvdA, wat het definitieve einde betekende van het premierschap van Drees.

Op 23 december 1958 trad een interim kabinet aan dat onder leiding stond van KVP voorman L.J.M. Beel. Op de verkiezingen van 12 maart 1959 volgde het aantreden van een kabinet waaraan de socialisten niet deelnamen en dat onder leiding stond van de KVP'er J.E. de Quay. Burger werd nu leider van de oppositie, in welke hoedanigheid hij fel verzet aantekende tegen het beleid van wat wel eens genoemd werd het 'werkgeverskabinet De Quay'. De wijze waarop Burger oppositie voerde en de door hem beoogde doelstellingen trachtte te verwezenlijken werd niet altijd gesteund door partijgenoten als de oud ministers I. Samkalden, J.G. Suurhoff en A. Vondeling, die nu Tweede Kamerlid waren en angst koesterden dat de PvdA de middengroepen van zich zou vervreemden. Burgers optreden werd door medestanders omschreven als recht door zee, slim, oprecht, ontbloot van prietpraat en franje, terwijl tegenstanders hem als bruusk, bot, onbehouwen en als brulboei tegen rechts typeerden. En ook nu werd de kwestie Nieuw Guinea aanleiding tot beëindiging van het voorzitterschap van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Burger was tegen rechtstreekse onderhandelingen met Indonesië over de overdracht van Nieuw-Guinea, iets wat andere fractieleden wel voorstonden en als enige mogelijkheid zagen om de benarde politieke situatie op te lossen. Bovendien beschuldigde Burger minister J. Cals ervan een steunpunt in het kabinet te zijn voor de zgn 'groep Rijkens', bestaande uit een aantal zakenlieden dat grote financiële belangen had in Indonesië en daarom pleitte voor een snelle overdracht aan dit land van Nederlands Nieuw Guinea. Minister Cals voelde zich diep gegriefd en Burger werd gedwongen om zijn excuses te maken. Nu keerden ook geestverwante organen als 'Het Parool' en vooraanstaande PvdA'ers als J. de Kadt zich openlijk tegen Burger. Laatstgenoemde eiste daarop dat het Partijbestuur van de PvdA een kapittelende brief naar 'Het Parool' zou sturen, wat (met nipte meerderheid) door het Partijbestuur geweigerd werd, hetgeen een nederlaag voor Burger betekende. Op 27 maart 1962 schreef Burger zijn ontslagbrief die echter enkele maanden geheim werd gehouden om partij-politieke redenen. In juni 1962, na het volmaken als fractieleider van het parlementaire jaar, trad Burger daadwerkelijk af. Zijn opvolger werd oud minister A. Vondeling.

In 1963 werd Jaap Burger lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke functie hij tot 1970 zou uitoefenen. Bovendien volgde later zijn benoeming tot lid van het Europees parlement en van de Interparlementaire Beneluxraad. In 1967 was inmiddels J.M. den Uyl voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA geworden, die, als oppositieleider, in 1971 een 'progressief schaduwkabinet' vormde waarin Burger Minister van Defensie was. Bij de verkiezingen in dat jaar 1971 verloren de regeringspartijen aanzienlijk. De nieuwe partij DS '70 was echter bereid om het nieuw geformeerde kabinet onder leiding van B.W. Biesheuvel te steunen en liet twee partijgenoten (W. Drees jr en M. de Brauw) als ministers aan het kabinet deelnemen. Na een jaar evenwel stapten de DS '70 ministers uit het kabinet, waarna er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Tot informateur werd M. Ruppert, oud CNV voorzitter, benoemd, die op 31 januari 1973 zijn eindrapport uitbracht. Een dag later werd Burger tot formateur benoemd. Opmerkelijk was zijn zeer zelfbewuste, door niet politieke vrienden als bijna onbehoorlijk ervaren optreden waarbij hij het akkoord van de progressieve partijen, 'Keerpunt' geheten, tot leidraad van zijn handelen nam. Bovendien wist hij handig tegenstellingen binnen het confessionele blok uit te buiten door het veelvuldig publiceren van correspondentie tussen hem en de leiders van politieke partijen. De confessionele partijen wezen echter samenwerking met de socialisten af, waarna Burger toch twee politici van de Anti-Revolutionaire Partij, W.F. de Gaay Fortman en J.Boersma, bereid vond om toe te treden tot een kabinet dat onder leiding zou staan van J.M. den Uyl, een handelwijze die door de confessionelen veelbetekenend met de term 'inbraak' werd betiteld. Nadat Burger door zijn tegenspelers F.H.J.J. Andriessen, W. Aantjes en H.W. Tilanus nog werd gedwongen zijn formatie opdracht terug te geven, werd hij, na informatiewerkzaamheden van W.Albeda en A.A.M. van Agt, opnieuw tot formateur benoemd, samen met Ruppert, de oud informateur. Op 11 mei 1973 ving het kabinet Den Uyl (een 'rood kabinet met een wit randje'), dat door KVP'ers en anti revolutionairen ternauwernood werd gedoogd, met zijn werkzaamheden aan.

In 1970 was Burger lid van de Raad van State geworden, hetgeen hij tot 1979 zou blijven. Zes jaar later, op 4 april 1975, werd hij Minister van Staat. Bovendien werd hij in 1974 ereburger van zijn geboorteplaats Willemstad.

Ook was Burger van 1949 tot 1966 voorzitter van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA).

Burger overleed op 19 augustus 1986, een dag voor zijn 82e verjaardag, en werd begraven in zijn woonplaats Wassenaar.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in