Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids, Geschiedenis archiefvormer: A. 1.Geschiedenis A.1.1. Geschiedenis der Universiteit van Amsterdam Op 8 januari 1632 werd met de plechtige inwijding van het zogeheten “Athenaeum Illustre” in de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal de grondslag gelegd van de instelling die thans de naam “Universiteit van Amsterdam” draagt. Bij die gelegenheid hield een der beide door de Amsterdamse vroedschap beroepen professoren, Vossius, een openingsrede over het nut der geschiedenis; een dag later hield zijn enige ambtgenoot, Barlaeus, een betoog over een in die tijd aangehangen ideaal, nl. dat van de “Mercator Sapiens”, de onderlegde handelsman; voorts sprak hij over de noodzaak de studie van de handel en die van de filosofie hecht te combineren. Deze “Oratio de conjugendis Mercaturae et Philosophiae studiis” vond in de toenmalige handelsstad grote weerklank. Dit Athenaeum Illustre bleef tot 1876 een voorbereidend instituut voor de rijksuniversiteiten elders in den lande. Eerst met de Wet op het Hoger onderwijs van 1876 werd aan de Gemeente Amsterdam toegestaan het “Atheneum Illustre tot universiteit in te rigten”: de universiteit begon toen met een personele bezetting van 39 hoogleraren, verdeeld over vijf faculteiten (Theologie, Geneeskunde, Rechten, Letteren en Wis-, Schei- en Natuurkunde). Huisvesting werd gevonden in de “Garnalendoelen” aan dat deel van de Singel, waar thans de Universiteitsbibliotheek is gevestigd. In 1880 werd het Oudemanhuis betrokken. De uit de in 1618 gestichte Medicinale Cruythof voortgekomen Hortus Botanicus werd in 1877 bij de universiteit gevoegd, in 1878 volgde het Binnengasthuis. In 1891 legde Koningin Wilhelmina de eerste steen voor het naar haar genoemde Gasthuis, dat als academisch ziekenhuis ging functioneren. De oorsprong van de groep laboratoria op wat thans het “Roeters- eiland” wordt genoemd, lag ook in deze jaren: in 1891 werd daar als eerste het “Scheikundig Laboratorium” geopend. In 1922 werd het traditionele aantal van vijf faculteiten uitgebreid: in 1922 werd de faculteit der Handelswetenschappen (thans: Faculteit der EconomischeWetenschappen en Econometrie) gesticht en in 1947 begon de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen (naderhand: Faculteit der Sociale Wetenschappen) als zevende haar onderwijs, sedert 1 september 1986 is deze faculteit opgesplitst in drie faculteiten. Na meer dan driehonderd jaar bestuurd te zijn door de stadsregering, kwam in 1960 met deWet op het Wetenschappelijk Onderwijs een belangrijke wijziging in de positie van de gemeentelijke universiteit: op 1 januari 1961 verkreeg de Universiteit van Amsterdam “rechtspersoonlijkheid”: invloed van het college van Burgemeester en Wethouders van de stad Amsterdam op het dagelijks beheer van de universiteit werd daarbij vrijwel geheel geelimineerd. Aanvankelijk droeg de gemeente Amsterdam nog een gering percentage in de kosten bij, maar sedert 1970 worden de kosten van de Universiteit van Amsterdam volledig door het Rijk gedragen. Organisatie Op voet van de in 1960 aangenomen Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs, die later nog vele malen werd gewijzigd, is de Universiteit van Amsterdam tot in 1970 bestuurd door het “College van Curatoren” en de “Senaat”, onder medewerking van de faculteiten en interfaculteiten. De voorzitter van het uit 8 leden bestaande College van Curatoren was de Burgemeester van Amsterdam; de Wethouder van Onderwijs maakte tevens van het College deel uit; 3 leden werden voorts door de Kroon benoemd en 3 door de Gemeenteraad. Curatoren waren belast met het algemeen bestuur der universiteit en hadden “te waken voor de naleving van” de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. De Senaat, gevormd door de gezamenlijke hoogleraren, behartigde de “algemene belangen van het onderwijs en van de beoefening der wetenschap aan de universiteit” ondermeer door het doen van voorstellen en het geven van adviezen te dien aanzien aan Curatoren. Wettelijke basis van curatoren: Besluit van de gemeenteraad no.1318 van 28 december 1960. Het besluit is enkele malen gewijzigd en voor het laatst (wat betreft de periode waarover het archief loopt) op 30 september 1970, no.1009. Taken van curatoren: a. Toezicht op het naleven van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. B. Het bestuur, samen met de Senaat van de Universiteit. Bevoegdheden: a. Vaststellen van een bestuursreglement, na de Senaat en het Presidium gehoord te hebben. Het reglement wordt goedgekeurd door de gemeenteraad. B. Het vaststellen van richtlijnen voor beheer en gebruik van gebouwen, inrichtingen, terreinen, verzameling en andere hulpmiddelen voor het onderwijs. C. Het geven van voorschriften en het treffen van maatregelen ter bescherming van de gezondheid van de studenten. D. De voorzitter van het college is vertegenwoordiger van de Universiteit. E. Alle bevoegdheden met betrekking tot de Universiteit voor zover deze niet uitdrukkelijk aan andere organen zijn toegekend. (art. 4 t/m 17) f. Curatoren zijn ook bevoegd samenwerkingsverbanden met andere universiteiten aan te gaan en gemeenschappelijke regelingen aan te gaan met gemeenten en provincies een stichting op te richten en ook overeenkomsten te sluiten voor het oprichten van rechtspersoonlijke lichamen. (art. 47) g. Curatoren zijn bevoegd instellingen, stichtingen, etc. toe te laten leerstoelen of lectoraten te vestigen. Hierover wordt advies ingewonnen bij de Senaat. (art. 48) h. Curatoren laten privaatdocenten toe na advies van het Presidium en de Senaat. i. Het personeel wordt formeel door curatoren benoemd en ontslagen. Benoeming en ontslag van hoogleraren behoeft goedkeuring van de Kroon {art. 50 en 55) j. De financi¨ele stukken: ontwikkelingsschema’s, begrotingen, financi¨ele schema’s en jaarrekeningen gaan van curatoren naar de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, alsmede naar het College van Burgemeester en Wethouders. Het dagelijks-, financieel-economisch- en personeelsbeheer werd gevoerd door het “Presidium”, bestaande uit de rector-magnificus, de pro-rector, de kanselier-directeur en in 1967 werd het Presidium uitgebreid met twee gedelegeerde Curatoren. In 1970 werd de “Wet Universitaire Bestuurshervorming” van kracht, waarbij het bestuur over de universiteit wordt opgedragen aan de “Universiteitsraad en het College van Bestuur”. De Universiteitsraad bestaat uit door het personeel en de studenten (faculteitsgewijs) gekozenen, 33 in getal, aangevuld met 7 door de Kroon benoemde leden. Het College van Bestuur, bestaande uit 5 leden, van wie 2 gekozen zijn door de Universiteitsraad; 2 leden door de Kroon zijn benoemd en de rector magnificus, heeft een overwegend voorbereidende en uitvoerende taak; het College van Bestuur wordt daarin bijgestaan door de centrale diensten. De Universiteitsraad heeft vooral een algemeen bestuurlijke taak en neemt een aantal vitale beslissingen, zoals het vaststellen van de begroting, het bestuursreglement en het kiesreglement. Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs per 1 september 1986 wordt een wijziging aangebracht in de universitaire samenstelling van de Universiteitsraad en van het College van Bestuur, terwijl tevens de bevoegdheidsverdeling tussen de Universiteitsraad en het College van Bestuur wordt gewijzigd. A.1.2. Geschiedenis periode 1960-1971 Deze periode wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke gebeurtenissen welke niet voorbij zijn gegaan aan de Universiteit van Amsterdam. Een aantal woorden zijn daarbij steeds terugkerend, namenlijk “democratisering”, “macht” en “inspraak”. Ter verduidelijking van de beschreven archiefperiode is het onderstaande toegevoegd aan de inleiding en zal de onderzoek(st)er zelf hieraan de nodige waarde kunnen toekennen. Na de beeindiging van de Tweede Wereldoorlog trad een periode in van wederopbouwen herstel, bevorderd en gestimuleerd met behulp van het “Marshall-plan” van de Verenigde Staten. Van een agrarische structuur ging Nederland naar een geindustrialiseerde structuur, waarbij de economie in een opwaartse lijn terecht kwam. Een aantal multinationals ontstonden dan ook in die jaren, zoals Shell, Philips en Unilever en er vond een kapitalisering plaats naar Amerikaans model. Voorbeelden van de toenemende welvaart waren dan ook overduidelijk aanwezig met de opkomst van de huishoudelijke artikelen, auto’s en de telefoonaansluitingen. De economische groei bleef gestaag doorgaan en de vraag naar arbeidskrachten was groter dan het aanbod en zo werden er buitenlandse arbeidskrachten aangetrokken. Ook aan meer vrije tijd werd de behoefte gevoeld en al spoedig is de gehele zaterdag een vrije dag geworden en daarmee de de “vijfdaagse-werkweek” een feit. Dit alles werd geaccepteerd en kan omschreven worden met de “sociale-vrede” na de Tweede Wereldoorlog. De loonexplosie maakte een eind aan deze “sociale vrede” en daarvoor in de plaats kwam een sociale-onvrede”, alhoewel deze in het begin alleen nog maar bij kleine groepjes geconstateerd werd, zoals bijvoorbeeld bij milieu-actiegroepen. De industrialisatie tastte het milieu aan, evenals de vele auto’s behoefte hadden aan een wegennet en hetgeen weer ten koste ging van het natuurschoon. De politiek ging zijn eigen weg en de burger was op geen enkele wijze betrokken bij het besluitvormingsproces, waardoor acties werden ondernomen om rechten en plichten af te dwingen. Uiteindelijk ontstond ook binnen de politiek problemen en trad er versplintering op van de politieke partijen om gevolg te kunnen geven aan de wensen. Provo en Kabouter waren begrippen geworden binnen de Amsterdamse samenleving met bekende plannen als het “Witte fietsenplan” en de “Daktuinen ”. Uiteindelijk kwam de climax met de studentenrellen te Parijs in mei 1968, waar het ging om de inspraak en de medezeggenschap van de studenten binnen de structuur van het wetenschappelijk onderwijs en ter bevordering van de openheid van bestuur. De politieke geloofwaardigheid nam steeds verder af en de Nederlandse studenten kwamen eveneens in opstand met de uiteindelijke climax in mei 1969 door het “Maagdenhuis” te bezetten. Eerder waren onderwijsvernieuwingen doorgevoerd middels de “Mammoetwet” met als gevolg dat het aantal studenten alleen maar toenam, doch niet de universitaire mogelijkheden en met name binnen de faculteiten Geneeskunde, Letteren en Rechtsgeleerdheid. Stagnaties en studiebeperkingen maakten het de student niet makkelijk en het “starre bestuur” der Universiteit van Amsterdam deed hier niets aan in de ogen van de de staf en de studenten. De student wilde openheid van bestuur, inspraak en medezeggenschap op universitair niveau en niet alleen om hier mee te denken, maar tevens om aan zijn eigen toekomst te kunnen werken. Het onderwijs moest ook volgens het bedrijfsleven veel meer hierop aansluiten en dat maakte dan ook vernieuwingen binnen het wetenschappelijk onderwijs noodzakelijk. Ook op het bestuurlijke niveau was inmiddels onrust gekomen, daar de Wetenschappelijke Staf gelijkwaardig behandeld wilde worden als de Senaat. Deze Wetenschappelijke Staf voerden in feite aan twee kanten strijd, namenlijk aan de ene kant op het bestuurlijke niveau en aan de andere kant met de studenten. Het bestuur bleef een starre houding aannemen en uiteindelijk deed de “Maagdenhuisbezetting” de veranderingen, ook landelijk versnellen. De inspraak van de staf en de studenten is dan ook een voldongen feit geworden met de “Wet Universaire Bestuurshervorming 1970”.

Alle resultaten

Geschiedenis archiefvormer A. 1.Geschiedenis
A.1.1. Geschiedenis der Universiteit van Amsterdam
Op 8 januari 1632 werd met de plechtige inwijding van het zogeheten “Athenaeum Illustre”
in de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal de grondslag gelegd van de instelling die
thans de naam “Universiteit van Amsterdam” draagt.
Bij die gelegenheid hield een der beide door de Amsterdamse vroedschap beroepen professoren,
Vossius, een openingsrede over het nut der geschiedenis; een dag later hield zijn enige ambtgenoot,
Barlaeus, een betoog over een in die tijd aangehangen ideaal, nl. dat van de “Mercator
Sapiens”, de onderlegde handelsman; voorts sprak hij over de noodzaak de studie van de handel
en die van de filosofie hecht te combineren.
Deze “Oratio de conjugendis Mercaturae et Philosophiae studiis” vond in de toenmalige handelsstad
grote weerklank.
Dit Athenaeum Illustre bleef tot 1876 een voorbereidend instituut voor de rijksuniversiteiten
elders in den lande. Eerst met de Wet op het Hoger onderwijs van 1876 werd aan de Gemeente
Amsterdam toegestaan het “Atheneum Illustre tot universiteit in te rigten”: de universiteit
begon toen met
een personele bezetting van 39 hoogleraren, verdeeld over vijf faculteiten (Theologie, Geneeskunde,
Rechten, Letteren en Wis-, Schei- en Natuurkunde).
Huisvesting werd gevonden in de “Garnalendoelen” aan dat deel van de Singel, waar thans de
Universiteitsbibliotheek is gevestigd.

In 1880 werd het Oudemanhuis betrokken.
De uit de in 1618 gestichte Medicinale Cruythof voortgekomen Hortus Botanicus werd in 1877
bij de universiteit gevoegd, in 1878 volgde het Binnengasthuis.
In 1891 legde Koningin Wilhelmina de eerste steen voor het naar haar genoemde Gasthuis, dat
als academisch ziekenhuis ging functioneren.
De oorsprong van de groep laboratoria op wat thans het “Roeters- eiland” wordt genoemd, lag
ook in deze jaren: in 1891 werd daar als eerste het “Scheikundig Laboratorium” geopend.
In 1922 werd het traditionele aantal van vijf faculteiten uitgebreid: in 1922 werd de faculteit
der Handelswetenschappen (thans: Faculteit der EconomischeWetenschappen en Econometrie)
gesticht en in 1947 begon de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen (naderhand: Faculteit
der Sociale Wetenschappen) als zevende haar onderwijs, sedert 1 september 1986 is deze
faculteit opgesplitst in drie faculteiten.
Na meer dan driehonderd jaar bestuurd te zijn door de stadsregering, kwam in 1960 met deWet
op het Wetenschappelijk Onderwijs een belangrijke wijziging in de positie van de gemeentelijke
universiteit: op 1 januari 1961 verkreeg de Universiteit van Amsterdam “rechtspersoonlijkheid”:
invloed van het college van Burgemeester en Wethouders van de stad Amsterdam op
het dagelijks beheer van de universiteit werd daarbij vrijwel geheel geelimineerd.
Aanvankelijk droeg de gemeente Amsterdam nog een gering percentage in de kosten bij, maar
sedert 1970 worden de kosten van de Universiteit van Amsterdam volledig door het Rijk gedragen.
Organisatie
Op voet van de in 1960 aangenomen Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs, die later nog vele
malen werd gewijzigd, is de Universiteit van Amsterdam tot in 1970 bestuurd door het “College
van Curatoren” en de “Senaat”, onder medewerking van de faculteiten en interfaculteiten.
De voorzitter van het uit 8 leden bestaande College van Curatoren was de Burgemeester van
Amsterdam; de Wethouder van Onderwijs maakte tevens van het College deel uit; 3 leden
werden voorts door de Kroon benoemd en 3 door de Gemeenteraad.
Curatoren waren belast met het algemeen bestuur der universiteit en hadden “te waken voor
de naleving van” de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs.
De Senaat, gevormd door de gezamenlijke hoogleraren, behartigde de “algemene belangen van
het onderwijs en van de beoefening der wetenschap aan de universiteit” ondermeer door het
doen van voorstellen en het geven van adviezen te dien aanzien aan Curatoren.
Wettelijke basis van curatoren:
Besluit van de gemeenteraad no.1318 van 28 december 1960.
Het besluit is enkele malen gewijzigd en voor het laatst (wat betreft de periode waarover het
archief loopt) op 30 september 1970, no.1009.
Taken van curatoren:
a. Toezicht op het naleven van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs.
B. Het bestuur, samen met de Senaat van de Universiteit.
Bevoegdheden:
a. Vaststellen van een bestuursreglement, na de Senaat en het Presidium gehoord te hebben.
Het reglement wordt goedgekeurd door de gemeenteraad.
B. Het vaststellen van richtlijnen voor beheer en gebruik van gebouwen, inrichtingen, terreinen,
verzameling en andere hulpmiddelen voor het onderwijs.
C. Het geven van voorschriften en het treffen van maatregelen ter bescherming van de gezondheid
van de studenten.
D. De voorzitter van het college is vertegenwoordiger van de Universiteit.
E. Alle bevoegdheden met betrekking tot de Universiteit voor zover deze niet uitdrukkelijk aan
andere organen zijn toegekend. (art. 4 t/m 17)
f. Curatoren zijn ook bevoegd samenwerkingsverbanden met andere universiteiten aan te gaan
en gemeenschappelijke regelingen aan te gaan met gemeenten en provincies een stichting op te
richten en ook overeenkomsten te sluiten voor het oprichten van rechtspersoonlijke lichamen.
(art. 47)
g. Curatoren zijn bevoegd instellingen, stichtingen, etc. toe te laten leerstoelen of lectoraten
te vestigen. Hierover wordt advies ingewonnen bij de Senaat. (art. 48)
h. Curatoren laten privaatdocenten toe na advies van het Presidium en de Senaat.
i. Het personeel wordt formeel door curatoren benoemd en ontslagen.

Benoeming en ontslag van hoogleraren behoeft goedkeuring van de Kroon {art. 50 en 55)
j. De financi¨ele stukken: ontwikkelingsschema’s, begrotingen, financi¨ele schema’s en jaarrekeningen
gaan van curatoren naar de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, alsmede naar
het College van Burgemeester en Wethouders.
Het dagelijks-, financieel-economisch- en personeelsbeheer werd gevoerd door het “Presidium”,
bestaande uit de rector-magnificus, de pro-rector, de kanselier-directeur en in 1967 werd het
Presidium uitgebreid met twee gedelegeerde Curatoren. In 1970 werd de “Wet Universitaire
Bestuurshervorming” van kracht, waarbij het bestuur over de universiteit wordt opgedragen
aan de “Universiteitsraad en het College van Bestuur”. De Universiteitsraad bestaat uit door
het personeel en de studenten (faculteitsgewijs) gekozenen, 33 in getal, aangevuld met 7 door
de Kroon benoemde leden.
Het College van Bestuur, bestaande uit 5 leden, van wie 2 gekozen zijn door de Universiteitsraad;
2 leden door de Kroon zijn benoemd en de rector magnificus, heeft een overwegend
voorbereidende en uitvoerende taak; het College van Bestuur wordt daarin bijgestaan door de
centrale diensten.
De Universiteitsraad heeft vooral een algemeen bestuurlijke taak en neemt een aantal vitale
beslissingen, zoals het vaststellen van de begroting, het bestuursreglement en het kiesreglement.
Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs per 1 september
1986 wordt een wijziging aangebracht in de universitaire samenstelling van de Universiteitsraad
en van het College van Bestuur, terwijl tevens de bevoegdheidsverdeling tussen de Universiteitsraad
en het College van Bestuur wordt gewijzigd.
A.1.2. Geschiedenis periode 1960-1971
Deze periode wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke gebeurtenissen welke niet voorbij
zijn gegaan aan de Universiteit van Amsterdam.
Een aantal woorden zijn daarbij steeds terugkerend, namenlijk “democratisering”, “macht” en
“inspraak”.
Ter verduidelijking van de beschreven archiefperiode is het onderstaande toegevoegd aan de
inleiding en zal de onderzoek(st)er zelf hieraan de nodige waarde kunnen toekennen.
Na de beeindiging van de Tweede Wereldoorlog trad een periode in van wederopbouwen herstel,
bevorderd en gestimuleerd met behulp van het “Marshall-plan” van de Verenigde Staten.
Van een agrarische structuur ging Nederland naar een geindustrialiseerde structuur, waarbij de
economie in een opwaartse lijn terecht kwam.
Een aantal multinationals ontstonden dan ook in die jaren, zoals Shell, Philips en Unilever en
er vond een kapitalisering plaats naar Amerikaans model.
Voorbeelden van de toenemende welvaart waren dan ook overduidelijk aanwezig met de opkomst
van de huishoudelijke artikelen, auto’s en de telefoonaansluitingen.
De economische groei bleef gestaag doorgaan en de vraag naar arbeidskrachten was groter dan
het aanbod en zo werden er buitenlandse arbeidskrachten aangetrokken.
Ook aan meer vrije tijd werd de behoefte gevoeld en al spoedig is de gehele zaterdag een vrije
dag geworden en daarmee de de “vijfdaagse-werkweek” een feit.
Dit alles werd geaccepteerd en kan omschreven worden met de “sociale-vrede” na de Tweede
Wereldoorlog.
De loonexplosie maakte een eind aan deze “sociale vrede” en daarvoor in de plaats kwam een
sociale-onvrede”, alhoewel deze in het begin alleen nog maar bij kleine groepjes geconstateerd
werd, zoals bijvoorbeeld bij milieu-actiegroepen. De industrialisatie tastte het milieu aan, evenals
de vele auto’s behoefte hadden aan een wegennet en hetgeen weer ten koste ging van het
natuurschoon.
De politiek ging zijn eigen weg en de burger was op geen enkele wijze betrokken bij het besluitvormingsproces,
waardoor acties werden ondernomen om rechten en plichten af te dwingen.
Uiteindelijk ontstond ook binnen de politiek problemen en trad er versplintering op van de
politieke partijen om gevolg te kunnen geven aan de wensen.
Provo en Kabouter waren begrippen geworden binnen de Amsterdamse samenleving met bekende
plannen als het “Witte fietsenplan” en de “Daktuinen ”. Uiteindelijk kwam de climax met
de studentenrellen te Parijs in mei 1968, waar het ging om de inspraak en de medezeggenschap
van de studenten binnen de structuur van het wetenschappelijk onderwijs en ter bevordering
van de openheid van bestuur. De politieke geloofwaardigheid nam steeds verder af en de Nederlandse
studenten kwamen eveneens in opstand met de uiteindelijke climax in mei 1969 door
het “Maagdenhuis” te bezetten.
Eerder waren onderwijsvernieuwingen doorgevoerd middels de “Mammoetwet” met als gevolg
dat het aantal studenten alleen maar toenam, doch niet de universitaire mogelijkheden en met
name binnen de faculteiten Geneeskunde, Letteren en Rechtsgeleerdheid.
Stagnaties en studiebeperkingen maakten het de student niet makkelijk en het “starre bestuur”
der Universiteit van Amsterdam deed hier niets aan in de ogen van de de staf en de studenten.
De student wilde openheid van bestuur, inspraak en medezeggenschap op universitair niveau en
niet alleen om hier mee te denken, maar tevens om aan zijn eigen toekomst te kunnen werken.
Het onderwijs moest ook volgens het bedrijfsleven veel meer hierop aansluiten en dat maakte
dan ook vernieuwingen binnen het wetenschappelijk onderwijs noodzakelijk.
Ook op het bestuurlijke niveau was inmiddels onrust gekomen, daar de Wetenschappelijke Staf
gelijkwaardig behandeld wilde worden als de Senaat.
Deze Wetenschappelijke Staf voerden in feite aan twee kanten strijd, namenlijk aan de ene kant
op het bestuurlijke niveau en aan de andere kant met de studenten.
Het bestuur bleef een starre houding aannemen en uiteindelijk deed de “Maagdenhuisbezetting”
de veranderingen, ook landelijk versnellen.
De inspraak van de staf en de studenten is dan ook een voldongen feit geworden met de “Wet
Universaire Bestuurshervorming 1970”.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in