gahetNA in the National Archives

Ruslandgids - Zoeken: genealogie

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

(16)

(16)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Archief van S. Hart: (gedeeltelijke) toegang op de notariële archievenRusland - Genealogie/jonkvrouw niet te digitaliserenStadsarchief Amsterdam
Familie Houck IVerzameling van bijdragen tot de genealogie van de familie Houck in Rusland, Duitsland en Nederland, verzameld door MEH en FGJ, gebundeld en gepubliceerd door FGJ te Almelo. Gedrukt, losbladigStadsarchief Deventer
Inventaris van de archieven van de families Siccama, Hora Siccama, Hora Siccama van de Harkstede en Rengers Hora SiccamaRussische, Hongaarse en andere effekten.RHC Groninger Archieven
Inventaris van het archief van de familie Pauw van WieldrechtBriefwisseling van M.C.H. en M.I. Pauw over de in Rusland levende afstammelingen van Abraham Cornelis Pauw, waarbij een door Leon Pauw toegezonden genealogie.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie RuyssenaersAkte waarbij Mr.L.H.Ruyssenaers door de Keizer aller Russen benoemd wordt tot ridder in de St.Stanislaus orde tweede klasse, 1878. Met Koninklijk Besluit houdende verlof tot het aannemen ervan. Gelijktijdig gewaarmerkt afschriftNationaal Archief
Inventaris van het archief van leden van de familie De Roo van AlderwereltManuscripten, houdende "Opstellen en aantekeningen van verschillenden aard" over krijgsgeschiedkundige gebeurtenissen, t.w.: Brazilië en de oorlog tegen Paraguay, het beleg van Sebastopol (1854), Het beleg van Parijs (1870-1871).Nationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie Coenen van 's GraveslootGenealogie De Veer , (ca. 1875), met drukwerkjes betreffende de reizen en de overwintering op Nova Zembla door Van Heemskerck, Barentz en De Veer, met kranteknipselsHet Utrechts Archief
Archief van de familie Heuff te Avezaath en TielDe Kozakken in de Betuwe 1814Regionaal Archief Rivierenland, Locatie Tiel
Inventaris van de archieven van de familie FeithArchief van de Familie-Vereniging Feith Zorg voor geschiedenis en archieven van de familie - Microfilmafdruk van de titelpagina van de Russische vertaling van het werk van mr. Rhijnvis Feith (nr. 123), met bedankbrief hiervoor aan de ambassadeur van Rusland van onbekende afzender.Historisch Centrum Overijssel
Inventaris van het archief van de familie Van Zuylen van NyeveltDiploma van de zilveren gedenkpenning, door burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage verleend aan F.A.C. Graaf van Limburg Stirum, lid van de erewacht voor Koningin Anna Paulowna bij de intocht van het koninklijk paar in de residentie na de inhuldiging in de hoofdstad.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van Huis AerdtStukken betreffende de nalatenschap van Jan Meyer, koetsier bij de Russische gezant te 's-GravenhageGelders Archief
Inventaris van het archief van de familie Van Beeck Calkoen en aanverwante familiesBrieven ingekomen bij Jan Frederik van Beeck Calkoen. Met bijlagen Afzenders, o.a. Fusz, Nicolas de, St. PetersburgHet Utrechts Archief
Inventaris van het archief van het Hof van HollandCriminele papieren, procesdossiers in criminele zaken van de advocaat-fiscaal en de procureur-generaal. - Informatie inzake P. Velde, H. Selderbeek, P.P. Bakker, P.R. Spaan en G. van der Hulst, wegens orangistische bewegingen in Noordholland bij gelegenheid van de inval der Engelsen en Russen.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van het Hof van HollandCriminele papieren, procesdossiers in criminele zaken van de advocaat-fiscaal en de procureur-generaal. - Informaties nopens allerlei zwendelarijen en woeker gepleegs door enige joden ten aanzien van de Russische graaf Golowkin, die naar het schijnt, diep in schulden stakNationaal Archief
Inventaris van het archief van het Hof van HollandLijst van stukken die in het sterfhuis van de fiscaal Wijbo werden gevonden, en het Hof betroffen, benevens de volgende stukken daarvan, die ter furneerkamer gebracht werden ingevolge resolutie van 19 jan. 1762.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van het Hof van HollandAntwoorden van verschillende rechtbanken op een aanschrijving van het Hof, om opgave te doen van het aantal personen dat zich in criminele sententie bevindt, wegens gebleken verkleefdheid aan het huis van Oranje gedurende de invasie der Anglo-Russen.Nationaal Archief
Alle resultaten

(32)

(32)
Ove_tekst_soort_tekstGeschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Samenvatting
Geschiedenis archiefvormerVoor de genealogie-Vreede door mevrouw dr.W.J. Vreede-van Eerde, zie Nederland's Patriciaat, 41e jaargang, 's-Gravenhage 1955, p.341-370.
Geschiedenis archiefvormerDe meest volledige genealogie van de familie Van Hogendorp verscheen in het Nederland's Adelsboek van 1942 (p. 566-588). Een herziene versie hiervan is verschenen in het Nederland's Adelsboek van 1995.
Geschiedenis archiefvormerDe genealogie van de familie Boellaard begint met Pieter Evertsz. (ca. 1685-1720), die rond 1700 schepen en burgemeester van Asperen (Zuid-Holland) was.
Geschiedenis archiefbeheerVan Mevr. M.W. Raab van Canstein, geb. Baronesse van Delen te Tiel werd in 1954 ten geschenke ontvangen een genealogie van het geslacht Van Delen, terwijl in 1956 door bemiddeling van de heer D.J.G. Buurman nog enige charters en stukken werden verkregen.
Geschiedenis archiefvormerDe familie Veeren, oorspronkelijk afkomstig uit Huissen, is een in hoofdzaak militair geslacht. De laatste nakomeling, Willem Philip Veeren, was voorzitter van het bestuur van het Centraal Bureau voor Genealogie. De familiestamboom staat beschreven in Nederlands Patriciaat, 37 (1951), p. 352-374.
Samenvatting
Samenvatting
Samenvatting
Samenvatting
Geschiedenis archiefbeheerHet Familiearchief Veegens bestaat oorspronkelijk uit drie gedeelten: Eerste deel De langstlevende dochter van Daniel Veegens, Anna Petronella (1850-1942), schonk in 1932 de papieren van haar vader aan het Algemeen Rijksarchief. Tweede deel In 1969 werd door mr Dirk Jacob Veegens (geboren 1899) de rest van het bestand van zijn grootvader Daniel Veegens met de stukken van zijn vader aan het Algemeen Rijksarchief geschonken. In 1970 volgde hierop een aanvulling Derde deel Tegelijkertijd werd echter een deel van het familie-archief, dat als genealogische verzameling werd beschouwd, aan het Centraal Bureau voor Genealogie in bewaring gegeven. De onderhandelingen tot overbrenging van het in bewaring gegeven deel aan het Centraal Bureau voor Genealogie aan de Tweede Afdeling werden in 1983 voltooid; tevens volgde toen een nieuwe aanvulling, bestaande uit de persoonlijke papieren van mr Dirk Jacob Veegens.
Geschiedenis archiefbeheerHet archief is gevormd en beschreven door Herman Offerhaus, die in 1964 in het bezit kwam van een kist familiepapieren, afkomstig van zijn overleden jongste broer Theodoor Charles Offerhaus (1899-1964), die in 1958 een volledige genealogie wist te reconstrueren, welke als verbetering van vroegere publicaties in het jaarboek Nederlands Patriciaat 1960 werd opgenomen. Van het archief zijn mogelijk veel originelen verloren gegaan tijdens het bombardement van Nijmegen in februari 1944. Het archief kan worden aangevuld. Overeenkomstig de wens van de heer Offerhaus kunnen later aangetroffen documenten in de reeds beschreven bundels worden opgenomen.
Geschiedenis archiefvormerDe oudst bekende generatie van het geslacht Cremers wordt, volgens de genealogie van F. de Josselin de Jong in Nederland's Patriciaat, 38ste jaargang, 1952, gevormd door de c. 1520 geboren Goswinus Cremers. Zijn afstammeling in de vierde generatie Mr.Jacobus Cremers vestigde zich als advocaat te Doesburg en huwde aldaar in 1659. Mr. Epimachus Jacobus Johannes Baptista Cremers (1823-1896) was van 1864 tot 1866 minister van Buitenlandse Zaken in het tweede ministerie-Thorbecke en in het kabinet-Fransen van de Putte.
Samenvatting
Geschiedenis archiefbeheerHet handelsarchief is onder de titel ’Daniel Crommelin en Soonen’ reeds aanwezig in het Amsterdamse Stadsarchief (toegangsnr. 654). Daaraan is nu toegevoegd het familiearchief, dat in de loop der tijd verspreid raakte over het talrijke nageslacht. Wat betreft de overige archiefbewaarplaatsen: de meeste archiefstukken van de Haarlemse tak van de familie bevinden zich in het Noord-Hollands Archief te Haarlem. Verdere stukken bevinden zich in het Gemeentearchief van Heemstede, de Raad van Adel en het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. Voor wat betreft de archiefbewaarplaatsen buiten Nederland zijn er gegevens te vinden in de archieven van Gent en Kortrijk, bij de Soci´et´e Acad´emique van St Quentin, de Public Records Office in Belfast (Crommelin en De la Cherois-Crommelin) en bij de Soci´et´e Eduenne des Lettres, Sciences et Arts in Autun (betreffende Isaac Mattheus Crommelin). Bij enkele archiefvormers staat een korte verwijzing naar overige archief bewaarplaatsen.
Geschiedenis archiefvormerDe familie De Meester De oorsprong van de familie De Meester moet gezocht worden in de zuidelijke Nederlanden (De hier vermelde gegevens over de geschiedenis van de familie zijn hoofdzakelijk ontleend aan de in het Nederland's Patriciaat, jaargang 46 (1960), gepubliceerde genealogie; een herziene versie hiervan zal in 1996 in de 79e jaargang van deze reeks verschijnen.). Aan het eind van de 16e eeuw vestigden leden van dit geslacht zich in Holland, met name in Amsterdam. Door het huwelijk van Wilhem de Meester (1667-1724) met Cornelia Nuck (1672-1720), eigenaresse van het landgoed Tongeren op de Veluwe, en door de aankoop door dezelfde Wilhem van de voormalige Johannitercommanderij 's Heerenloo bij Harderwijk verplaatste de familie haar domicilie naar het oosten van het land. Gedurende vier generaties vervulden leden van de familie het ambt van burgemeester van Harderwijk. Met Theodoor Herman de Meester (1851-1919) begon hun bestuurlijke werkzaamheid op nationaal niveau; achtereenvolgens was hij chef van de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën (1892-1898), vice-president van de Raad van Nederlands-Indië (1898-1905) en minister van Financiën en voorzitter van de Ministerraad (1905-1908). Na enige jaren lid van de Tweede Kamer te zijn geweest, volgde in 1917 zijn benoeming tot lid van de Raad van State, een functie die hij tot zijn dood vervulde. Ook zijn zoon en kleinzoon, beiden eveneens Theodoor Herman genaamd, doorliepen een ambtelijke carrière; de eerste als lid van de Buitenlandse Dienst, de tweede als administrateur op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tot de familie behoorde ook enkele opperofficieren in land- en zeemacht evenals de letterkundige Eliza Johannes (1860-1931) en diens zoon de acteur en regisseur Johan de Meester (1897-1986).
Geschiedenis archiefvormerDe Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming (OKN) was onderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW). Aanzet tot instelling van de afdeling werd gegeven bij Besluit van 17 september 1944, houdende hernieuwde bepalingen van de taakomschrijving van het Ministerie van OKW. Deze regeling hield de terugkeer in van de vooroorlogse organisatiestructuur van het ministerie met taken en onderwerpen van overheidszorg, welke op 10 mei 1940 daarvan deel uitmaakten. Daadwerkelijke instelling van de afdeling vond plaats bij Koninklijk Besluit van 27 augustus 1945. De afdeling werd ondergebracht bij het nieuwe Directoraat-Generaal van Kunsten en Wetenschappen. Na opheffing van de afdeling gingen de taken bij Koninklijk Besluit van 14 april 1965 over naar het toenmalige Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). In de periode 1945 - 1957 omvatte de taak van de afdeling de volgende aspecten: natuur- en landschapsbescherming, waaronder uitvoering van de Vogelwet 1916 en de Natuurschoonwet 1928; oudheidkundig bodemonderzoek; monumentenzorg; musea; archieven; genealogie; rijks geschiedkundige publicaties; Koninklijke Bibliotheek; Rijksbureau voor Kunsthistorisch, Geschiedkundig en Archeologisch Onderzoek te Rome. Verder het verlenen van subsidies op deze gebieden. De inspectie van de bescherming van schatten van kunst en wetenschappen tegen oorlogsgevaren behoorde ook tot de taak van de afdeling. Werkzaamheden werden verricht met betrekking tot door de Duitse bezetter geroofde of zich niet in nationaal bezit bevindende zaken van culturele betekenis. Ook werd de in- en uitvoer van kunstvoorwerpen geregeld. De zorg voor de staatsnatuur- en landschapsbescherming werd bij Koninklijk Besluit van 7 mei 1946 overgedragen van het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening aan het aan het Ministerie van OKW en kwam daarmee terecht bij de Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming. In 1957 werd een nieuwe taakomschrijving voor de afdeling opgesteld. Zij werd belast met het voorbereiden en uitvoeren van regelingen betreffende het kunsthistorisch en historisch erfdeel en de schoonheid van stad en land en de daarmee verband houdende bestuurshandelingen en de bevordering van de belangen daarvan.
Geschiedenis archiefvormerIn 1950 besloten een aantal afstammelingen van Marten Westerman en Anna Maria Rudolphina Vorst ten einde de belangstelling van de veelal in het buitenland verspreide familieleden in hun voorouders te stimuleren en de familieportretten en ’papieren bijeen te brengen en te houden de Familie Westerman Stichting in het leven te roepen. Deze kwam op 21 april 1951 te Amsterdam tot stand door de daartoe ten overstaan van de notaris W.W. Rutgers afgelegde verklaringen van vertegenwoordigers van de staak doctor Gerardus Frederik Westerman en de staak Franciscus Casparus Westerman. Familieleden uit Amsterdam, ’s-Gravenhage en Wassenaar brachten papieren en portretten bijeen. Met de genealoog Jos. Goudswaard te Baarn werd overlegd over het instellen van een genealogisch onderzoek naar de oudere generaties om de door G.L. van der Molen in De Navorscher van 1921 gepubliceerde en de in 1924 in boekvorm verschenen genealogie¨en een bredere basis te kunnen geven. Dit leidde tot een herziene editie van de reeds in het Nederlands Patriciaat van 1928-1929 geplaatste genealogie Westerman in het Nederlands Patriciaat van 1955, blz. 371-382. Het 125-jarig bestaan van het mede door dr. G.F. Westerman opgerichte Koninklijk Zo¨ologisch Genootschap Natura Artis Magistra leidde in 1963 tot contacten van de secretaris van de Westerman Stichting, drs. W.F. Westermann, met het Amsterdamse Gemeentebestuur en de Gemeentelijke Archiefdienst. In 1964 werden door de Familie Westerman Stichting aan de gemeente Amsterdam overgedragen twee schilderijen en een zilveren bokaal als eigendom voor het Historisch Museum en de familiepapieren voor het Gemeentearchief als eeuwigdurend buikleen. I Westerman In het stamland Westfalen komt de familienaam Westerman veel voor. Bezat en bewoonde men in het westen van een dorp een boerderij, dan heette men Westerman, zoals men aan de oostzijde landerijen bezittende Oosterman genoemd werd. De oudst opgespoorde voorvader van de familie Westerman, wier archief hierna beschreven wordt, is Gerhard Westerman. Zijn omstreeks 1700 geboren zoon Georg Henrich, zich noemende Jurriaan Westerman, trouwde in 1735 met Frederica Romberg. Van hun tien te Kamen geboren kinderen vestigden zich een dochter en vier zoons in Amsterdam. Deze gebroeders Westerman waren: de knopenmaker Johann Heinrich Philipp, de drukker Johan Caspar Godefridus, de tabakskoper Friedrich Wilhelm Georg en de korendrager Johannes Theodor. Uit het huwelijk van de eerste, die zich Hendrik ging noemen, met Clara Catrina Mikke, werden vijf kinderen geboren. Van deze was het Marten, geboren op 28 september 1775, die de situatie van de familie geheel veranderde. Na enige jaren in Rotterdam als letterkundige en toneelspeler werkzaam te zijn geweest en zich de vriendschap van Tollens te hebben verworven, kwam hij in 1808 naar Amsterdam terug, waar zijn veelzijdige persoonlijkheid zich ook als drukker, uitgever en directeur van de Amsterdamse schouwburg verder zou ontwikkelen. Van alle werkzaamheden van deze stamvader van het huidige geslacht Westerman is in het familiearchief neerslag bewaard gebleven, waaraan blijken van waardering van tijdgenoot en nageslacht zijn toegevoegd. De kinderen uit Martens huwelijk met Anna Maria Rudolphina Vorst gingen voort op de door hun vader ingeslagen weg. Anna Petronella, in 1802 te Rotterdam geboren, maakte voor haar huwelijk met de cargadoor Jacobus Muller in 1825 naam als toneelspeelster. Gerardus Frederik, op 8 december 1807 te Rotterdam geboren, ontwikkelde zich van boekverkoper, firmant van M. Westerman en Zoon, nadat hij in 1838 de stoot gegeven had tot de oprichting van het Zo¨ologisch Genootschap Natura Artis Magistra, tot een dier- en plantkundige van internationale vermaardheid, aan wie in 1851 door de universiteit van Giessen een eredoctoraat in de filosofie werd verleend, waarbij Justus von Liebig als promotor optrad. In de tweede zoon, Johannes Casparis die in 1810 te Amsterdam was geboren en op 12 augustus 1831 als vrijwillig Koninklijk Jager voor Leuven sneuvelde, moest vader Marten de zo vaak door hem bezongen vaderlandsliefde met eigen bloed bezegelen. De twee jaar later geboren Franciscus Caparus volgde als lid der firma M. en F.C. Westerman zijn vader als drukker en uitgever op. Bij zijn huwelijk met Johanna Dorothea Blikman in 1834 werd tussen zijn firma en de firma Blikman en Sartorius een overeenkomst gesloten, waarbij zijn schoonvader Hendrik Blikman zich verbond alle aan hem opgedragen drukwerken door de firma Westerman te doen vervaardigen. Het familiearchief is voor een groot deel afkomstig van het echtpaar Westerman-Blikman en hun afstammelingen. Hun oudste zoon William Marten, letterkundige, uitgever en lid der firma Blikman en Sartorius, trouwde in 1861 met Johanna Frederica Smaale. Willem werd o.a. president van de Rotterdamsche Bankvereeniging, lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam, president van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en president van de Nederlands-Amerikaanse Fundatie. In de jaren na 1920 besteedde hij ook zorg aan het familiearchief, waaraan door zijn toedoen de papieren-Smaale konden worden toegevoegd. Die belangstelling werd gedeeld door zijn oudste zoon, weer een Willem Marten, die in 1924 een genealogie Westerman deed verschijnen, samengesteld aan de hand van het toen onder hem berustende familiearchief. Deze Westerman voegde zelf, gelijk zijn bet-overgrootvader Marten, vele gedrukte publikaties van zijn hand aan het archief toe. Zijn vader, Willem, deed ook heel wat in druk verschijnen van deze, evenals van diens zwager Ewald Tweer, de man van zijn zuster Jenny, zijn belangwekkende brieven, rapporten en foto’s uit Nederlands-Indi¨e bewaard. Veel minder heeft broer Jan, die directeur was van de Co¨operatieve Stoomzuivelfabrieken Concordia te Wageningen en Ede, aan het archief toegevoegd. Johanna, directrice van de Sweelinckschool te ’s-Gravenhage, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en presidente van de Nationale Vrouwenraad, komt uit de niet talrijke stukken, die van haar bewaard bleven, zowel ambtelijk als persoonlijk naar voren. Jenny vooral ook in verband met haar werk voor de Amsterdamse kinderbewaarplaatsen en de Nederlandsche Vrouwenclub. Behalve reeds in 1872 op 36-jarige leeftijd gestorven William Marten, wiens aantekeningen over zijn kinderen en brieven aan zijn vrouw een goed beeld geven van het midden 19e-eeuwse familieleven, had het echtpaar Westerman-Blikman nog een dochter en twee zoons. Deze dochter Sara Hendrika trouwde in 1861 met de makelaar in specerijen en rijs Willem Frederik Westermann en bracht zo een verwantschap tot stand met een uit Brunswijk afkomstige familie, die zich in het begin van de 19e eeuw te Amsterdam gevestigd had. Sara Hendrika’s broef Franciscus Casparus werd kantoorbediende en later bibliothecaris te Soerabaja. Een reisdagboek uit 1865 bleef van hem bewaard. Johannes Casper zette de uitgeversfirma M. en F.C. Westerman voort. Uit zijn huwelijk met Wilhelmina Georgine Adelbert werden een dochter en twee zoons geboren. De oudste van deze jongens, Franciscus Wilhelm, kwam na de vroege dood van zijn moeder bij tante Westerman-Smaale in huis. Over dat verblijf bleven enige stukken bewaard. De afstammelingen van dr. Gerardus Frederik hebben in het familiearchief in veel mindere mate hun sporen nagelaten. Het meeste nog de dochter Margaretha Catharina, die in 1862 trouwde met Johannes Noordhoek Hegt, die aanvankelijk kapitein ter koopvaardij was en later onderdirecteur van Artis en directeur van de Trading Company late Hegt en Co. Haar broer Wilhelm Marten, kapitein der genie, trouwde in 1865 met Marie Margaretha Duyts. Uit dit huwelijk sproot de Haarlemse chirurg dr. Cornelis Willem Johan Westerman (1867-1925). Van deze, evenals van dr. Gerardus Frederik’s zoon Henricus Theodorus, gehuwd met Elisabeth Maria Cornelia Matthes, en dochters Dorothea Maria Eleonora, gehuwd met de Antwerpse beeldhouwer Jacobus Josephus Franciscus Verdonck en Anna Eleonora, gehuwd met de advocaat mr. Willem Hendrik Karel Mouthaan, bleven enkele stukken bewaard, die te zamen onder het hoofd: kinderen en verdere afstammelingen, achter die van hun roemruchte voorvader werden opgenomen. II Smaale Zoals reeds vermeld, trouwdeWilliam MartenWesterman in 1861 met Johanna Frederica Smaale, Zij was de dochter van Jan Hendrik Smaale Jr. en Johanna Eva Kraft. Hij dreef een handel in tapijten, eerst met goed succes, doch later met zo weinig voorspoed, dat een faillissement zijn oude dag zeer ongelukkig maakte. In de Lutherse gemeente vervulde hij verschillende functies. Met hem stief de mannelijke linie der Smaale’s uit. Zijn vader Johannes Henricus Smaale (de middelste), getrouwd met Johanna Frederica de Reus, verloor door de woelingen van de Franse tijd een groot deel van zijn fortuin en werd ambtenaar. Diens broer Frans Andries raakte in 1812, toen hij was ingedeeld bij het 24e regiment chasseurs `a cheval, in Rusland vermist. Hun vader Jan Hendrik Smaale (de oudste), getrouwd met Adriana Elisabeth de Reus, was wijnkoper en in 1762 overman van het gilde. Hij is de eerste Smaale van wie archief bewaard is gebleven. Behalve van hem en de andere genoemden zijn er nog papieren afkomstig van Theresia Smaale, dochter van Johannes Henricus Smaale (de middelste) en echtgenote van Henrik Abraham Klinkhamer, directeur van het Trippenhuis. De van leden der families Kraft, De Reus en Coster bewaarde stukken betreffen hoofdzakelijk geboorten, huwelijken en sterfgevallen. III De Flines Sijbrand Jonathan de Flines trouwde in 1832 met Sara Hendrika Blikman. In 1834, toen haar zuster Johanna Dorothea met Franciscus Casparus Westerman in het huwelijk trad, ontstond de band tussen de families De Flines en Westerman, die in de leiding van de firma Blikman en Sartorius van 1860 tot 1872 gestalte zou krijgen en er tevens toe leidde, dat betreffende enige leden van het geslacht De Flines stukken in het Westermanarchief belandden. Voor verdere gegevens over hen kan verwezen worden naar het ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van Blikman en Sartorius N.V. door mej. dr. C.C. van de Graft geschreven gedenkboek Lotgevallen van een Amsterdams Koopmanshuis 1749-1949.
Geschiedenis archiefvormerHet belang van dit familiearchief is voornamelijk gelegen in de aanwezigheid van de papieren van twee van haar leden te weten ds. Ottho Gerhard Heldring (1804-1876) en van Ernst Heldring (1871-1954). De eerste was predikant te Hemmen, daarnaast oprichter van de Heldringgestichten te Zetten en van het opvoedingstehuis te Hoenderloo en een belangrijke figuur in het Revéil. Zijn kleinzoon Ernst Heldring (1871-1954) was als directeur van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij een vooraanstaand man in het scheepvaartwezen op nationaal en internationaal niveau met bemoeiingen met tal van commissariaten, waarvan de Nederlandsche Bank en de Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken wel de belangrijkste waren. Daarnaast was hij voorzitter van de Amsterdamse kamer van koophandel en fabrieken en had tevens bemoeiingen met de internationale kamer. Tenslotte was hij vanaf 1939 directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Door al deze werkzaamheden was hij op de hoogte van al de grote economische vraagstukken van zijn tijd. De stukken betreffende eerstgenoemde zijn wellicht nog in waarde toegenomen omdat van de overige stukken, die op hem en op de Heldringgestichten betrekking hadden en die in Zetten berustten, door (Momenteel berust het gehavende restant in Revéil-archief, dat ondergebracht is in de bibliotheek van de Universiteit te Amsterdam.) oorlogsgeweld veel is vernietigd en beschadigd . De stukken van laatstgenoemde hebben hun belang reeds bewezen door de publicatie van de "Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring, 1871-1954" door dr. Joh. de Vries als uitgave van het Nederlands Historisch Genootschap te Utrecht. De originelen, waarop deze publicatie berust, bevinden zich in dit archief. Bij de beschrijving hiervan in deze inventaris is zoveel als doenlijk naar deze uitgave verwezen. Naast deze publicatie is vooral over genoemde ds. Ottho Gerhard Heldring reeds zoveel gepubliceerd, dat daarnaar verwezen kan worden middels de als bijlagen bij deze inventaris gevoegde bibliografieën en aanvullingen op bestaande bibliografieën van de door hem en over hem verschenen geschriften alsmede van de publicaties over de door hem opgerichte gestichten. Voor bijzonderheden betreffende de genealogie en de oorsprong van het geslacht Heldring alsmede betreffende de oorsprong van de naam Heldring zie men inventarisnummer 230. Hierin vindt men ook alle gegevens betreffende de luitenant-generaal, later commandeur, Gerhard Heinrich (von) Heldring, die bij het uitbreken van de onlusten in 1830 bevelhebber van Maastricht was. Hij was in 1790 door de keurvorst van Beieren in de erfelijke rijksadelstand verheven op grond van een voorgewende afstamming uit een Lijflands geslacht. Daarop volgde in 1811 de verheffing tot graaf door de koning van Westfalen. Hij voerde een ander wapen dan zijn vader Hans Hendrik Heldring en ontkende ook alle familieverwantschap met zijn neven en nichten, die van hun zijde wel relatie met hem probeerden te onderhouden.
Geschiedenis archiefvormerLevensloop van W.Ph. Coolhaas Willem Philippus Coolhaas werd op 2 mei 1889 in Brielle geboren als zoon van Johan Herman Coolhaas en Gerardina Elisabeth Meursingen. Na het behalen van het diploma van de middelbare school koos hij voor de opleiding tot bestuursambtenaar in Leiden, waar hij geschoold werd onder leiding van de bekende adepten van de ethische richting, Snouck Hurgronje en Van Vollenhoven. In 1921 werd Coolhaas als administratief ambtenaar Binnenlands Bestuur aangesteld in de residentie Ternate en Onderhorigheden met de achtereenvolgende standplaatsen Ternate, Tidore en Batjan. Zijn grote historische belangstelling kwam tot uiting in een rapport, dat hij samenstelde over de genealogie van het Tidorese vorstenhuis en dat de basis vormde voor de regeling van troonopvolging. In 1925 volgde een kortstondige overplaatsing naar Semarang, waar hij als plaatsvervangend landrechter fungeerde, en tenslotte naar het landschap Manggarai op Flores onderhorig aan de residentie Timor. Na een verlofperiode van acht maanden in Nederland keerde Coolhaas in 1927 terug naar Indië. Hierna volgden plaatsingen in Tanapoeli (1928-1930 standplaats Padang Sidempoean) en aan de Oostkust van Sumatra (1930-1934, standplaatsen Bindjai en Tebintinggi). In de laatste functie nam hij geruime tijd - wegens het ontbreken van de betreffende ambtenaar- het assistent-residentschap over de afdeling Langkat waar. Tijdens het hem toegestane studieverlof (1934-1936) legde hij aan de Universiteit van Utrecht bij professor Gerretson het doctoraal examen geschiedenis en kort daarop behaalde hij tevens de doctorstitel met de dissertatie "Het Regeringsreglement van 1827. Het werk van 1818 aan de ervaring getoetst" (Utrecht, 1936). Terug in Nederlands-Indië werd Coolhaas begin 1937 benoemd tot lid van de Volksraad en bevorderd tot de rang van assistent-resident. Gerepatrieerd in 1939 verbleef Coolhaas gedurende de Tweede Wereldoorlog in Nederland, waar hij zich bezig hield met het verzamelen van bronnenmateriaal op het Algemeen Rijksarchief. Dit leidde tot een aanvulling op de grote J.P. Coen-bronnenpublicatie van Colenbrander. In 1946 keerde hij terug naar Indonesië, werd als ambtenaar ter beschikking gesteld van het hoofd van de Regerings Voorlichtings Dienst en aangesteld bij het Landsarchief te Batavia. Spoedig daarna vond zijn aanstelling als landsarchivaris plaats, terwijl hij tevens werd benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Indonesië. In verband met de machtswisseling heeft Coolhaar er in 1949-1950 erg op aangedrongen, dat voor Nederland belangrijke archiefbestanden, hetzij in orginali, hetzij op microfilm, zouden worden overgebracht naar Nederland. Door de roerige tijdsspanne is van deze plannen evenwel niets uitgevoerd. Vanaf 1950 was hij gedurende vier jaar verbonden aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam tot zijn benoeming tot hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht in 1955 hierop volgde. Zijn leeropdracht betrof de geschiedenis der betrekkingen van Nederlanden en andere landen met de overzeese wereld. Algemene bekendheid heeft Coolhaas verworven door de vele publicaties van zijn hand. Zijn belangrijkste werk is de bronnenpublicatie van de Generale Missiven van de Gouverneur-Generaal en Raden aan de Heren XVII van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Tussen 1960 en 1979 verschenen zeven volimineuze delen, die een selectie uit de generale missiven bevatten over de periode 1610-1725. Professor Coolhaas overleed op 12 april 1981 in Bilthoven.
Geschiedenis archiefvormerDe genealogie van het geslacht Van der Pot is lange tijd beïnvloed geweest door de gedachte dat de afkomst van de familie gezocht moest worden in Frankrijk. Reeds in het Nederlands Patriciaat van 1920, waar een summiere stamboom van dit geslacht geplaatst werd, is deze hypothese verlaten, doch zij werd vervangen door een andere nl. de verbinding van Amsterdamse dragers van de naam Van der Pot uit de 16e eeuw met de Rotterdamse familie van deze naam uit de 17de en latere eeuwen. Uit de genealogische aantekeningen en correspondentie van J.E. van der Pot, opgenomen in deze inventaris, blijkt dat hij aan de juistheid van deze stelling ernstig twijfelde op grond van door hem gevonden Rotterdamse gegevens. In de Nederlandsche Leeuw van 1968 heeft de heer W.A. van Rijn zijn gegevens gepubliceerd over het 17de eeuwse geslacht Van der Pot in Rotterdam. Aanknopend bij de gedachten van J.E. van der Pot stelt Van Rijn dat we de stamreeks moeten laten aanvangen met Thomas Thomasz. Pot geboren en overleden in Rotterdam respectievelijk ca. 1603 en 1634. Diens zoon Cornelis wordt voortzetter van een familie die zich in de loop der eeuwen hier vertakte en tot grote bloei kwam. In de geschiedenis van Rotterdam vindt de familie Van der Pot haar plaats temidden van een grote groep vooraanstaande families die men allereerst kan kenmerken door het feit dat ze niet tot de publieke gereformeerde kerk behoorden en dus ondanks hun maatschappelijke welstand tot 1795 uitgesloten waren van de bediening van overheidsambten. Een tweede kenmerk is de activiteit van deze groep in de nijverheid en de daaruit voortvloeiende handel en een derde kenmerk de voorliefde voor de schone kunsten, hetzij als verzamelaar hetzij als beoefenaar. De Van der Potten waren remonstrant met familierelaties in doopsgezinde kring. Bekende Rotterdamse families op wie de genoemde kenmerken van toepassing zijn, zijn b.v. de remonstranten Oudaen, De Haes, Van der Hoeven, Van Rijckevorsel en bij de doopsgezinden Bisschop, Messchaert en Van Vollenhoven. In de 19de eeuw worden deze onderscheidende kenmerken vager. Van de politieke ongelijkheid van het ancien regime is geen sprake meer en in de Franse tijd kondigt zich reeds aan, wat zo duidelijk wordt onder koning Willem I, nl. de verbroedering van alle weldenkende welgestelden. Bij de familie Van der Pot zien we ook dat de leden niet meer zo aan Rotterdam gebonden zijn en zich verspreiden, hoewel sommigen er weer teruggekeerd zijn. Eén van de teruggekeerden was ds. J.E. van der Pot, die getrouwd was met de Rotterdamse predikantsdochter mej. F.W.S. Ulfers. Hij verwierf alhier grote bekendheid als directeur van het Rotterdamsch Leeskabinet van 1920-1951, in welke functie hij door zijn zoon dr. J.H.J. van der Pot werd opgevolgd. De heer J.E. van der Pot had grote voorliefde voor de historie van zijn stad en van zijn familie.
Geschiedenis archiefvormerDe Vereeniging der Familie van Oordt werd opgericht in juli 1886. Bij Koninklijk Besluit van 14 november 1886 werd de vereniging erkend, en werden de statuten goedgekeurd. Tot de statutenwijziging van 1980 werd de vereniging telkens aangegaan voor 29 jaren. In artikel 1 van de Statuten staat het doel van de vereniging als volgt omschreven: "door aaneensluiting harer leden de belangen der familie in het algemeen en der leden in het bijzonder te bevorderen; voor de eer der familie naar vermogen zorg te dragen; behoeftige leden te ondersteunen en een Familiearchief op te richten." Tot leden van de familie die recht hebben om lid van de Vereeniging te worden, rekent men alle wettige nakomelingen van Hendrik van Oordt (Middelburg 1710 - Rotterdam 1805) uit zijn (tweede) huwelijk met Willemina van Charante (Rotterdam 1723-1802), die de naam Van Oordt dragen, en hun echtgenoten; daarnaast zij wiens moeder, groot- of overgrootmoeder nakomeling van dat echtpaar was en de naam Van Oordt droeg, en hun echtgenoten. Bij het toetreden tot de vereniging of bij het bereiken van meerderjarigheid moest ieder lid de statuten ondertekenen. Met name dat laatste werd door de secretaris nog wel eens over het hoofd gezien. In 1978 heeft men daarom getracht het bestand ondertekende statuten weer up-to-date te brengen. Na de statutenwijziging in 1980 moesten alle leden opnieuw de statuten ondertekenen. Bij de statutenwijziging in 1996 is de ondertekeningsplicht vervallen. De Vereeniging heeft een bestuur bestaande uit 9 leden. Tot 1980 was dit voorbehouden aan mannen. In de eerste periode bestond het bestuur voor zover mogelijk uit de oudste zes naamdragers Van Oordt, en de oudste drie van de overige leden. Men werd voor het leven benoemd, maar bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd werd men automatisch erebestuurslid met adviserende stem. Tegenwoordig wordt het bestuur gekozen door de algemene vergadering na een voordracht door het bestuur, en is er een termijn gesteld voor het bestuurslidmaatschap. Ieder lid dat zich bijzonder verdienstelijk voor de Vereeniging heeft gemaakt, kan nu benoemd worden tot erelid. Het bestuur kiest uit haar midden een commissie van uitvoering, bestaande uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, en benoemt een archivaris. De secretaris laat zich, vanaf 1929, bijstaan door een adjunct-secretaresse, meestal zijn echtgenote. Zij is geen bestuurslid, maar woont wel de vergaderingen bij. Vanaf 1922 heeft de vereniging een boekhouder of administrateur in dienst, die geen lid is. Oorspronkelijk was dat de boekhouder van de penningmeester, die hem verving als hij in het buitenland was. Daarnaast heeft de vereniging incidenteel een archivaris of genealoog in dienst gehad. In de loop der tijd zijn er uit de leden van de vereniging commissies samengesteld. Meestal is het bestuur hier ook in vertegenwoordigd. De commissies hebben een beperkte taak, bijvoorbeeld de subsidieverdeling controleren, adviseren bij beleggingen, bijeenkomsten organiseren, enzovoorts. Het verenigingsjaar liep voor 1975 van 1 juli tot 30 juni, daarna gelijk aan het kalenderjaar. (Het verenigingsjaar 1973 liep van 1 juli 1973 tot 31 december 1974.) In de boekhouding is dit consequent doorgevoerd, bij de jaarverslagen niet. Een Gedenkboekje , zoals het jaarverslag genoemd wordt, beslaat meestal de periode van 1 januari tot 31 december. Dit was eigenlijk zo verwarrend, dat men bij de statutenwijziging in 1973 het verenigingsjaar gelijkgesteld heeft aan het kalenderjaar. Eén van de taken van de vereniging, ondersteuning van behoeftige leden, brengt met zich mee dat kapitaalvorming heel belangrijk is. De ontvangsten, bestaande uit contributies, rente en incidenteel giften en legaten, worden zo goed mogelijk belegd. Een percentage van de ontvangsten is bestemd voor subsidies en uitgaven, de rest voor kapitaalvorming. Vanaf de oprichting bestaat er daarnaast een opleidingsfonds. Hieruit worden giften of leningen verstrekt voor studiedoeleinden. Verder zijn er voor kortere of langere tijd diverse fondsen ingesteld geweest. Om voortdurend het eigen vermogen van de vereniging te kunnen bepalen, is de penningmeester, waarschijnlijk met ingang van het boekjaar 1922, overgegaan op een andere boekhoudmethode. Door de verbetering van de sociale zekerheid in Nederland ligt de nadruk voor wat betreft de taken van de vereniging de laatste decennia minder op de financiële ondersteuning van de leden. Het onderhouden van de onderlinge contacten speelde door de jaren heen een steeds grotere rol, ook omdat de kring van leden steeds groter en wijder wordt. De jongste generatie is negen generaties verwijderd van de gemeenschappelijke voorvader. Ook geografisch gezien is de kring steeds wijder geworden, in alle werelddelen heeft de vereniging leden (gehad). De gemeenschappelijke voorvader van de leden, Hendrik van Oordt (VIc), was één van de belangrijkste suikerraffinadeurs van zijn tijd in Rotterdam. Ook vervulde hij enkele publieke functies in de stad. Uit zijn omvangrijke nalatenschap bleef een gedeelte onverdeeld. Dit werd enige jaren na zijn dood de basis voor het "Familie-Fonds van Hendrik van Oordt en Willemina van Charante". De acht kinderen van dit echtpaar beheerden het Fonds, waarvan de opbrengsten werden gebruikt om de minder kapitaalkrachtigen onder hen te ondersteunen. Het Fonds heeft bestaan van 1811 tot 1823; de oorzaak van de opheffing is vooralsnog onduidelijk gebleven. Van 1824 tot 1885 was er geen officiële band tussen de familieleden in de vorm van een stichting of vereniging, wel vond in die tijd de bereiding van de zgn. Groene Balsem van Van Oordt plaats. Dit is een kruidenzalf, bereid volgens een geheim recept, die gratis uitgedeeld wordt door de familie. Deze traditie was door stamvader Hendrik van Oordt begonnen, en door zijn nakomelingen werd de bereiding voortgezet. Verschillende familieleden deelden in de kapitaalvorming waaruit een gedeelte van de bereidingskosten werd betaald, en enkele van hen waren administrateuren. De kruiden groeiden op een landgoed van één van de familieleden. In 1905 is voor de bereiding van de Groene Balsem een stichting in het leven geroepen, de "Stichting van den Balsem van Van Oordt", die nauwe banden onderhield met de Vereeniging der Familie Van Oordt, aan wie zij rekening en verantwoording moest afleggen. Sinds 1922 is er een nieuwe stichting, de naam is nu: Stichting De Groene Balsem van Van Oordt. Sindsdien heeft de vereniging ook invloed op de benoeming van de administrateuren van de stichting. Diverse administrateuren van de Stichting waren tegelijkertijd lid van het dagelijks bestuur van de vereniging, en het kapitaal van de stichting wordt vanaf 1950 door de penningmeester van de vereniging beheerd. Stamvader Hendrik van Oordt stichtte diverse suikerbedrijven, die door zijn nakomelingen werden voortgezet. Meer hierover kunt u lezen in het artikel opgesteld door J.J. Hooft van Huysduynen en in het boek Suiker, geschreven door mr. Gabriël Henri Louis van Oordt. Voor een gedetailleerde geschiedenis van de afzonderlijke leden van de familie Van Oordt wordt verwezen naar de genealogieën die uitgegeven zijn door de vereniging, waarvan de laatste is bijgewerkt tot 1992. In 1975 is een genealogie van de familie opgenomen in het Nederland's Patriciaat. In de familie zijn er diverse personen geweest met een genealogische belangstelling. De eerste was Pieter van Oordt (Vla), een broer van stamvader Hendrik van Oordt. Hij liet een familiekroniek na. Voor het Familie-Fonds van Hendrik van Oordt en Willemina van Charante werd een geslachtsregister bijgehouden door Joan Fredrik van Oordt (A1 VIII), de oudste kleinzoon. Diverse familieleden maakten hiervan een afschrift en hielden dat daarna meer of minder nauwkeurig bij. Eén van de kleinzonen van Joan Fredrik, Jacobus Johannes van Oordt tot Bunschoten (A1 Xj), was al op 18-jarige leeftijd bezig met het samenstellen van een genealogie van de familie. Deze man was de aangewezen persoon om de eerste archivaris van de familievereniging te worden. Hij bekleedde de functie 50 jaar lang.
Geschiedenis archiefvormer1. InleidingIn de zomer van 2001 overhandigde Jan Samuel François van Hoogstraten, wonende in Thompson Ct, USA, een groot deel van het familiearchief Van Hoogstraten aan de in oktober 2000 opgerichte Stichting Familie van Hoogstraten. Het archief bestaat uit twee delen die afzonderlijk geïnventariseerd zijn: het archief Van Hoogstraten (deel I) en het archief Schrijver (deel II). Beide delen zijn door de Stichting in 2004 in bruikleen overgedragen aan het Nationaal Archief te Den Haag. De protestantse familie Van Hoogstraten behoort tot de families die in oorsprong het katholieke Vlaanderen verlieten en zich aan het einde van de zestiende en begin van de zeventiende eeuw in Holland vestigden. De familie vestigde zich in Dordrecht en behoorde tot de economische en culturele bovenlaag. De eerste generaties zijn uitgebreid beschreven door Peter Thissen in zijn proefschrift Werk, netwerk en letterwerk van de familie van Hoogstraten in de zeventiende eeuw (proefschrift aan de Katholieke Universiteit Nijmegen 1994). Latere generaties behoorden ook tot de politieke elite. Korte biografieën verschenen in het Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek (1911-1937) van: David (1658-1724); Dirck (1596-1640); François (1632-1696); François (1763-1813); Jacob François (1806-1878); Jan (1629/30-1654); Jan (1660-1736); Samuel (1627-1678); Samuel (1756-1830); Samuel Anne (1808-1875). Een genealogisch overzicht verscheen onder meer in het Nederlands Patriciaat jaargang 51 (1965). De totstandkoming van het gehele archief vindt zijn oorsprong in het huwelijk van Wilhelmia de Wildt (1694-1776) en Fransois van Hoogstraten (1689-1759). Dit huwelijk werd in 1718 te Oudewater voltrokken. De Scriveriana zijn via Wilhelmia de Wildt, achterkleindochter van de geleerde Petrus Scriverius (1576-1660), in de familie van Hoogstraten terechtgekomen. Zie hierover verder de inleiding op deel II. Haar echtgenoot Fransois van Hoogstraten moet beschouwd worden als de grondlegger van het Van Hoogstraten-archief. Dit is het deel van het archief dat hier eerst ingeleid wordt. Hij is naar alle waarschijnlijkheid de eerste geweest die welbewust familiepapieren beheerde en wellicht bij elkaar bracht. Hieronder wordt eerst op zijn rol ingegaan. Vervolgens komen zijn nazaten aan bod. Van deze nazaten zijn niet alleen eveneens archivalia bewaard gebleven in het archief, ook waren zij in meer of mindere mate bij het archief betrokken; als beheerder, door het te ordenen of anderszins. De Van Hoogstratens in deze inleiding, in de inventaris zelf en in de genealogie (zie V Genealogie) worden aangeduid met een generatienummer. 2. Fransois (VIII-B)In 1756, drie jaar voor zijn overlijden, noteerde Fransois het volgende op het voorblad van een in het archief aanwezig schriftje: "Ao 1756 heeft Fransois Van Hoogstraten Secretaris Van Oudewater zijn stam of geslagt nagegaan, en opgezogt, zoo veel in zijn vermogen was, en daar af gevonden 't geene volgt". Voorgaande versies van zijn op schrift gestelde naspeuringen zijn eveneens bewaard gebleven. Een van de vroegste versies dateert al van vóór 1736, het jaar waarin zijn vader Jan (VII-B) overleed, en betreft een minuut-brief van hem aan zijn broer Samuel (VIII-C). Hij verzamelt allerlei gegevens over zijn familie en gebruikt daarvoor de volgende methoden: navraag door correspondentie of gesprekken, wat hij zich herinnert uit overlevering, wat hij vindt in (familiaal) drukwerk, welke familieportretten hij kent, en door het bestuderen van oudere ten dele nu nog aanwezige archiefstukken. In de zomer van 1756 bezoekt zijn in Amsterdam wonende neef Jakobus (VII-A-i) hem te Oudewater. Deze jongste zoon van Fransois' oom David (VII-A) bezit als langstlevende van Davids kinderen een aantal familiestukken. Daaronder bevindt zich in elk geval een vel met oude familie-aantekeningen in de hand van hun beider grootvader François (VI). Fransois kopieert dit vel en schrijft erbij: "dit heb ik gecopieerd naar de eijgen hand van mijn grootvader fransois van hoogstraten, naar wien ik vernoemd ben, als 't mij vertoond wierd door mijn neef Jakobus van Hoogstraten, dezen 11 junij 1756. F:V: Hoogstraten. 1756". Nog geen maand later, op 7 juli, is Jakobus ziek en laat hij in zijn huis op Wittenburg, gelegen tegenover de Oosterkerk waar hij gravenmaker is, zijn testament opmaken. Daarin vermaakt hij alle familieportretten, twee uitgezonderd, aan zijn neef in Oudewater. Op 13 december dat jaar overlijdt de kinderloos gebleven neef Jakobus te Amsterdam. Via Jakobus' weduwe, Henrica Janssen, zal hij vervolgens het bewuste document van hun grootvader ontvangen hebben. Want ook dat stuk, afgezien van portretten het oudst bewaard gebleven stuk met betrekking tot de Van Hoogstratens, is in het archief bewaard gebleven. Ook portretten komen langs deze weg in zijn bezit. Elders schrijft Fransois bijvoorbeeld over het portret van zijn oom David: "Zijne afbeelding, als ook die van zijn vrouw, heb ik bekomen van zijn zoon Jacobus, geschilderd door ... Boonen" en over dat van zijn eigen grootvader "Een nog geringer afbeelding, in 't klein, is ook nog onder mij, herkomstig van Jacobus van Hoogstraten". In het archief bevinden zich bovendien nog andere stukken met betrekking tot David (VII-A), zoals de handgeschreven lofdichten van een aantal in die tijd bekende dichters die afgedrukt staan in Davids Gedichten (1697) en brieven die David van zijn zoon Mattheus uit Indië ontving. Zijn oom David had ook het zelfportret van Dirck van Hoogstraten (V) in bezit dat nog altijd in de familie aanwezig is. Het oudst en in de familie bewaard gebleven stuk (gedateerd 25 juli 1631) is het door Dirck getekende portret van diens grootvader Franchois (III-B). Deze tekening is net als de overige familieportretten en de meeste familiefoto's buiten de bruikleenoverdracht van het archief gehouden. Van Fransois zelf zijn enkele stukken die betrekking hebben op zijn werk als notaris bewaard gebleven, alsmede notities op bijbelbladen over zijn eigen gezin. Het is echter opmerkelijk dat er in feite niets met betrekking tot het werkzame leven van zijn vader Jan (VII-B), schrijver en dichter, bewaard is gebleven. Zijn vader had in zijn testament van 10 maart 1726 bepaald dat onder zijn twee zonen (Fransois en Samuel) "alle zyne Boeken, gebonden en ongebonden [...]" verdeeld zouden worden. We weten verder slechts dat bij Samuel (VIII-C), Fransois' jongere broer, veel Hoogstratiana terecht moeten zijn gekomen. Dit kan afgeleid worden uit een passage uit het verzoek tot in adelstandheffing van de broers Samuel Anne (XI-B) en Pieter François (XI-C), dat 8 maart 1847 gedateerd is. Ze schrijven: "Een groot gemis, vooral in betrekking tot eenen ouden zijtak van ons geslacht [...] zoude er echter altijd hebben bestaan, uit hoofde dat vele documenten en genealogische aantekeningen van ouden tijden, die een volle neef van onzen grootvader, (wijlen de Heer Cornelis Adriaan van Hoogstraten, oud bewindhebber der O.I. Compagnie) verzameld had, in den ramp van Leyden [dat wil zeggen 12 januari 1807] verloren zijn geraakt, toen diens huis, een der aanzienlijkste gebouwen op het Rapenburg, in een puinhoop werd omgekeerd." Cornelis Adriaan (IX-B) was de enige zoon van de genoemde Samuel (VIII-C). Tot de toen verloren geraakte Hoogstratiana zullen bovendien ook zeventiende-eeuwse portretten behoord hebben. Wanneer Fransois schrijft over het portret van de schilder en Rembrandt-leerling Samuel (V-a), merkt hij op: "Zijne afbeelding, als ook die van zijn huisvrouw Sara Balen, door hem zelf gedaen, in een stuk, berust onder den zeekapitein Samuel van Hoogstraten, wiens oud-oom hij was, en die na hem genoemd is". Dit schilderij wordt door Jakobus in zijn testament aan de zeekapitein vermaakt. Het wordt bij die gelegenheid als volgt beschreven "een groot stuk schilderij, hangende thans in zijn Testateurs voorhuijs, door weijlen den Heer Samuel van Hoogstraten geschildert in den jare 1657". Dankzij deze (niet eerder gepubliceerde) vermelding kan nu afgeleid worden dat Samuel in het jaar na zijn huwelijk zichzelf en zijn vrouw in een groot schilderij vereeuwigd moet hebben. Daarnaast bezat de zeekapitein al een zelfportret van zijn oudoom. Het dubbelportret en het zelfportret hebben verder geen sporen nagelaten en zijn vermoedelijk dus bij de Ramp van Leiden verloren geraakt. Toch is er toen nog iets uit de puinhopen gered en bewaard gebleven. Het betreft een cahier met gedichten van dezelfde zeekapitein Samuel (VIII-C). Zijn zoon Cornelis Adriaan (IX-B) schrijft voorin dit cahier: "Dit boek is in de ramp van Leijden op den 12 January 1807 in dien stand gebragt, zoo als het zig thans bevind. Zijnde er verschijde bladen uit verloren. Echter uit agting voor mijn waarde vader heb ik het zoo willen behouden zoo als het zig thans bevind. C.A. van Hoogstraten". Dit cahier is vermoedelijk via zijn kleindochter (Catharina Johanna Susanna, X-C-e), die in 1835 huwde met haar verre neef Samuel Anne van Hoogstraten, bij de nazaten van laatstgenoemde terechtgekomen. 3. Jan Willem (IX-A)De enige zoon van Fransois met nageslacht is Jan Willem die in 1722 geboren werd. Al vroeg blijkt zijn interesse in zijn voorfamilie. In het archief wordt een 13 maart 1745 gedateerde brief bewaard aan zijn oom Samuel (VIII-C) en tante Alida Meerhout, waarin hij, 22 jaar oud, het volgende voorstel doet: "Zoo nu Oom of vader de afstammelingen van gem. Frans van Hoogstraten konden opgeven, zag ik mij in staat om een complete geslachtboom van die broeders te maken, die in tijd en wijlen van geen minder nut dan genoegen zoude konnen zijn." Het is dan ook niet verwonderlijk dat van hem vele notities in het archief bewaard zijn gebleven. Hij trachtte zowel van zijn moeders kant (met name de families De Wildt en Schrijver) als van zijn vaders kant uitgebreide genealogieën samen te stellen. Daarbij baseerde hij zich op veelal nog aanwezige archivalia in het Schrijver-archief, waaronder de bijbel met aantekeningen die na het overlijden van zijn oud-tante Christina Henrietta Schrijver in 1760 in bezit van zijn moeder kwam. Hij deed verder naspeuringen naar familiewapens, vermoedelijk ten behoeve van het vervaardigen van een eigen wapenbord met kwartieren. Hij maakte afschriften van stukken en deed navraag bij verre familieleden. Er is bijvoorbeeld een brief van zijn achterneef Petrus Adrianus Swalmius (geb. 1728) bewaard gebleven van 27 september 1762. Swalmius schrijft Jan Willem naar aanleiding van diens verzoek om aanvullende familie-gegevens betreffende Swalmius zelf, zijn vrouw en haar ouders. Deze gegevens worden vervolgens overgenomen in een eveneens bewaard gebleven door Jan Willem samengestelde genealogie-De Wildt 4. Samuel (X-A)De oudste zoon van Jan Willem is Samuel. In de Inleiding op de Scriveriana staat beschreven dat hij de Scriveriana in bezit had en dat in 1819 door een (verre) neef van hem, Cornelius de Jong van Rodenburgh (1762-1838), een bepaald stuk uit zijn bezit uit 1628 gekopieerd werd. Uit opschriften blijkt verder dat hij het archief heeft geordenend. Hij stelde een uitvoerige lijst van familieportretten samen waarover Wolleswinkel publiceerde. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat hij die lijst benut zal hebben voor zijn verhuizing in 1806 naar de Wijnhaven in Rotterdam. Van hem zijn relatief veel stukken van persoonlijke aard, bijvoorbeeld met betrekking tot zijn huwelijk, bewaard gebleven. 5. Hendrik Johan Caan, 1781-1864, echtgenoot van Margaretha Gerardina (X-A-b)Uit het hiervoor genoemde verzoek tot verheffing in de adelstand door Samuel Anne (XI-B) en zijn broer Pieter François (XI-C) blijkt dat de papieren in feite uit de familie geraakten en via een omweg er weer in terugkwamen. Na het overlijden van Samuel (X-A) waren ze in het bezit gekomen van zijn schoonzoon Hendrik Johan Caan. Eén van Caans dochters was weer getrouwd met een Van Hoogstraten: Pieter François (XI-C). Beide broers schrijven dat de familiepapieren "nu eindelijk, bij gelegenheid eener zogenaamde opruiming, nagenoeg twee jaren geleden, door den Heer schoonzoon van gemelden onzen oom Samuel, Jhr Mr H.J. Caan, in de handen van diens schoonzoon, den tweeden onderteekenaar dezer, zijn gekomen". 6. Samuel Anne (XI-B)Vermoedelijk is het vervolgens zo gegaan dat deze Hoogstratiana terechtkwamen bij Samuel Anne, wellicht omdat hij de oudste van de twee was, en dan ondanks het feit dat er nog een oudere broer was: Jacob François (XI-A). Beide broers woonden in elk geval te Den Haag en ze waren gezamenlijk maar tevergeefs opgetreden om een adellijke titel te verwerven. Ten behoeve van dat verzoek hadden ze de papieren uitgebreid bestudeerd om aan te tonen dat het bij de Van Hoogstratens om een voornaam en aanzienlijk geslacht zou gaan. De bekende negentiende eeuwse historicus G.D.J. Schotel (1807-1892) schreef in 1850 en 1851 een lang artikel over de Van Hoogstratens. Daarin citeert hij de - vermoedelijk door Jan (VII-B) opgestelde - biografie van David (VII-A) en hij vermeldt dat een geschilderd portret van Franchois van Hoogstraten (III) zich nog in de familie in Den Haag bevindt. Hoewel hij kennelijk toegang had tot het archief, maakt hij er verder weinig gebruik van. Schotel had op 12 maart 1847 in een brief aan Samuel Anne aangekondigd dat hij sedert lang van plan was een letterkundig opstel over de Van Hoogstratens te publiceren. Samuel Anne had hem kennelijk om gegevens over zijn voorouders gevraagd. Schotel antwoordt: "Ik weet niet of gij alleen een genealogische tabel uwer familie wilt opstellen, dat of gij een voorlezing over haar vervaardigen wilt. Ook natuurlijk niet of gij na de mededeeling van mijn plan, in uw opzet blijft volharden. Zoo ja, wil ik gaarne mededeelen hetgeen ik verzamelde, dat echter betrekkelijk en gering is, zoo niet zou ik u verzoeken mij bij gelegenheid uwe collectie mede te deelen". 7. Caroline Gerardina Johanna (XI-C-d)Na het achtereenvolgens overlijden van Pieter François (in 1875) en zijn echtgenote Johanna Catharina Margaretha Caan (in 1879) bleven hun ongehuwde kinderen Hendrik Gerard Johan en Caroline Gerardina Johanna in het ouderlijk huis op Koninginnegracht nummer 35 te Den Haag wonen. Caroline was, in tegenstelling tot haar broer, zo blijkt uit bewaard gebleven correspondentie, zeer begaan met de Hoogstratiana. In dit huis hing ook een groot aantal familieportretten. In 1895 schreef ze aan haar neef Jan Samuel François (XII-C), zoon van Samuel Anne: "Men wil zoo gaarne in oude souvenirs een oogenblik vertoeven, en de geschiedenis der dingen nagaan". Zij beijverde zich ervoor dat archivalia die in haar handen kwamen bij haar neef Jan Samuel François zouden komen. Aan haar tante Marie van Hoogstraten-Frieswijk (1826-1899), de weduwe van Samuel Anne, schreef ze in 1892: "Voorlopig zal ik die stukken bewaren. Acht mij gelukkig als ik ze aan mijn neven zal kunnen ter hand stellen, die de overige papieren hebben". Deze brief biedt interessante informatie over de herkomst van die bewuste stukken. Ze schrijft: "Jacob hielp mij gisteravond eenige papieren te doorsnuffelen die tante Swaving zoo vriendelijk was voor mij af te zonderen, gevonden onder den boedel van Oom Piet [...]. Deze papieren waren bij grootpapa Caan, daarna bij oom Piet, die er niets geen notitie van nam. En nu komen te voorschijn onder anderen: het testament van tante Meyners, van haren broeder Oom Piet, oud Oom Samuel. Daar grootpapa Caan en Oom J.W. tweemaal als executeuren samen werkten bleven deze documenten bij grootpapa Caan bewaard. [...] Tante Swaving wist, ik zwak had voor die oudheden en gaf zich die moeite, om voor mij te ziften waar ik haar zeer dankbaar voor ben. Ik sauveerde 2 doozen vol, die anders op publieke verkoop zouden gekomen zijn en zegde aan den taxateurs, bezorg die nog heden avond bij mevrouw Swaving". Vervolgens schrijft zij direct daarna aan haar neef Jan Samuel François (XII-C): "Hier is de sleutel van een handkoffer dat ik U verzend, met de documenten. Gaande weg werd het mij al interessanter, en ik ben zeer blij dat deze bezending in goede haven terecht komt, en in bewaring zal blijven. Gij zult vinden opschriften op couverten die den inhoud beschrijven, deze zijn van de hand van mijnen grootvader Caan. Wij zijn aan zijne nagedachtenis dank schuldig. Hij was met een zekeren verzamelgeest ("Versammelgeist") toebedeeld, hierbij ging gepaard groote orde voor de zaken waarin hij als exécuteur was werkzaam geweest, terwijl de verzamelgeest tot drijfveer zal gehad hebben om met nauwkeurigheid te bewaren wat op de familie van zijne vrouw betrekking had, en kon hebben voor het nageslacht". Ze deelt mee dat drie inventarissen met betrekking tot Samuel van Hoogstraten nog bij haar zijn. En dat ze, alvorens die te vernietigen, "omdat mijne tante Swaving meent het meer Caan papieren zijn" ze hem daarop bij haar wil wijzen. "Een dier cahiers is b.v. zuiver inventaris van huis Wijnhaven Rotterdam, dat vind ik zeer interessant, en ik vind dat dit met geen décharge te maken heeft". Desondanks zal dit stuk vernietigd zijn. Deze inventaris is althans niet onder de familiepapieren aanwezig. Net zo min als andere stukken waaraan zij in deze brief refereert, met name de inventarissen van haar oudoom Piet en oudtante Meyners en een "uitgaafboek van tante Meyners" waarin posten voorkomen voor de schilder Anspach. Ze merkt op dat "Grootpapa Caan schrijft op alle couverten, papieren bevattende Bescheiden betreffende Vrouwe Johanna van Hoogstraten wed: Meijners." Deze couverten (of enkele daarvan) bevinden zich wel in het archief. Ze eindigt de brief met: "De bestudeering van het oude is mij een veertien dagen lang een interessante afleiding geweest". 8. Jan Samuel François (XII-C) en Jan Willem Pieter (XII-D)Twee zonen van Samuel Anne (XI-B) hebben een belangrijke rol gespeeld met betrekking tot het archief. De eerste, Jan Samuel François, als feitelijk beheerder, de tweede in de rol van onderzoeker, hoewel beiden samenwerkten bij de samenstelling van de familie-genealogie ten behoeve van het prestigieuze wapenboek van Vorsterman van Oyen (1885-1890). Uit het voorgaande bleek al dat Jan Samuel François via zijn vader èn via zijn nicht Caroline het beheer kreeg van in feite het gehele familiearchief, zoals dat in zijn huidige vorm nog bestaat. Uit niets blijkt echter dat hij zich er werkelijk voor interesseerde. Er is zelfs een sterke aanwijzing dat hij niet wist wat hij onder zijn hoede had. Jan Samuel François overleed in 1936. Wanneer zijn zoon François een half jaar later de nagelaten boedel opruimt aan de Nieuwe Parklaan in Den Haag komt hij tot zijn verbazing allerlei Hoogstratiana tegen, waarvan hij het bestaan niet wist. Enthousiast maakt hij zijn vondst in een brief bekend aan zijn oom Jan Willem Pieter: "Beste Oom, Ik haast mij U te berichten dat ik vanmiddag een belangrijke ontdekking gedaan heb, op 't gebied 'Hoogstratiana'. Bij 't opruimen op de Parklaan na Vader's overlijden vond ik op zolder eenige kisten met vele paperassen: meest kasboeken van uw Ouders, en oude administratien van functies die Uw Vader had gehad. Enkele dingen heb ik bewaard. Ook vond ik daarbij een pak correspondentie inzake verheffing vH in den adelstand. Voorts een pak brieven aan Petrus Scriverius, meest in het latijn. Ettelijke etsen van Samuel, David, Dirk vH, waarschijnlijk bijeenverzameld voor de adelsverheffings-aanvrage. Vermoedelijk heeft Vader 't bestaan van deze dossiers nooit geweten; ik ben blij dat ik 't gemerkt heb [...]. Gaarne zal ik het hele pakket eens meebrengen, dan kunt U 't zelf eens rustig bestudeeren". Jan Willem Pieter van Hoogstraten heeft daarop van met name vele Scriveriana transcripties, uittreksels en notities gemaakt. Mogelijk heeft hij toen ook de correspondentie van zijn vader, die uit honderden brieven bestaat, gelezen en deze van registers en regesten voorzien en de persoonsnamen die in die brieven voorkomen geïdentificeerd. Een kleine dertig jaar eerder, op 11 september 1918, had Jan Willem Pieter zijn broer geschreven naar aanleiding van de verdeling van familieportretten waarvan hun nicht Caroline bij testament had bepaald dat deze, de miniaturen uitgezonderd, "tegen billijken prijs ter overname worden aangeboden aan de beide zoons van wijlen mijn Oom Samuel van Hoogstraten". Hij mijmert in deze brief over zijn toekomst: "Wanneer ik mijne betrekking zal hebben neergelegd, en, naar ik hoop, ergens buiten zal kunnen gaan wonen, hoop ik ook wat meer tijd te hebben, om mij aan deze aangelegenheid [nl. de genealogie van de familie] te wijden; ik stel er mij een genoegen van voor, om de winteravonden (en de vóór- en najaarsdito's) daarvoor te gebruiken". Jan Willem Pieter was buitengewoon geïnteresseerd in alles wat de Van Hoogstratens betrof. Zijn hele leven moet hij bezig zijn geweest met onderzoek naar zijn familie. Hij bracht bezoeken aan archieven en bezocht de leeszaal van de Nederlandsche Leeuw, van welk genootschap hij op 19 november 1883 lid was geworden. In 1888 neemt hij speciaal les in Latijn bij de rector van een gymnasium. Eén van de oudste gedateerde notities in zijn hand heeft betrekking op een zeventiende-eeuwse inventaris en vermeldt dat een bepaald onderdeel "nog niet ontcijferd of gefolieerd" is op 11 oktober 1883. Het resultaat van zijn onderzoek is vastgelegd in een familieboek dat hij niet geheel heeft kunnen afmaken. Het opschrift luidt "Aanteekeningen betreffende het geslacht van Hoochstraten, later van Hoogstraten." In de inleiding schrijft hij onder andere: "De genealogie werd verder aangevuld en voor zoover noodig van onjuistheden gezuiverd door J.W.P. van Hoogstraten, aan de hand van publicaties (Schotel, Veth, Nolen enz); voorts door afschriften van acten uit diverse protocollen van notarissen te Dordrecht, Amsterdam en 's Gravenhage, door de welwillende bemiddeling van Dr. A. Bredius geleverd door den copiist D.S. van Luiden; eindelijk door eigen onderzoek van protocollen van Dordsche notarissen, en door nasporingen in de archieven te Antwerpen [...]". In dit ongedateerde familieboek, dat nu bewaard wordt in de bibliotheek onder beheer van de Stichting Familie van Hoogstraten, zijn de levens van de Van Hoogstratens chronologisch en op generatienummer beschreven. Het blijkt dat hij sommige stukken uit het archief wel, maar andere niet kende. Van Fransois (VIII-B) kent hij wel het geslachtregister uit 1756, maar niet de bijbelbladen met notities over diens eigen gezin, terwijl deze archivalia op dat moment in het bezit waren van zijn broer Jan Samuel François. De laatste was hetzij onwillig om deze stukken tijdelijk af te staan, hetzij onwetend omtrent hetgeen hij beheerde. 9. François (XIII-H)François, oudste zoon van Jan Samuel François, heeft in augustus 1941 op p. 229 van het familieboek het volgende geschreven: "De samensteller van dit manuscript, mijn Oom Gen. J.W.P. v. Hoogstraten, die zooveel moeite, kosten en onderzoek voor de completeering hiervan ten koste legde, had bij zijn leven meermalen mondeling dit werk na zijn overlijden toegezegd aan zijn neef François v. Hoogstraten [...] die hem na circa 1925 regelmatig steunde in diens familieonderzoek, en aan wien hij zulks schriftelijk bevestigde bij brief van 6 jun. 1940 met deze woorden 'natuurlijk is het boek met aanteekeningen die ik van ons geslacht heb verzameld, mettertijd voor jou bestemd. Ik berg het geregeld in mijn (kleinen) brandkast op; mocht er een bom op mijn huis vallen, dan bestaat er nog eenige kans, dat dit meubel onbeschadigd uit het puin te voorschijn komt.' Tot mijn groot leedwezen overleed mijn Oom na korte ongesteldheid op 18 Mrt. 1941 te 'sGravenhage. Zijn weduwe zond mij in Juli 1941 2 koffers met boeken en een groot aantal paperassen van Oom afkomstig en betrekking hebbend op het familieonderzoek, en waaronder zich ook dit manuscript bevond. [...] Ik ontwaarde nu dat Oom de geheele beschrijving van de genealogie vH niet heeft kunnen voleinden [...]". François neemt het op zich dit alsnog te doen, en inderdaad bevinden zich in dit boek enkele aanvullingen betreffende latere generaties in zijn hand. Tot slot spreekt hij de hoop uit dat de "collectie familiepapieren, -portretten en andere voorwerpen, met veel moeite en kosten door mij, mijn vader en Oom bijeenverzameld en gekocht, zooveel mogelijk bijeen zullen [blijven]". François was een gedreven amateurgenealoog, die beschikte over een uitgebreide genealogische bibliotheek (hij zette de abonnementen op genealogische tijdschriften en jaarboeken van zijn vader en oom voort) en die als hobby enkele duizenden genealogische kwartierstaten samenstelde. Hij heeft zich uitvoerig met familieonderzoek bezig gehouden, maar relatief weinig archief-onderzoek verricht. In de hierboven geciteerde brief aan zijn oom schrijft hij het oude schrift vaak niet te kunnen lezen. Dit zal de belangrijkste reden zijn geweest dat hij niet de oude archiefstukken bestudeerde, maar uitsluitend gedrukte bronnen gebruikte. De archiefstukken lagen, net als bij zijn vader, decennia lang half in vergetelheid in een kluis of kast opgeborgen. Familieleden betuigden soms hun interesse. Zo schrijft Maria Dorothea (XII-A-g) op 21 februari 1949 aan hem: "Wat zou ik het gezellig vinden eens met je te snuffelen in ons familie archief!" en op 7 augustus 1956 "Ik mag zo graag snuffelen in oude documenten. Wat zou ik graag eens bij jou "grasduinen" in 't familie archief!!". Een andere zoon van Jan Samuel François was de predikant Samuel Anne (XIII-I). Hij vertrok in 1927 naar Soerabaja op Java om voor de zending te gaan werken. De brieven die hij aan zijn familie in Holland schreef zijn bewaard gebleven en in 2000 door zijn dochter Renée bezorgd. 10. Jan Samuel François (XIV-K)Na het overlijden van François, in 1979, maakte zijn kleinzoon Michiel Roscam Abbing een eerste zeer summiere inventaris van het archief. Na het overlijden van François' weduwe, in 1981, verhuist het hele archief naar de toen in Königswinter wonende oudste zoon Jan Samuel François (XIV-K). Daar wordt in november 1982 door mevrouw Ruitenberg van het Centraal Register van Particuliere Archieven te Den Haag een "Voorlopig overzicht van het familie-archief van Hoogstraten, 16e - 20e eeuw" opgesteld. Vanaf december 1984 worden de Scriveriana afzonderlijk beschreven aan het Instituut voor Neolatijn te Amsterdam. Zie hierover de inleiding op deel II. Vooral na zijn verhuizing en pensionering naar de Verenigde Staten heeft Jan Samuel François de tijd zich in het archief te verdiepen. Hij brengt onder andere een ordening aan op generatienummer en maakt, veelal met een blauwe viltstift en in het Engels, notities. In de zomer van 2001 draagt hij het grootste deel van het archief over aan de Stichting Familie van Hoogstraten. Daarna worden nog de resterende archivalia, en ook boeken, overgedragen via Diederik (XV-E-c) die als journalist in New York woont en regelmatig naar Nederland vliegt. Twee bestuursleden van de Stichting, Gustaaf Herman Paulus (XVI-A) en Michiel Roscam Abbing, maakten gedurende de jaren 2002-2004 de voorliggende inventaris ten behoeve van de overdracht in bruikleen aan het Nationaal Archief.
Geschiedenis archiefvormerFamilie-archieven en daaronder zeker die van Amsterdamse regeringsfamilies van v´o´or 1789 kunnen voor de geschiedenis van onze stad van veel belang zijn. Helaas zijn er slechts enkele van grote omvang bewaard. In familie-archieven zijn uiteraard bijna steeds enkele of meer stukken betreffende aanverwante families voorhanden. III Hooft Door het huwelijk van de reeds genoemde Adolf Jan Heshuysen met Catharina Agnes Maria Hooft in 1826 kreeg het familie-archief Heshuysen zijn belangrijkste aanwinst. Zij was het enig overlevend kind van Mr. Gerrit Hooft en Catharina Francina Bruyningh. Haar vader had, ofschoon hij de jongste van de drie zonen was, het grootste deel van het familie-archief, d.w.z. de papieren van zijn ouders en grootouders Hooft en van der Dussen, gekregen. Belangrijker nog in omvang en inhoud was het archief Bruyningh, dat na de dood van de ongetrouwde oom en tantes Bruyningh aan Catharina Agnes Maria Hooft kwam. Het is een zeer volledig archief, zowel van particuliere als zakelijke aard, van de familie van deze naam, die in de 18de eeuw in de wijnhandel een grote rol speelde en zich ook in de stadsregering een plaats wist te verwerven. Met dit archief Bruyningh kwamen nog wat papieren van de families van Erffrenten (uit Breda); Kieft en Raep mee, die door het huwelijk van Anthony Bruyningh met Anna van Erffrenten in 1685 in de familie Bruyningh waren gekomen. IV Rapenhofje Dit hofje, gesticht in 1648 door de kinderloze Pieter Adriaansz Raep en sedertdien beheerd door leden van de families Raep, Kieft, van Erffrenten, Bruyningh, Hooft en Heshuysen, was jarenlang de bergplaats van de archieven. Het kleine archief van dit hofje is geheel opgenomen in de inventaris, hoewel enkele nummers nog onder de eigenaar berusten. Een omvangrijke en zeer belangrijke afdeling van stukken; waarvan de samenhang met het archief niet is gebleken, besluit deze inventaris. De heer H. J. Heshuysen, adjunct-archivaris van Haarlem, die een grote liefhebber van genealogie en geschiedenis was en die in het Amsterdamsch Jaarboekje van 1900 een uitvoerige studie over de familie Bruyningh publiceerde, verzamelde ook veel. Hier ging het, zoals ik reeds schreef: waar een familie-archief bestaat en bekendheid geniet, worden de stukken van alle zijden aangebracht. Daar de inventaris Heshuysen wat klein was om afzonderlijk te drukken, zijn in dit deel, dat voor U ligt, nog de inventarissen van twee kleine archiefjes Hooft opgenomen. Inhoud Archief Hooft Het eerste archief, dat vermoedelijk afkomstig is van mevrouw E. J. Hooft- Galjaard, de weduwe van G. H. Hooft van Vreeland, bestaat uit 159 nummers. Deze zijn afkomstig van Jhr. Mr. Daniel Hooft Jacobsz, een broers zoon van de reeds genoemde Mr. Oerrit Hooft. Deze papieren hebben voornamelijk betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van zijn ouders, Jacob Hooft en Margaretha Jacoba Warin, van zijn zuster M. J. Hovy-Hooft, van zijn zuster en zwager M. S. van Naamen van Scherpenzeel-Hooft en P. J. van Naamen van Scherpenzeel en op enkele commissies en instellingen, waarvan hij lid was. Hierbij komen in verband met die afwikkelingen dan nog enkele stukken betreffende de familie Warin en tenslotte het belangrijke archief van zijn moeders zuster Cornelia Petronella Warin en haar echtgenoot Abraham Feitama, een van huis uit DoopsgeZinde koopman, wier nalatenschappen Daniel Hooft Jacobsz eveneens liquideerde. Inhoud archief Hooft van Woudenberg Om tenslotte de restanten van de archieven van de familie Hooft, die her en der verspreid zijn, zo volledig mogelijk bijeen te brengen, is het kleine archief van Jhr. Hooft van Woudenberg, dat thans in de kluis van het rechthuis van Woudenberg berust bij het archief van de heerlijkheden Woudenberg en Geerestein, op een microfilm opgenomen. In dit deel is in een appendix de inventaris daarvan afgedrukt. Dit archief bevat de persoonlijke stukken van het echtpaar Hooft-Warin. De zakelijke stukken gingen, zoals wij zagen, voor de afwikkeling van de nalatenschap naar de jongste zoon, Daniel Hooft Jacobsz, en bleven onder hem berusten. Verder bevat het archief stukken van de volgende generaties van de familie Hooft van Woudenberg en Geerestein, welke heerlijkheden Jhr. H. D. Hooft in 1834 kocht. Door aankoop en schenking zijn nog enkele stukken van andere leden van de familie Hooft in dit archief gekomen, waaronder stukken van de tak Hooft van Vreeland, die stamde uit de oudste broer van Hendrik Daniel Hooft, Jacob Hooft van Vreeland. Tenslotte zijn nog wat stukken van de voorouders Warin en Muilman, tot welke families de vrouwen van Jacob Hooft en Hendrik Daniel Hooft behoorden, in dit archief bewaard. Andere archieven Hooft. Volledigheidshalve wil ik hier nog iets vertellen over archiefbestanddelen Hooft, voorhanden in andere archieven. Een vierde archief, waarin stukken van de familie Hooft terecht zijn gekomen, is het reeds genoemde archief Hoeufft van Velsen op het Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage. Men moet hier twee gedeelten Hooft onderscheiden. Door het huwelijk van Susanna Isabella Hooft (dochter van Mr. Hendrik Hooft en Barbara van Essen) met Pompeus Hoeufft in 1744 kwamen een aantal stukken betreffende de families Hooft en van Essen in het familie- archief Hoeufft en door het huwelijk van hun zoon Mr. Hendrik Hoeufft met Margaretha Lievina Geelvinck in 1775 kwamen daarna weer een aantal stukken van haar kinderloos overleden zuster Agnes Maria Geelvinck, getrouwd met Daniel Hooft Gerritsz in dit archief. Het is goed om nog een aantal stukken uit dit archief te vermelden, die eveneens door Margaretha Lievina Geelvinck werden aangebracht, daar ook deze in nauw verband staan met de familie Hooft. In 1747 trouwden haar ouders, Mr. Nicolaas Geelvinck en Maria Margaretha Corver. Zij was weduwe van Jan Hooft en uit dat eerdere huwelijk stamde de familie Corver Hooft. Stukken betreffende de families Geelvinck en Corver gingen alle naar de familie Hoeufft. Bij Jhr. H. J. P. Hooft Graafland te Zeist berusten tenslotte de archieven ” van zijn voorouders Hooft, en wel van het echtpaar Hendrik Hooft en Susanna Adriana Hasselaer, wier dochter Hester met Joan Graafland trouwde, en van het echtpaar Gerrit Hooft en Hester Hinlopen, de grootouders van de bovengenoemde Hester. Ook vele voorwerpen uit deze familie Hooft zijn in bezit van Jhr. H. J. P. Hooft Graafland. De families Hooft Hasselaer (gesproten uit een tweede dochter) en Hooft van Iddekinge (gesproten uit een dochter Graatland) hebben geen archieven Hooft. Op kasteel Twickel te Delden zijn door de dochter Hester van de beroemde Henrik Hooft Danielsz een aantal voorwerpen uit de familie Hooft bewaard. Archieven Hooft bleken daar echter niet te berusten. Tenslotte moet ik in verband met de familie Hooft nog iets vertellen over twee heerlijkheidsarchiefjes. Op het Rijksarchief te Utrecht berust een archief van leden der geslachten Reael en Hooft als heren van Vreeland en van Nichtevecht en als erfmaarschalken van Gooiland. Dit archief is in 1927 door de eigenaar, Jhr. Gerrit Maurits Gustaaf Hooft van Vreeland te Parijs, in bewaring gegeven. De ambachtsheerlijkheid Vreeland werd in 1631 door de Staten van Utrecht gecre¨eerd ten behoeve van Godard van Reede, heer van Nederhorst, en in 1694 verkocht aan Pieter Reael, die reeds heer van Nichtevecht was. Na de dood van zijn zoon Jan Reael kwam de heerlijkheid Vreeland aan diens zwager Mr. Daniel Hooft en bleef tot op heden in deze familie. Toen in 1926 de tak Hooft van Vreeland uitstierf kwam de heerlijkheid aan een jonger lid van de tak Hooft van Woudenberg, de bovengenoemde Jhr. Gerrit Maurits Gustaaf Hooft. Behalve stukken omtrent benoemingen en eigendommen van de families Reael en Hooft te Vreeland vindt men in dit archief ook charters, van 1363 af, betreffende de stadsrechten van Vreeland, daar de stad in 1635 aan de ambachtsheer haar recht tot aanstelling van een baljuw verkocht. Mr. Hendrik Hooft in 1707, zijn neef Gerrit Hooft in 1708 en diens zoon Daniel Hooft in 1717 kochten porti¨en in het erfmaarschalkambt van Gooiland en in de koptienden. Daniel Hooft liet zich hiermee in 1717 belenen door de abdis van Elten. Deze kwamen na zijn dood in 1750 aan zijn oudste zoon, Daniel Hooft, evenals de heerlijkheid Vreeland. Zijn weduwe vermaakte de heerlijkheid aan haar mans neef Jacob Hooft, de drie porti¨en aan haar zuster, de reeds genoemde Margaretha Lievina Geelvinck, getrouwd met Mr. Hendrik Hoeufft. Hun kleinzoon, Mr. Henrik Hoeufft van Velsen, gaf zijn archief betreffende het maarschalkambt in bewaring aan notaris Perk te Hilversum. Thans berust dit in het Gooisch Museum te Hilversum (vergelijk Dr. A. C. J. de Vrankrijker “Naerdinclant”, den Haag 1947, 13-21). Ook dit archief bevat een aantal stukken betreffende de familie Hooft. De heerlijkheden Geerestein en Woudenberg werden in 1834 het eigendom van Jhr. Hendrik Daniel Hooft en zijn sedertdien op de oudste van het geslacht overgegaan. De tegenwoordige heer bewaart de archieven van beide heerlijkheden en van de ridderhofsteden Geerestein en Groenewoude in het rechtshuis te Woudenberg. Daarin vindt men uiteraard heel wat stukken betreffende de eigendommen van de familie Hooft in deze streek. Ik wil niet eindigen alvorens nog een korte beschouwing aan de verdere familie Hooft en hun archieven te wijden. Oudere stukken betreffende dit geslacht vindt men in alle hiervoren opgesomde archieven vrijwel niet. In het archief Hoeufft bevinden zich enkele stukken van de familie Houtloock, een aangetrouwde familie, uit het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw en in het archief Hooft van Woudenberg een aantal brieven van Henrick Hooft en Maria van Walenburgh uit het midden van de 17de eeuw, die echter zijn aangekocht met een aantal andere stukken, die ik daarom bij elkaar heb ge- laten bij de ordening. Zoals algemeen bekend vertelt de familielegende, dat de eerste Hooft, Willem Jansz, met zijn zeven zonen, allen schippers, door de Sont voer en daardoor de aandacht van de koning van Denemarken op zich vestigde. De vijfde zoon, Pieter Willemsz Hooft, is vooral van belang voor het nageslacht. Zijn derde zoon, Cornelis, was de vader van de beroemde Pieter Cornelisz Hooft, wiens papieren voor het overgrote deel op de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam berusten. De hiervoor behandelde families Hooft stammen alle uit de vierde zoon van Pieter Willemsz Hooft, namelijk Willem Pietersz Hooft, met wiens kleinzoon Hendrick de op het eind van dit deel afgedrukte stamboom begint. Waar de archieven van deze tak, die her en der verspreid raakten, thans berusten, kon ik in de inleiding grotendeels vaststellen. Een eventueel archief van de familie Corver Hooft, welke op het einde van de vorige eeuw uitstierf, kon ik niet achterhalen, evenmin als de latere papieren van de in 1910 uit- gestorven Haagse tak van de familie, die echter voor Amsterdam weinig belang kunnen hebben. De naam Hooft. Van ouds al blijken personen, die deze veelvuldig voorkomende naam droegen, ernaar gestreefd te hebben te bewijzen, dat zij tot dit beroemde geslacht behoorden, waarschijnlijk voornamelijk van wege de faam, die uitging van de beroemde drost van Muiden. Een Doopsgezind geslacht Hooft, dat niets met deze familie Hooft te maken had, is er zelfs in geslaagd door de familie zelf als zodanig te worden erkend. De tweede zoon van de bovengenoemde Pieter Willemsz Hooft, genaamd Gerrit Pietˆersz Hooft, trouwde in 1571 Neeltje Grauwert van Emden. Hij was Doopsgezind net als de ouders van Pieter Comelisz Hooft. Hun zoon Jan Gerritsz Hooft (vergel. Biografisch Woordenboek) huwde in 1606 Marritje Jansdr. en uit hun huwelijk werd o.a. een zoon Jan geboren. Deze Jan deed een huwelijk tegen de zin van zijn ouders. Hij trouwde Mooie Jobje of wel Jobje Reyniers, van wie de 17de eeuwse stambomen zeggen, dat zij “een hoer” of “een slecht wijf” was, zonder enige nadere berichten over dit echtpaar of hun kinderen te geven. Ik kan daaraan nog toevoegen, dat het paar op 10 maart 1641 te ’s-Gravenhage in ondertrouw ging, dat Jan Jansz Hooft al op 23 september 1645 in de Oude Kerk werd begraven en een kind achterliet. Mooie Jobje trouwde nog tweemaal, in 1646 met de soldaat te water Lievinus Vaentkens en in 1663 met de vrij bekende schilder van vogels en dieren, Matheus Bloem. Op de 18de eeuwse stambomen krijgt het echtpaar Hooft-Reyniers plotseling een grote nakomelingschap, bestaande in een zeer geziene Haarlemse, later Amsterdamse Doopsgezinde familie. Om tot de familie van de drost te kunnen behoren hebben zij Mooie Jobje, de hoer, op de koop toe genomen, wier beroep overigens voortaan op de stambomen zorgvuldig wordt verzwegen. De genealogie van deze aanvankelijk eenvoudige, later aanzienlijke Doopsgezinde familie verschafte mij mijn broer, Mr. P. van Eeghen: I. Jan Jansz Hooft, geb. Haarlem, verm. begr. Grote Kerk Haarlem 22 oktober 1709, verm. zoon van Jan Hooft, smalwerker (acte not. J. Schoudt 8 oktober 1644), tr. 1. Haarlem 18 april 1649 Sanneken de Wilde, geb. Haarlem, dochter van Jacob en Mayken van Lansbergen, tr. 2. Haarlem 7 februari 1666 Jacomijntie Pieters Daems, geb. Haarlem, weduwe N.N., venn. begr. Grote Kerk Haarlem 9 januari 1692, dochter van Pieter Joosten en Mayken Joosten de Haan. Uit het eerste huwelijk: II. Jacob Hooft, geb. Haarlem 1651/52, koopman, Grote Kerk Haarlem 20 februari 1699, tr. (ondertr. Amsterdam 4 januari 1676) 17 januari 1676 Jacomijntie de Haan, geb. Haarlem 1645/46, begr. Westerkerk Amsterdam 9 augustus 1704, dochter van Abraham en Janneken Keysers. Uit dit huwelijk: III. Jan Hooft, geb. Haarlem 1683/1684, stoffenkoopman te Amsterdam, begr. Westerkerk Amsterdam 22 mei 1739, tr. Amsterdam 9 oktober 1708 Anna Raven, geb. Amsterdam 1683/84, begr. Westerkerk Amsterdam 2 oktober 1734, dochter van Dr. Abraham en Margaretha Verduyf. Uit dit huwelijk vijf dochters, getrouwd met Hoorens en Willink, van der Vliet, Oortman, Antwerpen Verbrugge en Hartsen (hieruit Hooft Hartsen). Het is gezien de leeftijden geheel onmogelijk, dat de Haarlemse Jan Jansz Hooft het kind van de Amsterdamse Jan Jansz Hooft en Jobje Reyniers was. De gedrukte huwelijkszangen betreffende deze Doopsgezinde familie Hooft in het archief Hooft van Woudenberg zijn stellig later verworven en ik heb deze dan ook gerangschikt onder niet verwante families Hooft. Een dochter, die de stamboom Hooft nog aan Jan Jansz Hooft en Jobje Reyniers toeschrijft, namelijk Maria Hooft, getrouwd met Hendrik van Heyst, was wel een lid van de bekende familie Hooft, maar de dochter van Pieter Gerritsz Hooft en Wijntgen Schouten, de eveneens Doopsgezinde tweede zoon van Gerrit Pietersz Hooft. Een tweede dochter, die de stamboom Hooft nog aan Jobje geeft, Jannetje Jansdr. Hooft, getrouwd met N. van Vollenhoven, is waarschijnlijk geheel gefingeerd. Wel tot de bekende familie Hooft behoorde nog de schoondochter van Joost van den Vondel, Baertgen Hooft, namelijk tot de Rooms-Katholieke tak, die stamde uit de jongste van de zeven zonen van Willem Jansz Hooft. De jongste zoon van de derde zoon van dezeWillem, genaamd Claes Pietersz Hooft, was volgens mededeling van de 17de eeuwse genealoog Mr. Gerrit Schaep Pz. getrouwd “in troubele tijden met een boerin tot Ouderkerk, daeraf noch sommige descendenten ende welhebbende luyden sijn”. Uit deze tak zouden dus nog nakomelingen kunnen bestaan, die de naam Hooft dragen. Over hen is echter tot nog toe niets bekend geworden. Vroegere en tegenwoordige ordening In geen van de drie archieven was enige ordening. De verschillende familie- archieven waren al van ouds gedeeltelijk door elkander gemengd en moesten daarom bij een nieuwe ordening zorgvuldig worden gescheiden. Enkele stukken betreffende aangetrouwde families, welker aantal zo gering was, dat zij niet als een apart familie-archief konden worden beschouwd, zijn opgenomen bij de persoon, door welke zij in het familie-archief kwamen. De genealogie¨en zijn ondergebracht in afdeling A (Stukken van algemene aard) in de archieven Heshuysen en Hooft van Woudenberg; in het kleine archiefje Hooft waren geen stukken van dergelijke aard, zodat daar deze afdeling niet aanwezig is en afdeling A hier gelijk aan afdeling B bij de andere archieven is. In die afdelingen B (Stukken betreffende afzonderlijke families en personen) spreekt de indeling voor zichzelf. Bij personen, wier inventaris door het grote aantal der stukken te onoverzichtelijk zou worden, is een onderverdeling in rubrieken gemaakt. Dezelfde volgorde, zonder vermelding echter van rubrieken, is ook bij de andere personen in acht genomen. Stukken betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van een bepaald persoon zijn, hoewel uiteraard niet van deze persoon afkomstig, toch opgenomen onder de stukken, die op hem betrekking hebben, daar zoals duidelijk is een andere plaatsing bijna steeds moeilijkheden met zich zou meebrengen. Alleen in geval bij een dergelijke afwikkeling uitdrukkelijk wordt vermeld ten behoeve van welke persoon deze stukken zijn opgesteld, is hiervan afgeweken. Stukken betreffende handelszaken, waarin meer dan ´e´en lid van de familie deelnamen, en beleggingen zijn achter de laatst behandelde van alle familieleden geplaatst. Speciaal moeten wij er hier op wijzen, dat in deze afdeling werd afgeweken van de gebruikelijke methode om een verdeling in personalia en realia te maken. De nadelen ener splitsing in personalia en realia bleken groter dan de voordelen, waar het hier regenten-families betreft, die betrekkelijk weinig en slechts gedurende korte tijd achtereen vaste goederen hebben bezeten. Daarom zijn dan ook in deze inventaris de stukken, die betrekking hebben op vaste goederen bij de personalia ondergebracht. Slechts een enkele uitzondering is gemaakt. In afdeling C (Stukken betreffende verschillende niet nader te onderscheiden families en personen) bij het archief Heshuysen vindt men de stukken betreffende het Rapenhofje, het fonds de Witte Hond en de familiegraven. In het archief Hooft vindt men deze afdeling onder B en daarin de stukken over het bezit in de Beemster, terwijl in het archief Hooft van Woudenberg deze afdeling niet voorkomt. De laatste afdeling van de drie archieven, respectievelijk D en C (Stukken waarvan de samenhang met het archief niet is gebleken), eist geen nadere toelichting. Bijlage Als bijlage volgen de stambomen van de verschillende families, waarvan de archieven geheel of gedeeltelijk in de familie-archieven Heshuysen, Hooft en Hooft van Woudenberg zijn bewaard. Deze stambomen zijn niet volledig. In principe zijn slechts opgenomen de personen, van wie stukken zijn bewaard. Een nummer achter de naam, voorafgegaan door He. ( =Heshuysen), Ho. (=Hooft) of A. (=Appendix, Hooft van Woudenberg), verwijst naar het nummer, dat zij in het archiefhunner familie hebben. Enkele personen, van wie slechts toevalligerwijze stukken in de familie-archieven berusten, komen op deze stambomen niet voor, daar zij tot een andere tak van de behandelde families behoren. Men doet goed als aanvulling op deze stambomen het werk van J. E. Elias, De Vroedschap van Amsterdam (1903 en 1905), te raadplegen en de genealogie van J. A. Alberdingk Thijm en A. A. Vorsterman van Oyen, Het geslacht Hooft, eene genealogie; uit ongedrukte bescheiden opgemaakt en met vele levensbizonderheden gestoffeerd (1881), welke laatste echter vele onjuistheden bevat. Voor zover dit mogelijk was, zijn de hier afgedrukte stambomen, die grotendeels ontleend zijn aan oude stambomen in het familie-archief en aan Elias’ bovengenoemd werk, gecontroleerd met behulp van de retroacta van de Burgerlijke Stand te Amsterdam en Breda. Hierbij zijn enkele vergissingen aan het licht gekomen, waardoor men enige afwijkende opgaven kan aantreffen. De doopinschrijvingen van v´o´or 1706 konden te Amsterdam echter niet worden nagegaan, tenzij de datum bekend was, daar deze nog niet zijn geficheerd.
Geschiedenis archiefvormerI. De familie Van Wassenaer-Duvenvoorde De familie Van Wassenaer stamt af van een zekere Kerstant zonder toenaam, die genoemd wordt in teksten van 1167 tot 1189. Hij bekleedde als dapifer een van de vier hofambten van de graaf van Holland. De dapifer of seneschalk was het hoofd van de hofhouding en had een taak bij het beheer van het grafelijk domein. Ruimschoots na de verdwijning van de functie in de bronnen werd deze functionaris drost genoemd, zodat hij ook een gerechtelijke taak moet hebben gehad . De drost of baljuw was immers de plaatsvervanger van de landsheer voor diens hoge heerlijkheid. De intrede van de familie Van Wassenaer in de Hollandse geschiedenis was er dus een op hoog niveau. Deze positie zou gehandhaafd en wellicht uitgebouwd worden in de volgende generaties. Kerstants zoon Filips van Wassenaer (1200-1223) had bij zijn verschijning in 1200 blijkbaar het goed Wassenaar verworven, waarnaar hij zich vervolgens noemde. Ook hij had een positie in de nabijheid van de Hollandse graaf maar in tegenstelling tot zijn vader werd hij niet genoemd als hoffunctionaris. Volgende generaties in rechte lijn bleven zich nadien Van Wassenaer noemen. Werden echter nieuwe takken gesticht, dan veranderde de naam. Zo ging de jongere broer van Filips van Wassenaer zich naar zijn bezit Raaphorst Dirk van Raaphorst (1221-1227) noemen. De jongere zoon van Filips van Wassenaer noemde zich aanvankelijk van 1215 tot 1220 Filips van Wassenaer maar in 1221 Filips van Duvenburg en daarna Filips van Duvenvoorde. Daaruit mag men afleiden, dat Filips in 1221 het goed Duvenvoorde bij broederdeling had verkregen. Hij hield dit goed samen met het huis erop van de heer van Wassenaar in leen. Het eerst bleek de leenband in 1226, toen Dirk van Wassenaer en Bertha, zijn vrouw, bepaalden dat het goed dat Filips van Duvenvoorde en F., zijn vrouw, van hen hielden ook op een dochter kon erven bij gebrek aan een zoon. Omstreeks 1300 werd het leengoed nader omschreven: het was het huis Duvenvoorde met omstreeks 100 morgen daarbij. Huis en landgoed Duvenvoorde bleven in het vervolg de naam van de bezitter bepalen. Geruime tijd na de dood van Maria van Wassenaer, erfdochter van de oudste tak, in 1544 namen de overgebleven takken de oude naam in de eerste helft van de zeventiende eeuw weer aan. Johan van Duvenvoorde (1577-1645), bezitter van huis en landgoed en vertegenwoordiger van de oudste tak van Duvenvoorde, ging voorop. Hij was afstammeling van Filips van Wassenaer alias van Duvenvoorde in de twaalfde graad. De terugkeer naar de oude naam had alles van doen met de verkoop van het familiebezit, waarmee Lamoraal de Ligne, erfgenaam van de oudste tak Van Wassenaer, tijdens het Twaalfjarig Bestand was begonnen. De heerlijkheid Voorschoten verkocht hij in 1615 aan genoemde Johan van Duvenvoorde en de heerlijkheden Katwijk en Valkenburg aan derden. Jacob van Duvenvoorde van de tak Obdam wist in hetzelfde jaar huis en landgoed Zuidwijk te verwerven. Pas zijn zoon kocht in 1657 het naamgevende complex Wassenaar, waarmee het bezit van de oudste tak Van Wassenaer grotendeels was overgegaan op leden van de tak Van Duvenvoorde. Nu de familie De Ligne zich van het oude bezit der Wassenaers had losgemaakt, is de terugkeer van de familie Van Duvenvoorde naar de oude naam begrijpelijk. Haar afstamming moest ook gedocumenteerd zijn en hier komt het archief in zicht. Dat zal naar alle waarschijnlijkheid dezelfde stukken hebben bevat als in 1660, toen Daniel François Hagens de genealogie van de familie opstelde en voorzag van de bewijsstukken. Deze stukken tonen de afstamming van Duvenvoorde uit Wassenaer onomstotelijk aan, iets wat in Middeleeuwse genealogieën doorgaans veel moeite geeft. Was het in 1660 de adeldom van de familie, die erkend werd door de wapenkoning te Brussel, omstreeks 1850 werden van Willem Frederik Hendrik van Wassenaer (1820-1892) dezelfde bewijsstukken gevraagd voor zijn toetreding tot het adellijke genootschap Walhalla. Kort daarna liet Otto van Wassenaer (1795-1858) de genealogie opnieuw opstellen, vergezeld van dezelfde bewijsstukken, waarvoor hij elk van zijn vijf zoons een exemplaar bezorgde. Sinds in 1903 het Nederland's Adelsboek van start ging, is de stamreeks meermaals verkort en in 1923 meer uitgebreid met afbeeldingen behandeld. Overigens verscheen in 1903 ook de verhandeling van Obreen over de familie Van Wassenaer met alle zijtakken, dat sindsdien het standaardwerk voor de familie is gebleven. Wel publiceerde W.A. Beelaerts van Blokland sindsdien zijn indringende studies over de oudste generaties van de Wassenaers en Duvenvoorde's en verscheen onlangs een bijdrage over de tak Duivestein maar dit waren toch studies van gedeelten van de familie. II. Huizen en heerlijkhedenHet stamgoed, dat de familie aanvankelijk haar naam gaf, was het huis Duvenvoorde - later Duivenvoorde - in Voorschoten met een terrein van 100 morgen (ca. 80 hectare), dat leenroerig was aan de hoofdstam op de hofstede Wassenaar. Aangezien Filips van Duvenvoorde zich een eerste maal Van Duvenburg noemde, is het heel wel mogelijk dat Duvenburg de eerste naam van het huis was, die kort daarop gewijzigd werd in Duvenvoorde. Hoe dit zij, de vermeldingen van Filips wijzen erop dat het huis destijds bestond. Voorts wees bouwkundig onderzoek uit, dat de zwaarste en dus oudste bouwmaterialen gebruikt waren voor het middelste van de drie delen, waaruit het huis thans blijkens de opbouw van de gevel bestaat. Dit middendeel zal daarom aanvankelijk een afzonderlijke woontoren zijn geweest volgens de mode van de eerste helft van de dertiende eeuw. Indien dit juist is, zal er sprake zijn van nieuwbouw. In de woelige periode van de Loonse oorlog (1203-1204) na de dood van graaf Dirk VII (†1203) wordt wellicht eerder op het landgoed Duvenvoorde gezinspeeld. Partijganger van de aanstaande graaf Willem I was namelijk Filips van Wassenaer, daarentegen was Arnold van Rijswijk op de hand van gravin Aleid en de graaf van Loon. Arnold werd gevangen genomen maar na afloop van de oorlog vrijgelaten en in zijn goed hersteld. Wij nemen aan, dat daartoe ook Duvenvoorde behoorde. Of dit reeds toen voorzien was van een houten bouwsel, moet in het midden blijven maar toen Filips van Duvenvoorde het complex bij zijn huwelijk met F(lorentia van Rijswijk) verwierf, zal met nieuwbouw in steen niet geaarzeld zijn. In 1393 werd de toren waarschijnlijk ten dele afgebroken wegens de moord op Aleid van Poelgeest, waaraan Arent van Duvenvoorde († ca. 1425) medeschuldig werd gehouden. Bij de gevolgde herbouw zal de typische driedeling, die wij thans nog kennen, vermoedelijk tot stand zijn gekomen. Het volgende grote werk werd in 1631 uitgevoerd door Johan van Duvenvoorde alias Van Wassenaer (1577-1645), die het kasteel liet verbouwen volgens de smaak van zijn tijd. Eerder had hij twee panden aan de Kneuterdijk op de hoek van de Lange Voorhout aaneen laten smeden tot één huis, dat paste bij zijn stand. Schriftelijke gegevens betreffende nieuwbouw en onderhoud leverde het archief tot het einde van de zeventiende eeuw niet, de informatie moest van het bouwwerk zelf verkregen worden omdat rekeningen tot 1676 ontbreken. In dat jaar zet echter de reeks domeinrekeningen van Voorschoten in[3] , waarin ook de kosten van onderhoud aan het kasteel zijn opgenomen. In de negentiende eeuw werd het aanzien van de voorzijde gewijzigd met een brug naar ontwerp van de architect Donaldson. In de laatste oorlog werd het huis flink beschadigd, waarna een restauratie volgde, die in 1963 voltooid werd. Kasteel en inboedel waren inmiddels in een stichting ondergebracht en het kasteel als museum ingericht. Willem Lodewijk van Wassenaer (1744-1833) Zoon van Pieter van Wassenaer (CIII) en Anna Arnoldina van Boetzelaar. Hij werd in 1781 meesterknaap, in 1782 drost en stadhouder van Daelhem en Den Bosch, in 1786 hoofdingeland van Delfland, in 1787 curator van de universiteit van Leiden en baljuw en dijkgraaf van Rijnland, in 1793 houtvester van Holland en in 1780 gezant te St. Petersburg. Hij stierf ongehuwd. De heerlijkheid Wesenberg De stad Wesenberg, thans Rakvere, ligt in het noorden van Estland in de provincie Viru ongeveer halverwege tussen Tallinn en Narva. Vanaf de dertiende eeuw stond er een kasteel als Zweedse voorpost. Voor zijn diensten bij de vrede met Rusland in 1618 beleende de Zweedse koning Reinout van Brederode (1567-1633) met stad en heerlijkheid. Zijn nazaten deden het leen in 1669 over aan Frederik van Tiesenhausen, landraad van Estland.
Geschiedenis archiefvormerStudieLeonard de Gou werd op 22 december 1916 in Den Haag geboren. Zijn ouders waren Rooms-Katholiek en ook hij volgde hun sporen. Daarnaast toonde hij reeds in zijn gymnasiumtijd aan het Haganum belangstelling in archeologie door zelf opgravingen te verrichten in de voormalige Romeinse nederzetting in Ockenburg. In 1936 moest hij door ziekte zijn opleiding echter voltooien aan de Deutsche Ausland-Vollanstalt Fridericianum te Davos. Daarna studeerde hij Welthandel, rechten en wijsbegeerte aan de universiteiten van Wenen, Leuven, Leiden en Amsterdam, waar hij in 1941 zijn doctoraalexamen haalde. In 1943 promoveerde hij in Utrecht op een rechtshistorisch proefschrift over de Weeskamer van 's-Gravenhage. De geschiedenis van de Nederlandse instituties zou hem zijn leven lang bezig houden. In de oorlogHij vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij ook plaatsvervangend griffier aan de arrondissementsrechtbank werd en secretariaatswerkzaamheden verrichtte in verschillende (onder-)afdelingen van de "zelfstandige bedrijfsorganisatie" die in 1940 werd ingesteld tot regeling van het bedrijfsleven in Nederland (de zg. organisatie Woltersom). Gewaarschuwd door het verzet nam hij in 1943 afscheid van dat alles, omdat de Duitse bezettingsmacht voornemens was hem tot voorzitter van een op te richten Economische Raad aan te wijzen. Een bindende arbeidsovereenkomst werd voor hem noodzakelijk om de keuze tussen collaboratie of 'Arbeitseinsatz' te ontlopen; hij accepteerde een betrekking als referendaris aan de provinciale griffie in Drenthe. Daar werd hij actief in het culturele leven en had hij relaties met het verzet. Na de bevrijding publiceerde hij in het blad 'De vrije pers weekblad voor Drente van de voormalige illegalen'. Ook was hij betrokken bij de regionale geschiedenis, echter zonder in staat te zijn zijn studies te publiceren. Na de oorlogNa de oorlog werd hij actief in de partijpolitiek: hij geldt als een van de oprichters van de Katholieke Volkspartij, waar hij het initiatief nam tot een jongerenbeweging. In die kwaliteit had hij tot 1948 zitting in "de dagelijkse partijleiding", die periodiek in Den Haag vergaderde. Tot 1953 zat hij in het bestuur. Zijn verdere bijdrage tot de partij was de Nederlandse vertegenwoordiging in de Nouvelles Equipes Internationales, een gezamenlijke vergadering van partijen op Christelijke grondslag, die zich beschouwden als tegenhanger van de Socialistische Internationale. Ook was hij betrokken bij initiatieven voor de - mede door de Marshallhulp gestimuleerde - Europese samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de door de KVP-er P.A. Kersten mede georganiseerde Europese conferentie in Den Haag. In 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van het Noord-Brabantse Steenbergen, waar hij tevens zitting nam in de besturen van de daar werkzame waterschappen en enkele belangrijke verenigingen. Zo was hij betrokken bij het overleg over de waterwegverbinding tussen de Schelde en de Rijn, een kwestie die reeds vóór de oorlog een geschilpunt was tussen Nederland en België. Hij knoopte nauwe banden aan met het Franse Sedan, dat Steenbergen adopteerde als slachtoffer van de watersnood van 1953. Zijn kennis van het administratief recht paste hij toe door voor de Vereniging van Gemeenten te publiceren over de gemeentelijke bestuursorganen; zijn partij maakte van zijn kennis gebruik door hem te benoemen tot redacteur van het partijorgaan De gemeenteraad. In 1954 werd hij wegens zijn behartiging van West-Brabantse belangen voor de KVP verkozen in de provinciale staten van Noord-Brabant. Dit werd voor hem de opstap voor de verkiezing tot lid van de Eerste Kamer een jaar later. Deze uitverkiezing betekende meteen het einde van zijn activiteiten voor het partijbestuur; dit lidmaatschap was onverenigbaar met zijn rol als volksvertegenwoordiger. Nu diende het partijbestuur nog als relatie voor zijn sollicitaties, vooral toen hij zich als burgemeester van Steenbergen beijverde een hogere post te bereiken. Lid van de Eerste KamerAls Eerste Kamerlid specialiseerde De Gou zich in het defensiebeleid. Hij was in 1958 de woordvoerder voor de KVP toen deze partij via de Eerste Kamer met een motie van wantrouwen het ontslag afdwong van staatssecretaris F.J. Kranenburg wegens de indertijd beruchte "Helmenaffaire". Ook nam hij het op voor de Schelde-Rijnverbinding tegen F.C. Gerretson, een verklaard tegenstander, die reeds in 1924 in een comité met Mussert daartegen actie had gevoerd. Als Kamerlid had hij zitting in allerlei internationale delegaties, waaronder organen van de Benelux en de Europese Gemeenschappen - parlementen van deze organen werden toen niet rechtstreeks gekozen, maar afgevaardigd uit parlementen van de lidstaten -, de Raad van Europa, de West-Europese Unie en de NAVO. In 1962 leverde hij een bijdrage aan de vredesbesprekingen tussen Nederland en Indonesië inzake Nieuw-Guinea door zijn contacten met Indonesische familierelaties. In 1963 stelde De Gou zich niet meer herkiesbaar. Burgemeesterschap Venlo en HaarlemHij was inmiddels vanaf 1957 burgemeester van Venlo, dat sterke banden aanhaalde met enkele steden in de Duitse Bondsrepubliek. Dat lag in de visie van Venlo als internationaal knooppunt in het Europa zonder grenzen. Hartelijke relaties had De Gou met het Oostenrijkse Klagenfurt, welke samenwerking uitliep op de toekenning van het kruis van verdienste te Oostenrijk. Door Gedeputeerde Staten van Limburg benoemd in de provinciale planologische commissie en andere organen kon de Gou invloed uitoefenen op de ruimtelijke ordening en de infrastructuur van Noord-Limburg. Verder legde hij de grondslag voor een plaatselijk museumbeleid door de oprichting van het Goltziusmuseum, dat thans tot het Limburgs Museum is uitgegroeid. In 1969 werd De Gou benoemd tot burgemeester van Haarlem. In de hoofdstad van Noord-Holland legde hij zich meer en meer toe op het cultuurbeleid. In de stad was de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen gevestigd; waarvan hij achtereenvolgens directeur, bestuurslid en van 1979 tot 1985 voorzitter van het bestuur was. Als burgemeester haalde hij herhaaldelijk de landelijke pers door zijn uitgesproken stellingname voor decorum. Berucht werden zijn weigeringen tot het bijwonen van galavoorstellingen uit protest: omdat het volkslied niet werd gespeeld of het koninklijk huis zou zijn gekwetst[1]. Hij trad terug als president-regent van het Elisabeth-gasthuis toen bleek dat de toen nog illegale abortus de gynaecologische afdeling tot de financieel sterkste afdeling van het ziekenhuis maakte. Aan strafbare feiten wilde hij niet meewerken; hij geloofde in democratie, maar niet in gedoogbeleid. In 1974 zegde hij - evenwel eerst nadat hij tot driemaal toe getracht had daarover met het bestuur der K.V.P in discussie te gaan - zijn partijlidmaatschap op wegens de steun van de fractie aan de Machtigingswet van het kabinet-Den Uyl, In 1976 was hij om gezondheidsredenen genoodzaakt af te treden als burgemeester van Haarlem; het jaar daarop nam hij afscheid. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte[1]. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken.
Geschiedenis archiefvormerVan het geslacht Vollenhoven, waarvan hierna de inventaris van het familiearchief gegeven wordt, is de oudst bekende stamvader Jan Hendricksz.,als wiens achternaam in een handschrift betreffende doopsgezinde geslachten, indertijd door W.J.J.C. Bijleveld gebruikt, en bij een wapenafbeelding in het archief (De) Hertoge of (De) Hartog wordt opgegeven. Hij was circa 1654 geboren te Vollenhove en werd doopsgezind lidmaat te Amsterdam op 22 sept. 1675 -waarschijnlijk is hij op die datum niet gedoopt maar als lidmaat ingekomen-; zijn beroep was grijn- en sijlakenwerker en hij overleed te Amsterdam 17 okt. 1727, waarna hij op 22 okt. d.a.v. in de Nieuwe Kerk werd begraven. Hij is tweemaal getrouwd geweest: 1 maal te Amsterdam (stadhuis) (bij zijn ondertrouw geassisteerd met zijn broer Sievert Hendrickx) 2 dec. 1675 met Sijtje Gerrits, geboren te Dokkum circa 1647, begraven te Amsterdam (Karthuizerkerkhof) 14 april 1679; 2e maal te Amsterdam (stadhuis) 30 aug. 1679 met Elisabeth Rombouts Gerritsdochter, geboren aldaar circa 1647, begraven te Amsterdam (Karthuizerkerkhof) 29 jan. 1720. Zijn nageslacht behoorde tot de Amsterdamse doopsgezinde kooplieden en huwde dienovereenkomstig. Mr. Hendrik Vollenhoven (1753-1826), achterkleinzoon van de stamvader, was de eerste van zijn geslacht, die een academische opleiding genoot en openbare functies bekleedde; hij was gehuwd met Catharina Johanna van Beeck, de laatste telg van een uitgebreid doopsgezind geslacht, dat oorspronkelijk een rol speelde in het stadsbestuur van Venlo. Van hun zes zonen hadden er slechts drie nageslacht. De oudste zoon, Mr. Cornelis Vollenhoven (1778-1849) was secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken, en liet o.a. een dochter en een zoon, Mr. Hendrik Vollenhoven (1816-1889), mede bekend door zijn geschiedkundige publicaties, na, die beiden ongehuwd overleden. De tweede zoon was Jacob van Beeck Vollenhoven (1780-1834), wiens tak in 1943 in mannelijke lijn uitstierf, maar die in vrouwelijke lijn nog voortleeft. Van zijn nageslacht valt onder anderen op zijn zoon Dr. Hendrik van Beeck Vollenhoven (1811-1871), die eerst geneesheer en vervolgens koopman te Amsterdam was; daarnaast werd hij lid van de Tweede en van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. van welke laatste instelling hij van 1870 tot zijn door voorzitter was. De derde zoon van het echtpaar Vollenhoven - van Beeck was Johannes Vollenhoven (1787-1820), die behalve een dochter, een zoon Hendrik Cornelis Vollenhoven (1816-1841) naliet, bekend geworden door zijn werk als litterator; deze liet slechts een dochter na. De genealogie der familie Vollenhoven is gepubliceerd in Nederlands Patriciaat, jaargang 11 (1920), pag. 332 sqq. en jaargang 55 (1969). Een overzicht van de in deze inventaris voorkomende leden van het geslacht Vollenhoven en aanverwante geslachten en hun onderlinge verwantschap treft men in een Bijlage van deze inventaris aan. Tenslotte kan nog melding worden gemaakt van de mogelijkheid, dat het geslacht Vollenhoven verwant is met het Hongaarse geslacht Von Czany (Hongaarse adel 23 nov. 1758, bekendgemaakt in het comitaat Pest 1759), dat van Hollandse oorsprong schijnt te zijn, oudtijds Volnhowen heette en een soortgelijk wapen voert. Gezien het feit dat het geslacht Vollenhoven pas sinds zijn vestiging in Amsterdam in of voor 1675 zijn achternaam zal hebben aangenomen, is de kans op verwantschap natuurlijk wel uitermate gering te noemen. Het wapen van het geslacht Vollenhoven is: doorsneden van rood en zilver, het rood beladen met een gaande leeuw van zilver, gekroond van goud , getongd en genageld van rood; op het schild een gekroonde helm; helmteken: de leeuw uitkomend; dekkleden: zilver en rood. De tak Van Beeck Vollenhoven voert: gevierendeeld; I en IV het bovenbeschreven wapen Vollenhoven; II en III: van goud met een zwart Sint Andrieskruis; twee helmen rechts als bij Vollenhoven; links: helm met wrong dekkleden van goud en zwart; helmteken: een zilveren brakkekop en hals, rood getongd, de hals beladen met een zwart Sint Andrieskruis (Van Beeck). In dit verband kan worden opgemerkt, dat in het bezit van de familie verschillende zegelstempels en -ringen zijn, waarin het wapen Vollenhoven in het Iie en IIIe kwartier staat en Van Beeck in het 1e en Ive; de helmen zijn hier dan ook omgedraaid. Het wapen Van Beeck komt hier ook voor met een uitgestulpte rand van onbekende kleur over of onder het kruis. Het helmteken Vollenhoven is soms drie pluimen. Er is zelfs één zegelstempel (van Engelse makelij), dat dit wapen vertoont met drie helmen, waarvan de middelste als helmteken deze drie pluimen heeft.
Geschiedenis archiefvormerHet Bureau van de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten werd in 1949 bij Koninklijk Besluit ingesteld. De directeur was de Rijksinspecteur én het hoofd van de Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen (DRVK). Deze dienst was ondergebracht bij het Bureau van de Rijksinspecteur. De heer D.F. Lunsingh Scheurleer was van 1949-1973 de Rijksinspecteur. In 1973 werd deze functie overgenomen door de heer drs. R.R. de Haas. Het Bureau van de Rijksinspecteur heeft onder verschillende ministeries geressorteerd; achtereenvolgens onder het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, vanaf 1965 onder het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk en sinds 1982 onder het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. In 1973 werd R.R. de Haas Rijksinspecteur en directeur van de DRVK. Hij hief de scheiding tussen de twee diensten op. In 1975 is het Bureau van de Rijksinspecteur opgeheven, maar de functie van Rijksinspecteur bleef tot 1996 bestaan. De Dienst Verspreide Rijkscollecties (sinds 1975 de naam van de vroegere DRVK) fuseerde in 1985 met de Nederlandse Kunststichting en het Bureau Beeldende Kunst Buitenland tot de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK). In 1997 fuseerde de RBK met de Opleiding Restauratoren en het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap tot het Instituut Collectie Nederland. Het Bureau voor de Rijksinspecteur legde de fysieke toestand van collecties van musea en andere kunstinstellingen vast en registreerde de collecties. Het inventariseerde echter niet de collecties van rijksmusea. Het Bureau hield dus toezicht op het behoud van kunstvoorwerpen. Een deel van deze foto-collectie is in dit kader tot stand gekomen. Daarnaast leende het Bureau kunstvoorwerpen uit de collectie van het Rijk uit om overheidsgebouwen van decoratie te voorzien. Tevens werden deze voorwerpen uitgeleend ten behoeve van tentoonstellingen. Onder de te inventariseren voorwerpen werd verstaan: Rijksaankopen moderne kunst sinds 1932; Schenkingen en legaten die sinds 1935 waren ondergebracht bij het Centraal Bureau voor de Genealogie te Den Haag; Na 1945 gerepatrieerde kunstvoorwerpen uit het bezit van de Staat der Nederlanden die werden ondergebracht bij de Stichting Nederlands Kunstbezit; Kunstvoorwerpen die door de Contraprestatie (1949-1956) en de Beeldende Kunstenaarsregeling (1956-1987) in rijksbezit waren gekomen; Voorwerpen die onder het oude rijksbezit vielen, maar niet tot de collectie van een rijksmuseum behoorden. Daarnaast organiseerde het Bureau vanaf 1954 tentoonstellingen op scholen, vanaf 1955 rustte ook het organiseren van reizende tentoonstellingen op de schouders van de medewerkers van het Bureau. Op deze manier moesten respectievelijk scholieren en inwoners van Nederland die moeilijk toegang hadden tot kunstinstellingen, in aanraking komen met kunst. Tussen 1956 en 1985 zijn er 72 tentoonstellingen georganiseerd. Verder verwierf de DRVK kunst om overheidsgebouwen aan te kleden, zowel door schenkingen als door aankoop. Vanaf 1973 werden de inspanningen om kunst te verwerven vergroot. In de jaren tachtig werd vooral kunst verworven waarvan een lacune bestond in de rijkscollectie. Ook ontplooide het Bureau van de Rijksinspecteur verschillende activiteiten voor (buitenlandse) ingewijden in de kunstwereld om de kennis over Nederlandse musea, Nederlandse kunst en het behoud van museumobjecten te vergroten. Voorbeelden hiervan zijn de Kunstweken en de museumcursus zijn. De Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten voorzag de minister en kunstinstellingen van advies. De Rijksinspecteur was secretaris van de Rijkscommissie voor de Musea. Deze commissie adviseerde de minister over subsidieverzoeken van musea, alsmede over aankoopsubsidies voor kunstvoorwerpen. Vanaf 1988 was door herziening van de Monumentenwet de functie van Rijksinspecteur niet meer te combineren met het secretariaat van de Rijkscommissie voor de Musea. Van 1946 tot 1980 publiceerde de Rijksinspecteur de gegevens over de Rijkscommissie in het jaarverslag van het Bureau van de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten. Tenslotte inspecteerde de Rijksinspecteur kunstvoorwerpen in Nederland en gaf advies over het behoud van voorwerpen, met name aan kleine en middelgrote culturele instellingen. Daarnaast gaf hij advies aan beheerders van monumenten, zoals kastelen over het behoud. Het Bureau maakte ter documentatie foto's van (zalen van) musea en monumenten. Aan de minister bracht de Rijksinspecteur verslag uit over het beheer van kunstvoorwerpen.
Geschiedenis archiefvormerDe oudste geschiedenis van de familie Veegens is op een levendige manier beschreven in de "Herinneringen uit het begin dezer eeuw" door de negentiende-eeuwse historicus Daniel Veegens. Te zijner nagedachtenis werd zij, fragmentarisch als zij was, opgenomen in een bundel Historische Studiën, die kort na zijn overlijden in 1884 werd uitgegeven. In 1979 voltooide zijn kleinzoon mr D.J. Veegens een handgeschreven genealogie onder de titel Vier eeuwen Veegens, waarin van de voornaamste personen levensbeschrijvingen zijn opgenomen. De eerste Veegens waarvan papieren bewaard zijn gebleven, is Dirk (1723-1797), gereformeerd predikant in Ilpendam, Vlissingen en Haarlem, die naast zijn herderlijk ambt ook letterkundige arbeid verrichtte. Zijn zoon Dirk (1762-1801) vestigde zich als arts in Haarlem en zou daar een gezagvolle notabele zijn geworden, als hij niet vroegtijdig aan een tyfus-epidemie was bezweken. Zijn echtgenote, Johanna Wilhelmina Vijgh (1772-1806), hertrouwde kort daarop met Pieter Hamminck Schepel, adjudant van Daendels. In 1806 stierf zij in het kraambed. Haar man kwam in 1812 om tijdens de veldtocht van Napoleon naar Rusland. Haar vroeg verweesde kinderen kwamen nu onder de zorg van haar moeder, Maria Vriends, weduwe van de boekdrukker Daniël Vijgh (1748-1793). Daniël was afkomstig van een oorspronkelijk doopsgezinde familie, waarvan de nakomelingen in de achttiende eeuw zich toelegden op de letterkunde en zich aansloten bij de patriotten. De eruditie van deze familie was van grote invloed op de opvoeding van de kinderen Veegens. De oudste, Dirk Jacob Veegens (1798-1861), kandidaat in de letteren, brak zijn studie af om praeceptor te worden aan de Latijnse school in Haarlem. In 1846 werd hij rector aan de Latijnse school van Amsterdam. Hij beschikte over een brede kennis op allerlei gebied, promoveerde in 1839 op een klassiek onderwerp, maar had dat evengoed in de rechten kunnen doen. Van belang van de kennis van zijn leven en zijn opvattingen zijn vooral de brieven aan zijn broer Daniel. 2. Daniel Veegens Reeds vroeg verweesd werd Daniel Veegens vanaf 1806 door zijn grootouders van moederszijde, de boekdrukkersfamilie Vijgh, opgevoed. Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1813 begon hij zijn loopbaan als notarisklerk. In 1820 trad hij echter in dienst als klerk bij de hoofdinspectie van het lager en middelbaar onderwijs. Sedertdien reisde hij vaak met schoolinspecteur A. van den Ende mee naar de Zuidelijke Nederlanden. Op 1 januari 1828 werd hij op proef aangenomen in de redactie van de Nederlandsche Staatscourant; officiële aanstelling volgde bij beschikking van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 9 februari 1828, nr. 1, geheim. Doordat zijn benoeming eerst bij Koninklijk Besluit van 14 september 1836, nr. 28, bekrachtigd werd, was dit lange tijd een functie met een onzekere rechtspositie. In maart 1847 benoemde de Tweede Kamer hem tot griffier. In deze functie vergrijsde hij, tot hij zich op 81-jarige leeftijd om gezondheidsredenen terugtrok. Hij werd in de Kamer een alom geachte en vertrouwde persoonlijkheid, op wie men achter de schermen vaak een beroep deed. In het jaar van zijn ontslagname, 1881, werd hem door de Utrechtse universiteit het eredoctoraat in de rechten toegekend. Veegens had zich namelijk, geïnspireerd door de eruditie van de boekhandelsfamilie Vijgh en door de wetenschappelijke loopbaan van zijn broer Dirk Jacob, in zijn vrije tijd aan de geschiedschrijving gewijd. In tal van tijdschriften publiceerde hij artikelen over historische persoonlijkheden, voornamelijk uit de tijd van Frederik Hendrik en Johan de Witt. Verder beoefende hij op dusdanige wijze de historische topografie, dat hem in 1879 door het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid werd opgedragen een officiële beschrijving van de Hofkapel in het Haagse Binnenhof samen te stellen. Op 28 april 1884 overleed Veegens, waardoor hij tal van geschiedkundige werken onafgeschreven moest laten. 3. Jacob Dirk Veegens Op 22 januari 1845 werd Jacob Dirk Veegens in Den Haag geboren als zoon van Daniël en Anna Maria van Baalen. Na een schoolopleiding aan het Gymnasium Haganum schreef hij zich in 1863 in aan de faculteit der rechten aan de Leidse universiteit. Daar bleek hij, door zijn redacteurschap van de studentenalmanak en zijn bemoeienis met het novitiaat in het Corps, een actief student met essayistische begaafdheden te zijn. In debatingclubs toonde hij zich een enthousiaste leerling van de econoom S. Vissering, bij wie hij in 1868/69 promoveerde over "De banken van leening in Noord-Nederland". Na zijn studie was hij correspondent in de Tweede Kamer voor het Haagse dagblad Het Vaderland, dat toen onder redactie stond van zijn geestverwant H. Goeman Borgesius. Hij beëindigde zijn werkzaamheden bij dit blad in 1872, omdat hij zich toen als advocaat en procureur in Brielle vestigde. Niettemin bleef hij de plaatselijke kranten van parlementair commentaar voorzien, waarbij hij vooral van leer trok tegen de conservatieve regeringspartij. In 1874 vestigde hij zich wederom in Den Haag, waar hij naam begon te maken als politiek essayist en rechtsgeleerde: hij publiceerde enkele kleine monografieën over het auteursrecht en het faillissementsrecht, en artikelen over de Franse Revolutie, waarin hij de personen en politieke opvattingen van de Jacobijnen besprak. In 1873 publiceerde hij een soort program in De Gids onder de titel Politieke Gedachten van een Leek. Hij schaarde zich hiermee onder de prominente jong-liberalen, die vanaf 1874 een eigen spreekbuis hadden in het maandblad Vragen des Tijds. De scherpe literaire criticus Busken Huet oordeelde hierover "Onder de redacteuren ... is de heer Veegens de enige die talent van schrijven heeft". In die periode verkeerde het constitutionele stelsel door de buitenparlementaire oppositie tegen de Schoolwet van het kabinet Kappeyne van de Coppello in een crisis. Veegens zag de oplossing in de oprichting van een Comité voor Algemeen Stemrecht, dat ijverde voor kiesrecht voor vrouwen. Volgens Veegens moest de volksvertegenwoordiging "de photographie der natie" zijn. Omdat toekenning van alle burgerrechten de oplegging van alle burgerplichten impliceerde, toonde Veegens zich eveneens voorstander van de algemene dienstplicht. Tevens pleitte hij voor staats-inmenging ter oplossing van het arbeidsvraagstuk en sociale wetgeving: zijn opvattingen kwamen sterk overeen met de Owenistische initiatieven van de Delftse fabrikant J.C. van Marken, voor wie hij grote bewondering had. Necrologieën in liberale bladen beschreven hem dan ook als "een onzer kathedersocialisten" en "min of meer staatssocialistisch". In 1881 volgde hij zijn vader op als griffier van de Tweede Kamer: alom beschouwde men hem als "een verjongde uitgave van zijn vader", wiens voorkomen en optreden in de loop der decennia karakteristiek was geworden! Bij invloedrijk parlementair werk achter de schermen bleef het echter niet: in 1888 werd hij als kandidaat voor de unieliberalen gekozen door het district Groningen. Als kamerlid schaarde hij zich ter linkerzijde. Hij liet zich kennen als een gedegen, zijn teksten tot in de puntjes voorlezende docent die van elke redenaarskunst was verstoken, doch die om zijn inhoudelijke bijdragen respect inboezemde. Hij steunde de kieswet-Tak van 1893 en stemde in 1896 tegen de hem te beperkte kieswet-Van Houten. Zelfs voerde hij oppositie tegen de hem te behoudende ongevallenwet van het geestverwante kabinet-Pierson in 1899. Van 1899 tot 1901 was hij tweede vice-voorzitter van de Kamer. Voorbereidende arbeid bij de wetgeving leverde hij bovendien in de belangrijke Staatscommissie van enquête naar de arbeidstoestanden in 1890 en in de Staatscommissie voor de droogmaking van de Zuiderzee in 1892. In 1901 stelde hij zich voor de Vrijzinnig Democratische Bond verkiesbaar als kandidaat in Hoogezand. Deze partij had zich in datzelfde jaar van de Liberale Unie afgesplitst en zou, mede onder invloed van Veegens, tenderen om op enkele parlementaire vraagstukken met de aan invloed winnende sociaaldemocraten samen te werken. Veegens verloor de verkiezingen; in zijn plaats werd een sociaaldemocraat gekozen. Opnieuw kon hij zich daardoor aan juridische studie wijden; in hetzelfde jaar verscheen zijn monografie Het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Hij werd in 1903 weer in de staatspolitiek betrokken als voorzitter van de Staatscommissie van enquête omtrent het spoor- en tramwegpersoneel, om het sociale antwoord van de regering te vinden op de spoorwegstakingen, die tot een revolutionaire beweging dreigden uit te groeien. In 1904 werd hij tot lid van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten benoemd. Toen er na de val van het coalitie-kabinet-Kuyper in 1905 een "uit onvoorzichtigheid geboren" ministerie van liberale signatuur aan het bewind kwam, vertegenwoordigde Veegens met E. van Raalte de vrijzinnig-democratische stroming. Veegens beheerde het nieuw opgerichte departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, waar hij weldra een eigen stempel op drukte door het organisatorisch uit te bouwen. Een aparte Afdeling Handel werd opgericht en Veegens wist op doortastende wijze kredieten voor scheepvaartverbindingen naar Latijns Amerika gevoteerd te krijgen. Nog intensiever was zijn bemoeienis met de sociale wetgeving: hij diende naast vele kleine ontwerp-wetten een ontwerp-wet op de ziektever-zekering, de ongevallenverzekering en de ouderdomsverzekering in. Zij kwamen echter niet in behandeling in de Tweede Kamer als gevolg van de val van het kabinet-De Meester in 1908 door de zwakte van de coalitie. Zijn opvolger, de antirevolutionaire A.S. Talma, trok de ontwerpen in. Indrukwekkend was zijn optreden in de waarneming van het departement van Waterstaat als vervanger van dr ir J. Kraus, toen in februari 1906 door een stormramp de polders bij Rilland Bath verloren dreigden te gaan. Met het argument "men stopt geen dijken met papier, maar met cement" wist hij een versneld krediet voor de redding van deze polders te bewerkstelligen. Veegens bleef actief op staatkundig terrein: in 1909 stelde hij zich opnieuw kandidaat voor de Tweede Kamer, maar vergeefs; hij werd voorzitter van de Tiendcommissie, die de gevolgen moest regelen van de door hemzelf tot stand gebrachte wet op de afschaffing der tienden. Op 27 december 1910 werd hij door de dood uit het politieke leven weggerukt. 4. Dirk Jacob Veegens De kwaliteiten van Jacob Dirk Veegens "als toegewijde en opgewekte man en vader kwamen" eerst na diens tweede huwelijk in 1895 "tot volle ontplooiing". Op 8 augustus 1899 werd Dirk Jacob Veegens geboren. Deze promoveerde in 1924 in de rechten en vestigde toen een advocatenpraktijk. Vanaf 1927 was hij werkzaam als plaatsvervangend Rijksadvocaat, later werd hij ook Rijksadvocaat. In 1940 werd hij benoemd tot auditeur-militair bij de Krijgsraad in 's-Gravenhage en als zodanig was hij betrokken bij de afdoening van krijgstuchtelijke feiten, bedreven tijdens krijgshandelingen van Nederlandse militairen na de Duitse inval op 10 mei. Ook werd hij in 1943 als krijgsgevangene naar Duitsland weggevoerd. Veegens stelde zijn ervaringen te boek en na zijn pensionering als rijksadvocaat en raadsheer bij de Raad van Cassatie legde hij ook enkele belevenissen tijdens zijn werkzaamheden voor de krijgsraad voor de geschiedenis vast. Zijn historische belangstelling kwam ook tot uiting in enkele levendig opgestelde genealogische 'beschrijvingen.
Geschiedenis archiefvormerIn 1897 deponeerde Jhr. Fr´ed´eric Louis Bicker twee kisten, waarin het archief van de familie Bicker was opgeborgen, op het Gemeente-Archief te Amsterdam ten behoeve van krijgshistorische onderzoekingen van F.W.J. de Witt Huberts. Dit familie-archief bleek zeer belangrijk te zijn en daarom zocht de volontair ten archieve Joh. E.Elias de stukken uit en maakte een summiere inventaris op. De Gemeente-Archivaris, Mr. W.R. Veder, heeft daarna de eigenaar geadviseerd, een aantal z.i. belangrijke stukken en delen hiervan in bruikleen te geven aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Dit geschiedde en deze delen en stukken werden verspreid over de bibliotheek en het archief. Toen in 1903 de ordening haar beslag had gekregen, zond de Gemeente-Archivaris, handelend naar de toenmalige opvattingen, ook naar andere instellingen gedeelten van het familie-archief Bicker in bruikleen. Het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage ontving een verzameling stukken, voornamelijk afkomstig van Mr. Jan Bernd Bicker (1746-1812), die achtereenvolgens gecommitteerde ter vergadering van de Staten van Holland en in de Nationale vergadering was geweest, de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam kreeg verschillende dictaten en handschriften (zie bijlage) en tenslotte kreeg ook het Gemeente-Archief te Haarlem enkele stukken (zie bijlage). De Algemeen Rijksarchivaris zond nog in 1905 een aantal stukken, afkomstig van Henric Bicker (1777-1834) als ontvanger te Amsterdam, door naar het Rijksarchief in Noord-Holland. Na enige tijd stuurde de Rijksarchivaris van Noord-Holland deze collectie weer naar het Gemeente- Archief te Amsterdam. Het eigenlijke familie-archief was in 1903, kort na de dood van de eigenaar die op 13 januari van dat jaar was overleden, teruggezonden naar de familie Bicker. De twee zoons, Jhr. Willem Herman Bicker en Jhr. Pierre Herbert Bicker, moeten daarna ieder een gedeelte van dit archief hebben gekregen. Van een systematische verdeling was echter geen sprake. Waarschijnlijk kreeg ieder ongeveer een gelijke quantiteit, waarbij zelfs dossiers uit elkaar gingen. Jhr. Willem Herman Bicker gaf in 1912 zijn gedeelte in bruikleen aan het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage. Het andere deel bleef in het bezit van Jhr. Pierre Herbert Bicker. Na afloop van de oorlog schonk zijn weduwe, Douairi`ere S.W.P. Bicker-van Lennep, door bemiddeling van haar broer Jhr. F.J.E. van Lennep dit gedeelte van het familie-archief aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Toen kwam de betreurenswaardige verdeling van 1903 aan het licht en om weer tot vereniging van de beide gedeelten te komen besloten de kinderen van wijlen Jhr. Willem Herman Bicker, en wel Mevrouw Mr. H.D. Vuyk-Bicker, Jhr. F.L. Bicker en Mevrouw E.L. van den Broek d’Obrenan-Bicker, ook hun gedeelte te schenken aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Met uitzondering alleen van de papieren, die in 1905 naar de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam en naar het Gemeente-Archief te Haarlem zijn verzonden en die moeilijk te achterhalen zijn, is thans weer alles vereend. Het archief beslaat ruim 7 meter. Op verzoek van de Algemeen Rijksarchivaris blijven evenwel de stukken, afkomstig van Jan Bernd Bicker en in 1905 beschreven in de Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven, op het Algemeen Rijksarchief berusten. Zij zijn echter wel in de hier volgende inventaris opgenomen, met verwijzing naar het nummer van de inventaris van 1905. I Bicker Het eigenlijk familie-archief Bicker werd gevormd door de afstammelingen van Jacob Bicker en Aeff Jacobsdochter de Moes. Betreffende de afstammelingen van zijn oudere broer, Gerard Bicker, uit wie de familie Bicker van Swieten stamt, vindt men enige stukken, die blijkbaar later verzameld zijn. Vermelding verdient voorts, dat de oudste leden van dit geslacht, waarvan archiefbescheiden worden bewaard, niet de naam Bicker droegen, maar respectievelijk Helmer en van den Anxter. Pas de derde generatie, en wel Pieter Bicker, die in 1497 werd geboren, voerde de naam Bicker, ontleend aan de familie van zijn moeder. II (De) Moes Door het huwelijk in 1577 van Jacob Bicker en Aeff Jacobsdochter de Moes kwamen enkele stukken van haar voorouders bij het archief Bicker. III (De) Vrij Hetzelfde vond plaats door het huwelijk van Anna Roelofs en Jacob Bicker in 1608 ten aanzien van enkele stukken van haar familie, die toen echter over het algemeen nog niet De Vrij werd genoemd, en van haar moeders familie, genaamd Valckenier. IV Geelvinck In 1639 trouwde Henrick Bicker met Eva Geelvinck. De grondpapieren van de buitenplaats Oosterhout te Heemstede, die haar ouders in eigendom bezaten, zijn ten gevolge hiervan bij het archief Bicker gekomen. Waarom dit geschiedde, is niet na te gaan. Voor zover bekend hebben de Bickers deze buitenplaats nooit in bezit gehad. V Schaep Met Maria Schaep, de enige dochter van de oudste zoon van de bekende genealoog Gerard Schaep Pietersz, die in 1681 met Henrick Bicker trouwde, kwamen de archieven, afkomstig van haar vader en grootvader, in de familie Bicker. Een gedeelte hiervan bleef in het familie-archief berusten, een ander gedeelte kwam door het huwelijk van Margaretha Bicker met Cornelis Backer, in 1720, in het archief van de familie Backer, dat thans ook op het Gemeente-Archief te Amsterdam wordt bewaard. De familie Bicker behield o.a. als belangrijkste de drie genealogische handschriften (Inv.no. 717-719), die de bovengenoemde Gerard Schaep Pietersz samenstelde en waarin hij gegevens over zijn eigen en zijn vrouws familie bijeenbracht, copie¨en en originelen. Vooral van zijn voorouders van moeders zijde Pauli of Halling, Oem en Van der Bies en van de familie van zijn vrouw, de Visscher genaamd, vindt men hier veel stukken, waarvan het archief Backer vrijwel niets bezit. Voor de geschiedenis van het bijeen brengen van deze stukken vergelijke men de inventaris van het familie-archief Backer, pag. 8. VI Pels In 1720 trouwde Mr. Jan Bernd Bicker met Johanna Sara Pels. Papieren betreffende het complex huizen en pakhuizen van de familie Pels op de Herengracht en daarachter op de Keizersgracht, die later grotendeels in handen van de familie Bicker kwamen, zijn daarom in het archief van de familie Bicker bewaard. Daarnaast vindt men er ook enkele stukken betreffende de firma Andries Pels en Zonen, die werd gesticht door de vader van Johanna Sara Pels en waarin later ook haar zoons en kleinzoon Bicker deel hadden. VII Dedel Door het huwelijk van Hendrick Bicker en Clara Magdalena Bicker in 1745 zijn enkele stukken, van haar ouders en verdere familieleden afkomstig, in het archief Bicker opgenomen. VIII Six Hetzelfde geschiedde ten gevolge van het huwelijk van Jan Bernd Bicker en Catharina Six in 1769. IX Van Hoorn In 1799 vond het huwelijk plaats van Henric Bicker met Wilhelmina Jacoba van Hoorn. Daardoor berusten thans in het archief van de familie Bicker een groot aantal stukken, afkomstig uit de familie van haar grootouders Testart en hun voorouders van beide zijden, Slicher, Spiegel, Nobel, Van der Marck en Arckenboudt. Het eigenlijke familie-archief van Hoorn bleef bij de familie van Hoorn zelf en berust thans onder de Heer L.G. van Hoorn te Bloemendaal. X Bisschop Grevelink In 1864 trouwde Fr´ed´eric Louis Bicker met Elisabeth Johanna Catharina Henrietta Bisschop Grevelink. Na de dood van haar vader moeten zijn betrekkelijk volledig bewaarde papieren in het archief van de familie Bicker zijn gekomen. Vroegere en tegenwoordige ordening. Het familie-archief is zoals wij reeds zagen in 1903 na de dood van Jhr. F.L. Bicker door zijn zoons volkomen willekeurig verdeeld. Het gedeelte, dat in 1912 aan de Algemeen Rijksarchief in bruikleen werd gegeven, werd daar beschreven door L.W.A.M. Lasonder. In 1914 werd deze inventaris gepubliceerd in de Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven. Zoals de bewerker van deze inventaris terecht in zijn inleiding opmerkte, was het archief zeer onvolledig; de reden daarvan was hem echter niet bekend. Enige jaren eerder, in 1905, waren in dezelfde Verslagen de stukken, afkomstig van Jan Bernd Bicker, beschreven. De stukken, die in bruikleen waren overgedragen aan het Gemeente-Archief te Amsterdam, aan de Universiteits Bibliotheek aldaar en aan het Gemeente-Archief te Haarlem, waren nooit beschreven, daar zij niet als collecties werden bewaard, maar verspreid. Nu het archief eigendom is geworden van de Gemeente Amsterdam is het in de hier volgende inventaris als geheel beschreven. Ook de stukken die nog op het Algemeen Rijksarchief bleven berusten, zijn hier aan de hand van de beschrijving van 1905 opgenomen. Een opvallend verschil in beschrijving en ook in ordening met de rest der stukken is daardoor uiteraard niet te vermijden geweest. Slechts de stukken op de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam en op het Gemeente-Archief te Haarlem vindt men hier niet. Een opgaaf daarvan treft men echter aan in de bijlagen. De verschillende familie-archieven waren al van ouds gedeeltelijk door elkander gemengd en moesten daarom bij een nieuwe ordening zorgvuldig worden gescheiden. Enkele stukken betreffende aangetrouwde families, welker aantal zo gering was, dat zij niet als een apart familiearchief konden worden beschouwd, zijn opgenomen bij de persoon, door welke zij in het familiearchief kwamen. De genealogische aantekeningen en genealogie¨en, waarvan dikwijls niet bekend was door wie zij waren samengesteld, zijn alle ondergebracht in afdeling A (Stukken van algemene aard). Enkele stukken en delen van deze aard, waarvan de samensteller wel bekend is, zijn ter wille van het verband ondergebracht bij de persoon, die ze samenstelde. In de allereerste plaats geldt dit voor de genealogische aantekeningen van Gerard Schaep Pietersz. Ter wille van een duidelijk overzicht zijn de stukken, zowel copie¨en als originelen, die Schaep in zijn drie banden samenbracht niet onder deze nummers beschreven, maar alle onder de personen, waarbij ze behoren. Om vergissingen te voorkomen zijn de inventarisnummers van deze stukken, die uiteraard niet als zodanig aanwezig zijn, met het teken + gemerkt. De indeling van afdeling B (Stukken betreffende afzonderlijke families en personen) spreekt verder voor zichzelf. Bij personen, wier inventaris door het grote aantal der stukken te onoverzichtelijk zou worden, is een onderverdeling in rubrieken gemaakt. Dezelfde volgorde, zonder vermelding echter van rubrieken, is ook bij andere personen in acht genomen. Stukken be- treffende de afwikkeling van de nalatenschap van een bepaald persoon zijn, hoewel uiteraard niet van deze persoon afkomstig, toch opgenomen onder de stukken, die op hem betrekking hebben, daar zoals duidelijk is een andere plaatsing bijna steeds moeilijkheden zou meebrengen. Alleen in het geval, dat bij een dergelijke afwikkeling uitdrukkelijk wordt vermeld ten behoeve van welke persoon deze stukken zijn opgesteld, is hiervan afgeweken. Speciaal moeten wij er hier op wijzen, dat in deze afdeling werd afgeweken van de gebruikelijke methode om een verdeling in personalia en realia te maken. Het toepassen van deze indeling, die steeds moeilijkheden meebrengt, daar men onder het hoofd realia niet alles wat betrekking heeft op de vaste bezittingen kan brengen en daardoor bepaalde bestanddelen uit elkander haalt, was bij de tien verschillende familie-archieven bijzonder bezwaarlijk. Waar dit geen families betrof, die een belangrijk of langdurig bezit aan vaste goederen hebben gehad, maar regentenfamilies, die betrekkelijk weinig en slecht gedurende korte tijd achtereen vaste goederen hebben bezeten, bleken de nadelen ener splitsing in personalia en realia groter dan de voordelen. Daarom zijn in deze inventaris dan ook de stukken, die betrekking hebben op de vaste goederen in afdeling B ondergebracht. De afdeling C (Stukken waarvan de samenhang met het archief niet is gebleken) eist geen nadere toelichting.
Geschiedenis archiefvormerDe familie Berg De Nederlandse familie Berg stamt af van Ernst Johann von Berg die in 1673 of in 1674 naar de Republiek is gekomen om daar als militair dienst te doen. Hij was een afstammeling uit een adellijke en, naar het lijkt, op dat moment relatief berooide, familie uit het Baltische gebied. Na zijn vestiging in de Republiek bleven de leden van de familie in sociaal opzicht nog gedurende enkele generaties volledig in de militaire sfeer verkeren: de mannen werden beroepsmilitair, de vrouwen huwden met beroepsmilitairen en men verhuisde regelmatig naar een andere garnizoensplaats. In het midden van de achttiende eeuw echter slaagden twee Berg'en er in om de maatschappelijke doorbraak naar de vermogende burgerij te bewerkstelligen. Voor Frans Jacob (1726-1774) lijkt de oorsprong van deze verandering gezocht te moeten worden bij zijn desertie, op 19-jarige leeftijd, uit het garnizoen te Namen. Deze leidde tot zijn verbanning, een ballingschap die hij gebruikte om in Indonesië fortuin te maken. Teruggekomen in de Republiek huwde hij in 1768 een dochter van de Amsterdamse bankier Johan Goll. Deze familierelatie werd, nadat hij in 1774 overleden was, in 1776 hernieuwd doordat zijn oomzegger Otto Willem Johan (1752-1825) in het huwelijk trad met een andere dochter van Johan Goll. Otto Willem Johan had toen reeds een nog kortere militaire loopbaan achter de rug dan zijn oom. Op 15-jarige leeftijd had hij de artillerie vaarwel gezegd om rechten te gaan studeren. Na afsluiting van deze studie huwde hij, zoals gezegd, een dochter Goll en begon aan een loopbaan in handel en bankwezen, waarin hij een zeer groot vermogen opbouwde: zijn nalatenschap was, in 1825, meer dan een miljoen gulden waard. De vraag in hoeverre de huwelijken-Goll mede oorzaak dan wel gevolg waren van de financiële opgang van de familie kan hier slechts worden opgeworpen, niet beantwoord. Berg's positie van vermogend bankier bracht hem - hoewel afkomstig uit een zeer prinsgezinde, immers militaire, familie ook op een prominente plaats in het patriotse kamp. Op plaatselijk Amsterdams niveau lijkt hij een niet onbelangrijke rol gespeeld te hebben in de politiek van de jaren 1780. Deze kortstondige politieke activiteit hervatte hij, weer voor kort, na het einde van de Franse tijd. Ook op andere wijze dan door het bijeenbrengen van een vermogen heeft O.W.J. Berg de maatschappelijke positie van de familie in belangrijke mate bepaald. Niet alleen kocht hij twee, in het Zuiden van het toenmalige Holland gelegen, heerlijkheden - in 1815 die van Dussen-Muilkerk, in 1819 die van Middelburg-, hij was ook degene die de inlijving van zijn familie bij de Nederlandse adel tot stand wist te brengen. Op een eerste daartoe door hem, op 23 mei 1820, ingediend rekest werd afwijzend beschikt omdat hij zijn verwantschap met de Lijflandse adel naar de mening van de Hooge Raad van Adel niet genoegzaam bewezen had. Een tweede rekest volgde, op 26 oktober 1824, met als bijlagen onder andere de briefwisseling van de naar de Republiek gekomen Berg met zijn oosteuropese verwanten. Dit materiaal werd door de meerderheid van de Hooge Raad van Adel als overtuigend beschouwd en bij K.B. van 9 mei 1825, nr. 68, volgde de inlijving van de inmiddels overleden O.W.J. Berg en van zijn nakomelingen bij de Nederlandse adel. Zijn nakomelingen hebben zich niet op het door hem bereikte financiële en sociale niveau kunnen handhaven. Zijn vermogen is in ongeveer een eeuw tijd versmolten. Weliswaar had zijn tweede huwelijk, met Jeanne Changuion, ook nog Westindisch kapitaal in de familie gebracht, maar zijn nalatenschap moest door twaalf kinderen worden gedeeld. Een zekere consolidatie trad wel op doordat zijn kleinzoon Willem Ernst Joan (1813-1888) met zijn, Willem's, nicht Hansje - Johanna Elisabeth - Berg (1826-1896) trouwde, maar toen de oudste zoon van deze beide - Ernst Willem Berg - in 1907 overleed liet hij een weduwe en tien kinderen na. De toen plaatsgevonden hebbende deling en de economische recessie rond 1920 hebben van het vermogen van O.W.J. Berg weinig meer dan de archivalia intakt gelaten. Wel heeft de combinatie van vermogen en familierelaties een aantal mannen onder zijn nakomelingen in staat gesteld om nog ongeveer een eeuw lang, zij het op steeds bescheidener wijze, een rol te spelen in het bankwezen. Daarbij verschoof hun positie geleidelijk van die van ondernemers in het bank- en verzekeringswezen tot die van loontrekkers, eerst van de in 1853 opgerichte Crediet-Vereeniging, later van de opvolgster daarvan, de Bank-Associatie. Daarnaast hebben zijn kleinzoon Willem Ernst Joan Berg (1813-1888) en diens zoon Ernst Willem Berg (1848-1907) ook politieke activiteiten aan de dag gelegd. W.E.J. Berg, die rond 1848 actief was in de liberale Amstel-sociëteit. Stukken betreffende het beheer van de plantage Meerzorg bevinden zich ook bij de archivalia, afkomstig van mr. P.A. Brugmans, die thans bij het NEHA berusten. In de jaren waarin O.W.J. Berg en zijn beide zoons de erkenning van hun adeldom nastreefden had de familie een direct belang bij genealogisch onderzoek. Maar ook buiten deze periode heeft bij de stamhouders en anderen in de familie een zeer warme belangstelling bestaan voor de genealogie, beperkt tot die van de eigen familie, van verwante families en van niet-verwante families met dezelfde naam. Van Ernst W. (1721-1777) tot Arnold A.D. (1895-1975) hebben zij hun bijdrage geleverd aan de verzameling genealogische handschriften. Als resultaat daarvan is een grote hoeveelheid genealogisch materiaal betreffende de familie beschikbaar. Het gedrukte materiaal, dat vermeld is in Van Beresteyn's Repertorium is geheel verwerkt in de door leden van de familie aan de redactie van Nederland's Adelsboek verstrekte stamreeks. Deze vindt men in jaargang 10 (1912). De belangrijkste aanvullingen zijn verschenen in de Jaargangen 38 en 65. Deze publicaties hebben de oudere gedrukte genealogische overzichten vervangen. De door Van Beresteyn genoemde publicaties "Aantekeningen…" en "Herinneringen…", welke laatste een uitgave in eigen beheer door W.E.J. Berg is geweest, vindt men ook bij de Verzamelde stukken in het archief. De opgave in Nederland's Adelsboek is pas vanaf de generatie, waarvan O.W.J. Berg de vader is, volledig met betrekking tot de mannelijke nakomelingen. Van oudere generaties en van vrouwelijke nakomelingen staan geen gedrukte genealogieën ter beschikking. Daarvoor blijft men aangewezen op de Verzamelde stukken. Daarbij lijkt de onder nummer 1131 opgenomen parenteelstaat de meest volledige samenvatting van de beschikbare gegevens te geven. Biografische bijzonderheden betreffende afzonderlijke personen vindt men uiteraard in de stukken. Daarnaast zijn er van enkele leden van de familie biografische schetsen of gegevens gepubliceerd. De betrokkenen zijn: a. O.W.J. Berg (1752-1825) b. F.J.A. Berg (1755-1793) c. F.E. Berg (1802-1834) d. W.E.J. Berg (1813-1888) e. A.A.D. Berg (1895-1975) De heerlijkheid van Dussen-Muilkerk a. Naam Het voormalige ambacht Dussen-Muilkerk lag op het grondgebied van de huidige gemeente Dussen, in het gebied ten Oosten van de Biesbos. Tot in de eerste decennia van de 17e eeuw was er sprake van het ambacht Muilkerk. Ambachtsheer Hendrik Doedijns (1616-1637) verbond hieraan als eerste - ongetwijfeld in een poging om deel te hebben aan de rechtsopvolging van de vroegere heren van de Dussen - de naam van het grensriviertje van het ambacht. Aan het verzet tegen deze naamswijziging, door de ambachtsheer van het aangrenzende Munsterkerk, die de bedoelde rechtsopvolging bij uitsluiting voor zichzelf wilde reserveren, werd in 1642 een einde gemaakt door een sententie van het Hof van Holland. Sindsdien is er sprake van de ambachten Dussen-Muilkerk en Dussen-Munsterkerk. B. Bestuurlijke indeling Dussen-Muilkerk was Hollands gebied. In een oorkonde van 3 november 1200 wordt Dussen genoemd als deel van het gebied tussen Dordracht en Waalwijk, dat - binnen het kader van een meeromvattende regeling van een aantal geschillen - door graaf Dirk VII van Holland aan hertog Hendrik I van Brabant werd opgedragen en vervolgens in leen terugontvangen. Op 10 oktober 1283 werd de leenverhouding tussen de Brabantse hertog en de Hollandse graaf, die feitelijk al lang zijn betekenis had verloren, ook in rechte beëindigd, en sindsdien behoorde het gebied onomstreden tot de Hollandse landsheerlijkheid. Binnen Holland lag het in het baljuwschap Zuid-Holland. Het huidige Dussen bleef Hollands tot 1810. Na enkele grenswijzigingen in de jaren 1810-1815 werd het op 10 februari 1815 Brabants gebied. Dat is het thans nog. De verschillende archieven van besturen en ambtsdragers te Dussen-Muilkerk bevinden zich uit dien hoofde in het Rijksarchief in Noord-Brabant. C. Betrekkingen met (Dussen-)Munsterkerk Het ambacht Muilkerk lag binnen de in de 13e eeuw tot stand gebrachte Grote of Zuidhollandse Waard. Bij de grote overstromingen van 1421-1422 kwam het aan de rand van het verdronken land te liggen. De westelijke grens van het ambacht werd later dan ook gevormd door de rond 1460 aangelegde Dussense Zeedijk. Vanaf het begin van de 17e eeuw vond herbedijking in westelijke richting plaats. De ingrijpende geografische wijzigingen, waarbij met name een aanzienlijk gedeelte van het oorspronkelijke ambacht Munsterkerk onder water is komen te liggen, lijken ten grondslag te liggen aan bijna een eeuw van grensgeschillen tussen de heren van Dussen-Muilkerk en Dussen-Munsterkerk. Daarbij was naast de territoriale ook de juridische grensafbakening in het geding. Kort voor de Sint-Elisabethsvloed waren er drie heerlijkheden en drie verschillende heren: - de ambachtsheerlijkheid van Heeraardswaart, waarvan het bezit gecombineerd werd met het bezit van het slot van de Dussen; op 1 februari 1417 werd Arend van der Dussen hiermee beleend. - de ambachtsheerlijkheid van "Munsterkerk aan beide zijden van de Dussen", die op 28 februari 1417 in leen werd uitgegeven aan Philips, bastaard van de Lek, en - de ambachtsheerlijkheid van Muilkerk, waarmee op 24 januari 1413 Johanna van der Merwede en haar echtgenoot Jan van Herlaar beleend zijn. Het grootste deel van het ambacht Munsterkerk lag vóór de Sint-Elisabethsvloed ten westen van Muilkerk, niet alleen ten zuiden, maar ook ten noorden van de Dussen, en ten oosten van Heeraardswaard. Het water deed echter Heeraardswaard geheel en Munsterkerk grotendeels verdwijnen: er restte slechts de oostelijke hoek van het ambacht Munsterkerk, ten zuiden van Muilkerk, met de Dussen als van oost naar west lopend grensriviertje. Vanaf de 16e eeuw treffen wij dan de volgende situatie aan: het bezit van de ambachtsheerlijkheid van Munsterkerk wordt gecombineerd met dat van Heeraardswaart en van het slot te Dussen in handen van de heer van Munsterkerk; daarnaast is de ambachtsheerlijkheid van Muilkerk nog steeds een zelfstandig bezit van de heren van Muilkerk. Door de combinatie van twee omstandigheden: - de vereniging in één hand van de ambachtsheerlijkheid van Munsterkerk en van het slot van de Dussen, en - de ligging van het slot van de Dussen aan de noordzijde van het riviertje, binnen het ambacht Muilkerk, was een situatie geschapen, waarin tal van botsende aanspraken van de twee ambachtsheren konden ontstaan. Hieruit zijn in de 17e eeuw enkele decennia lang slepende processen geresulteerd. Hoewel de ambachten en heerlijkheden van (Dussen-)Munsterkerk en van (Dussen-) Muilkerk steeds duidelijk onderscheiden zijn geweest, en hoewel zij steeds verschillende ambachtsheren hebben gehad, golden zij, - zeker sinds de 16e eeuw en wellicht al eerder - in een tweetal opzichten als eenheid: fiscaal en kerkelijk. De - fiscaal gerichte - Informacie van 1514 bracht Munsterkerk en Muilkerk onder één hoofd, en in de zeventiende eeuw blijkt ook de landsverponding van beide ambachten gemeenschappelijk geheven te worden. Ook in kerkelijk opzicht vormden de beide ambachten een eenheid. Ten tijde van de Republiek vormden zij tezamen "de gemeente van de Dussen", waarvan de predikant, op voordracht van de kerkeraad, benoemd werd door de ambachtsheer van Dussen-Muilkerk. Ook deze situatie vond zijn oorsprong in de overstroming van 1421. Voordien waren er twee parochies: Munsterkerk, waar tot in het begin van de 14e eeuw een kanunnikenkapittel bestond, in het onder de Domproosdij ressorterende dekenaat Zuid-Holland, en Muilkerk, dat behoorde tot het Oudmunsterse dekenaat Woudrichem (Altena). Omdat de kerk van Munsterkerk in het in 1421 verdronken gedeelte van het ambacht stond, waren de parochianen van Munsterkerk sindsdien aangewezen op de kerk van Muilkerk. Deze feitelijke situatie werd later ook institutioneel vastgelegd: misschien al kort na 1521, maar in elk geval na de hervorming werd de kerkelijke gemeente van Munsterkerk met die van Muilkerk verenigd. Vanuit deze ontwikkeling is het begrijpelijk dat de kerkheer van Muilkerk kerkheer van de gemeente van de Dussen werd. D. Rechten en goederen De ambachtsheerlijkheid van Muilkerk werd in achterleen gehouden van de heren van de Merwede, die op hun beurt leenmannen waren van de heren van Putten en Strijen. De oudste in het archief aanwezige akte van belening dateert van 1413. Belening met de ambachtsheerlijkheid vond steeds plaats door de heren van de Merwede, en na 1604 door hun rechtsopvolger, het Dordtse stadsbestuur. Registratie der beleningen heeft derhalve plaatsgehad in het inmiddels verloren gegane leenregister van de Merwede, waarvan de inhoud door uittreksels en een repertorium grotendeels nog bekend is. In de oudste leenakte worden de ambachtsgevolgen niet gespecificeerd; wel wordt de gelijktijdige belening met de tienden in Muilkerk genoemd. Vanaf 1616 ligt de omschrijving van het leengoed - afgezien van de naamsuitbreiding van Muilkerk tot Dussen-Muilkerk in de akte van 1663 - vast, om tot aan de laatste uitgifte, in 1772, ongewijzigd te blijven. Er is sprake van "…ambochsheerlickheyt van Muylkercke metten coorn- ende smaltienden, visscherie ende vogelrie, den wint metten gemale, ende alle andere gevolge van dien….". Behalve de heerlijkheid bezaten de ambachtsheren binnen het ambacht een aantal andere leengoederen. Voor allodiaal bezit dat met het bezit van de heerlijkheid verbonden zou zijn geweest, zijn geen aanwijzingen te vinden. Wel blijkt de ambachtsheer Pieter Helman tussen 1638 en 1640 een aantal achterlenen weer in het domein van één van de door hem gehouden lenen, de Adriaan van Herlaar's hoeve, teruggebracht te hebben. Het complex van goederen en rechten, dat door ambachtsheer Pieter Helman (1637-1645) en zijn voorgangers bijeengebracht is, is na zijn overlijden onveranderd - behoudens een kleine uitbreiding- van ambachtsheer op ambachtsheer overgegaan. Was de ambachtsheerlijkheid leenroerig van de heerlijkheid van de Merwede, de andere bezittingen hingen, met uitzondering van twee eveneens van de Merwede afhankelijke stukken grond van resp. 3 morgen en 4 hond, van verschillende andere heren af. Twee lenen waren afhankelijk van de heren van de Lek: de Wijngaardswerf en de Robbrecht Brieninckshoeve. Beide worden ook vermeld in de leenregisters van de Lek. Oorspronkelijk leenroerig van Putten, en dus sinds 1459 van de grafelijkheid van Holland, was de Adriaan van Herlaar's hoeve. De Pnsenhoeve is steeds een grafelijkheidsleen geweest. De grafelijkheidslenen zijn in de Hollandse leenregisters geregistreerd, sinds 1664 onder de nummers 307 en 308. Op 9 september 1772 werden de grafelijkheidslenen in allodiaal goed geconverteerd. Van de heerlijke rechten die met name in de leenakte genoemd worden heeft alleen het visrecht een rechtstreekse, zij het bescheiden, bijdrage geleverd aan de archiefvorming. Blijkens de in het archief aanwezige stukken zijn vooral de benoemingsrechten en de tiendrechten, die de ambachtsheren bezaten, van belang geweest. Niet alleen krachtens hun heerlijk recht, maar ook krachtens het patronaatsrecht benoemden zij ambtsdragers in het ambacht. De tiendrechten vormden een bron van relatief aanzienlijke inkomsten. In de negentiende eeuw zijn zij dan ook als zelfstandig vermogensbestanddeel behandeld: van 1826 tot 1896 is het bezit ervan gescheiden geweest van het bezit van het restant van de heerlijkheid. In 1917 zijn zij definitief afgekocht. De heerlijkheid van Middelburg a. Territorium De omvang van het gebied ten oosten van de Gouwe, dat met de naam Middelburg wordt benoemd, is verschillend naar gelang de naam wordt gebruikt als territoriale aanduiding in algemene zin, dan wel voor de aanduiding van een bestuurlijke, respectievelijk waterstaatkundige eenheid. In de eerste, en ongetwijfeld oudste, betekenis wordt er een gebied ter grootte van één blok land mee bedoeld. Tezamen met de aangrenzende blokken Foreest, Nieuwkoop en Spoelwijk vormt dit het ambacht waarvan in deze inventaris sprake is. Dit ambacht wordt met een pars pro toto eveneens Middelburg genoemd. Waterstaatkundig viel het ambacht Middelburg in twee gedeelten uiteen: de polder Middelburg, die het gelijknamige blok, alsmede de blokken Foreest en Nieuwkoop omvatte, en het afzonderlijk afwaterende blok Spoelwijk. In 1543 was Spoelwijk nog begrepen in een inpolderingsovereenkomst, waarbij de polder Middelburg met enkele andere polders verenigd werd, maar in 1571 werd het van deze polder afgezonderd en in 1711 werd het bij sententie van het hoogheemraadschapsbestuur van Rijnland met de noordelijker gelegen polder Rijneveld verenigd. Bij de voorgenomen vervening van de polder Middelburg, waarvoor in 1802 toestemming werd gegeven, was aanvankelijk ook het zuidelijk gedeelte van Spoelwijk inbegrepen, maar op grond van de moeilijkheden die dit veroorzaakte, werd hiervan in 1812 afgezien. Spoelwijk werd toen opnieuw in zijn geheel bij de polder Rijneveld gevoegd. De polder Middelburg - vóór 1571 dus mèt, nadien zonder Spoelwijk - vormde met het gebied dat in het westen door de Gouwe werd begrensd de Verenigde Polder aan de oostzijde van de Gouwe, in het vervolg kortheidshalve aan te duiden als de Verenigde Polder. Deze werd tussen 1543 - het jaar waarin de daartoe strekkende overeenkomst werd gesloten - en 1574 - als de inpoldering reeds enige tijd een feit geweest moet zijn- tot stand gebracht. Reeds sinds 1357 had dit gebied, dat toen beschreven werd als Boskoop ten oosten van de Gouwe, Zuidwijk, Middelburg en Randenburg, een gemeenschappelijke afwatering op de Ijssel gehad. Na de inpoldering ging het afwateren op de Gouwe. Tot 1864 bleef de polder Middelburg deel uitmaken van deze Verenigde Polder. Toen werd hij daarvan afgescheiden, waarna het in 1868 een zelfstandige polder werd. De in omvang verminderde Verenigde Polder behield zijn naam. De verschillende hierboven beschreven wijzigingen maken het noodzakelijk de hierna te gebruiken gebiedsnamen te definiëren. Wanneer er sprake zal zijn van Middelburg, wordt daarmee het ambacht bedoeld. Wanneer er over het blok of de polder Middelburg gesproken wordt, zal dat steeds uitdrukkelijk worden aangegeven. Voor 1571 is onder de polder Middelburg het blok Spoelwijk mede begrepen - en vallen ambacht en polder dus samen-, daarna niet meer. De grootte van het blok Middelburg bedroeg ongeveer 125 morgen, die van het ambacht ongeveer 430 morgen, en die van de polder, zonder Spoelwijk, circa 330 morgen. B. Verwerving De heerlijkheid van Middelburg was een leen van de grafelijkheid van Holland. Het leen is vanaf het moment tot waarop de oudste vermelding teruggaat - het einde van de 13e eeuw- tot in het begin van de zestiende eeuw in het bezit geweest van leden van het geslacht Van Foreest. In 1510 werd het verkocht aan een lid van het verwante geslacht Van Borsele, waarna het in de loop van twee eeuwen opnieuw alleen door huwelijken en vererving van bezitter veranderde. In 1710 was het het object van een transactie tussen de echtgenoten Johan Frederik van Lier en Catharina Zoete de Lake van Villers, en in 1715 werd het gekocht door de Leidse oud-burgemeester Pieter van Leiden. De mechanismen van huwelijk en vererving maakten in 1816 Lodewijk Alexander de Milly tot bezitter van de heerlijkheid. Na zijn overlijden verkocht zijn in financiële moeilijkheden verkerende weduwe Anna Cornelia de Bruyn de heerlijkheid op 22 maart 1819 aan O.W.J. Berg. Zij was diens nicht door haar moeder Madelon Sophia Berg, echtgenote van Willem de Bruyn, en zuster van Otto's vader Ernst Willem Berg. Sindsdien is "de heerlijkheid van Middelburg" in het bezit van O.W.J. Berg en zijn nakomelingen gebleven. C. De schout Behalve met het bestuur van het ambacht en van de polder Middelburg was de schout van Middelburg ook belast met de leiding van het college dat in 1357 was ingesteld voor het bestuur met betrekking tot de wetering waardoor de vier ambachten ten oosten van de Gouwe afwaterden op de Ijssel. Het ambtsgebied van deze funktie beperkte zich niet tot Middelburg, maar omvatte mede de andere drie betrokken ambachten. De bevoegdheid van de Middelburgse schout in dezen was een door vier ambachtsheren gedelegeerde bevoegdheid. Van der Linden typeert de situatie als: "… een zware gemeenschappelijke regeling. En dat niet alleen met een eigen orgaan - schout en heemraden - maar óók met rechtspersoonlijkheid". De schout had dus een drieledige taak: ambachtsbestuur, polderbestuur en weteringbestuur.
Geschiedenis archiefvormerInleiding op de verzamelinventaris Archieven Jordens (Deventer, 1977) De inleiding op een inventaris van een familiearchief behoort te beantwoorden aan het algemene principe n.l. dat de inleiding de noodzakelijke kennis moet bevatten voor de onderzoeker, die de documenten denkt te kunnen gebruiken. De verleiding is echter groot om bij families, waarvan de betekenis in voorgaande eeuwen zeer aanzienlijk is geweest, van dit principe af te wijken. Evenwel hoopt de samensteller van deze publicatie met de navolgende passages gewijd aan de lotgevallen van de familie Jordens in Deventer en omgeving redelijk binnen de grenzen van de archieftheoretische opvattingen gebleven te zijn. Daarbij kan in dit verband gewezen worden op een artikel van de hand van dr. A.C.F. Koch over het Jordenshofje, waardoor de aandacht voor deze instelling van weldadigheid beperkt kan blijven 1. Door de naamgeving van het Jordenshofje in de Kleine Overstraat en van het Jordenshuis in de Papenstraat blijft de herinnering aan de oude regentenfamilie Jordens in Deventer levend, ook nu er geen naamgenoten meer wonen. Door het besluit van mr. C.G. Jordens (1896-1977) om het familiearchief in bewaring te geven bij de gemeente Deventer is aan die herinneringen een monument van andere orde, een "papieren" monument toegevoegd. De maatschappelijke positie van de leden der familie en hun bezittingen in en buiten Deventer bepalen de grote waarde van dit archief, dat naar de mening van de samensteller van de inventaris zeker voor het laatst deel van de 18de en de gehele 19de eeuw veelvuldig geraadpleegd zal worden voor de bestudering van de lokale en regionale geschiedenis. De familie Jordens De stamvader van de familie Jordens te Deventer is - naar recent onderzoek heeft uitgewezen 2 - Hendrik Seemsmaker, die komende van Havixbek in Westfalen in 1493/94 het burgerrecht in deze stad verwierf. Bij de verlening van het burgerschap stelde zich tot borg Johan Jordens, zadelmaker in de Korte Bisschopstraat. Voorts is bekend dat Hendrik Seemsmaker vóór 1500 gehuwd is met Stijne, de dochter van Johan Jordens 3, hetgeen de relatie bij de burgerrechtverlening verklaart. In het nageslacht is in de derde tot vierde generatie de voornaam Jorden tot eigennaam geworden. Oudtijds liep de spelling van de letters J en I doorelkaar. De officiële schrijfwijze 1 . A.C.F. Koch, De Keysersplaats of Iordenshof te Deventer, in: Verslagen en Mededelingen v.d. Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 75-e stuk (1960) p. 59-68. 2 R.C.C. de Savornin Lohman, De herkomst van het Deventer geslacht Jordens, (mededeling) in: De Nederlandsche Leeuw jrg. 94 (1977) k. 112-113. 3 Genealogie van het geslacht Jordens, in: Nederland#s Patriciaat jrg. 52 (1966) p. 208 - 234. Uitgebreider in oudere generaties is de publikatie van H. Kronenberg en H.H. Roëll, in: De Nederlandsche Leeuw jrg. 47 (1929). van de naam Jordens is, zeker sedert de invoering van de burgelijke stand in 1811, behoudens een uitzondering, met de letter J. Die spelling wordt in deze publicatie aangehouden. Voor de geschiedenis van het geslacht in de 16de en een deel van de 17de eeuw zijn we aangewezen op de algemene archiefbronnen, met name die delen uit het rechterlijk archief van de stad, waarin gegevens vermeld worden over het wonen en werken van de leden van de familie zoals de attestatie- en renunciatie-registers 4. Zeer informatief zijn twee akten uit de attestatieregisters gedateerd 2 en 3 februari 1570. Daaruit blijkt dat de drie eerste generaties Jordens - met de voornamen Hendrik, Jorden, Hendrik - een bedrijf voor de bereiding van zeemsleer hebben uitgeoefend vanaf ongeveer 1520; dit bedrijf is gevestigd geweest, naar we uit andere bron weten, in de Grote Overstraat 5. Volgens de familieoverlevering was aan dit huis een uithangbord bevestigd met de afbeelding van een dorstig hert. Dit is bepaald niet onwaarschijnlijk; het familiewapen bevat vanaf de 17de eeuw een hert. In de derde generatie, dus die van Hendrik Seemsmaker of Hendrik Jordens (overleden in 1581), is de band tot stand gekomen tussen de familie Jordens en een kleine instelling van weldadigheid, toen en tot in de 19de eeuw, bekend onder de naam de Keysersplaats, sindsdien bekend onder de naam het Jordenshofje. Gesticht door Ewolt Keyser vóór 1538 achter zijn woning in de Lange Bisschopsstraat met een ingang aan de Pontsteeg lagen daar vier kleine huisjes bestemd voor de huisvesting van bejaarde en behoeftige vrouwen. in 1571 droeg Johanna de weduwen van Joachim Keyser het beheer van de "Keysersplas" over aan haar familieleden Hendrik Jordens en zijn zwager Ewolt Buser. Na de dood van laatstgenoemde in 1622 kwam het beheer van de fundatie geheel in handen van leden van de familie Jordens 6. In de eerste helft van de 17de eeuw splitste de Jordensfamilie zich in twee te Deventer woonachtige takken middels Gerhard en Hen(d)ri(c)k Jordens zonen van de brouwer Jan of Joan Jordens, die op zijn beurt weer de jongste zoon was van de hiervoor vermelde zeemsbereider Hendrik Jordens. Zowel Gerhard (1603-1670) als Hendrik (1605-1667) blijken opgenomen in de bestuurslaag van de stad Deventer, waar zij verschillende functies bekleedden. Zij beiden zijn daarmee de stichters van een regentendynastie, die invloed op het openbare leven heeft behouden tot in het begin van de 20ste eeuw. Vooral de nazaten van Hendrik Jordens zijn te Deventer in een relatief groot aantal woonachtig gebleven. De archieven die in deze publicatie beschreven worden, hebben vooral op die tak van de familie betrekking. Daarbij dient opgemerkt te worden, dat van de leden der familie Jordens vóór het midden der 18de eeuw in de meeste gevallen slechts fragmenten van persoonlijke archieven bewaard gebleven zijn. Enigszins een uitzondering op die regel vormt Rudolf Jordens (1671-1748) van wie over een vrij grote periode bescheiden betrekkelijk de door hem vervulde stedelijke functies van financiële aard aanwezig zijn. De geschiedenis van de herkomst van deze stukken is echter apart. Ze zijn eerst in 1941 door aankoop aan het familiearchief toegevoegd 7. Eén en ander doet ons samenvattend opmerken, dat de kern van het familiearchief afkomstig is van de kinderen van Herman Joan Jordens (1706-1756) en Rudolphina Johanna Daendels (1700-1768) alsmede hun verdere nazaten. In de 18de eeuw werd het ongebruikelijk, dat leden van het geslacht die overheidsfuncties bekleedden nog een beroep uitoefenden. Voor de Deventer jongelieden was de gebruikelijke 4 J. Acquoy, Inventarissen van de rechterlijke archieven der stad Deventer, van het schoutambt en de ambtmannie Colmschate, in: Verslagen van s#Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1911, p. 449-500, #s-Gravenhage 1912. Hierin invent. nr. 6 attestatieregisters en nr. 55 renuntiatieof transportregisters. 5 Deze inventaris nr. 5 en Koch o.c. p. 62. 6 Koch, o.c. p. 62. 7 Deze inventaris nr. 358. levensloop het bezoek aan het Athenaeum en vervolgens de studie aan een universiteit, vrijwel altijd in de juridische faculteit. Daarna zorgde het systeem van onderlinge afspraken tussen de regentenfamilies er voor, dat de afgestudeerde van één of meerdere betrekkingen voorzien werd. Men kan voor wat betreft de Jordensen geen caesuur ontdekken tussen de stadhouderloze tijdperken en de periodes waarin de Oranjes invloed op het vergeven der benoemingen uitoefenden. Het kohier van de duizendste penning te Deventer van 1734 8 bevat in totaal 19 leden van de familie Jordens, waarvan het getaxeerde bezit d.w.z. alleen het bezit in de stad, een bedrag van f. 197.000 opleverde. Van deze 19 familieleden bekleedden er zeker zes een overheidsfunctie in Deventer of daarbuiten; acht van de negentien waren weduwen of ongehuwde vrouwen. Ook de reeds vermelde Herman Joan Jordens maakte deel uit van het stadsbestuur van Deventer en van het bestuur van het gewest Overijssel. Zijn echtgenote stamde uit het Veluwse geslacht Daendels. Ten gevolge van deze verbintenis geraakte de buitenplaats de Borchgreve te Heerde in het bezit van de familie Jordens. Uit een andere tak van de familie was Georg Jordens (1722-1776) van 1746 tot aan zijn overlijden een verdienstelijk hoogleraar in de juridische faculteit aan het Deventer Athenaeum. Met de nazaten van het echtpaar Jordens-Daendels zijn we in de roerige tweede helft van de 18de eeuw aangekomen. De Patriottentijd stond voor de deur en het einde van de Republiek naderde. Herman Joan#s zoon Gerrit David Jordens (1734-1803) maakte een uitermate interessante carrière door. Als niet al te uitgesproken partijganger maar wel met patriotse sympathieën deed hij onder stadhouder Willem V heel wat moeite om op de geijkte wijze aan betrekkingen te komen 9. In de jaren 1780-1787 schaarde hij zich echter volledig aan de patriotse zijde; tengevolge daarvan was hij van 1788-1794 ambteloos. In 1795 werd hij direct gekozen in het voorlopige stadsbestuur en zelfs afgevaardigd naar de centrale volksvertegenwoordiging in Den Haag. Het meer radicale gedeelte uit de Franse tijd in 1798 bekwam hem slecht en met zijn plaatsgenoot mr. G. Dumbar jr. vertoefde hij na de Jacobijnse staatsgreep een half jaar als gevangene te Honselaarsdijk 10. Tenslotte werd hij in 1801 benoemd tot lid van het Hoge Nationale Gerechtshof te `s-Gravenhage. De regelmatige verandering van politiek systeem tussen 1795 en 1815 heeft niet betekend dat de invloed van de oude regentenfamilies, of zij nu in het voorafgaande tijdvak patriots dan wel oranjegezind waren, is verdwenen. Typerend voor die situatie is een overzichtje van leden van de familie Jordens in 1835 te Deventer werkzaam: mr. C.A. van Munster Jordens, officier van justitie en lid van de gemeenteraad; mr. H.J. Jordens, griffier van de rechtbank; zijn zoon mr. W.H. Cost Jordens, vrederechter, auditeur bij de krijgsraad van de schutterij en gemeenteraadslid; mr. D.J.R. Jordens, advocaat en notaris, lid van Provinciale Staten van Overijssel en mr. H.W. Jordens, advocaat en procureur. De laatste Jordens die aan het bestuur van stad en provincie deelnam was Herman Joan Jordens (1868-1928). Na een wethouderschap te Deventer van 1902-1906 werd hij lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel tot aan zijn overlijden in 1928. De grote concentratie van functies in het openbare leven, waartoe we ook de kerkgenootschappen en verenigingen kunnen rekenen, veroorzaakte dat men te Deventer in de 19de eeuw vrijwel overal leden van de familie Jordens tegenkwam. De maatschappelijke positie van de familie berustte evenzeer op een redelijke tot grote mate van welvaart, die tot uitdrukking gebracht werd in de verwerving of vererving van onroerende goederen. 8 Stadsarchief Deventer, afd. Repubiek I nr. 600. 9 J.I. van Doorninck, Gerrit David Jordens 1772-1778, in: Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, dl VII (1883) p. 1-20. 10 Collectie Dumbar, gemeentearchief Deventer, voorlopige inventaris nr. 96 en 97 "Dagverhaal van het aan mij (d.i. mr. Gerhard Dumbar jr.) gebeurde in de eerste zes maanden des jaars 1798" met bijlagen. Het landgoed de Bannink onder Colmschate is van 1682 tot omstreeks 1800 in het bezit van de familie Jordens geweest. Na Rudolf Jordens (1732-1797) vererfde het buitengoed tweemaal vrij snel in de vrouwelijke lijn, waardoor het in het bezit geraakte van de familie Sandberg tot Essenburg. In de voorgevel van het oude huis (zie de foto), dat kort na 1890 werd afgebroken en vervangen door de huidige in 1895 gebouwde villa, bevonden zich de familiewapens van het echtpaar Hendrik Jordens (1667-1715) en Elisabeth Mechteld Roelinck (1668-1715). Van de buitenplaats de Borchgreve onder Heerde maakten we reeds in het kort melding. Deze bezitting werd door de erven D.J.R. Jordens in 1861 verkocht. Via zijn echtgenote Anna Maria Metelerkamp deelden D.J.R. Jordens en de kinderen uit dit echtpaar in de grote bezittingen van de familie Metelerkamp, die eensdeels gelegen waren in de provincie Groningen en het aangrenzende gebied van Oost-Friesland en voor een ander gedeelte in Amsterdam. Dit bezit werd door de erven Metelerkamp, waartoe ook de president van de rechtbank te Deventer mr. G. Nilant Bannier hoorde, verkocht in de jaren 1850. Mr. H.J. Jordens kwam via zijn schoonvader mr. W.H. Cost in het bezit van boerenerven te Epse (gemeente Gorssel). Van zijn kinderen bleef Johanna Aleida Jordens ongehuwd; zij bewoonde de door haar verbouwde buitenplaats Matance te Terwolde (gemeente Voorst). Haar broer mr. W.H. Cost Jordens was bouwheer van Het Schol te Wilp (gemeente Voorst); hij erfde van zijn vader de erven te Epse. Cost Jordens was wel gehuwd, maar hij overleed kinderloos. Het bezit van hem en zijn zuster werd verkocht in de jaren 1876-1877. Met name het beheer van het onroerend goed heeft in het familiearchief een belangrijke hoeveelheid waardevolle archiefbescheiden nagelaten, van betekenis ook voor de geschiedbeoefening van de plaatsen waarin deze goederen gelegen waren. In de 20ste eeuw verminderde het aantal te Deventer woonachtige leden van de familie Jordens snel. Van het grote gezin van D.J.R. Jordens bleven alleen de kinderen van zijn oudste zoon in het herenhuis in de Papenstraat wonen. Daartoe behoorde ook Herman Joan Jordens die bij zijn overlijden in 1929 geen kinderen naliet. Sindsdien was alleen de tak van mr. H.W. Jordens (1807-1881) te Deventer vertegenwoordigd in de persoon van mr. dr. H.W. Jordens (1881-1966). Deze Jordens was slechts kort lid van de gemeenteraad, daar hij voor die positie bedankte toen hij drie jaar na zijn verkiezing in 1922 benoemd werd tot secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Deventer. Maatschappelijke functies bleef hij tot op hoge ouderdom vervullen, zoals het (president)curatorschap van het Alexander Hegius gymnasium van 1921-1957. Het Notariskantoor van D.J.R. Jordens en G.E. Jordens Het notarisambt dat in Overijssel in de middeleeuwen veelvuldig voorkwam, vaak gekoppeld aan geestelijken of secretarissen, is na de opstand tegen Spanje vrij spoedig na het jaar 1600 verdwenen. Voorzover het opmaken van publieke akten niet gemist kan worden, diende de burger zich te richten tot de schepenbanken of de secretarissen van het lokale bestuur. In Deventer waren er van oudsher drie stadssecretarissen ten dienste van de stedelijke rechtspraken het stedelijk bestuur. In het rechterlijk archief van de stad treft men hun protocollen aan, met afzonderlijke registers ter registratie van testamenten. Handelsakten vindt men na 1600 in een vrij gering aantal in de memorieboeken, terwijl het handelsleven in de 17de en 18de eeuw in die gewesten, zoals Holland, waar het notariaat zich handhaafde, veel duidelijker naspeurbaar is in de notariële protocollen 11. De uniformering van het openbare leven bracht in de Franse tijd voor Overijssel de wederinvoering van het notariaat. De introductie van het ambt in 1811-1812 viel samen met 11 Acquoy, o.c. invent. nr. 105 protocollen; inv. nr. 106 en 107 testamenten; inv. nr. 124 memorieboeken. de afsplitsing van de rechterlijke bevoegdheden uit het stedelijk apparaat, dat zich sinds dat jaar uitsluitend met het bestuur had bezig te houden 12. De rechtspraak, de indeling van de rechterlijke organisatie, het notariaat en zijn organisatie werden door de toepassing van de Franse wetgeving centraal geregeld. Verkreeg het personeel voor de rechtspraak de status van ambtenaar, de notarissen werden alleen benoemd door de centrale overheid en waren gebonden aan wettelijke voorschriften, maar oefenden hun beroep voor eigen risico uit. In 1811 was mr. H.J. Jordens één der drie stadssecretarissen; door zijn benoeming tot griffier aan de rechtbank van eerste aanleg alhier behield hij een ambtelijke functie. Zijn halfbroer mr. D.J.R. Jordens voerde een particuliere praktijk als advocaat en procureur en vervulde een bezoldigde nevenfuctie als secretaris van de Commissie van Landbouw in het Departement Overijssel. Hij behoorde op 27 februari 1812 tot één van de drie gelukkigen die hier tot notaris benoemd werden; behalve Jordens verkregen mr. J. Chr. van der Linde en mr. W.H. van Marle een dergelijke aanstelling. Alleen de werkzaamheid van Van Marle gaat terug tot 1811, aangezien hij als griffier van het toen ingestelde Vredegerecht reeds als waarnemend notaris mocht optreden 13. In het kanton Deventer, dat de plaatsen Bathmen, Deventer, Diepenveen, Holten en Olst omvatte, resideerde buiten Deventer alleen te Olst een notaris. Het gevolg was dat de inwoners van de toen vrij dun bevolkte plattelandsgemeenten veelal gebruik maakten van een notaris te Deventer. Het is D.J.R. Jordens in zijn praktijk als notaris niet slecht gegaan. Hij had veel cliëntèle, zij het ook veel van de kleinere zaken 14. Daarnaast bleef hij als zaakwaarnemer of rentmeester voor enkele grondbezitters fungeren, die uiteraard bij verkopingen e.d. ook van zijn notariële bevoegdheden gebruik maakten. De degelijk opgebouwde praktijk werd door Jordens eerst op hoge leeftijd in 1855 aan zijn zoon mr. G.E. Jordens overgedragen. Deze zette de zaken op dezelfde voet voort. Slechts met moeite daartoe bewogen legde hij na een ernstige ziekte in 1900 op 87 jarige leeftijd het notarisambt neer. De notariële praktijk bleef niet in de familie; wel hield H.J. Jordens een aantal beheerszaken aan, zodat het archief van het kantoor nog doorloopt tot 1913. De heren Jordens hebben steeds kantoor gehouden in het grote huis van de familie in de Papenstraat. Van meet af aan behoorde het tot de verplichtingen van de notaris, dat er een goed archief bijgehouden werd. De series minuten van de akten met als toegang daarop de repertoria dienden op gezette tijden overgedragen te worden aan de centrale bewaarplaats van alle notarissen in het arrondissement. De overige bescheiden bestaande uit de boekhouding, correspondentie, dossiers en andere toegangen dan de repertoria, vallen buiten de voorschriften. Deze inventaris laat zien hoe omvangrijk en nuttig die archivalia zijn. De vraag moet gesteld worden, in aansluiting op het standpunt van de Archiefraad 15, of het geen aanbeveling verdient om dit gedeelte van de notariële archieven eveneens onder werking van de wettelijke voorschriften te brengen, zodat bij de uiteindelijke overdracht der minuten en repertoria aan de beheerders van de archiefbewaarplaatsen in de zin der archiefwet ook deze bescheiden beschikbaar komen voor het archiefonderzoek. Het Jordenshofje Hiervoor is verhaald hoe de stichting van Ewolt Keyser uit het begin van de 16de eeuw spoedig na 1600 beheerd werd door leden van de familie Jordens, zoveel mogelijk uit iedere tak van 12 D.P.M. Graswinckel, De archieven der notarissen, die op het grondgebied der tegenwoordige provincie Overijssel gefungeerd hebben van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 16 oktober 1842, in: Verslagen van 's Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1921, stuk 2, p. 276-329, 's-Gravenhage 1923. 13 D.P.M. Graswinckel, De archieven der notarissen, die op het grondgebied der tegenwoordige provincie Overijssel gefungeerd hebben van na de invoering der Fransche wetgeving en van vóór 16 oktober 1842, in: Verslagen van 's Rijks Oude Archieven (over het jaar) 1921, stuk 2, p. 280. 14 Deze inventaris nr. 631. 15 Verslag 1974 (van de) Archiefraad, p. 21, 's-Gravenhage 1975. de familie één. Deze beheerscontinuiteit is tot op de dag van heden gebleven, al wonen de provisoren, zoals de bestuurders genoemd worden, niet meer in Deventer. Het hofje bevond zich vanaf de stichting tot in het midden van de 19de eeuw op een binnenterrein achter de Lange Bisschopsstraat met de ingang aan de Pontsteeg. De provisoren hebben in 1856 een nieuw binnenterrein aangekocht tussen de Grote en de Kleine Overstraat met een woonhuis aan laatstgenoemde straat. In 1857 werden hier nieuwe huisjes in gebruik genomen, die in 1929/30 geheel verbouwd zijn. De oude benaming van het hofje "de Keysersplaats" is sinds het midden van de 19de eeuw definitief vervangen door die van "het Jordenshofje". Het doel van deze liefdadige instelling was steeds het verschaffen van bewoning en zonodig verdere ondersteuning aan oudere onbemiddelde vrouwen ten getale van vier of vijf. Aan een ongedateerde ordonnantie van omstreeks 1635 kunnen de volgende bepalingen ontleend worden. 16. Eerst de verplichtingen aan de bewoonsters. Bij de intrede moesten ze in het bezit zijn van een bescheiden som geld en waren ze verplicht om aan ieder der aanwezige bewoonsters zes stuivers uit te reiken en hen te trakteren op brandewijn. De bewoning van de huisjes was om niet, maar de bewoonsters moesten elkaar bijstaan in het bijzonder in geval van ziekte. Alleen wanneer de verpleging te zwaar werd, overwogen de provisoren naar bevind van zaken bijstand te verlenen. Na het overlijden van de bewoonsters vervielen hun boedeltjes aan de instelling. Het bestuur stelde hiertegenover zijn verplichtingen, die onder meer bestonden uit het op gezette tijden beschikbaar stellen van bier, turf en boter en het uitreiken van geld te weten zes stuivers met Kerstmis en negen stuivers met Pasen, waarvan drie bestemd voor het kopen van eieren. Al deze bepalingen werden de bewoonsters voorgelezen, zoals blijkt uit de notitie op de achterzijde van dit reglement: " Dijt is de ordonantij van ons vronden plaes de men de luden voorlest als zij op de armenplaes irst commen, gesgreften doerg mij - John Jordens". Het realiseren van de doelstelling van de stichting is niet altijd gemakkelijk geweest. De vaste inkomsten waren bescheiden en in feite ontoereikend voor het goed onderhouden van de woningen en het uitvoeren van de verplichtingen van het reglement. De wisselvallige inkomsten konden bestaan uit de opbrengst van de boedeltjes of het bijspringen middels een schenking door een provisor. Zo werd de vernieuwing der woninkjes in 1644 mogelijk gemaakt door een relatief hoge opbrengst van een nalatenschap van één der bewoonsters. In 1680 verviel er een huis in de stad tengevolge van een gerechtelijke openbare verkoop aan het bestuur van het hofje. Dit bezit moest in 1793 weer verkocht worden uit gebrek aan middelen. Omstreeks 1800 bedroegen de inkomsten nog geen honderd gulden per jaar; de helft van dit bedrag werd ontvangen als rente uit obligaties ten laste van overheidslichamen. De tiërcering van de rente in de Franse tijd was derhalve een zware slag voor de instelling. Noodgedwongen moesten de provisoren overgaan tot verhuur van de huisjes. Een zeer efficient beheer na 1813 bracht herstel. In dit kader paste ook overplaatsing van het hofje naar de Kleine Overstraat en de beëindiging van het verhuren der huisjes. Sindsdien is door de veranderde maatschappelijke omstandigheden het belang van de instelling hoe langer hoe meer komen te liggen op het verstrekken van de vrije bewoning.
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in