Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Ruslandgids - Zoeken: illegaliteit

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (8)

Archieven (8)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Inventaris van het archief van het Militair GezagStukken betreffende de ontvangst van verzoeken van de Grote Advies-Commissie der Illegaliteit om de directeur-generaal van de Voedselvoorziening S.L. Louwes te ontslaan uit zijn functie en om publicatie van een maatregel van de Russische bezettende macht om Nederlanders te werk te stellenNationaal Archief
Archief CPNIII. Archief Marcus Bakker Bestuur CPN Bijzondere onderwerpen - Documentatie betreffende de rol van Paul de Groot en de geschiedschrijving dienaangaande door Sovjet-historiciInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Archief CPNIII. Archief Marcus Bakker Bestuur CPN Concepten voor brochures, resoluties, manifesten en andere partijpublikaties. Met bijlagen. - Russischtalige brochure betreffende de invloed van de Oktoberrevolutie, samen met F. BaruchInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Archief CPNI. 1940-1945 (1946) Communistische illegale pers - Commentaar op het concept voor een brochure over de Sovjet-UnieInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Archief CPNI. 1940-1945 (1946) Communistische illegale pers - 'Antwoord van een communist op de brochure "De oorlog en het gevaar van het Bolsjewisme"' [door Spectator, Koos VorrinkInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Archief van Europese dagboeken en egodocumentenSmet, L.A.H. de: Mijn militaire dienstplicht (eind 1938) en de daarop volgende mobilisatie (1), De onverhoedse aanval van de Duitse "Wehrmacht" op 10 mei 1940 en de capitulatie van Nederland op 14 mei 1940 (2), Mijn studie in Wageningen tijdens de Duitse bezetting, gevangenneming en deportatie naar Duitsland (3), Mijn gedwongen verblijf en verplichte tewerkstelling in Duitsland van 1943 - 1945 (4), "Bevrijding"door de Russen, repatriering, thuiskomst en terugkeer naar Wageningen (5, dl.1 en 2), Studentenverzet in Wageningen, loyaliteitsverklaring, "Arbeidseinsatz", zuiveringskwestie en verloren studiejaren (6, dl 1 en 2), Aantekeningen over speurwerk "rechercheur Postma" (7) en Neutraal Nederland; Collaboratie, Illegaliteit en Verzet tijdens de Duitse bezetting van 1940 - 1945 (aanwinst)Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Archief van de Vereniging Landelijke Kontaktgroep Verzetsgepensioneerden 1940-1945.CorrespondentieNederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Archief CPNII. 1945-1991 STUKKEN BETREFFENDE BIJZONDERE ONDERWERPEN BUITENLANDS BELEID EN INTERNATIONALE CONTACTEN Algemeen Correspondentie Correspondentie met verwante organisaties in het buitenland en in Nederland opererende landen-actiegroepen, reisverslagen en verklaringen betreffende de politieke situatie, alfabetisch geordend op land - Sovjet-Unie, publikaties van Paul de Groot in de Pravda en verzoek om informatie betreffende H. Sneevliet en reactieInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Alle resultaten

Achtergrond archieven (8)

Achtergrond archieven (8)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Het Nationaal Steun Fonds financierde, mede door de geldelijke steun van de regering in Londen, de illegaliteit. De leiding werd gevormd door het driemanschap W. van Hall, Iman Jacob van den Bosch en A.J. Gelderblom.
Jacobus Albertus Wilhelmus (Jaap) Burger werd op 20 augustus 1904 in het Noordbrabantse Willemstad geboren. Zijn familie was van christelijk historischen huize. Op 10 jarige leeftijd had hij al de lagere school doorlopen, waarna hij aanvankelijk naar de christelijke Keuchenius MULO in Oud Beijerland ging. Toen echter in diezelfde plaats een christelijke HBS werd gesticht stapte hij naar deze school over. Na de middelbare school studeerde Burger rechten in Utrecht waar hij lid werd van de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV). Na het behalen van zijn kandidaatsexamen verliet hij Utrecht om zijn studie te vervolgen en af te ronden aan de Universiteit van Amsterdam. Hier kwam hij in kontakt met medestudenten en docenten die wel gelovig waren maar geen lid waren van en zelfs niet sympathiseerden met een christelijke partij. Door deze kontakten werd Burger lid van de Sociaal Democratische Studentenclub (SDSC), waar hij mensen als J. Tinbergen en H. Verwey Jonker leerde kennen met wie hij ook in zijn latere carrière van doen zou krijgen. Burger noemde zichzelf wel democratisch maar niet vrijzinnig, reden waarom hij zich niet tot de vrijzinnig democratische richting aangetrokken voelde. In 1929, aan het eind van zijn studie, werd Burger wel lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), in welke partij het pacifisme, gesymboliseerd door het 'gebroken geweertje' hem sterk aantrok. Na een buitenlands verblijf in o.a. Zwitserland en Engeland liep Burger stage op een advocatenkantoor in Rotterdam, waarna hij zich in 1930 als advocaat in Dordrecht vestigde. In deze plaats richtte hij de afdeling Zuid Holland op van het Bureau voor Arbeidsrecht dat een orgaan van het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV) was. Hoewel hij wel secretaris werd van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (een instelling van de SDAP) weigerde hij hem aangeboden functies in de gemeentelijke en provinciale politiek. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Burger niet betrokken bij de georganiseerde illegaliteit. Wel wist hij een zestal Joden uit handen van de Duitse bezetter te houden door hen bij hem te verbergen. In januari 1943 schreef hij zijn eerste politieke brochure ('Perspectief van Onzen Tijd'), waarin hij bedenkingen uitte tegen een onmiddellijk herstel van de parlementaire democratie na afloop van de oorlog. Aan kritiek onderhevig was later een passage waarin hij zich terughoudend uitliet over volledige materiële tegemoetkomingen na de oorlog aan Joden wier bezit door de Duitsers was geroofd. Op 12 mei 1943 stak Burger met anderen per boot over naar Engeland, waarbij zijn stuurmanskunst (zeilen was een hobby van hem) uitstekend van pas kwam. Burger werd in Londen aangesteld tot verbindingsman met het Militair Gezag op het ministerie van Sociale Zaken. In juli 1943 maakte hij, zoals elke Engelandvaarder, kennis met koningin Wilhelmina die, samen met de Nederlandse regering, in Londen resideerde. Op dit kennismakingsgesprek volgden vele andere besprekingen met de vorstin die een grote sympathie voor elke Engelandvaarder koesterde en al langer van zins was om één van hen in de regering op te nemen. Zij stelde aan minister president P.S. Gerbrandy voor om Burger tot Minister zonder portefuille te benoemen, hetgeen op 11 augustus 1943 geschiedde. De nieuwe minister werd toegevoegd aan de Commissie Terugkeer, een commissie die zich bezighield met het opstellen van plannen voor het bestuur van Nederland na het einde van de oorlog, waartoe zij concept besluiten ontwierp betreffende de naoorlogse Staten Generaal, Provinciale Staten en Gemeenten. De samenwerking tussen Burger en Gerbrandy (de laatste ervoer Burger als een 'luis in zijn pels') was niet steeds optimaal en ook traden er andere wrijvingen in de ministersploeg op, ten gevolge waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, H. van Boeyen, aftrad. Op 31 mei 1944 werd Burger tot zijn opvolger benoemd. Als Minister van Binnenlandse Zaken was hem het functioneren van het Militair Gezag onder leiding van generaal H.J. Kruls in het bevrijde deel van Nederland een doorn in het oog. Burger kwam in het kabinet in een geïsoleerde positie te staan door zijn mening over de zuivering van onvaderlandslievende personen na het einde van de bezetting, een mening die afweek van die van het merendeel der ministers en van de koningin. Burger vond het raadzaam om een onderscheid te maken 'tusschen hen die alleen maar slap zijn geweest in hun houding tegenover den bezetter en hen, die door doen of nalaten den vijand of zijn handlangers bewust steun en hulp hebben verleend'. In een radiorede van 14 januari 1945 formuleerde hij het als volgt: 'Want het gaat niet om het vinden van begane fouten, maar om het vinden van hen, die fout zijn geweest'. Al op 3 januari 1945 was hij naar Nederland gegaan om aldaar de werkzaamheden van het Bureau Binnenlandse Zaken te ondersteunen. Naar aanleiding van zijn uitspraken in de radiorede van 14 januari werd op 23 januari 1945 door Gerbrandy een ontslagbrief opgesteld waarmee Burger de laan zou worden uitgestuurd. Uit solidariteit met de Minister van Binnenlandse Zaken dienden ook de twee andere socialistische ministers, J. van den Tempel en J.W. Albarda, hun ontslag in, hetgeen evenwel op dat ogenblik overbodig was daar Gerbrandy zelf al een dag tevoren het ontslag van het gehele kabinet bij de koningin had ingediend. Op 23 februari 1945 trad een nieuw kabinet aan waarvan Burger geen deel meer uitmaakte. Op die dag ook werd het Bureau Binnenlandse Zaken opgeheven. Al eerder was Burger in Cambridge geweest ten behoeve van een studie over de theoloog K. Barth en na de oorlog zette hij deze studie gedurende een korte tijd voort. Hij werd evenwel vanuit de SDAP benaderd om zitting te nemen in de Voorlopige Staten Generaal (ook 'Noodparlement' geheten), een uitnodiging waar Burger inderdaad op inging. Op 20 november 1945 werd hij met de andere volksvertegenwoordigers beëdigd. Op 16 mei 1946 werden de eerste na oorlogse verkiezingen gehouden die geen doorbraak te zien zouden geven naar een nieuwe partij politieke constellatie. Daarna werd Burger gewoon Kamerlid voor de nieuwe Partij van de Arbeid (PvdA) die op 9 februari 1946 was opgericht. In de jaren 1946 -1948 was hij ook gedelegeerde bij de Verenigde Naties in New York. Burger werd tevens op 16 maart 1946 benoemd tot president van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging te Dordrecht. Consternatie veroorzaakte in januari 1951 een uitspraak van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, M. van der Goes van Naters, die voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië was en die verklaarde dat de Nieuw-Guinea-kwestie hem wel een politieke crisis waard was. Van der Goes van Naters werd gedwongen tot aftreden (van de PvdA fractieleden stemde alleen Burger hiertegen) en werd opgevolgd door L.A. Donker. Toen laatstgenoemde echter in 1952 Minister van Justitie werd was het Burger die tot nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA werd gekozen. Hij leidde namens de PvdA de onderhandelingen bij de kabinetsformatie van 1952. Grote opschudding veroorzaakte een herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen in 1954 waarbij deze aan rooms-katholieken verboden om lid van socialistische organisaties te zijn. Burger stelde zich tegen dit 'Mandement' fel teweer en zag met genoegen dat rooms-katholieke Kamervertegenwoordigers voor de PvdA als J. Willems en G. Ruygers niet op de bisschoppelijke eisen ingingen. In de discussie over afschaffing van de geleide loonpolitiek pleitte Burger ervoor de rol van de overheid niet geheel te doen verdwijnen. Op 17 mei 1955 ontstond er een politieke crisis toen de PvdA weigerde om de Huurwet van minister H.B.J. Witte te accepteren. Op 26 mei van dat jaar werd Burger tot formateur benoemd die de politieke breuk wist te lijmen. Bij de Tweede Kamer verkiezingen van 13 juni 1956 werd de PvdA de grootste partij. Pas na drie maanden was er een nieuw kabinet dat mede tot stand kwam dankzij de werkzaamheden die Burger als informateur verrichtte. Voor de vierde maal formeerde daarop W. Drees een rooms-rood kabinet dat echter al in 1958 ten val kwam na een reeks van botsingen tussen PvdA en Katholieke Volkspartij (KVP). Naast regeermoeheid speelde er ook grote irritatie tussen beide fracties die gevoed werd door de zeven PvdA eisen ten aanzien van het regeringsbeleid die Burger op de zgn 'Fakkeldragersdag' van de PvdA (22 november 1958) formuleerde. De KVP onder leiding van C.P.M. Romme greep de belastingvoorstellen van de Minister van Financiën, H.J. Hofstra aan om te breken met de PvdA, wat het definitieve einde betekende van het premierschap van Drees. Op 23 december 1958 trad een interim kabinet aan dat onder leiding stond van KVP voorman L.J.M. Beel. Op de verkiezingen van 12 maart 1959 volgde het aantreden van een kabinet waaraan de socialisten niet deelnamen en dat onder leiding stond van de KVP'er J.E. de Quay. Burger werd nu leider van de oppositie, in welke hoedanigheid hij fel verzet aantekende tegen het beleid van wat wel eens genoemd werd het 'werkgeverskabinet De Quay'. De wijze waarop Burger oppositie voerde en de door hem beoogde doelstellingen trachtte te verwezenlijken werd niet altijd gesteund door partijgenoten als de oud ministers I. Samkalden, J.G. Suurhoff en A. Vondeling, die nu Tweede Kamerlid waren en angst koesterden dat de PvdA de middengroepen van zich zou vervreemden. Burgers optreden werd door medestanders omschreven als recht door zee, slim, oprecht, ontbloot van prietpraat en franje, terwijl tegenstanders hem als bruusk, bot, onbehouwen en als brulboei tegen rechts typeerden. En ook nu werd de kwestie Nieuw Guinea aanleiding tot beëindiging van het voorzitterschap van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Burger was tegen rechtstreekse onderhandelingen met Indonesië over de overdracht van Nieuw-Guinea, iets wat andere fractieleden wel voorstonden en als enige mogelijkheid zagen om de benarde politieke situatie op te lossen. Bovendien beschuldigde Burger minister J. Cals ervan een steunpunt in het kabinet te zijn voor de zgn 'groep Rijkens', bestaande uit een aantal zakenlieden dat grote financiële belangen had in Indonesië en daarom pleitte voor een snelle overdracht aan dit land van Nederlands Nieuw Guinea. Minister Cals voelde zich diep gegriefd en Burger werd gedwongen om zijn excuses te maken. Nu keerden ook geestverwante organen als 'Het Parool' en vooraanstaande PvdA'ers als J. de Kadt zich openlijk tegen Burger. Laatstgenoemde eiste daarop dat het Partijbestuur van de PvdA een kapittelende brief naar 'Het Parool' zou sturen, wat (met nipte meerderheid) door het Partijbestuur geweigerd werd, hetgeen een nederlaag voor Burger betekende. Op 27 maart 1962 schreef Burger zijn ontslagbrief die echter enkele maanden geheim werd gehouden om partij-politieke redenen. In juni 1962, na het volmaken als fractieleider van het parlementaire jaar, trad Burger daadwerkelijk af. Zijn opvolger werd oud minister A. Vondeling. In 1963 werd Jaap Burger lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke functie hij tot 1970 zou uitoefenen. Bovendien volgde later zijn benoeming tot lid van het Europees parlement en van de Interparlementaire Beneluxraad. In 1967 was inmiddels J.M. den Uyl voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA geworden, die, als oppositieleider, in 1971 een 'progressief schaduwkabinet' vormde waarin Burger Minister van Defensie was. Bij de verkiezingen in dat jaar 1971 verloren de regeringspartijen aanzienlijk. De nieuwe partij DS '70 was echter bereid om het nieuw geformeerde kabinet onder leiding van B.W. Biesheuvel te steunen en liet twee partijgenoten (W. Drees jr en M. de Brauw) als ministers aan het kabinet deelnemen. Na een jaar evenwel stapten de DS '70 ministers uit het kabinet, waarna er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Tot informateur werd M. Ruppert, oud CNV voorzitter, benoemd, die op 31 januari 1973 zijn eindrapport uitbracht. Een dag later werd Burger tot formateur benoemd. Opmerkelijk was zijn zeer zelfbewuste, door niet politieke vrienden als bijna onbehoorlijk ervaren optreden waarbij hij het akkoord van de progressieve partijen, 'Keerpunt' geheten, tot leidraad van zijn handelen nam. Bovendien wist hij handig tegenstellingen binnen het confessionele blok uit te buiten door het veelvuldig publiceren van correspondentie tussen hem en de leiders van politieke partijen. De confessionele partijen wezen echter samenwerking met de socialisten af, waarna Burger toch twee politici van de Anti-Revolutionaire Partij, W.F. de Gaay Fortman en J.Boersma, bereid vond om toe te treden tot een kabinet dat onder leiding zou staan van J.M. den Uyl, een handelwijze die door de confessionelen veelbetekenend met de term 'inbraak' werd betiteld. Nadat Burger door zijn tegenspelers F.H.J.J. Andriessen, W. Aantjes en H.W. Tilanus nog werd gedwongen zijn formatie opdracht terug te geven, werd hij, na informatiewerkzaamheden van W.Albeda en A.A.M. van Agt, opnieuw tot formateur benoemd, samen met Ruppert, de oud informateur. Op 11 mei 1973 ving het kabinet Den Uyl (een 'rood kabinet met een wit randje'), dat door KVP'ers en anti revolutionairen ternauwernood werd gedoogd, met zijn werkzaamheden aan. In 1970 was Burger lid van de Raad van State geworden, hetgeen hij tot 1979 zou blijven. Zes jaar later, op 4 april 1975, werd hij Minister van Staat. Bovendien werd hij in 1974 ereburger van zijn geboorteplaats Willemstad. Ook was Burger van 1949 tot 1966 voorzitter van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Burger overleed op 19 augustus 1986, een dag voor zijn 82e verjaardag, en werd begraven in zijn woonplaats Wassenaar.
Jeugd en studie Op 14 november 1899 werd Augustus Johannes Veenendaal als derde kind uit het huwelijk van behanger en stoffeerder Cornelis Willem Veenendaal en Petronella Cornelia Sloot te Soest geboren. Hij groeide op in het huis "Zomerzorg", een ouderwets sfeervol dubbel-huis aan de Van Weedestraat. Het was aan aanmoedigingen van de publicist D. Wouters, hoofd van de normaalschool te Baarn, te danken, dat Veenendaals ouders er in toestemden, dat hij verder mocht leren. Als voorbereiding daarop gaf Wouters, die zich als zijn mentor opwierp, hem zelf privé-lessen. In 1918 respectievelijk 1921 behaalde hij de akten voor onderwijzer en hoofdonderwijzer bij het lager onderwijs. Na eerst in verschillende plaatsen een tijdelijke betrekking te hebben gehad, kreeg hij in 1922 een vaste aanstelling aan de Prins Willemschool te Scheveningen ( Hij was achtereenvolgens onderwijzer te Hees (10 juni - 31 juli 1918); Vianen (1-13 oktober 1918), Soest (1 november - 7 december 1918), Hees (1 maart - 9 juni 1919), Treebeek (10 juni 1919 - 31 augustus 1922), 's-Gravenhage (1 september 1922 - 31 augustus 1925).). Hier leerde hij als collega zijn latere vrouw Maria Petronella Slagter kennen met wie hij na een lange verloving op 26 augustus 1931 te 's-Gravenhage trouwde. Aangezien hij verder wilde studeren, behaalde Veenendaal in 1924 het benodigde staatsexamen gymnasium om in 1925 in Utrecht een studie Nederlands en Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te beginnen. Als belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk werd hij lid van de Nederlandsche Christelijke Studenten Vereniging. Hij genoot tijdens zijn studie het voorrecht om college te mogen lopen bij de bekende historici G.W. Kernkamp, O.A. Oppermann en H. Bolkestein en de neerlandicus prof. G.C.N. de Vooys. Hoewel Veenendaal nog maar nauwelijks met deze studie was begonnen leverde hij al zijn eerste historische bijdrage. Aangezien Wouters namelijk niet binnen de overeengekomen tijd kans zag om met zijn aandeel in het schrijven van het "Groot Vertelboek van de Geschiedenis des Vaderlands" klaar te komen, liet hij Veenendaal hiervan op basis van zijn onderzoeksresultaten enkele tijdvakken schrijven. Naarmate hij vorderde met zijn studie, raakte hij geboeid door de artikelen van prof. dr. P.C.A. Geyl over de Groot Nederlandse Gedachte. Hoewel hem bekend was, dat zijn leermeester Kernkamp niets van de Vlaams-nationalistische opvattingen van deze wilde weten, koos hij toch voor zijn doctoraalscriptie een onderwerp, dat hier direct mee te maken had. Hij studeerde hierop op 7 februari 1931 cum laude af. Kort voordien waren P.J. Meertens en Veenendaal door Wouters bij de verzorging van de herdruk van een door hem verzorgde platenatlas betrokken. Mede door de bezwaren van Veenendaal jegens de gebrekkige bijschriften en de onbetrouwbaarheid van afgedrukte teksten ondervonden de werkzaamheden de nodige vertraging. Uiteindelijk zou het werk door de economische crisis en het verschijnen van twee gelijksoortige werken bij dezelfde uitgeverij, waarvan Veenendaal er zelf een recenseerde, in die tijd niet doorgaan. Dit zelfde lot trof een herdruk van Wouter's "Historieën onzer lage landen bij de zee". Aan deze bijzondere vriendschap kwam bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog een definitief einde, omdat Wouters met de Duitsers sympathiseerde. Promotie Veenendaal had nog tijdens zijn studie in het cursusjaar 1928-1929 les gegeven aan het Christelijk Lyceum te Zeist. Nadat hij was afgestudeerd kreeg hij ondanks de verzadigde arbeidsmarkt binnen een half jaar een tijdelijke aanstelling aan het Christelijk Lyceum te Haarlem, welke aanstelling met ingang van 1 februari 1934 in een vaste werd omgezet. Tot de vele leerlingen, die hij daar in de loop der jaren Nederlands en Geschiedenis gaf, behoorden onder andere Harry Mulisch en Barend Biesheuvel. De eerste plannen voor het schrijven van een dissertatie dateerden uit 1933. Aanvankelijk overwoog hij een studie te wijden aan "Utrecht tijdens Leicester" of aan "De verhouding van de Noordelijke- en Zuidelijke-Nederlanden in de periode van 1632-1635". Drie jaar later blijkt hij inmiddels gekozen te hebben voor "Het Engels-Nederlands condominium in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Spaanse Successieoorlog". Hieraan was uiteraard niet vreemd, dat prof. Geyl inmiddels prof. Kernkamp in 1935 was opgevolgd en nu als promotor van één van Kernkamps "beste studenten" optrad. In 1940 was hij hier zover mee gevorderd, dat prof. Geyl op grond van het manuscript oordeelde, dat het "een belangrijke bijdrage beloofde te worden". Zelfs vanuit het kamp te Buchenwald en St. Michielsgestel bleef hij hierover met Veenendaal corresponderen. In de loop van de Tweede Wereldoorlog voltooide Veenendaal zijn dissertatie, waarop hij als eerste naoorlogse promovendus te Utrecht op 3 augustus 1945 cum laude promoveerde. Een kwalificatie, die prof. dr. F.C. Gerretson dit werk al eerder toekende. Veenendaals dissertatie, die over een ook voor de Engelse geschiedschrijving belangrijk tijdvak handelde, was des te opmerkelijker, omdat hij als Nederlander op verschillende essentiële punten in zijn opvattingen met Sir W.S. Churchill's werk "Marlborough, his life and times" verschilde. Aanvankelijk lag het in de bedoeling, dat er een vervolg op deze dissertatie zou verschijnen. Toen dit door allerlei omstandigheden niet mogelijk was, bewerkte Veenendaal in plaats daarvan in de loop der tijd onderdelen tot afzonderlijke artikelen. Bezettingstijd In de bezettingstijd was Veenendaal als lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers actief in het ongewapend verzet. Hij verleende daadwerkelijk hulp door gedurende vrijwel de gehele oorlog aan een Joods meisje onderdak te verschaffen, terwijl hij ook vele anderen voor kortere of langere duur bij zich liet onderduiken, zoals zijn vriend dr. L.M. van Dis. Zodoende weigerde hij dan ook in 1943 om principiële redenen vanwege het tijdelijke lidmaatschap van het Nationaal Front van prof. dr. A.A. van Schelven en diens blijvende sympathie voor Arnold Meijer om deel te nemen aan een door deze op te richten historische kring. Aan het eind van de oorlog ontstond er een hooglopend conflict tussen dr. J. van der Elst, de rector, en het personeel van het Christelijk Lyceum te Haarlem enerzijds en het bestuur anderzijds. Aanleiding hiertoe was het feit, dat een van de bestuursleden onder druk van de Duitsers een lijst had afgegeven van de jongens in de leeftijdsgroep, die voor de arbeidsinzet in aanmerking kwam. Veenendaal speelde een bemiddelende rol bij de oplossing van dit conflict. De neerslag van de bezetting vindt men zelfs nog terug in enkele van Veenendaals stellingen (De stellingen 14 en 18-20. Tijdens het opstellen hiervan adviseerde prof. dr. P.C.A. Geyl d.d. 21 juni 1945 hem aan om sommige af te zwakken en het woord "Mof" door "Duitser" te vervangen.). Na de oorlog Vanwege zijn bekendheid bij de illegaliteit werd hij in augustus 1945 door het Militair Gezag aangezocht als secretaris van de Commissie voor zuivering van architecten. Een taak, die hem niet trok, maar waarvan hij zich met grote accuratesse kweet. Dr. L. de Jong verzocht hem in 1946 tevergeefs om een geschiedenis van het medisch verzet te schrijven. Wel schreef hij voor de redactie van de Winkler Prins Encyclopaedie op grond van zijn dissertarie artikelen op een aantal door deze voorgestelde trefwoorden. Toen de redactie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (AGN) Veenendaal in 1950 voor het schrijven van twee hoofdstukken over de Europese grote mogendheden in de periode 1648-1748 hem onvoldoende tijd gunde, zag hij hiervan af. In plaats daarvan recenseerde hij het bewuste deel voor de AGN. Dit probleem deed zich gelukkig niet voor bij de bijdrage, die hij op verzoek van prof. dr. J.S. Bromley voor het beroemde standaardwerk "The new Cambridge Modern History" over de Spaanse Successieoorlog leverde. Naast zijn historische belangstelling gaf Veenendaal geregeld blijk van een grote belangstelling voor literaire onderwerpen, zoals uit zijn artikelen en lezingen valt op te merken. Dientengevolge nam hij in oktober 1948 samen met dr. J. van der Elst, rector van het (Eerste) Christelijk Lyceum te Haarlem, het initiatief tot het oprichten van het "Comité tot behoud van het huis van Looy". Door een geldinzameling en gesprekken met de erven Van Looy kon een groot deel van Van Looys literaire oeuvre en schilderwerk op de veiling worden aangekocht, waarna het in diens woonhuis werd ondergebracht. Later is het vandaar naar het Frans Halsmuseum overgebracht. Omstreeks 1949 volgde nog een eervolle benoeming tot lid van het Bilderdijk Museum, waarvan de collectie momenteel in de Vrije Universiteit te Amsterdam berust. Directiefunctie Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën Kort voordien was Veenendaal van werkkring veranderd, toen hij met ingang van 1 mei 1949 tot onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën werd benoemd. Ondanks de drukte, die deze baan met zich meebracht, hervatte hij in 1952 daarnaast het contact met het onderwijs. Ditmaal door gedurende achttien jaar als gecommitteerde bij de eindexamens gymnasium op te treden en op het allerlaatst ook nog bij die der kweekscholen. Het stemde prof. Geyl, lid van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, tot voldoening dat dit college Veenendaal, die weliswaar geen ervaringen had met het uitgeven van bronnen, zoals één van de beide andere kandidaten voor de functie van onderdirecteur dit wel had, hem desondanks vanwege andere gebleken capaciteiten toch had uitgekozen. Naast zijn bestuurlijke activiteiten verzorgde hij met prof. Geyl als toezichthouder in bijzondere korte tijd een bronnenuitgave van het Dagboek van Gisbert Cuper, dat over hetzelfde tijdvak handelde als zijn dissertatie. Vervolgens hervatte hij onder dezelfde toezichthouder het werk van wijlen S.P. Haak, namelijk het uitgeven van de bescheiden van Johan van Oldenbarnevelt en zijn familie. Mede "vanwege zijn rustige en beheerste persoonlijkheid, kalme voortvarendheid en toewijding aan de Oldenbarnevelt-uitgave" werd Veenendaal met ingang van 1 augustus 1951 als opvolger van dr. H.J. Smit als directeur van het Bureau benoemd. In deze functie wist hij in samenwerking met de voorzitter, prof. dr. P.J. van Winter, het reeds jaren slepende geschil tussen het Bureau en prof. dr. F.C. Gerretson over de door hem samen met prof. dr. A. Goslinga uit te geven briefwisseling van G. Groen van Prinsterer tot een oplossing te brengen. De relatie tussen Veenendaal en Gerretson leed hier niet wezenlijk onder, zoals blijkt uit het feit, dat laatstgenoemde Veenendaal in 1958 bij het Departement van O. K. en W. voor de vacature van Geyl aanbeval. Des te opmerkelijker als men bedenkt, dat Veenendaal vanwege zijn kennis van Oldenbarnevelt ongewild in een wetenschappelijke discussie tussen de hoogleraren Geyl en Gerretson betrokken raakte, waarbij hij onmogelijk begrip kon opbrengen voor Gerretsons visie. Tussen voornoemde personen was namelijk een pennestrijd uitgebroken over de klassieke vraag of de terechtstelling van Oldenbarnevelt al of niet rechtmatig was. Gerretson was daarbij de mening toegedaan van de Oranjegezinden van weleer, terwijl Geyl daarentegen het Staatsgezinde standpunt verdedigde. Toen Veenendaal naar aanleiding hiervan door beide om zijn oordeel werd gevraagd, verontschuldigde hij zich ervoor "dat een korporaal zich gemengd heeft in een strijd tussen twee generaals"64. Deze discussie bracht al evenmin als bij andere historici bij voorgaande gelegenheden een oplossing. Nadat de strijd was geluwd als gevolg van een door mr. J. den Tex te publiceren artikel hierover, verscheen over deze materie posthuum nog een boek van Gerretson. Veenendaal kon al evenmin het oordeel van Den Tex, zoals dit door hem in de biografie over Oldenbarnevelt was beschreven, onderschrijven. Tijdgebrek verhinderde hem om op diens verzoek in te gaan om hierover voor het genootschap "Delvia Batavorum" in het openbaar te discussiëren. Prinses Wilhelmina In de jaren 1956-1957 deed Veenendaal als directeur een bijzondere onprettige ervaring op met Prinses Wilhelmina, die weigerde om toestemming te verlenen voor het uitgeven van een der bronnenuitgaven. Het betrof hier de door mr. dr. C. Smit verzorgde uitgave van het Eerste deel van de Derde periode van de "Bescheiden betreffende buitenlandse politiek van Nederland, 1849-1919", betreffende de periode 1893-1903. Hierin bevonden zich elf staatsstukken, waarvan de strekking door de behandeling in de Staten-Generaal reeds bekend was, inzake de tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken van Nederland en Mecklenburg gevoerde correspondentie over de vraag of hertog Hendrik van Mecklenburg na zijn huwelijk naast de verkregen Nederlandse nationaliteit tevens de Duitse zou mogen behouden. De Rijkscommissie verzocht voor de publicatie van deze stukken formeel toestemming aan het Kabinet der Koningin. Na overleg met het Koninklijk Huisarchief, de Ministerraad en de Ministeries van O. K. en W. en Buitenlandse Zaken, die hiertegen geen van alle bezwaar hadden, en een gunstig advies van jkhr. ir. P.F.O.R. Sickinge, directeur van het Koninklijk Huisarchief, aan Prinses Wilhelmina, liet zij desondanks veten, dat dit deel niet tijdens haar leven zou mogen verschijnen. Doordat de bewerker mr. dr. C. Smit in 1959 evenwel in zijn boek "Hoogtij der neutraliteitspolitiek: de buitenlandse politiek van Nederland, 1899-1919", een geheel hoofdstuk aan het huwelijk van Koningin Wilhelmina wijdde, waarbij hij verwees naar de desbetreffende staatsstukken in het nog niet verschenen Eerste deel, werd deze zaak zonder voorkennis van de Rijkscommissie overigens in feite toch eerder openbaar. Toen het Eerste deel in 1963 eindelijk verscheen, sprak de recensent E. van Raalte, na reeds eerder aandacht te hebben besteed aan het uitstel van het verschijnen van dit deel bij de verschijning ervan zijn verbazing erover uit, dat de Rijkscommissie geen verantwoording aflegde van de vertraging van de publikatie van dit deel, dat immers het jaartal 1957 droeg. In het verslag van dat jaar reageerde Veenendaal hierop uitgebreid. Aan het eind van datzelfde jaar verscheen een belangrijke studie van de hand van Veenendaal over het essayistische werk van Geyl, waarin hij veel aandacht aan diens historische beschouwingswijze besteedde. Als oudpromovendus had hij ook een groot aandeel in de huldiging van zijn promotor, die op 31 mei 1958 met emeritaat ging. Lidmaatschap Nederlands Hervormde Kerk en politiek Onder de positief christelijke collega's bleef Veenendaals "discipelschap" van Geyl voortdurend bevreemding wekken. Geyl adviseerde Veenendaal om hen in verband daarmee te attenderen op een recensie van zijn "Debates with Historians" in: The Christian Century. Veenendaal was tot aan zijn dood een meelevend gemeentelid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als lid van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging kon hij moeilijk begrip opbrengen voor het besluit van de Generale Synode om op advies van de Wereldraad van Kerken tot het steunen van verzetsbewegingen in Zuid-Afrika over te gaan. Al of niet met anderen diende hij hiertegen enkele bezwaarschriften bij de Synode en zijn wijkkerkeraad in. In één daarvan gaf hij een historische uiteenzetting over de houding van Jezus van Nazareth tegenover de Joodse verzetsbewegingen van zijn tijd. Hiervoor ontleende hij rechtstreeks argumenten aan de tekst van de door hem in 1962 voor het Haags Historisch Gezelschap over Pieter van Guethem gehouden lezing. Zijn lidmaatschap van deze kerk impliceerde overigens niet, dat hij zijn leven lang, zoals dit vroeger vrijwel een ongeschreven wet was, op de Christelijk-Historische Unie stemde. Uit enthousiasme voor het ideaal van één grote volkspartij werd hij na de Tweede Wereldoorlog lid van de Partij van de Arbeid. Toen de socialistische idealen daar echter de overhand kregen, keerde hij korte tijd naar de Christelijk-Historische Unie terug om zich vervolgens bij de Democratische Socialisten '70 aan te sluiten. Toen deze partij vanwege zijn geringe omvang niet langer meer een wezenlijke invloed op de politiek kon uitoefenen, verliet hij die omstreeks 1900. Uitgave historische bescheiden Ondanks dat Veenendaal veel tijd aan bestuurlijke activiteiten moest besteden, werkte hij gestaag door aan de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren. Deel II in de reeks verscheen in 1962, terwijl het laatste deel pas enkele jaren na het ingaan van Veenendaals pensioen op 27 november 1964 uitkwam. Het jaar daarvoor was hij reeds voor het verschijnen van deel II en zijn verdiensten als directeur gehonoreerd door de benoeming tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op grond van de bij het editeren van de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren opgedane ervaringen legde Veenendaal, al of niet in samenwerking met prof. dr. P.J. van Winter, de grondslagen voor een verdere professionalisering van uitgeven van bronnen. Hierbij ging hij er vanuit, dat het leveren van een tekst voorop diende te staan en dat de toelichtende annotatie op de laatste plaats diende te komen en bij voorkeur zelfs zoveel mogelijk moest worden vermeden. Vanwege zijn verdiensten op dit gebied benoemde de Vereniging Nederlandsch Economisch-Historisch Archief hem in 1959 tot lid van de Raad van Advies. Hij werd tevens door het bestuur van het Historisch Genootschap aangezocht om zitting te nemen in de Commissie, die belast was met het opstellen van nieuwe regels voor het uitgeven van historische bescheiden. Vrijwel tegelijk met het gereedkomen van deze opdracht ontving Veenendaal het unieke verzoek van de Rijkscommissie om ondanks zijn pensioen lid van de Commissie voor Vaderlandse Geschiedenis te willen worden. Nadat Van Winter de hiertegen door Veenendaal aangevoerde principiële bezwaren voldoende had weerlegd, ging laatstgenoemde er op in. Publicaties en lezingen Hoewel bij de besprekingen van de hierboven genoemde activiteiten reeds op verschillende van Veenendaal publikaties werd gewezen, is een aparte bespreking van dit onderdeel van zijn werk gewenst. Kort na zijn promotie verschenen twee artikelen te weten over het landgoed Oosterhout bij Haarlem, en het Wilhelmus, als uitwerking van enkele van zijn stellingen. Als gevolg van zijn promotie en benoeming tot (onder)directeur kreeg hij nog meer kennissen onder de historici. Met name moet zijn latere huisvriend J.W. Wijn worden genoemd. Deze vriendschap ontstond uit hun gemeenschappelijke interesse voor de Spaanse Successieoorlog. Wijn beschreef de militaire geschiedenis uit die tijd in deel VIII van "Het Staatsche Leger". Zij hielden ook gezamenlijk lezingen. Voor het schrijven van Wijns levensbericht putte Veenendaal rijkelijk uit diens particuliere papieren. Hij kon hier vrij over beschikken omdat hij samen met mr. B. van 't Hoff als Wijns executeur-testamentair optrad. Dit verklaart de aanwezigheid van zo veel papieren van Wijn in Veenendaals archief. Onder de bescheiden betreffende Wijns militaire loopbaan nemen de brieven van hem, als commandant van het vliegpark Soesterberg in mei '40 en vanuit het krijgsgevangenkamp te Stanislaw een unieke plaats in. Omstreeks 1950 werd Veenendaal ook voor verschillende historische kringen gevraagd. Bij sommige, zoals bijvoorbeeld het Haags Historisch Gezelschap en het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, waren de leden verplicht om geregeld lezingen te houden. Bovendien bereikten Veenendaal ook regelmatig verzoeken om vanwege zijn dissertatieonderwerp en de door hem uit te geven bronnen lezingen te houden. De tekst hiervan werd deels naderhand tot artikelen omgewerkt. Een belangrijk deel hiervan handelde over de geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Helaas werd een door Veenendaal in 1977 opgevat plan om tien eerder verschenen studies in een bundel onder de titel "Noord en Zuid" te laten herdrukken, niet gerealiseerd. Uit artikelen zoals over de Fossa Eugeniana en over Samuel Lipman blijkt, dat hij een veelzijdig man was en dat hij zich niet enkel tot zijn specialismen, de Spaanse Successieoorlog en het Oldenbarnevelt-tijdvak, beperkte. Na zijn pensioen schreef hij zelfs nog een boek over de achttiende eeuwse zeeman Matthijs Sloot, een familielid van moederszijde. Naast zijn eigen werk recenseerde hij ook veel publicaties waaruit eveneens zijn eruditie bleek. Om dezelfde reden won de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderwijs ook herhaaldelijk zijn advies in. Met name zijn recensie over de eerste drie delen van de biografie van Den Tex over Oldenbarnevelt dient te worden genoemd. Bij een eerdere gelegenheid had hij aan de AVRO geweigerd om het tweede deel van dit werk voor de microfoon te bespreken, omdat hij zelf "vrij wat contact had gehad bij het ontstaan van zijn boek" waarom hij zich tot dan toe ook van recensie s had onthouden. Aan dit arbeidzaam leven, waarin hij tot 1981 publiceerde, kwam op 23 januari 1985 een einde, toen Veenendaal op 85-jarige leeftijd te 's-Gravenhage overleed.
Jeugd en eerste werkzaamheden Willem Drees, geboren op 5 juli 1886, groeide op in Amsterdam in een protestants-christelijk gezin. Zijn jeugd werd getekend door het vroege overlijden van zijn vader aan tuberculose. Willem was toen vijf jaar oud. Zijn moeder bleef achter zonder middelen van bestaan, want de bank waar haar man had gewerkt kende nog geen weduwenpensioen. Ze nam kostgangers in huis om in het levensonderhoud te voorzien. Haar zwager sprong bij door de huishuur en het schoolgeld van Willem en zijn twee zusters te betalen. Maar ook met de steun van deze oom Frits, die tevens de toeziend voogd van de kinderen was, kende het gezin een zeer sober bestaan. Na de lagere school bezocht Willem de driejarige HBS en de Openbare Handelsschool (OHS). De jaren 1901-1903 die hij doorbracht op de OHS waren van grote betekenis voor zijn verdere leven. Waren zijn ogen al eerder opengegaan voor maatschappelijk onrecht, nu kwam hij door enkele schoolvrienden in aanraking met het socialisme. Nadat hij een bijzonder felle verkiezingscampagne had meegemaakt, werd hij voorgoed voor het socialisme gewonnen. Op zijn achttiende verjaardag meldde hij zich aan als lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Een tweede radicale keuze betrof zijn breuk met het geloof. Hoewel hij ook op de zondagsschool een goede leerling was geweest, kwam hij tot de conclusie dat hij de geloofsbelijdenis niet kon onderschrijven. Het was een besluit dat zijn moeder en zusters verdriet deed, maar niet tot een breuk in familiekring zou leiden. Na zijn schooltijd trad Drees in dienst bij de Twentse Bank, waar ook zijn vader had gewerkt. Het bestaan van kantoorbediende beviel hem in het geheel niet. Na drie jaar nam hij dan ook ontslag om vervolgens van zijn hobby, de stenografie, zijn beroep te maken. In zijn schooltijd was hij geboeid geraakt door het nieuwe kortschriftsysteem van A.W. Groote en had zich ontwikkeld tot de beste beoefenaar van dat systeem. In 1906 werd hij aangesteld als stenograaf bij de Amsterdamse gemeenteraad en een jaar later werd hij aangenomen bij de stenografische dienst van de Staten-Generaal. Daarnaast stenografeerde hij als freelancer - hij had samen met Anton Jansen een eigen bureau - talloze vergaderingen van openbare lichamen, particuliere verenigingen en maatschappelijke organisaties. Zijn werkzaamheden als stenograaf vormden een belangrijke leerschool voor zijn latere politieke en bestuurlijke loopbaan. Minstens even belangrijk was het feit dat de functie hem veel vrije tijd liet. In de jaren 1907-1909 maakte hij daarvan gebruik door bij de marxistische econoom R. Kuyper te studeren voor het MO-examen staathuishoudkunde en statistiek. In de periode daarna besteedde hij zijn vrije tijd vooral aan zijn politieke activiteiten in Den Haag, waar hij zich na zijn huwelijk met To Hent definitief vestigde. Huwelijk en gezin To Hent was al vanaf de lagere school de hartsvriendin van Drees' jongere zuster Bets. Samen gingen ze naar de kweekschool en samen werden ze lid van zowel de stenografieclub als de korfbalclub die Bets' broer had opgericht. Toen Drees in 1907 een vaste aanstelling als parlementsstenograaf kreeg, vroeg hij haar ten huwelijk. Ze moesten daarvoor drie jaar sparen. To werkte in die tijd als invalleerkracht op verschillende Amsterdamse scholen, Drees zat in Den Haag als de Kamers vergaderden. Door de week schreven ze elkaar lange brieven, uiteraard in steno. In juli 1910 trouwden ze en betrokken een woning in Den Haag. Het echtpaar Drees kreeg vier kinderen, twee dochters en twee zoons: Annie (1911), Adri (1914), Jan (1919) en Wim (1922). Het voortijdige overlijden van hun zesjarige dochter Adri - aan de gevolgen van de Spaanse griep - betekende een grote slag voor het gezin. Drees heeft pas op hoge leeftijd in het openbaar iets kunnen zeggen over het grote verlies dat hij had geleden. Drees heeft lang in gezinsverband geleefd. Annie en Wim jr. verlieten het ouderlijk huis, trouwden en kregen kinderen. Maar Jan bleef, op een korte periode in bezettingstijd na, thuis wonen. Bovendien kwam ook Jaan Hent, een ongetrouwde zuster van zijn vrouw, na 1945 in het huis aan de Beeklaan wonen. Gemeentepolitiek en nevenfuncties Drees' politieke carrière verliep de eerste jaren vlot. In het najaar van 1910 werd hij bestuurslid van de Haagse SDAP-afdeling, een jaar later voorzitter. Die functie zou hij met een korte onderbreking bijna achttien jaar vervullen. In 1913 veroverde hij een zetel in de Haagse gemeenteraad, waarmee een diepgekoesterde wens in vervulling ging. Als stenograaf had hij namelijk de gemeentepolitiek van nabij meegemaakt en had hij gezien welk belangrijk werk op gemeentelijk niveau te verrichten viel. Binnen de SDAP-fractie nam hij spoedig een vooraanstaande plaats in. In 1917 was hij al kandidaat voor het wethouderschap en kort daarna werd hij fractievoorzitter. In september 1919 werd Drees de tweede socialistische wethouder van Den Haag, naast J.W. Albarda. Het wethouderschap was voor hem een bevredigende en belangrijke functie. Het was de tijd van het zogenoemde wethouderssocialisme: terwijl de SDAP in de landspolitiek veroordeeld was tot een jarenlange vruchteloze oppositie, bleek in de lokale politiek wel samenwerking mogelijk tussen sociaal-democraten en 'burgerlijke' partijen. 'Rode wethouders' slaagden erin om lokaal belangrijke voorzieningen te treffen onder meer op het gebied van de volkshuisvesting, sociale zorg en het onderwijs. Drees was van 1919 tot 1931 wethouder van Sociale Zaken, dat de gemeentelijke armenzorg, de werklozenzorg, de gezondheidszorg en ambtenarenzaken omvatte. Op al die terreinen bracht Drees aanzienlijke verbeteringen tot stand. Onder zijn leiding werd de gemeentelijke sociale zorg uitgebreid en op moderne leest geschoeid. In 1931 veranderde Drees van portefeuille en werd wethouder van Financiën en Openbare Werken. Er volgde een moeilijke tijd waarin de gevolgen van de grote economische crisis sterker voelbaar werden. Er waren bezuinigingen nodig onder meer op de salarissen van het gemeentepersoneel. Drees moest daarbij laveren tussen het gemeentebelang en de eisen en protesten van zijn achterban. In de laatste jaren van zijn wethouderschap nam ook het aantal bestuursfuncties dat hij vervulde toe, zowel binnen de partij als daarbuiten. De belangrijkste functies waren het lidmaatschap van de Provinciale Staten van Zuid-Holland (al sinds 1919) en het lidmaatschap van het landelijke partijbestuur van de SDAP (sinds 1927). Het aantal commissielidmaatschappen e.d. liep uiteindelijk in de tientallen. Landspolitiek In mei 1933 werd Drees lid van de Tweede Kamer. Kort daarop beëindigde hij met enige pijn in het hart zijn wethouderschap. Hij bleef wel gewoon lid van de Haagse gemeenteraad. Het lidmaatschap van de Tweede Kamer, waar de SDAP in een oppositierol was gedrongen, zou hem minder voldoening geven dan het bestuurlijke werk als wethouder. Zijn vele nevenfuncties vormden dan ook een welkome aanvulling op het parlementaire werk. In de Tweede Kamer trad Drees op als woordvoerder op het gebied van het binnenlands bestuur, de volkshuisvesting en de werklozenzorg. Gaandeweg kwam hij ook over algemene politieke onderwerpen te spreken. De bestrijding van de grote economische crisis stond centraal in Drees' werk binnen en buiten de Kamer. Hij voerde hardnekkig oppositie tegen het beleid van de kabinetten-Colijn. Al in een vroeg stadium zag hij de betekenis van nieuwe ideeën die in 1935 hun weerslag kregen in het Plan van de Arbeid, het alternatief van de SDAP voor de crisispolitiek van Colijn. In dezelfde tijd veranderde de SDAP geleidelijk van een ideologisch geïsoleerde arbeiderspartij in een bredere sociaal-democratische volkspartij. Drees juichte die ontwikkeling toe, zolang de omschakeling maar niet te snel ging voor de traditionele arbeidersachterban. Daarnaast was de SDAP de grote tegenstander van het opkomende fascisme en nationaal-socialisme. Drees liet zich niet onbetuigd en bestreed het fascisme op het scherpst van de snede: in artikelen, redevoeringen en in het debat met vertegenwoordigers van extreem-rechtse partijen. Toen de SDAP in augustus 1939 voor het eerst deelnam aan de landsregering, ging een ministerspost net aan Drees voorbij. Wel volgde hij partijleider Albarda, die minister werd, op als voorzitter van de SDAP-fractie in de Tweede Kamer. Hij heeft weinig tijd gekregen om een invulling aan die taak te geven. Nog geen jaar later kwam de Duitse inval. Samen met enkele partijgenoten probeerde Drees via IJmuiden naar Engeland te ontkomen, maar dat mislukte. Bezettingstijd De Duitse bezetting bracht dadelijk verandering in Drees' werkzaamheden. De Tweede Kamer kwam niet meer bijeen en de SDAP ging al snel ondergronds. Als partijbestuurder gaf Drees mede leiding aan de aanpassing van de organisatie aan de nieuwe omstandigheden. Daarnaast maakte hij deel uit van het overleg tussen de leiders van de zes grote politieke partijen, later Politiek Convent genoemd. Aan deze activiteiten kwam een eind doordat hij in oktober 1940 als zogenaamd Indisch gijzelaar in Buchenwald werd geïnterneerd, samen met andere vooraanstaande Nederlanders. Die maatregel was een represaille voor de internering van Duitse onderdanen in Nederlands-Indië. Als 'Ehrenhäftlinge' kregen de Nederlanders een speciale behandeling, maar zij waren vanachter het prikkeldraad wel getuige van de verschrikkingen in het eigenlijke concentratiekamp. Waren de leefomstandigheden nog draaglijk, het geringe contact met het thuisfront viel Drees zwaar. Hij mocht per maand slechts één brief naar huis schrijven en één ontvangen. Na precies een jaar, in oktober 1941, werd Drees uit Buchenwald vrijgelaten om gezondheidsredenen. Van jongsaf aan kampte hij met een gebrek aan maagzuur, een kwaal waarmee hij met een dieet en medicijnen goed kon leven, maar die in het kamp opspeelde. Korte tijd later werden de 'Indische gijzelaars' in Nederland geïnterneerd. In mei 1942 volgde een nieuwe interneringsgolf, waarbij ook Drees werd opgepakt en in St.-Michielsgestel terechtkwam. Na een week kwam hij weer vrij omdat hij eerder 'Lagerunfähig' was verklaard. Drees raakte vervolgens steeds meer betrokken bij illegale activiteiten, zoals de leiding van de verboden SDAP, het ondergrondse politiek overleg en de coördinatie van het verzet. Hij maakte deel uit en werd voorzitter van het Politiek Convent, het Nationaal/Vaderlands Comité en de Contact-Commissie der Illegaliteit. In augustus 1944 werd hij aangewezen als een van de Vertrouwensmannen der Regering, die voorbereidingen moesten treffen voor het landsbestuur in de overgangstijd direct na de bevrijding. Door deze opeenstapeling van functies werd Drees een spin in het web van het (politieke) verzet. Van belang daarbij was de omstandigheid dat hij tot het eind van de bezettingstijd op vrije voeten bleef, terwijl vele andere leidende figuren wegvielen van als gevolg van arrestaties. Wel leefde hij vanaf begin 1943 gescheiden van zijn gezin, afgezien van kortstondige bezoeken. Om het risico van arrestatie te verkleinen verbleef hij in Amsterdam, eerst bij zijn jongste zuster, later op een ander schuiladres. Minister van Sociale Zaken en vice-premier Gezien zijn belangrijke rol in de bezettingstijd kwam de benoeming tot kabinetsformateur, samen met W. Schermerhorn, niet onverwacht. Van het nieuwe kabinet van herstel en vernieuwing werd Schermerhorn premier, Drees minister van Sociale Zaken en vice-premier. Die portefeuilles behield hij in het volgende, 'rooms-rode' kabinet geleid door de katholiek L.J.M. Beel (1946-1948). Met het departement van Sociale Zaken was Drees op vertrouwd terrein. Hij trof belangrijke maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en arbeid en arbeidsvoorwaarden. Zijn Noodregeling Ouderdomsvoorziening van 1947, de voorloper van de AOW, maakte hem mateloos populair. Ouden van dagen gingen 'van Drees trekken' - een uitdrukking die de woordenboeken zou halen - en hij werd zelf al gauw 'Vader Drees'. Als partijman was hij nauw betrokken bij de vernieuwing van de SDAP. Al in de bezettingstijd had hij zich uitgesproken tegen de vorming van een brede progressieve volksbeweging met een vaag politiek program, in plaats van de terugkeer van de SDAP. Wel werkte hij met overtuiging mee aan een verdere verbreding, op sociaal-democratische basis, van de herrezen partij. Zo kwam in februari 1946 de Partij van de Arbeid tot stand uit een fusie van de SDAP en enkele kleinere partijen. Minister-president Het kwam enigszins als een verrassing dat Drees in 1948 minister-president werd. Niet de PvdA maar de KVP was bij de verkiezingen de grootste partij geworden. De katholieken wensten bij de formatie een 'bredere basis', deelname van CHU en VVD aan het kabinet, en waren bereid in ruil daarvoor het premierschap af te staan. Dat Drees tien jaar minister-president bleef, heeft achteraf iets vanzelfsprekends gekregen. Destijds was dat zeker niet zo, al was hij ook toen populair en gerespecteerd ook buiten zijn eigen achterban. De jaren vijftig gelden als saai en duf, maar waren dat in politiek opzicht geenszins. Geen enkel kabinet van premier Drees haalde zonder crisis de eindstreep. De verkiezingsstrijd van 1956 was uitzonderlijk fel en de formatie van Drees' laatste kabinet duurde lang. De dekolonisatie van Indonesië leidde in Drees' eerste kabinet tot grote moeilijkheden met de andere regeringspartijen. Net als in voorgaande jaren trachtten Drees en de PvdA-ministers een militaire confrontatie zoveel mogelijk te vermijden dan wel te beperken. Zij lieten uiteindelijk het belang van regeringsdeelname prevaleren. Bovendien zou de politiek tegenover Indonesië zonder de PvdA in de regering toch alleen maar verharden. Voor Drees was het een pijnlijk dilemma. De Indonesische kwestie typeerde hij later als 'vier jaar nachtmerrie'. Met grote bekwaamheid leidde Drees zijn vier kabinetten van PvdA en KVP, aangevuld met wisselende kleinere partijen. Hij besefte terdege dat binnen een coalitie van minderheidspartijen compromissen onvermijdelijk waren. Mede op grond van zijn lange politieke ervaring kende hij de wensen en gevoeligheden van de andere partijen en voelde zo goed aan welk compromis onder de gegeven omstandigheden haalbaar was. Was hij van zijn kant ook bereid bepaalde punten prijs te geven, hij stelde toch ook heel duidelijk waar de grenzen lagen: 'tot hier en niet verder'. Afgezien van de gebruikelijke politieke moeilijkheden en hoofdpijndossiers als de Indonesische kwestie en de Greet Hofmans-affaire had Drees het tij mee. Hij was premier in een tijd van opbouw, voortgaande wederopbouw van het land en opbouw van een stelsel van goede sociale voorzieningen. Hij verpersoonlijkte deugden als redelijkheid, soberheid, eenvoud en (sociale) rechtvaardigheid en wist zo het vertrouwen en gezag te winnen bij een groot deel van de bevolking. 'Vader Drees' werd een begrip en een symbool voor een tijdvak. 'Elder statesman' Zijn aftreden als minister-president betekende geen einde aan zijn politieke en bestuurlijke activiteit, al kon hij het rustiger aan gaan doen. De PvdA benoemde hem tot partijbestuurder voor het leven, een functie die hij serieus nam. Als minister van Staat werd hem geregeld om advies gevraagd, onder meer over de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het Koninklijk Huis. Verder pakte hij een oude draad op en zat enkele commissies voor. Hij was nu een man van 'losse karweitjes', zoals hij zelf in een interview verklaarde. Daarnaast schreef hij de eerste van verschillende boeken, terugblikkend op zijn leven. Door verminderd gehoor en gezichtsvermogen kon hij vanaf 1966 geen bestuurlijk werk meer verrichten en de vergaderingen van het partijbestuur van de PvdA niet meer bijwonen. Ondertussen baarden ontwikkelingen binnen de partij hem grote zorgen. Onder invloed van Nieuw Links voer de PvdA een meer radicale en polariserende koers en dreigde zelfs op te gaan in een progressieve volkspartij. Drees uitte zijn bezwaren daartegen in het openbaar, in artikelen en interviews in de krant, op radio en tv. In 1971 zette hij de pijnlijke stap en trad uit de partij. De vijandige reacties van sommige voormalige partijgenoten kwetsten hem diep. Een paar jaar later, in 1974, overleed zijn vrouw. Dat verlies liet een leegte achter in zijn leven. Voor steun en gezelschap was hij vooral aangewezen op zijn oudste zoon Jan, die hem al enige tijd hielp met zijn correspondentie. Drees werd steeds dover en ging steeds minder zien, maar zijn gestel was krachtig en zijn geest en geheugen bleven tot op hoge leeftijd goed. Hij bleef artikelen en boeken schrijven en interviews geven. Voor journalisten, wetenschappers, studenten en scholieren werd hij een belangrijke bron van informatie over vroeger tijden en actuele ontwikkelingen. Zijn laatste drie levensjaren was hij ziekelijk. In 1986 werd hij honderd jaar oud. Hij werd bedolven onder een enorme hoeveelheid post, bloemen en cadeaus, maar kon daar zelf nauwelijks kennis van nemen. Op 14 mei 1988 overleed hij, bijna 102 jaar oud. 2. Overige familieleden Johannes Michiel Drees (1858-1891) en Anna Sophia Drees-Van Dobbenburgh (1858-1954) waren de ouders van Drees. Beiden waren afkomstig uit de orthodox-hervormde kleine burgerij. De vader van Johannes Michiel was kruidenier, de vader van Anna Sophia was timmerman, later schuitenvoerder. Het echtpaar Drees-Van Dobbenburgh kreeg vier kinderen: Grietje, Willem, Christina Elisabeth en Johannes Michiel (die na vijf maanden stierf). Vader Johannes Michiel had een goede betrekking als kantoorbediende bij de Twentsche Bank, maar overleed op 33-jarige leeftijd aan tuberculose. Anna Sophia bleef achter zonder middelen van bestaan, want de bank kende nog geen weduwenpensioen. Ze nam kostgangers in huis om in het levensonderhoud te voorzien. Haar zwager Frederik Drees sprong bij door de huishuur en het schoolgeld van de kinderen te betalen. Toen de kinderen volwassen waren voorzagen zij in het onderhoud van hun moeder, die haar verdere leven bij haar jongste dochter Bets inwoonde. Christina Elisabeth Beck-Drees (1888-1968), roepnaam 'Bets', was de jongere zuster van Drees. Zij bezocht de kweekschool in Amsterdam, maar ging daarna naar kantoor. Zij was later actief in het maatschappelijk werk, onder meer voor de Vereniging van Nederlands-Hervormde Vrijwillige Verzorgsters en de Burgerlijke Instelling voor Maatschappelijke Zorg in Amsterdam. Haar sociale bewogenheid kwam net als bij haar broer voort uit een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, maar ook uit een diep religieus besef. Voor de oorlog was ze actief in de kleine progressieve protestantse partij Christelijk-Democratische Unie. Na de oorlog sloot ze zich aan bij de PvdA en was onder meer actief in de Protestants-Christelijke Werkgemeenschap binnen die partij. Ze was gehuwd met H.L. Beck van 1916 tot 1936 (echtscheiding) en kreeg twee zoons. Haar moeder woonde bij haar in. Catharina Drees-Hent (1888-1974), roepnaam 'To', was Drees' echtgenote. Ze leerden elkaar kennen via Bets Drees, bij wie To in de klas zat. To was afkomstig uit een vrijzinnig-hervormd, kleinburgerlijk milieu. Haar vader was loper voor een verzekeringsmaatschappij en aanspreker. To bezocht de kweekschool en werkte van 1907 tot 1910 als onderwijzeres in Amsterdam. In juli 1910 trouwde ze met Drees en verhuisde naar Den Haag. Het echtpaar Drees-Hent kreeg vier kinderen, twee dochters en twee zoons: Annie (1911), Adri (1914), Jan (1919) en Wim (1922). Hun jongste dochter Adri overleed op zesjarige leeftijd aan de gevolgen van de Spaanse griep. To droeg zorg voor het gezin en het huishouden. Vooral zij onderhield ook de meeste contacten met de familie en schoonfamilie in Amsterdam. Ze deelde de idealen van haar man en was lid van verschillende organisaties in de sociaal-democratische beweging, maar zonder daarin actief te zijn. Het gaf haar voldoening dat ze haar man in staat kon stellen zich volledig op zijn werkzaamheden te concentreren. Toen de kinderen groot waren, was ze jarenlang bestuurslid van de vereniging 'Licht, Liefde, Leven' die zich inzette voor huishoud- en nijverheidsonderwijs aan meisjes. Als echtgenote van de minister-president trad ze weinig op de voorgrond. Ze leidde de groep ministersvrouwen die regelmatig bijeenkwam. Verder vervulde ze trouw haar representatieve taken, maar stond liever niet in de schijnwerpers. Interviews gaf ze niet; alleen intimi kwamen te weten hoe sterk To meeleefde met de politieke ontwikkelingen en hoe krachtig haar opvattingen waren. De vele vijandige reacties op het uittreden van Drees uit de PvdA, in 1971, raakten ook To diep. Haar laatste levensjaren kampte ze met een zwakke gezondheid en een verminderde geestkracht. Ze overleed op 30 januari 1974 plotseling aan een hartstilstand, 85 jaar oud. Johannes Michiel Drees (1919-2002), roepnaam 'Jan', was Drees' oudste zoon. Hij bezocht het Gymnasium Haganum en studeerde vervolgens Nederlands recht in Leiden (1936-1941). In de bezettingstijd was hij als ambtenaar werkzaam voor het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, tot hij in het kader van de Arbeidsinzet bij de Gemeentelijke Crisis- en Distributiedienst in Den Haag werd geplaatst. Na de bevrijding trad hij als bedrijfsjurist in dienst bij NV De Centrale Arbeiders- Verzekerings- en Depositobank, later genaamd De Centrale Verzekeringen NV. Naast zijn hoofdfunctie (laatstelijk hoofd van de afdeling Beleggingen) was hij bestuurslid, later secretaris-penningmeester van het Pensioenfonds van De Centrale, en secretaris-penningmeester van de Stichting Financieel Bureau Academici. In juli 1968 nam hij ontslag bij De Centrale. Op achttienjarige leeftijd meldde Jan Drees zich aan bij de SDAP. Hij was actief als bestuurslid van zijn afdeling en later als penningmeester van de federatie-Den Haag van de PvdA (1949-1966). Eind 1968 maakte hij deel uit van het comité Democratisch Appèl van PvdA-leden die verontrust waren over de radicalisering van de partij. In juni 1970 verliet hij de partij en werd lid van Democratisch Socialisten '70. Van december 1970 tot begin jaren tachtig zat hij in het hoofdbestuur van DS'70. Daarnaast maakte hij deel uit van de redactie van de partijorganen Politiek Bulletin en Het Buitenhof. Jan Drees trouwde niet en bleef, op een korte onderbreking in de bezettingstijd na, in zijn ouderlijk huis wonen. Vanaf 1970 was hij zijn vader in toenemende mate behulpzaam onder meer bij diens correspondentie. Op dictaat van zijn vader of aan de hand van diens stenografische concepten typte hij brieven en teksten van artikelen uit. In diens laatste levensjaren (1985-1988) beantwoordden hij en zijn broer Wim Drees jr. zelf de ingekomen post, namens hun vader. Jan Drees overleed op 1 maart 2002.
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in