gahetNA in het Nationaal Archief

Ruslandgids - Zoeken: wilhelmina

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)

Archieven (43)

Archieven (43)
Titel toegangBeschrijving inventarisnummerArchiefinstelling
Inventaris van het archief van Koningin WilhelminaBrief ingekomen van tsarina Marie, weduwe van tsaar Alexander IIIKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenCorrespondentie van Dimitri, prins von Golitsyn, met Prinses WilhelminaKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenStukken betreffende verlening van Heilige Catherina Orde aan prinses WilhelminaKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het archief van Koningin WilhelminaBrief ingekomen uit St. Petersburg van tsaar Nicolaas IIKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het archief van Koningin WilhelminaGelukwensen ontvangen bij de inhuldiging van Russische Israelieten in NederlandKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het archief van Koningin WilhelminaMinuut van een brief uit Den Haag aan tsaar Nicolaas IIKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het archief van Koningin WilhelminaDankbetuiging van de groep Russische emigranten (Wit-Russen) van het Lange voorhout voor het door hen genoten tweedaagse uitstapje naar het clubhuis Ingeborg te LeusdenKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenBrieven van Marie, keizerin-douarière van Rusland, geboren hertogin van WürttembergKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenBrief van Charlotte, grootvorstin van Rusland, geboren hertogin van WürttembergKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenBrieven van Catherina, koningin van Württemberg, geboren grootvorstin van RuslandKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenBrieven van prinses Anna Paulowna, echtgenote van Willem IIKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenIngekomen condoleance brieven naar aanleiding van overlijden prinses Louise/Von Golitsyn, prinses, echtgenote van Von Salm-ReifferscheidKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het Archief van Prinses Wilhelmina van PruisenCorrespondentie van Amalia, prinses von Golitsyn, geboren gravin von Schmettau, van haar dochter Marianna, vanaf 1818 prinses zu Salm-Reifferscheidt-Krautheim, van graaf F.L. von Stolberg, van N. de Novosiltsoff, Russisch minister en van A. van Nagell, met prinses Wilhelmina Rakende een erfeniskwestie.Koninklijk Huisarchief
Archief van Verzameling Tweede Wereldoorlog (Rotterdam)Koningin Wilhelmina en de Sovjet-UnieGemeentearchief Rotterdam
Inventaris van het archief van H.A. von Kinckel [levensjaren 1747-1821]Brief van Von Kinckel aan prinses Wilhelmina inzake de landing der Engelsen en Russen in Noord-Holland. Minuut.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van het Ministerie van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming: Afdeling KabinetStukken betreffende een opdracht van de Duitse bezettingsautoriteiten tot het verwijderen van alle afbeeldingen van leden van het Huis van Oranje uit alle openbare gebouwen (waaronder scholen), vanwege het feit, dat H.M. Koningin Wilhelmina de zijde van de Sovjet Unie heeft gekozen in de zojuist begonnen oorlog van Duitsland met dit land.Nationaal Archief
Archief van Europese dagboeken en egodocumentenKatein (Katuin), Marie WilhelminaNederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Inventaris van het archief van de Ambassade in de Sovjetunie (Moskou)BIJZONDER Protocol - Stukken betreffende de abdicatie van koningin Wilhelmina en de inhuldiging van koningin Juliana.Nationaal Archief
Inventaris van het archief van B. Veth [levensjaren 1864-1944]ARCHIEF Stukken betreffende zijn openbaar leven Politieke activiteiten medewerker van het gezantschap der Zuidafrikaanse Republiek Stukken betreffende bijzondere onderwerpen Rapportage en informatie over militaire en politieke aangelegenheden Politieke aangelegenheden - Aantekeningen over het aanbieden van het stadhouderschap over de beide Boerenrepublieken aan koningin Wilhelmina "tot interventieverkrijging van Rusland en Frankrijk met Duitsland".Nationaal Archief
Collectie Cees WiebesNederlandse buitenlandse politiek - Archivale documenten en artikelen inzake `Operatie Juliana' waarbij in een geheime operatie in de Sovjet sector in het naoorlogse Berlijn gestolen waardepapieren van Koningin Wilhelmina naar Nederland werden teruggebracht. Deze stukken werden gebruikt voor een tweetal artikelen in NRC Handelsblad op 1 en 8 juni 1991.Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Inventaris van het archief van Anna Paulowna, Koningin der Nederlanden. Geb. Grootvorstin van RuslandMinuten van brieven van Anna Paulowna aan koning Willem I, koningin Wilhelmina en prinses MarianneKoninklijk Huisarchief
Inventaris van het archief van Anna Paulowna, Koningin der Nederlanden. Geb. Grootvorstin van RuslandBrieven van koningin Wilhelmina (1774-1837)Koninklijk Huisarchief
Inventaris van het familiearchief PauwPapieren meest betrekkelijk Ridder H. Pauw, 24 november 1797-2 mei 1871, waarbij de Diploma's van de Brielsche Medaille d.d. 15 mei 1814 en de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Voortst twee originele brieven van Wilhelmina, Prinses van Pruisen, gemalin van Willem V, geboren 7 augustus 1751, aan H. Pauw. Russische pas van H. Pauw van 1813. Bezoek in een steenkolenmijn te CharleroyRegionaal Archief Rivierenland, Locatie Culemborg
Inventaris van de archieven van de Families De Dieu, Fontein Verschuir, Van der Feen de LilleStukken betreffende het proces tussen Maria Eva van Foreest (XIII) en haar schoonzuster Cornelia Wilhelmina de Dieu (V 2) betreffende de briljanten ring en gouden snuifdoos door de keizerin van Rusland aan Daniël de Dieu (IV 1) geschonken en door deze als fideicommis aan de oudste descendent vermaaktRegionaal Archief Alkmaar
Inventaris van het familie-archief Van ReenenAkte waarbij Jkvr. Wilhelmina Jacoba Rendorp van Marquette een stuk grond te Bergen schenkt aan de Czaar van Rusland voor het opgerichte Russische gedenkteken ter nagedachtenis aan de Russisch-Engelse invasie van 1799Regionaal Archief Alkmaar
Inventaris van het archief van de Nederlandse Ambassade in de Sovjet-Unie te MoskouALGEMEEN ARCHIEF PROTOCOL Stukken betreffende aangelegenheden met betrekking tot het Nederlands Koninklijk Huis. - Overlijden van prinses Wilhelmina. 1962 - 1963Nationaal Archief
Inventaris van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken na de bevrijding (Tweede Haags Archief)Stukken betreffende verzoeken om vrijgave van vermoedelijk door de Russen in Duitsland vastgehouden Nederlandse binnenschepen: Jonge, R. de te Harderwijk voor het ms Alpha, Kramer, J. te Harderwijk voor het ms Albertha Wilhelmina II, Sueringh, N. voor het sleepschip IdaNationaal Archief
Inventaris van het archief van de familie Laman Trip en aanverwante familiesStukken betreffende het huwelijk van Koningin Wilhelmina en hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin, met daarop volgende correspondentie met de Russische Kolonel Von PistohlkorsNationaal Archief
Z.M. Willem Frederik George Lodewijk, Koning der NederlandenBriefwisseling Briefwisseling met de naaste familie - Brieven van den Prins van Oranje (of Koning Willem II) aan zijn gemalin Anna Paulowna Opm.: dit zijn minuten (die van 1832 handelt over de oneenigheid van Prinses Anna Paulowna met haar secretaris Schultz) en een afschrift z.d., van de hand van Prinses Anna Paulowna, welk stuk door haar werd doorgezonden aan haar 'maman', waarschijnlijk Koningin Wilhelmina.Koninklijk Huisarchief
Inventaris van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken: A-DossiersA.193: Russisch-Japanse oorlog. Besprekingen te Berlijn in aanwezigheid van Dr. Kuijper inz. evt. conferentie over kolenschepen in oorlogstijd; telegraafdienst in Nederlands-Indië i.v.m. neutraliteit; prijsgerechten (hierbij aanhouding Ned. ss. Wilhelmina) verbeurdverklaring van door Japan aangehouden schepen en havenlading; zeemijnen; aanhouding "Sultan van Langkat"; hospitaalschepen; schending Rode-Kruistractaat door oorlogsvoerende partijen; enige schadevorderingen.Nationaal Archief
Inventaris van het Code-archief van het Ministerie van Buitenlandse ZakenCodearchief Culturele aangelegenheden, wetenschap en voorlichting Het materiaal Televisie-programma's Nederlandse programma's - Sowjet Unie; rapportage over een artikel van Theun de Vries inzake een televisie-uitzending, ter gelegenheid van de verjaardag van prinses Wilhelmina, in de Literatoernaja Gazeta van 19 september 1957Nationaal Archief
Archief van Collectie Nederlandse regering in LondenDiverse stukken afkomstig van Albarda, o.a. naoorlogse krantenartikelen, stukken over de erkenning van Rusland en artikelen over Koningin WilhelminaNederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Inventaris van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Londens Archief) en daarmee samenhangende archievenGeheim archief Diplomatieke zaken Samenwerking met de geallieerden (GA/DZ/D) - Verslag van de minister aan koningin Wilhelmina betreffende een onderhoud met de Britse minister van Buitenlandse Zaken over de bedoelingen van A. Hitler met het vaste land van Europa en een eventuele vrede met het Britse rijkNationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelBrieven van Nederlandsche gezanten. Alsvoren van J. W. Hogguer, extra ordinaris envoyé te St Petersburg (de brief van 1 Juni 1793 met vele bijlagen, bevattende opgaven wegens den handel in Rusland).Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelBrieven van vreemde gezanten en staatslieden. Alsvoren van graaf de Kalitcheff, extra-ordinaris envoyé van den Keizer van Rusland.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelReflexiën van den gezant te St. Petersburg, J. W. Hogguer, betreffende den Russischen handel. "Memorie over een commercie-tractaat met Rusland." Copieën van missiven van den Gezant aan den griffier Fagel 1792 etc.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelBrieven van den resident van Polen, Middleton van 18 Mei en van den Pruissischen gezant, graaf von Keller van 19 Juni 1793 aan den Raadpensionaris copieën van missiven van den Nederlandschen gezant van Reede uit Warschau Mei 1793 aan en extract-resolutiën van de Staten-Generaal en eenige andere stukken betreffende Polen en de verdeeling van dit Rijk.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelMinuten van brieven aan Nederlandsche en vreemde gezanten. Alsvoren aan differente ministers buiten 's lands volgens inhoudsopgave aan: Rechteren van Borchbeuningen (C. A. graaf van) extraordinaris envoyé aan het Hof van Rusland.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelMinuten van brieven aan Nederlandsche en vreemde gezanten. Alsvoren aan J. W. Hogguer, extra-ordinaris envoyé aan het Hof van RuslandNationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelCopie van een ongeteekenden brief aan de Staten-Generaal uit Sint Petersburg, 26 Mei 1794, waarbij de volgende copieën: Mémoire de son Excellence monsieur le vice-chancellier comte d'Osterman, 29 Avril 1794. Extrait d'une lettre de Varsovie du 19 Mars 1794. Adresse à l'armée de Thadée Kosziusko, 24 Mars 1794. Adresse au peuple Polonais du même.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelMemorie wegens klachten over het aanhoudend wegloopen van slaven uit de Hollandsche naar de Spaansche bezittingen in Guiana, nota's, extract resolutiën van de Staten-Generaal wegens de onderhandelingen over de wederzijdsche uitlevering, geregeld bij het te Aranjuez gesloten cartel van 28 Juni 1791. Copie nota van den Spaanschen ambassadeur aan den Keizerlijken minister over de preséance door den Russischen ambassadeur genomen op het congres te Praag en antwoord daarover.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelBrieven van Nederlandsche gezanten. Alsvoren van C. A. graaf van Rechteren van Borchbeuningen, extra-ordinaris envoyé te St. Petersburg.Nationaal Archief
Inventaris van het archief en andere bescheiden en handschriften van de Raadpensionaris van Holland mr. Laurens Pieter van de SpiegelCopieën van brieven van de gezanten van de Republiek in het buitenland aan de Staten-Generaal en aan hun griffier met begeleidende brieven aan den Raadpensionaris toegezonden met enkele andere brieven aan deze gericht. Met retroacta 1787 Augustus - December 17??Nationaal Archief
Alle resultaten

Achtergrond archieven (64)

Achtergrond archieven (64)
Geschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Tijdens de Tweede Wereldoorlog verblijft de Nederlandse regering in ballingschap in Londen. De meeste leden van het tweede kabinet-De Geer vertrekken op 13 mei 1940, evenals Koningin Wilhelmina, naar Londen. Er zijn drie kabinetten geweest in deze periode.
Op 19 juli 1903 werd door enige jeugdige voetbalbeoefenaars, wonende in de omgeving van de Oranjeboomstraat op Feyenoord, de voetbalvereniging "Wilhelmina" opgericht. In 1912, nadat de vereniging was toegelaten tot de Nederlandsche Voetbal Bond, werd de naam vastgesteld op de Rotterdamsche Voetbal Vereeniging "Feyenoord".
Florentin Xavier de Brouwer werd op 20 mei 1807 in Mechelen geboren. Op 3 september 1829 huwde hij Sara Wilhelmina Johanna, gravin van Hogendorp (1810-1888), wier achternaam hij bij de zijne voegde. De Brouwer van Hogendorp had, na een geslaagde rechtenstudie in Leuven, belangrijke financiële relaties aangeknoopt met de bankiershuizen Hirsch en Bischofsheim, hetgeen hem in staat stelde invloed uit te oefenen in de Belgische economie. In 1848 werd hij gekozen in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, waarin hij mede ijverde voor een goede spoorwegexploitatie. Ook in Nederland trachtte hij concessies te verkrijgen. Zijn activiteiten breidden zich zelfs uit tot in Rusland, waar hij via zijn relaties het huis Hirsch de financier werd van de spoorlijn Moskou-Rjazan en Turkije, waarheen hij vlak voor zijn dood in 1871 een inspectiereis wilde maken.
Het onderhavige gedeelte van het familiearchief Van Heteren vormde met het reeds geïnventariseerde gedeelte, dat zich in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage bevindt, één geheel. Als erfgenamen van het rijke bezit van de Van Heterens kwam het oorspronkelijk terecht bij Adriaan Leonard van Heteren Gevers (1794-1866), een zoon van Dirk Cornelis Gevers (1763-1839), heer van Endegeest, die op zijn beurt weer een zoon was van Abraham Gevers (1712-1780) en Catharina Wilhelmina van der Staal (1736-1806). Samen met haar broer was deze laatste door Adriaan Leonard van Heteren (1724-1800) aangewezen als zijn universele erfgenamen. Adriaan Leonard van Heteren was zelf een zoon van Hendrik van Heteren (1672-1749), die in 1718 huwde met Margaretha Lormier (1684-1738). In 1745 trouwde hij met zijn nicht Wouterina Brigitta Lormier (1718-1771). Haar zuster Catharina Elisabeth (1714-1741) was gehuwd met Dirk Cornelis van der Staal (1705-1772) en beiden zijn zij de ouders van Catharina Wilhelmina en Claudius van der Staal. Het gehele archief Van Heteren zal na de verdeling van de boedel op het huis Endegeest bij Leiden terecht zijn gekomen. Toen het huis Endegeest door de erfgenamen van Adriaan Leonard van Heteren Gevers - die in Nederlands-Indië zich hadden gevestigd - in 1893 werd verkocht, kwamen de archivalia met betrekking tot de familie Gevers tot Endegeest op het huis Duivenvoorde terecht en vervolgens bij de in 1906 opgerichte familievereniging Gevers. Dat hield in, dat het historische gedeelte voor het grootste gedeelte werd bewaard door Jhr. Jan Hugo Gevers op Leeuwenhorst bij Noordwijkerhout en een klein genealogisch interessant gedeelte bij Jhr. W.A. Gevers Deynoot te 's-Gravenhage. Beide gedeelten kwamen in 1933 door schenking terecht in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Zij het, dat een gering gedeelte achterbleef op Leeuwenhorst en de werkelijk genealogische stukken, zoals rouw- en trouwbrieven, in de latere - eveneens in het Algemeen Rijksarchief berustende - Collectie Gevers terecht kwam. Na inventarisatie van dit archief in juli en augustus 2001 door Jhr. A.J. Gevers en A.J. Mensema kreeg dit zijn beslag.
De familie Röell Van de oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige familie Röell hebben diverse leden een vooraanstaande rol in het Nederlandse openbare leven gespeeld. Van een aantal van hen zijn de archivalia in deze inventaris beschreven. Jonkheer Herman Hendrik Röell, geboren in 1806, studeerde rechten te Leiden waar hij in 1831 promoveerde. In 1842 werd hij benoemd tot griffier van Provinciale Staten in Noord-Holland welke functie hij in 1858 verwisselde voor die van Commissaris des Konings in Utrecht. In 1860 keerde hij echter weer naar Noord-Holland terug om daar tot 1879 als Commissaris des Konings te resideren. In 1874 werd hem de titel baron bij eerstgeboorte verleend. Hij overleed in 1883 te Amsterdam. Uit zijn huwelijk met Elisabeth van de Poll had hij vier zonen en twee dochters. Zijn derde zoon, jonkheer Jacob Alexander Röell, geboren in 1838, koos voor een carrière bij de marine waar hij uiteindelijk de rang van vice-admiraal bereikte. Na zijn officiersopleiding voerde hij het commando over verschillende oorlogsbodems tot hij in 1891 werd benoemd tot Commandant der Zeemacht Nederlands-Indië welke functie hij tot 1894 bekleedde. Van 1898 tot 1901 was hij minister van Marine in het kabinet-Pierson. Daarnaast was hij vanaf 1876 adjudant in gewone resp. buitengewone dienst van achtereenvolgens Prins Hendrik, Koning Willem III en Koningin Wilhelmina. Hij overleed in 1924 te Den Haag. In 1867 was hij getrouwd met Wilhelmina Adolphina van Wickevoort Crommelin; uit dit huwelijk werden drie zonen en twee dochters geboren. Zijn jongste zoon, jonkheer Willem Röell, werd geboren in 1873 en volgde eveneens een militaire loopbaan, zij het bij de landmacht waar hij tot luitenant-generaal opklom. In 1932 werd hij benoemd tot commandant van het Veldleger en van de Vesting Holland en tevens tot gouverneur van de Residentie. In 1937 werd hij gepensioneerd. Gedurende de bezetting was hij actief in het Verzet als oprichter van de Ordedienst. Hij overleed in 1958 te Den Haag. Hij huwde Maria Suzanne Beels, bij wie hij twee zonen had.
De familie Middelberg Vele leden van de familie Middelberg zijn in de 19e en de 20e eeuw vooraanstaande ingenieurs geweest. De belangrijkste van hen was wellicht Gerrit Adriaan Arnold Middelberg (1846-1916), zoon van de remonstrantse predikant G.A. Middelberg en van A.W. Minne. G.A.A. Middelberg had een grondige en veelomvattende technische opleiding genoten. Na zijn studie was hij werkzaam in binnen- en buitenland, waarbij hij talrijke belangrijke functies bekleedde, zoals het directeurschap van de Nederlandsch-Zuidafrikaanse Spoorwegmaatschappij (NZASM). Bovendien is hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geweest. G.A.A. Middelberg en echtgenote L. Hallmann hadden vijf zoons en één dochter. Ook de zoons ontvingen een technische opleiding en ook zij waren zowel in Nederland als in andere delen van de wereld, zoals Zuid-Afrika, Nederlands Oost-Indië en Suriname, werkzaam. Twee van hen waren werktuigkundig ingenieur, één was civiel ingenieur, een ander was chemicus en één was mijnbouwkundig ingenieur. Over een loopbaan van dochter Anna Wilhelmina zijn geen gegevens bekend. BIOGRAFISCHE AANTEKENINGEN BETREFFENDE DE ARCHIEFVORMERS FAMILIE MIDDELBERG G.A. Middelberg (1820-1850) en A.W. Minne (1823-1900) -Gerrit Adriaan Middelberg (Amsterdam 20-10-1820 - Boskoop 8-1-1850), remonstrants predikant te Boskoop, gehuwd op 21-8-1845 te Amsterdam met -Anna Willempje Minne (Amsterdam 7-6-1823 - Baarn 14-10-1900), dochter van Jan Minne (1800-1855) die in 1821 huwde met Margaretha Vos (1802-1873). Kinderen uit het huwelijk van Jan Minne en Margaretha Vos: Jan Willem Minne (1821-1879) Anna Willempje (1823-1900) Margaretha (1838-1864; gehuwd met A.A. Doyer). Anna Willempje Minne hertrouwde in 1858 met M. Verrijn Stuart. G.A.A. Middelberg (1846-1916) en L. Hallmann (1849-1931) -Gerrit Adriaan Arnold Middelberg (Boskoop 21-6-1846 - Baambrugge 6-3-1916) 1862-1863: opleiding in o.a. Zürich aan de Polytechnische Hogeschool 1865-1868: in Hannover; wordt in 1868 werktuigkundig ingenieur 1868-1869: werkt bij de Pruisische Staatsspoorwegen (Frankfurt a/d Oder) 1869-1876: werkzaam in Engeland (Manchester) en in Nederland bij de Staats Spoorwegen (Groningen, Luik en Zwolle) 1876-1890: werkzaam bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij 1890-1898: directeur Nederlandsch-Zuid-Afrikaanse Spoorweg Maatschappij (NZASM) 1894: vestigt zich met zijn gezin in Pretoria 1898: commissaris bij de NZASM; keert in 1899 terug naar Neder¬land 1899-1911: voorzitter Nederlandsch-Zuid-Afrikaanse Vereeniging 1902: vestigt zich te Baambrugge (Huize `Donkervliet') 1904: maakt scheepsreis als mede-begeleider van het stoffelijk overschot van Paul Kruger 1906-1907: reis naar Noord-Amerika (reorganisatie Oklahoma Central-Spoorwegen) 1909: maakt opnieuw een reis naar Afrika 1909-1913: ARP-Tweede Kamerlid, voor district Amsterdam VII gehuwd op 4-10-1871 te Hannover met -Leopoldine Hallmann (Boppard -Duitsland- 5-6-1849 - Baambrugge 19-4-1931), dochter van Eduard Hallmann (10-7-1813 - 24-2-1855), op 12-11-1847 gehuwd met Julie Leopoldine Hyppolite Barkow (Greifswald 3-7-1823 - Bremen 8-8-1894). G.A.A. Middelberg had een zus, van wie ook archief is nagelaten. Zij heette -Margaretha (Margo) Middelberg (Boskoop 6-1-1850 - Zürich 15-6-1925), gehuwd op 4-9-1884 met Carl Joseph Schröter (Esslingen 19-12-1855 - 7-2-1939; prof. dr botanicus), zoon van Moritz Schröter en Luise Hauer. Hun kinderen: Martin (geb. 1887) Marie Luise (geb. 1889) Anna Margaretha (geb. 1891) Kinderen van G.A.A. Middelberg en Leopoldine Hallmann: 1. Martinus Middelberg (Luik 5-9-1872 - Bandoeng 2-12-1925) 1894: werktuigkundig ingenieur 1895-1900: werkzaam bij de NZASM 1900-1902: directeur Petroleum-Maatschappij `Cernavoda' te Boekarest 1903-1907: ingenieur bij de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij te Semarang en Djokja 1907-1908: vice-president van de Oklahoma Spoorweg Maatschappij (VS) 1908-1921: inspecteur in West-Java der Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij; zorgt voor overdracht van de spoorweg Batavia-Buitenzorg aan de Staat; werkt bij de Staats Spoorwegen in Nederlands-Indië; hoofd Inspectie en -later- Algemeen Hoofd bij de dienst van Toezicht op Spoor- en Tramwegen 1921-1925: hoofd-ingenieur, ter beschikking van de directeur der gouvernementsbedrijven voor Spoor- en Tramwegenwetgeving gehuwd op 12-10-1898 te Pretoria met -Henriette Anna Christine (Dolly) Jorissen (Pretoria 6-8-1878 - Bandoeng 6-5-1925), dochter van Eduard Johan Pieter Jorissen en Anna Christina Elisabeth van Eyck van Voorthuysen. Dit huwelijk bleef kinderloos. 2. Eduard Middelberg (geb. Zwolle 28-11-1873) 1896: mijnbouwkundig ingenieur 1896-1897: maakt een studiereis 1897: vertrekt naar Nederlands-Indië; werkzaam aldaar bij Mijnwezen en Tinwinning. 1904: naar Suriname (mijnexploratie) 1907: met ziekteverlof naar Nederland 1909: naar Nederlands-Indië (Mijnwezen) 1918: chef Mijnwezen in Nederlands-Indië 1919: met pensioen 1923: lid gemeenteraad Abcoude-Baambrugge 1927: lid Provinciale Staten Utrecht 1939: wethouder van Abcoude-Baambrugge gehuwd op 14-10-1897 te Rotterdam met -Maria Vroesom de Haan (geb. 13-2-1870), zangeres, dochter van Jan Vroesom de Haan en Maria Eleonore Küller. Kinderen: Anna Wilhelmina (18-9-1899 - 9-4-1900) Anna Wilhelmina (geb. 8-11-1901) Gerrit Adriaan Arnold (geb. 16-3-1903) Martina (4-8-1911 - 14-8-1941) 3. Walter Middelberg (Zwolle 30-1-1875 - Hengelo 15-9-1944) 1899: studeert in 1899 in Leiden af in de scheikunde 1904: directeur Chemische Verffabriek `De Vecht' 1913: liquidatie `De Vecht', dan: tijdelijk leraar 1918: leraar scheikunde aan gymnasium en HBS te Hengelo 1940: gepensioneerd gehuwd te Amsterdam op 11-9-1906 met -Cornelia Theodora Johanna (Do) van Assendelft de Coningh (geb. 6-11-1882), dochter van Adriaan van Assendelft de Coningh en Anna Maria Louise Elisabeth de Roever. Kinderen: Louise Elisabeth (geb. 28-7-1907) Leopoldine Julie Amalia (Pepie) (geb. 13-5-1909) Gerrit Adriaan Arnout (geb. 10-8-1911) Arend Walter (geb. 27-4-1915) 4. Anna Wilhelmina Middelberg (geb. Haarlem 30-9-1877) gehuwd met -August Kalff (Amsterdam 9-7-1870 - Zeist 18-7-1935), zoon van August Kalff en Anna Maria Gerarda Stuart. Kinderen: August (geb. 5-12-1900) Gerrit Adriaan Arnold August (geb. 31-5-1902) Leopold Ernst August (geb. 27-12-1905) Johan Anne Willem August (geb. 28-7-1909) Anna Wilhelmina Victoria Augusta (16-10-1913 - 13-8-1943) 5. Richard (Iki) Middelberg (Amsterdam 25-2-1880 - Campina (Roemenië) 1-10-1917), werktuigkundig ingenieur, ongehuwd. 6. Leopold Roland Middelberg (geb. Amsterdam 30-9-1881) 1894-1899: op het Staatsgymnasium in Pretoria 1899: vecht tijdens Anglo-Boerenoorlog mee aan Zuidafrikaanse zijde, ingedeeld bij het Hollander Corps 1900-1905: studie civielingenieur in Zürich 1906-1907: ingenieur bij de Hollandsche Spoorwegen in Suriname ten behoeve van de aanleg van een spoorweg in het Lawagebied 1908-1910: diverse betrekkingen in Nederland 1911-1930: werkzaam bij de Staats Spoorwegen in Nederlands-Indië, als bureauchef in Batavia en later in Bandoeng 1931-1938: burgemeester van Zoetermeer-Zegwaard 1938: burgemeester van Ede 1941: door de Duitse bezetter als burgemeester ontslagen 1942-1943: gijzelaar in Haren en Michielsgestel 1945: opnieuw in functie als burge¬meester gehuwd op 20-7-1909 te Den Haag met -Catharine Jeanette (Cateau) Idenburg (geb. Soerabaja 23-10-1885), dochter van Alexander Willem Frederik Idenburg (1861-1935) en Maria Elisabeth Duetz (1862-1939). Kinderen: Alexander Willem Frederik (geb. 25-10-1912) Leopoldine Julie (geb. 11-1-1916) Richard Gerrit Adriaan Arnold -Iki- (geb. 9-12-1918) Marie Elisabeth (geb. 28-2-1921) Anna Wilhelmina Rosine (geb. 26-1-1924) Rosine Catherine Martina (geb. 3-10-1926) FAMILIE VERRIJN STUART M. Verrijn Stuart (1829-1910) en A.W. Minne (1823-1900) -Martinus Verrijn Stuart (Amsterdam 28-11-1829 - Baarn 7-8-1910), gehuwd op 19-5-1858 met -Anna Willempje Minne (1823-1900), eerder gehuwd geweest met G.A. Middelberg (1820-1850) Kinderen: Marie (Amsterdam 27-7-1859 - Amsterdam 3-7-1880) Jan (Amsterdam 9-3-1861 - Amsterdam 1-8-1861) Martinus (Amsterdam 22-8-1864 - 6-9-1912), gehuwd op 23-5-1889 te Amsterdam met Elisabeth Sophia van den Berg (geb. Amsterdam 9-9-1866 - 1952) FAMILIES BARKOW/HALLMANN Leopoldine Hallmann (1849-1931), echtgenote van G.A.A. Middelberg, dochter van -Eduard Hallmann (Hannover 10-7-1813 - Berlijn 24-2-1855, arts), gehuwd op 12-11-1847 met -Julie Leopoldine Hyppolite Barkow (Greifswald 3-7-1823 - Bremen 8-8-1894) Kinderen: Leopoldine (1849-1931) Amalie (Mali) Hallmann (geb. 1850) Franz Hallmann (1853-1925) Leopoldine Hallmann had een oudtante, Louise Barkow (1805-1893) geheten, die een nicht was van Richard Hallmann, een broer van haar vader. Leopoldine Hallmann was een kleindochter van: Anton August Hallmann (1783-1848) en Antoinette Lucie Rodatz (1788-1855) en van August Friedrich Barkow (1791-1861) en Christine Caroline Leopoldine Homeyer (1798-1863). Voorts was ze een achterkleindochter van `Urgrossvater' Christian Joachim Friedrich Barkow (1755-1836). FAMILIE IDENBURG -Catharine Jeanette (Cateau) Idenburg (geb. Soerabaja 23-10-1885), doch¬ter van Alexander Willem Frederik Idenburg (1861-1935) en Maria Elisa¬beth Duetz (1862-1939), gehuwd op 20-7-1909 te Den Haag met -Leopold Roland Middelberg (geb. Amsterdam 30-9-1881)
Voorgeschiedenis In de 17e en 18e eeuw legde de handel op Deventer, Zutphen en Amsterdam een aantal Winterswijkse koopmansfamilies geen windeieren. De wagens met linnen, vleeswaren en hout brachten als retourvracht met name koloniale waren mee zoals tabak, koffie, thee en specerijen, die niet alleen in eigen woonplaats, maar ook in de Achterhoek en het aangrenzende Westfalen winstrijk werden doorverkocht. Sommige families gingen er toe over om hun kinderen of verwanten naar Holland te sturen als zaakwaarnemers en beheerders. De handel in koloniale waren vormde voor deze Winterswijkse notabelen zo'n belangrijke bron van inkomsten, dat ze in 1795 zelfs een Oosterse koopman met scheepsanker in het nieuwe plaatselijke gemeentewapen opnamen als symbool van welvaart! Helaas heeft dat wapen de neergang van de handel in koloniale waren ten gevolge van de Franse overheersing niet overleefd. Meerdere generaties van de Winterswijkse familie Schutte waren actief in de textielnijverheid, via het Weversgilde of als linnenhandelaar. Men had medio 18e eeuw zelfs een eigen zeilschip in Amsterdam voor anker liggen en was door huwelijken verwant aan de plaatselijke familie Tenkink, die er pakhuizen bezat. Er ontstond aldus een familie- en handelsnetwerk, met o.a. ook notabele families als Abbinck, Ten Bengevoord, Hofkes en Ter Pelkwijk. Geld en goederen van de familie Schutte vererfden via de Winterswijkse rentenier Jan van Wullen op de kinderen van zijn dochter Wilhelmina Margaretha. Zij was in 1786 geschaakt door Derk Scholten, wiens voorzaten reeds handel in kruidenierswaren dreven in de Wooldstraat. Hun zoon Albert Scholten begon daar in 1820 de firma "De Hoop", genoemd naar het schip van zijn voorouders Schutte (uithangbord coll. museum Freriks, Wtw). De afbeelding sierde als logo ook de winkelzakken. Alberts zoon Willem Jan nam de familienaam Van Wullen Scholten aan. Hij vestigde zich te Wesel (D), werd suikerfabrikant en stamvader van de Duitse familietak. In 1834 werd de Winterswijkse firma uitgebreid met een afdeling textielwaren. Alberts opvolger Johannes Arnoldus ging tenslotte in 1881 geheel op manufacturen over. Ook de familie Scholten behoorde tot een uitgebreid netwerk van notabele handels- en familierelaties in de Achterhoek (Neede: Ten Hoopen, Ter Weeme; Eibergen: Smits; Groenlo: Lasonder, Huiskes; Wisch: Aalbers, Huender; Dinxperlo: Boland). Laatste naamdragers van deze familietak waren Albert jr.'s kinderen Johannes Arnoldus jr. en Harmina Margaretha, die resp. in 1973 en 1977 overleden.
Algemene inleidingMilitair Gezag is de wettelijke benaming voor de militaire overheid die tijdens de staat van oorlog en de staat van beleg is toegerust met bijzondere bevoegdheden, noodzakelijk met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de veiligheid. Deze bijzondere bevoegdheden zijn in de eerste plaats vastgelegd in de Oorlogswet van 23 mei 1899, Stb. 128. Een in 1941 te Londen ingestelde commissie, die tot taak had na te gaan of deze Oorlogswet aanpassing behoefde, kwam tot de conclusie de wet buiten toepassing te laten en de bevoegdheden van het MG in een bijzonder wetsbesluit te regelen. Bij KB van 11 sep. 1943 (Wetsbesluit D 60 van 4 sep. 1944) werd door de regering in Londen de bijzondere staat van beleg geregeld, waarop het Militair Gezag (MG) in de jaren 1944-1946 werd gebaseerd. Bij de terugtrekking van de vijand werd het ontruimde gebied in bijzondere staat van beleg verklaard en kreeg het MG de taak orde op zaken te stellen. Dit hield voornamelijk in: de handhaving van de openbare orde, het onderhouden van contacten tussen de plaatselijke en (via de SHAEF-Mission) geallieerde militaire autoriteiten en het nemen van de noodzakelijke bestuursmaatregelen. Hierbij werd vooral rekening gehouden met de omstandigheid dat de centrale overheid zich nog in Londen bevond en een deel van de lagere burgerlijke overheid in Nederland ontbrak of niet betrouwbaar was door verzet, oorlogshandelingen, collaboratie en zuivering. Het MG bestond voor een groot deel uit niet-militairen die voor deze gelegenheid waren gemilitariseerd. Het MG functioneerde in Nederland van 14 sep. 1944 (toen Maastricht als eerste grote gemeente werd bevrijd) tot 4 mrt. 1946 (toen het MG werd opgeheven). Een belangrijke publicatie over het MG is het in 1947 door het Bureau Geschiedschrijving (o.l.v. H. Winkel) uitgebrachte 'Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag gedurende de bijzondere staat van beleg 14 september 1944 - 4 maart 1946'. Om een gezagsvacuüm na de bevrijding van Nederland te voorkomen, werd eind januari 1943 bij beschikking van de minister van Oorlog O.C.A. van Lidth de Jeude in Londen het bureau Militair Gezag ingericht. Tot hoofd van het bureau werd de majoor van de Generale Staf J.H. Kruls benoemd. Hij werd belast met de taak 'het verrichten van de voorbereidende arbeid met betrekking tot de uitoefening van het militair gezag in Nederland'. Kruls nam de opbouw voortvarend ter hand en hij benoemde officieren (Engelandvaarders), veelal burgers met een baan op de regeringskantoren of in het bedrijfsleven. Dezen werden vervolgens opgeleid in theorie en in de militaire praktijk en voorbereid op de taken die hun in bevrijd gebied zouden wachten. Eind 1943 ontstond wrijving tussen Kruls en enkele ministers en tussen ministers onderling over de bevoegdheden van het MG en over welke kwartiermakers na de bevrijding naar Nederland zouden afreizen. Bovendien was koningin Wilhelmina niet van plan om Kruls na de bevrijding in Nederland tot Chef-Staf MG te benoemen. Kruls dacht intussen dat die mening nog wel zou veranderen (pas in sep. 1944 zou Wilhelmina toestemmen) en ging onverdroten voort met het aanstellen van militair personeel. In april 1944 bestond dat uit 175 officieren en 565 onderofficieren en manschappen. Bij kb van 9 juli 1944 werd door de regering in Londen het MG officieel ingesteld. Men kende naast een Stafbureau en Secretariaat een Bureau Repatriëring, een Bureau Grensbewaking en maximaal 15 secties: I.Binnenlandse Zaken II.Juridische Zaken (en Kampen) III.Politie IV.Luchtbescherming en Brandweer V.Financiën VI.Economische Zaken VII.Transport VIII.Volksgezondheid IX.Openbare Werken X.Arbeidszaken XI.Voorlichting XII.PTT en Censuur XIII.Sociale Zaken (en Rode Kruis) XIV.nderwijs, Kunsten en Wetenschappen XV.Oost- en West-Indische Zaken. Toen in september 1944 de bevrijding nabij scheen, vormde de regering bij kb de militaire verzetsorganisatie Binnenlandse Strijdkrachten (BS), onder bevel van prins Bernhard, die deel uitmaakte van de koninklijke landmacht. De BS werd samengesteld uit leden van de Ordedienst (OD), Knokploegen (KP) en de Raad van Verzet (RVV). Bij de bevrijding van het zuiden, oosten en noorden van het land vocht de BS met de geallieerden mee. Uit hen werden de stoottroepen gevormd. Het MG was (voor een deel) al in Brussel gevestigd, toen Maastricht op 14 september 1944 werd bevrijd, en kon ternauwernood haar bevoegdheden veiligstellen tegenover leden van de OD, die het militair gezag aldaar wilden opeisen. In het algemeen kon het MG zich tijdens zijn onverwachts lange bestaan moeilijk profileren. Een verklaring daarvoor waren onder andere de competentiegeschillen met de regering, burgerlijke bestuursorganen, verzets- en andere (para)militaire organisaties op het gebied van openbare orde en bestuursvoorzieningen. Het MG eiste wekelijkse rapportage van zijn militaire commissarissen in provincies en districten. Met de regering was geen (regelmatige) rapportage afgesproken, waardoor misverstanden en conflicten met Londen niet konden uitblijven. Initiatieven en besluiten doorkruisten zodoende elkaar nogal eens. Een belangrijk geschilpunt van Kruls met de ministers (uitgezonderd Van Lidth) was zijn bezwaar tegen de te vroege komst van minister-kwartiermakers naar bevrijd gebied, die volgens hem weinig konden uitrichten en het MG voor de voeten liepen. 'Zeker, zodra de gehele regering zich in Nederland zou kunnen vestigen en daar de beschikking zou hebben over goed werkende departementen en diensten, zou de taak van het MG van karakter veranderen', volgens Kruls. Kruls schitterde door afwezigheid bij de aankomst van vijf 'kwartiermakers' (waaronder de minister-president) op 25 november 1944 op het vliegveld bij Eindhoven. Pas na het aantreden van het derde kabinet-Gerbrandy op 23 februari 1945 zou de samenwerking tussen MG en regering verbeteren. De felste critici van Kruls (Burger, Van Heuven Goedhart en Van den Tempel) waren, mede op aandringen van Wilhelmina, niet opgenomen in dit nieuwe kabinet. De regering bepaalde een meer uniforme en positieve houding ten aanzien van het MG. Men besefte ook beter dat het MG veel te maken had met en opereerde binnen de directieven van het Shaef, het geallieerd hoofdkwartier. En Kruls besefte zijn ondergeschiktheid aan en de noodzaak tot samenwerking met de regering beter. Gebrek aan communicatie speelde ook binnen het MG een rol. Zo bleek de afstand van de staf MG te Brussel en het uitvoerend personeel in bevrijd gebied een handicap. Provinciale (en districts) militaire commissarissen moesten soms een maand op antwoord wachten. Deze situatie verbeterde door de verplaatsing van de Staf MG, begin april 1945 naar Breda en in mei 1945 naar Den Haag. Aanleiding tot coördinatie van bevoegdheden met het MG gaven ook de activiteiten van het College van Vertrouwensmannen. Het college was door de regering ingesteld en diende in bezet gebied als een voorlopige regering allerlei maatregelen voor de overgangstijd (o.a. zuivering en benoemingen voor belangrijke bestuursposten) voor te bereiden ten behoeve van zijn hoofdtaak: 'het handhaven van orde en rust'. Dat het College lange tijd (aug. 1944 - feb. 1945) onkundig was van eerder door de regering genomen besluiten op voornoemd gebied en de aanvankelijk toebedeelde rol van het MG daarin, deed het College enigszins in het luchtledig werken en belastte de verstandhouding met het MG. Uiteindelijk bleef het College in zijn activiteit beperkt en breidde het MG zijn gezag over het bevrijde gebied uit. Op 23 mei 1945 werd het College door Gerbrandy opgeheven. Eenmaal gevestigd in Den Haag stelden de secties van het MG zich in verbinding met de ministeries om zich te beraden over de (gedeeltelijke) overdracht van hun werkzaamheden. Sectie VI (Economische Zaken) was de eerste sectie die opgeheven werd. In juli 1945 werd begonnen met de geleidelijke opheffing van de provinciale militaire commissariaten. Zij werden per 1 oktober 1945 opgevolgd door Afdelings Militaire Commissariaten (AMC's), zoals het AMC voor Zuid-Holland en Zeeland. Op 4 maart 1946 werd het MG geliquideerd. De afwikkeling van de werkzaamheden werd opgedragen aan het Afwikkelingsbureau Militair Gezag. Het MG heeft, zeker in vergelijking met België, de toestand in bevrijd Nederland vrij spoedig gestabiliseerd en er tal van stimulerende en corrigerende maatregelen genomen.
1. Jean Baptiste Dumonceau (1760-1821)Jean Baptiste Dumonceau, geboren 7 november 1760 in Brussel als zoon van Petrus Dumonceau en Catharina van der Meiren, was oorspronkelijk meestersteenhouwer van beroep. Als zodanig wordt hij vermeld in de overlijdensakte van zijn eerste vrouw, Anna Maria Apollonia Colinet, geboren in Macon bij Chimay op 25 december 1758, gehuwd op 5 mei 1782 en overleden op 14 juni 1793 in Brussel. Jean Baptiste hertrouwde op 22 mei 1796 in Groningen met Agnes Wilhelmina Cornelia Cremers, geboren aldaar op 27 maart 1777 als dochter van Jacobus Cremers en Maria Lucia Heerkens en overleden te Brussel op 7 januari 1850. Dumonceau voelde zich meer aangetrokken tot de krijgskunst dan tot het bouwvak. Vandaar dat hij op 17 december 1789 door de staten van Brabant een compagnie kreeg toegewezen. Als krijgsman was hij van nut voor de Belgische patriotten, die tijdens de Brabantse revolutie van Jean François Vonk en Henri van der Noot de overwinning behaalden. Deze patriotten hielden ook bijeenkomsten op Staatsgrondgebied, o.a. in Breda, Princenhage en Zundert, waar zij door raadpensionaris Van de Spiegel in dank voor de vrijheid, die door de Oostenrijkse Nederlanden aan Hollandse uitgewekenen werd geboden, werden geduld; zij moesten zich echter van wapenhandel onthouden. Tijdens de opstand voegde Dumonceau zich bij het vrijwilligersleger in Diest, dat zojuist na de verovering van Turnhout door generaal Van der Mersch was bezet, en ontving het commando over een corps lichte infanterie. Deze vrijwilligers kregen weldra, vanwege hun geel tenue, de bijnaam van "les Canaris"; de kanarie komt ook op het wapen van de Dumonceau's voor. Na de terugtrekking van de Oostenrijkse legers ging dit eerste Belgische leger, dat ontevreden was over het verloop van de opstand en bovendien door de groep van Van der Noot kwalijk werd geduld, uiteen: enkelen weken uit naar Rijssel en Dowaai, waaronder Dumonceau, en werden daar voor het Franse leger geworven. Hun aanvoerder, de ontstuimige prins de Béthune-Charost, zou weldra op 25-jarige leeftijd onder de guillotine sterven. In juni 1792 trekt Dumonceau met het leger van Dumouriez en Pichegru naar België en Holland. Daar werd hem op 7 maart 1795 door Pichegru, dan "général en chef van het Noordelijk leger", het commando over Den Haag overgedragen. In mei 1795 ging hij over in Bataafse dienst, waar hij op 11 juni 1795 tot luitenant-generaal werd benoemd. Bij de Engels-Russische inval van 1799 in Noord-Holland weet hij zich zodanig te onderscheiden, dat koning Lodewijk Napoleon hem in april 1810 zou vereren met de titel van graaf van Bergerduin. In het Frans-Bataafse leger neemt hij vervolgens onder maarschalk Pierre François Charles Augerau o.m. deel aan de veldslagen bij Hohenlinde en Würzburg. Daarna had hij het bevel over de Bataafse divisie in het kamp te Zeist, in 1804 door Auguste Frédéric Louis Marmont, hertog van Raguse, opgericht om het Bataafse en Franse leger in onder te brengen, dat bestemd was voor Napoleons voorgenomen invasie in Engeland. In 1805 vertrekt hij vanuit Zeist naar Oostenrijk, waar hij zich onder bevel van maarschalk Adolphe Edouard Mortier, hertog van Trévise, onderscheidt bij de overtocht van de Donau. Op 21 december 1806 benoemde Lodewijk Napoleon hem tot maarschalk van Holland; dit werd hem bericht bij brief van de Koning van 3 januari 1807 (zie inv. nr. 4, brief nr. 409). Tijdens de inval van de Engelsen op Walcheren in 1809 vocht hij onder Jean Baptiste Bernadotte. Ook maakte hij de tocht naar Rusland en de slagen bij Kulm, Lützen en Bautzen mee. Op 11 november 1813 capituleerde bij Dresden het corps van maarschalk de Gouvion-Saint Cyr, waaronder hij diende. Nadat aanvankelijk vrije ongewapende aftocht in etappes was toegezegd, werd op bevel van keizer Alexander bij monde van generaal Klenau het reeds oprukkende garnizoen krijgsgevangen verklaard. Dumonceau verbleef in deze situatie tot 14 juni 1814 in Bohemen, vanwaar hij naar zijn familie vertrok in Mézières. Twintig uur na zijn aankomst aldaar vertrok hij naar Parijs om daar zijn opwachting te maken bij Willem I; de souvereine vorst had echter deze stad weer verlaten. Hij bleef in Franse dienst, omdat hij inmiddels vernam, dat de directeur-generaal van oorlog, generaal Janssens, reeds diverse officieren had uitgenodigd om naar Holland terug te keren, waaruit hij de conclusie trok, dat men hem als vreemdeling beschouwde. Toen Napoleon in 1815 weer Frankrijk binnenviel, bood hij hem zijn diensten aan. Hij werd naar Parijs geroepen door Davout, prins van Eckmuhl, toen minister van Oorlog maar verkoos zijn commando van de 2e militaire divisie in Mézières boven een door Napoleon aangeboden post. Nadat de stad in juni 1815 door de geallieerde legers was ingenomen, vertrok hij naar Parijs om zijn ontslag aan te vragen. In 1816 verhuisde hij met zijn gezin naar Vorst (Forest) bij Brussel, waar hij zijn oorspronkelijke beroep van steenhouwer weer opnam. In 1820 werd hij afgevaardigde voor Zuid-Brabant in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In datzelfde jaar werd hij bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1820 nr. 24 tot de Nederlandse adelstand toegelaten met de titel van graaf bij eerstgeboorte. Bij zijn verheffing tot "comte de l'Empire" door keizer Napoleon bij decreet van 2 mei 1811 was zijn titel graaf van Bergenduin reeds veranderd in graaf van Bergendal. Deze naam is echter alleen in de Belgische tak van de familie blijven voortbestaan. Jean Baptiste graaf Dumonceau overleed in Brussel op 29 december 1821. 2. Jean François Dumonceau (1790-1884)Jean François Dumonceau werd op 1 maart 1790 te Brussel geboren als zoon van Jean Baptiste Dumonceau en diens eerste vrouw Anna Maria Apollonia Colinet. Op 13 januari 1819 trouwde hij met Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé. Als kanonnier trad hij in Bataafse dienst bij het 4e bataljon artillerie. In 1805 werd hij - 15 jaar oud - benoemd tot 2e luitenant bij het regiment Bataafse dragonders. Na de inlijving van 1810 ging hij over in Franse dienst, zodat hij in 1812 als ritmeester de tocht naar Rusland meemaakte. Op 9 november 1813 werd hij eervol uit Franse dienst ontslagen; in Nederland teruggekeerd trad hij eerst op 19 februari 1815 weer in actieve dienst als majoor bij het 6e regiment huzaren. Hij bracht het tot adjudant van de prins van Oranje (10 augustus 1827) en tot luitenant-kolonel (25 maart 1831). Als zodanig nam hij deel aan de l0-daagse veldtocht. Op 25 mei 1854 volgde zijn benoeming tot chef van het Militaire Huis van de Koning in welke betrekking hij op 9 september 1854 werd gepensioneerd. Op 1 maart 1884 overleed hij in Den Haag. 3. Charles Henri Felix Dumonceau (1827-1918)Charles Henri Felix Dumonceau, zoon van Jean François Dumonceau en Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, werd op 16 november 1827 in Doornik geboren. Op 4 oktober 1854 trouwde hij in Parijs met Sophie Félice de Forestier. Na zijn benoeming tot page bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1843, nr. 51, werd hij op drie augustus van datzelfde jaar kadet bij de infanterie en in september 1843 leerling aan de K.M.A. te Breda. Via de rang van korporaal (30 september 1846), tweede luitenant (bij het 5e regiment infanterie, 7 juli 1847) klom hij op tot ordonnans-officier van Koning Willem III (9 oktober 1849). Daarna volgde zijn overplaatsing naar het bataljon grenadiers en jagers in 1852 en zijn benoeming tot eerste luitenant bij het 6 regiment infanterie in juli 1853. Bij Koninklijk Besluit van 4 november 1853, nr 7.7, werd hij wederom aangesteld als ordonnans-officier bij de Koning, welke post hij behield tot 1857, toen zijn benoeming volgde tot 's Konings adjudant bij de "Groote Staf" bij Koninklijk Besluit van 2 november 1857, nr. 19. Na diens dood diende hij in deze functie ook Koningin Wilhelmina, die hem in 1891 aanstelde tot chef van het Militaire Huis van de Koningin. Hij bekleedde deze functie tot zijn overlijden op 6 augustus 1918 in Den Haag. 4. Joseph Henri Felix Dumonceau (1859-1952)Diens zoon Joseph Henri Felix Dumonceau werd in Den Haag geboren op 22 augustus 1859. Op 31 juli 1900 trouwde hij aldaar met Idzardina Juliana Frederika de Constant Rebecque. Hij begon zijn loopbaan als vrijwilliger in het regiment grenadiers en jagers op 4 oktober 1877, waar hij een jaar later korporaal werd en in datzelfde jaar grenadier op eigen verzoek. Op 3 december 1884 klom hij op tot tweede luitenant bij het 8e regiment infanterie, in 1890 tot 1e luitenant. Bij Koninklijk Besluit van 2 mei 1890, nr. 56, benoemde Koning Willem III hem tot zijn ordonnans-officier en op 27 april 1891 trad hij in deze functie bij Koningin Wilhelmina in dienst. Op 16 december 1901 volgde na eervolle ontheffing uit de bestaande betrekking, zijn benoeming tot kapitein bij het 8e regiment infanterie. Bij Koninklijk Besluit van 31 december 1903, werd hij benoemd tot adjudant van de Koningin en in verband daarmee overgeplaatst naar de "Groote Staf". Hij overleed in Barneveld in 1952. 5. Aanverwante geslachtenVan het geslacht d' Aubremé, waarvan de stukken vermoedelijk via de echtgenote van Jean François Dumonceau, Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, in het archief Dumonceau zijn gekomen, zijn van Alexander Charles Joseph Ghisbin d' Aubremé de meeste stukken bewaard. Deze werd op 17 juni 1773 in Brussel geboren als zoon van Charles François Joseph Laurent d' Aubremé en Anne Marie Léonard. Hij was gehuwd met Amélie Caroline Ballet, geadopteerde dochter van Pierre Jean François Dubois Dubais. In het wijnkopershuis van zijn ouders vonden soms geheime Belgische Patriottische bijeenkomsten plaats; het was dus geen wonder dat hij de ziel van deze beweging werd en a.h.w. een wapenbroeder was van Jean Baptiste Dumonceau. In 1792 treft men hem aan als 2e luitenant bij het regiment Infanterie in Franse dienst, achtereenvolgens onder de generaals Dumouriez, Custine, Houchard en Pichegru. Evenals Jean Baptiste Dumonceau trok hij met laatstgenoemde de Republiek der Vereenigde Nederlanden binnen, trad hij in 1795 in dienst van de Bataafse republiek en keerde na de inlijving van 1810 weer in Franse dienst terug. In 1813 nam hij deel aan de slag bij Lutzen. In oktober 1814 meldde hij zich aan voor Nederlandse dienst, waarna hij vocht in de slag bij Waterloo. Van 1819 tot 1826 was hij commissaris-generaal van Oorlog. In het jaar van zijn eervol ontslag werd hij in de adelstand verheven met de titel van graaf. (16 juni 1826). Op 13 februari 1835 overleed hij in Aken.
Organisatie van de departementen Op 13 mei 1940 verlieten, ten gevolge van de Duitse inval, koningin Wilhelmina en het kabinet De Geer Nederland om zich in Londen te vestigen. Mr M.P.L. Steenberghe, minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, kon vlak na aankomst in Londen beschikken over een drietal hoofdambtenaren ( Drs A.B. Speekenbrink, D.M. de Smit en mr H. van Blankenstein.). Door toeneming van de werkzaamheden groeide ook de omvang van het departement. Op 1 april 1944 werkten er ca. 35 personen op het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, dat gevestigd was in Stratton House in de Engelse hoofdstad. Twee voorname zaken waarmee het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart zich na aankomst in Londen mee bezig hield, waren de inschakeling van de Nederlandse koopvaardijvloot bij de geallieerde oorlogsvoering en het aankopen en beheren van goederen die in Nederland na de bevrijding nodig waren. Later kwam daar de economische wederopbouw (reconstructie) en bevoorrading (ravitaillering) van Nederland na de bevrijding nog bij. Na het arriveren van het kabinet De Geer in Londen werd de door de gezant ingestelde adviescommissie uitgebreid met andere reders en vertegenwoordigers van bedrijven tot de Nederlandse Scheepvaart en Handelscommissie (NSHC; Netherlands Shipping and Trading Committee NSTC). De commissie kreeg van de regering volmacht om scheepvaart- en handelsaangelegenheden te behandelen. De minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart was in de NSTC vertegenwoordigd door twee ambtenaren die toezicht namens hem uitoefenden: één voor scheepvaartaangelegenheden (A.B. Speekenbrink) en één voor handelsaangelegenheden, het beheer en de verkoop van de ladingen (D.M. de Smit). Interne organisatie Gedurende het eerste jaar was het ministerie niet in formele afdelingen of bureaus ingedeeld. Als gevolg van de toeneming der werkzaamheden werd eerst in november 1941 een bureauindeling ingevoerd. Er bestonden de volgende bureaus: Kabinet en Archief Afdeling Economische Politiek Afdeling Scheepvaart Afdeling Handelszaken Afdeling Juridische en Algemene Zaken Bureau Comptabiliteit De werkkringen van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in Londen waren als volgt over de afdelingen verdeeld: 1. Afdeling Economische Politiek Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en voedselvoorziening. 2. Afdeling Scheepvaart Zaken betreffende de Nederlandse handelsvloot en de Nederlandse zeelieden, waaronder die de visserij betreffende. 3. Afdeling Handelszaken Zaken betreffende de afwikkeling van gestrande ladingen en contracten van goederen, bestemd geweest voor Nederland. 4. Afdeling Juridische en Algemene Zaken Aangelegenheden van wetgevende en juridische aard. Toepassing van de besluiten inzake het rechtsverkeer in oorlogstijd en de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland. Octrooizaken. Vraagstukken betreffende de toekomstige handelspolitieke verhoudingen. Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Voorbereiding Sectie Economische Zaken van de Staf van het Militair Gezag (sinds eind 1943). Uit de afdeling Economische Politiek werd een nieuwe afdeling gevormd en wel de: 5. Afdeling Nijverheid het opstellen van een werkplan voor economische reconstructie; de samenstelling van het 'overzicht Nederl(andsche) Industrie'; de opstelling van primaire metaalbehoeften na de bevrijding (ramingen en toelichtingen); samenwerking met de Studiegroep voor Reconstructie-Problemen behandeling van industrieproblemen in het algemeen en in samenwerking met andere departemeten; deelname aan de organisatie Allied Post War Requirements Bureau ('Leith-Ross') inzake internationale geallieerde behoefteramingen voor na de bevrijding. Na de splitsing van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in juni 1944 in twee departementen, bemoeide het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw zich met de volgende zaken: Afdeling Economische Politiek Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Afdeling Landbouw en Voedselvoorziening Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en de voedselvoorziening. Afdeling Nijverheid Aangelegenheden betreffende de Nederlandse industrie.
Het archief van een politicus is meestal een vermenging van documenten die zijn persoonlijk en zijn maatschappelijk leven weerspiegelen. Salomon Rodrigues de Miranda is daarvan een voorbeeld. Hij schreef veel, het meeste was bestemd voor publikatie in kranten en tijdschriften. Aan zijn beide echtgenoten schreef hij voorts talloze brieven, met natuurlijk ook berichten over actuele zaken van zijn maatschappelijk zeer drukke leven. Na slechts vijf klassen lager onderwijs begon zijn opleiding tot diamantbewerker. In de Algemeene Nederlandschen Diamantbewerkers Bond (ANDB), opgericht in 1898, speelde hij een actieve rol en publiceerde in hun Weekblad. Voorts was hij al spoedig na de oprichting in 1894 lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Zijn persoonlijk leven vergde ook de nodige aandacht. Uit zijn eerste huwelijk met Selly Elion had hij vijf kinderen. Selly had een zwakke gezondheid en overleed in 1923. Drie jaar later hertrouwde De Miranda met Wilhelmina Titia Timmerman, uit welk huwelijk twee kinderen werden geboren. De Miranda was sociaal-democraat in hart en nieren. In 1900 werd hij gekozen tot voorzitter van de Arbeiderskiesvereeniging district III van de SDAP, in 1919 in de Provinciale Staten van Noord-Holland, in datzelfde jaar tot wethouder in de Amsterdamse gemeenteraad. Dit laatste, wethouder in Amsterdam, is hij met enkele onderbrekingen tot 1939 geweest. Zijn artikelen en ook zijn optreden lokten nogal eens felle reacties uit, maar zijn gedrevenheid heeft ertoe geleid dat hij in Amsterdam een aantal belangrijke zaken tot stand kon brengen. Deze lagen merendeels op het terrein van de levensmiddelenvoorziening, de was-, bad- en zweminrichtingen en de woningbouw gekoppeld aan krotopruiming. De crisisjaren gooiden bij alle plannen roet in het eten, de grote zorg om de werkloosheid bracht De Miranda tot het opstellen van zijn ‘Plan tot inperking der werkloosheid’ uit 1934. Het jaar daarop werd hij weer tot wethouder gekozen, nu voor Volkshuisvesting en Publieke Werken. Voortvarend als De Miranda was, nam hij nu bij de woningbouw initiatieven zonder de Dienst PubliekeWerken en vooral de directeur hier voldoende bij te betrekken. De onenigheid hierover, met name over de uitgifte van bouwgrond, leidde tot een politieke controverse en een justitieel onderzoek. De hetze in de pers tegen De Miranda over deze erfpachtkwestie in 1939 deed de raad besluiten tot een onderzoek door een raadscommissie. Maar vooral de beschuldigingen in de pers veroorzaakten bij De Miranda een zware depressie, waarvoor hij in een inrichting moest worden opgenomen. Het rapport van de commissie gaf als oordeel dat De Miranda dan wel geen fraude had gepleegd, maar wel ernstige beleidsfouten had gemaakt. De Miranda keerde hierna niet terug in de raad. Hij zette zich aan het schrijven van het verweerschrift ‘Pro Domo’, dat echter door het uitbreken van de oorlog niet is verschenen. Tevens hield hij zich intensief bezig met de voorbereiding van een publikatie over ‘Amsterdam in de eerste helft der twintigste eeuw’, dat niet verder is gekomen dan het stadium van concept. De Miranda werd in juli 1942 gearresteerd en uiteindelijk op 3 november 1942 gedood.
I. mr C. Fock (1828-1910) Cornelis Fock werd op 19 november 1828 in Amsterdam geboren als zoon van Abraham Fock (1793 1858), president van de Nederlandsche Bank, en Alida Johanna van Heekeren (1797-1864). In juni 1852 promoveerde hij in de rechten aan de universiteit te Utrecht. In december 1853 werd hij benoemd tot burgemeester van Vreeland en Nigtevecht, een jaar later werd hij eerste burger in Wijk bij Duurstede, waar als gevolg van de Aprilbeweging een gespannen verhouding heerste tussen de katholieke en protestantse bevolking. Fock wist de vrede te herstellen. In december 1859, op 31 jarige leeftijd, werd hij burgemeester van Haarlem. Hij werd daar tevens lid van de gemeenteraad. Ook in Amsterdam vervulde hij beide functies nadat hij met ingang van 1 mei 1866 tot burgemeester van die stad werd benoemd. Mr C. Fock was een liberaal politicus, die zich aansloot bij het streven van Thorbecke naar onderwijsverbetering en verbetering van de infrastructuur voor de industrialisatie van Nederland. Hij was een fervent tegenstander van confessionele politiek. In 1868 werd Fock benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken als opvolger van de conservatief mr J. Heemskerk. Zijn kabinet werd geformeerd door Thorbecke, die zelf verkoos op de achtergrond te blijven en die liberalen wilde benoemen die in het constitutionele conflict tussen het kabinet Van Zuylen van Nijevelt Heemskerk en de Tweede Kamer geen rol hadden gespeeld. Het kabinet sloeg een nieuwe koers in, maar beschikte niet over het vermogen om door te tasten en de grondslag te leggen voor een liberaal beleidsplan. Tussen de gematigd liberalen van de school van Thorbecke en de jong liberalen van Van Houten en Veegens nam C. Fock een tussenpositie in. Het Thorbeckiaanse kabinet Van Bosse Fock ("hazenpeper zonder haas") bracht verscheidene belangrijke wetten tot stand: de afschaffing van het dagbladzegel (1869) en van de doodstraf in burgerlijke strafzaken (1870), de invoering van een eenheidstarief in het postwezen (1870) en de totstandkoming van een agrarische wet voor Nederlandsch Indië die de afschaffing van het Cultuurstelsel inhield (1870). Ook werd de Rijnvaart geliberaliseerd (1868). Het kabinet wist tijdens de Frans Duitse oorlog niet tot homogeniteit te komen en een krachtig standpunt in te nemen. Het trad op 4 januari 1871 af, toen de Indische begroting met een meerderheid van één stem werd verworpen. De plaats van Fock werd ingenomen door Thorbecke zelf. Fock werd nu gekozen voor de Tweede Kamer, maar hij werd op 11 november 1871 benoemd tot Commissaris des Konings in Zuid Holland. Hij vervulde tot 1900 deze functie. Op 9 mei 1910 overleed hij in Den Haag. II. mr dr D. Fock (1858-1941) Dirk Fock werd op 19 juni 1858 te Wijk bij Duurstede geboren als zoon van Cornelis Fock (1828-1910) en Maria Anna Uyttenhooven (1830 1909). Hij huwde op 30 juni 1881 met Wilhelmina Catharina Cornelia Doffegnies (1857-1913) en op 11 maart 1926 met Alida Françoise Johanna Diemont (1875-1931). Hij studeerde te Leiden en promoveerde er in 1880 tot meester in de rechten op stellingen en tot doctor in de staatswetenschappen op een proefschrift over gemeenschappelijke belangen van twee of meer provincies op het gebiedvan de waterstaat. Hij vertrok in juni 1880 naar Nederlandsch-Indië, waar hij als advocaat werkzaam was te Semarang (1880-1881) en te Batavia (1881 1898). In 1898 keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich te Rotterdam. In 1900 werd hij verkozen tot lid der Provinciale Staten van Zuid Holland en in 1901 tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van 1903 1904 was hij lid van de gemeenteraad van Rotterdam en van januari tot augustus 1905 lid van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland. In de Tweede Kamer trad hij op als koloniaal specialist. Hangende het onderzoek van de in 1902 ingestelde "Mindere Welvaart Commissie" benoemde minister Idenburg behalve Fock nog twee andere koloniale specialisten, Van Deventer en Kielstra, in deze commissie. In 1904 legde Fock zijn zienswijze vast in: "Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van de economischen toestand der Inlandsche bevolking op Java en Madoera". Op 17 augustus 1905 trad Fock op als minister van Koloniën in het kabinet de Meester. Na het aftreden van dit kabinet werd hij in 1908 benoemd tot gouverneur van Suriname, welk ambt hij tot 1911 bekleedde. Na zijn terugkeer kwam Fock wederom voor de Liberale Unie in de Tweede Kamer. In januari 1917, na het overlijden van mr H. Goeman Borgesius, werd hij benoemd tot Kamervoorzitter. Na vier jaar voorzitterschap vertrok hij in 1921 als gouverneur-generaal naar Nederlandsch Indië. Hij bevorderde er onder meer de oprichting van de Rechtshogeschool te Batavia (1924). Na zijn terugkeer in Nederland werd hij voorzitter van de Vrijheidsbond (1927-1933). Van 1929 tot 1935 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal. In 1929 werd hij benoemd tot minister van Staat. Fock overleed op 17 oktober 1941 te 's Gravenhage. III. mr C.L.W. Fock (1905-1999) Cornelis Laurens Willem Fock werd op 27 januari 1905 geboren te Den Helder als zoon van Cornelis Fock (1871-1959), vice admiraal, en Jacoba Wilhelmina Noorduyn (1876-1953). Na het behalen van het doctoraal examen in de rechten aan de Rijksuniversiteit te Leiden werkte hij tot 1940 in het bankwezen en bij een scheepvaartmaatschappij. Gedurende de oorlog was hij aanvankelijk officier bij de Nederlandse troepen in Engeland, waarna hij achtereenvolgens secretaris was van de Nederlandse militaire missie bij de Combined Chiefs of Staff in Washington en van het Nederlands gezantschap in Lissabon. In 1944 keerde hij naar Londen terug als hoofd van het Bureau Inlichtingen. Na de bevrijding werd hij in 1946 Regeringscommissaris in algemene dienst en in 1948 Raadadviseur in algemene dienst. In 1949 volgde zijn benoeming tot secretaris generaal van het ministerie van Algemene Zaken welke functie hij bekleedde tot 1962. In dat jaar werd hij benoemd tot Commissaris der Koningin in de provincie Groningen. In deze functie werd hij in 1970 gepensioneerd. Fock overleed op 9 juli 1999 te 's Gravenhage.
De familienaam Vosmaer komt reeds in de vijftiende eeuw in het graafschap Holland voor. Simon van Leeuwen vermeldt in zijn Batavia Illustrata dat een zekere Jan Muysz. van de Velde, lid van een ridderlijk geslacht uit Maasland, zich ook Vosmaer noemde. Hij was in 1401 schepen in Delft. Ook in de regeringen van 's -Gravenhage en Leiden bekleedden leden van de familie Vosmaer in die zelfde tijd ambten. Of zij in een rechtstreekse familierelatie stonden met de personen, wier archiefstukken in deze inventaris zijn beschreven, valt door gebrek aan bronnen uit deze periode niet te bewijzen. Sinds het midden van de zestiende eeuw leefden in Delft verschillende personen met de achternaam Vosmaer of Vosmeer van wie wij evenmin kunnen vaststellen of zij onderling verwant waren: de magistraat Michiel Corneliszoon Vosmeer, wiens zoons Tielman, Michiel en Sasbout bekendheid genoten als geleerden; een familie Vosmaer die goud- en zilversmeden voortbracht, en sinds het midden van de zeventiende eeuw de kunstschilders Christiaan, Daniël, Jacob en Nicolaas Vosmaer. De patroniemen doen vermoeden dat de schilders en de goud- en zilversmeden tot één familie behoorden. Van hen is de goudsmid Wouter Arentsz. Vosmaer te beschouwen als de stamvader van de leden van de familie Vosmaer, die onderwerp van deze inventaris zijn. Zijn nakomelingen behoorden tot het midden van de achttiende eeuw tot de gegoede middenstand. Jacob Vosmaer (1717-1781) was de eerste van de familie die openbare functies bekleedde. Door zijn vrouw, Louisa Maria Mosburger, wier familie een goede relatie onderhield met stadhouder Willem IV, kwam ook hij in contact met de stadhouderlijke familie. Deze goede verstandhouding werd na hem door verschillende familieleden onderhouden. Zo werd zijn broer Arnout (1720-1799) - vermaard verzamelaar van munten, penningen, prenten en voorwerpen van natuurlijke historie - in 1752 aangesteld als directeur van de stadhouderlijke Kabinetten van Natuurlijke Historie en in 1770 bovendien belast met het beheer van de stadhouderlijke menagerie op het Kleine Loo te Voorburg. Ook deze Willem Carel (1749-1818)[zoon van Jacob Vosmaer, broer van Wouter Arentsz.] was vurig aanhanger van de Oranjepartij. Als advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij het Hof van Holland kreeg hij te maken met aantijgingen tegen onder meer prinses Wilhelmina. Zijn orangistische houding in dezen werd hem noodlottig: hij werd in 1795 uit zijn ambten gezet. Dit zelfde lot trof ook de vader van zijn tweede vrouw, Isaac Scheltus; deze werd in dat jaar ontslagen als 's lands drukker. Isaac was het zevende lid van een geslacht, waarvan de leden van 1669 tot 1795 onafgebroken deze functie hadden vervuld. Dit hield in dat de particuliere drukkerij Scheltus de Staten van Holland ten dienste stond voor verzorging van publikaties. Aanvankelijk dreef Willem Carel de drukkerij "Vosmaer en Zoonen" met de twee zeer jeugdige jongste zoons uit zijn eerste huwelijk, Gualterus en Willem Carel jr. Toen hij tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon weer openbare functies mocht uitoefenen, droeg hij in 1809 de drukkerij over aan Gualterus, die haar zelfstandig voortzette. In de lijn van de familietraditie volbracht Gualterus in 1813 de riskante onderneming de befaamde proclamatie van Gijsbert Karel van Hogendorp te drukken. Was het deze uiting van trouw aan het huis van Oranje, die in 1814 werd beloond met zijn benoeming tot directeur van de in dat jaar opgerichte Algemeene Landsdrukkerij, of zou het feit dat hij de erfgenaam van de laatste landsdrukker was (het enigszins verwarde interregnum van de Franse tijd niet meegerekend) een rol hebben gespeeld bij zijn benoeming? Vaststaat dat Gualterus een solide man was, die een groot vertrouwen genoot, zowel in zijn ambtelijke betrekking als bij zijn familie. Dit laatste is, zoals wij zullen zien, van groot belang geweest voor de vorming van het familiearchief. Gualterus was in 1813 getrouwd met een dochter uit een vooraanstaand en gefortuneerd Zeeuws geslacht, Wilhelmina Dana Radermacher. Zij had, toen zij trouwde, vijf zusters en twee broers; niets deed toen vermoeden dat het geslacht spoedig in mannelijke lijn zou uitsterven. Ook voor zijn beide broers en zijn halfbroers en -zusters vervulde Gualterus [een] vertrouwensfunctie. Het voert in dit bestek te ver hen één voor één de revue te laten passeren. Enkelen genoten in hun eigen tijd een zekere faam; de neerslag van hun handelen rechtvaardigt daarom een nadere bespreking. Gualterus' al eerder genoemde oudste broer Jacob (1783-1824) ging na het verlaten van de Latijnse school medicijnen studeren. Hij was enige tijd als geneesheer werkzaam in Zutphen en Haarlem. In 1815 werd hij hoogleraar in de kruid-, schei- en artsenijkunde aan de Hogeschool te Harderwijk, in 1818 buitengewoon hoogleraar in dezelfde vakken aan de universiteit te Utrecht en in 1820 hoogleraar in de scheikunde, leer der geneesmiddelen en artsenijmengkunde aan de pas opgerichte Veeartsenijschool aldaar. Naast publikaties op zijn vakterrein heeft hij zich door zijn letterkundige geschriften een plaats verworven in de Nederlandse literatuur; zijn "mr. Maarten Vroeg" beleefde nog in 1978 een herdruk. Twee van Gualterus' halfbroers, Jan Henrik Gabriel en Jaques Nicolas trokken op betrekkelijk jonge leeftijd naar Nederlands-Indië en vervulden functies in het binnenlands bestuur. De eerste trouwde daar en werd de stichter van de Indische tak van de familie. De avontuurlijk ingestelde Jaques - zijn brieven aan de familie in Nederland getuigen daar van - nam spoedig na zijn aankomst in Indië deel aan acties van het gouvernement tegen inlandse vorsten; zijn verdienste ligt vooral in de door hem ondernomen ontdekkingstochten van de wateren om Celebes. Deze ontdekkingen, waarvan hij schriftelijk verslag deed, droegen mede bij tot de ontplooiing van de handel in dit gebied. Behalve in het familiearchief berust ook in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een dergelijk verslag. Carel Vosmaer (1826-1888), zoon van Willem Carel Vosmaer en Wilhelmina Dana Radermacher Over Carels leven en werk zij - daar het in dit bestek onmogelijk is daarvan een volledig overzicht te geven het volgende kortheidshalve vermeld: na zijn school tijd in Den Haag, waar hij een klassieke opvoeding genoot aan het Stedelijk Gymnasium, studeerde hij rechten in Leiden. De in hem aanwezige literaire en artistieke talenten kwamen in zijn studententijd al tot uiting. Aanvankelijk koos hij zich, na de afronding van zijn studie, een loopbaan in de rechterlijke macht: hij werd in 1853 griffier bij het kantongerecht in Oud-Beijerland. In datzelfde jaar trad hij in het huwelijk met Abrahamina Cornelia Charlotte Georgette Clant; uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie er één op jonge leeftijd overleed. De periode in Oud-Beijerland, waar het ambtelijk leven hem niet al te zeer in beslag nam, gebruikte hij ter verdere ontwikkeling en ontplooiing en ter voorbereiding van enkele essays die in de jaren daarna verschenen. Hij keerde in 1856 terug in Den Haag, waar hij benoemd was tot substituut-griffier bij het Gerechtshof van Zuid-Holland. Het culturele leven in Den Haag werd grotendeels bepaald door het letterkundig genootschap "Oefening kweekt kennis" en het schilderkundig genootschap "Pulchri Studio"; hun leden hadden een grote onderlinge band. Enkele van hen waren redacteur van de in Den Haag geredigeerde tijdschriften. Ook Carel Vosmaer was van beide genootschappen lid en leverde spoedig letterkundige en essayistische bijdragen aan die tijdschriften, zoals de Algemeene Konst- en Letterbode en het door hem met anderen in 1858 opgerichte De Tijdstroom. De redacties van deze tijdschriften verenigden zich in 1860 met de toen vier jaar oude De Nederlandsche Spectator. Ook van de redactie van dit progressief-liberale weekblad maakte Carel Vosmaer deel uit. In de eerste jaren van het bestaan ervan drukte vooral Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink zijn stempel op de Spectator. Na diens overlijden in 1865 werd Carel Vosmaer de toonaangevende figuur. De redactie gaf haar opinie over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals letterkundige, maatschappelijke, politieke, godsdienstige zaken, over kunsten en wetenschappen. Dat deed ze vooral in de rubrieken "Vlugmaren", "Pluksel" en de wekelijkse prent. Aanvankelijk werden de Vlugmaren door Gerard Keiler onder het pseudoniem "Flanor" geschreven. Na diens vertrek in 1864 nam Carel Vosmaer deze taak over en werd de nieuwe Flanor. Hij bleef redacteur tot zijn overlijden in 1888. Daarnaast redigeerde hij "De Schilderschool" (vanaf 1868) en de "Kunstkronijk" (1875-1876) en schreef hij talloze bijdragen voor andere periodieken, merendeels op het gebied van kunst, kunstgeschiedenis, archeologie en letterkunde. Kenmerkend voor Vosmaers liberale houding is dat hij anderen de ruimte gaf. Zo brak hij een lans voor Multatuli - met wie hij zeer bevriend was - in zijn artikelen in Het Vaderland, getiteld 'Een en ander' (later gebundeld onder de titel Een zaaier). Hij was een vaderlijke vriend voor de jonge generaties, inclusief de tachtigers, die hij desgevraagd van advies diende en aan wie hij bovendien de gelegenheid gaf in De Spectator te publiceren. Aanvankelijk combineerde hij het schrijven met het vervullen van zijn ambt; in 1866 had hij het griffierschap van het Gerechtshof verruild voor dat van de Hoge Raad. In 1873 nam hij evenwel ontslag om zich geheel in te kunnen zetten voor zijn publicistisch werk. Hij zette zich aan het vertalen in metrische verzen van Homerus; de Ilias verscheen in 1878, de Odyssee postuum in 1888. Hij maakte reizen naar Londen en Italië; de daarin opgedane indrukken - vastgelegd in reisdagboeken en schetsboeken - vormden stof voor zijn letterkundig werk als Londinias, Amazone, Nanno en Inwijding. Hij overleed vrij plotseling in Territet bij Montreux in 1888. Uit zijn papieren nalatenschap blijkt hoe groot zijn aanzien was in het culturele en wetenschappelijke leven van zijn tijd, waarin hij een sleutelpositie bekleedde. Hij onderhield een briefwisseling met vele vooraanstaande kunstenaars, met personen die zich bewogen op het gebied van kunst en kunstgeschiedenis, met letterkundigen, classici en verzamelaars. Carels weduwe bleef nog een aantal jaren wonen in het huis in de De Ruyterstraat in Den Haag, waar het gezin zich in 1866 had gevestigd. [Oudste zoon] Gualtherus woonde en werkte in die tijd als zoöloog aan de Nederlandse werktafel van het Zoölogisch Station in Napels. Deze had in Den Haag op de Hoogere Burgerschool zijn opleiding gekregen en had daarna in Leiden en Graz plant- en dierkunde gestudeerd. Toen hij met zijn studie begon, maakte vooral de dierkunde een grote ontwikkeling door. Tot het midden van de 19e eeuw hielden voornamelijk medici zich met de zoölogie bezig (Gualtherus zou zich later als hoogleraar beijveren voor het bestuderen van zijn vak door medici, zie inv. nr. 693). De evolutietheorie van Charles Darwin luidde een nieuwe tijd in. De wetenschap werd een specialisme; zij richtte zich op afstammingsonderzoek waarin vooral de morfologie belangrijk was. Bovendien stond de biologie van de zee volop in de belangstelling; onderzoek werd mogelijk gemaakt door uitrusting van expedities op zee en in zoölogische stations, die aan de kustplaatsen werden gevestigd. Het aantal diersoorten dat door deze onderzoeksmogelijkheden bekend werd, steeg enorm. Als typische exponent van zijn tijd bekwaamde Gualtherus zich tijdens zijn studie in kennis van sponzen. Na zijn studietijd in Leiden studeerde hij bij de spongioloog Franz Eilhard Schulze in Graz en rondde hij zijn studie af met het verdedigen van een Leidse dissertatie over sponzen. In 1880 werd hij door de Nederlandse regering uitgezonden naar Napels, waar hij, met een korte onderbreking in 1881, tot 1889 in het Zoölogisch Station van Anton Dohrn werkzaam was als onderzoeker van sponzen in de Baai van Napels. Dit onderwerp heeft hem zijn gehele leven bezig gehouden. Daarnaast bedreef hij - zijn opvoeding verloochende zich niet! - de geschiedenis van zijn vak. Hoewel hij niet op het gymnasium was geweest, evenaarde hij zijn vader later in kennis van de klassieke oudheid; hij beheerste Latijn en Grieks. Evenals zijn vader was hij zeer bedreven in het hanteren van potlood en tekenpen, hetgeen hem in de uitoefening van zijn vak van groot nut was. Zijn vader stimuleerde hem tot publiceren, waartoe hij hem ruimte in De Nederlandsche Spectator beschikbaar stelde. Daarnaast namen vele binnen- en buitenlandse tijdschriften artikelen van zijn hand op, veelal door hem zelf geillustreerd. Al in 1880 kondigde hij aan dat hij een spongiologische bibliografie had samengesteld, waarvan het oudste werk uit 1551 dateerde. Spoedig na het overlijden van zijn vader keerde hij naar Nederland terug en werd privaat-docent aan de universiteit van Utrecht. In 1904 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Leiden als opvolger van zijn leermeester C.K. Hoffmann. Eén van zijn studenten, Catalina Suzanna Röell, werd in 1906 zijn vrouw. Zij bewoonden het pand Rapenburg 83 in Leiden.
1. Het huis Offem Het terrein, genaamd Hofvenne, in Noordwijk, dat later Offem zou heten, komt - afgezien van een verpachting in 1316 - het eerst voor in 1336, toen Jan van Henegouwen zijn dochter Johanna een rente van 10 pond hollands op dit perceel verzekerde, die na haar dood zou komen aan de wijnkelder van de abdij Leeuwenhorst. In 1342 gaf Jan van Henegouwen nog eens 5 pond op de Hofvenne. Naderhand droeg Gui van Châtillon, kleinzoon van Jan van Henegouwen, in 1396 de Hofvenne, die belast was met 15 pond voor de abdij Leeuwenhorst, samen met een stuk land, genaamd Hofland, over aan Frederik van der Zevender. Wij vinden dit perceel hierna nauwelijks meer in akten terug, omdat het eigen goed was. Wel duikt de rente, die bij de eerste gelegenheid in 1410 tot 10 pond was beperkt, in de rekeningen van Leeuwenhorst op. Aanvankelijk wordt niet vermeld, wie deze 10 pond voldeed, maar in 1424 blijkt dat Jan van de Boekhorst te zijn, dezelfde die in 1430 de heerlijkheid Offem verwerft. De betalingen worden voortgezet vanaf 1452 door Elisabeth van Alkemade, zijn weduwe, naderhand door Jan van Noordwijk, hun zoon, tenslotte door Nikolaas Korf, die het bedrag in 1504 voor het vijfentwintigvoudige afkocht. Door de geschetste vererving bestaat er geen twijfel aan de vereenzelviging van Offem met de Hofvenne, al is de verwerving door Jan van de Boekhorst niet geboekstaafd. De namen Hofvenne en Hofland doen een bijbehorende hof met versterkt huis vermoeden. Inderdaad tekent C. van Alkemade in zijn verhandeling over de stad Leiden onder de titel "oud kasteel van Noordwijk" een rechthoekig kasteel, voorzien van vier hoektorens, een poortgebouw en een zware donjon. Wij mogen dit bouwsel wel toeschrijven aan de fantasie van Van Alkemade. Meer vertrouwen verdient een getuigenis uit 1655 van bejaarde inwoners van Noordwijk, dat zij op het land, genaamd Bergweide, ongeveer zestig jaar daarvoor nog oud muurwerk van blauwe steen hadden zien staan''. Het perceel was gelegen in de Bronsgeest op de grens tussen Noordwijk en Noordwijkerhout. Door deze situering ligt de Bergweide in de heerlijkheid Offem. Het ligt voor de hand, dat dit versterkte huis uit het bezit stamde van Gerard van Velsen, al wiens goed in 1308 door graaf Willem III aan Jan van Henegouwen werd toegewezen, in 1313 gevolgd door het gerecht van Noordwijk. Het latere huis Offem stond echter ruimschoots bezuiden de oude sterkte en wel ten oosten van het dorp Noordwijk even buiten de heerlijkheid Offem. Het werd in zijn geschiedenis slechts eenmaal overgedragen en wel in 1661 door Arnout van Wassenaar, wiens vrouw Anna Margaretha van Scherpenzeel het in huwelijk had meegebracht. Tevoren zal het steeds in het bezit zijn geweest van de elkaar opvolgende heren van Offem maar het wordt nooit met zoveel woorden genoemd. Wanneer het in oorsprong is gebouwd, blijft daarom onbekend. Omstreeks 1750 werd het door Theodora Odilia Doys ingrijpend verbouwd en verfraaid met een symmetrische tuin. In de negentiende eeuw werd het huis door Frederik Albert Govert graaf van Limburg Stirum afgebroken en op iets kleinere schaal herbouwd. Voor dit werk legde Susanna Geertruida Françoise Gevers, zijn vrouw, in 1856 de eerste steen. Nadat dit huis in de laatste Wereldoorlog door de Duitsers als commandopost was gebruikt, werd het in 1953 grotendeels afgebroken, omdat het uitgewoond was. Thans herinnert alleen het huidige woonhuis, dat enige eeuwen oud is, aan het oudere Offem. 2. De families Van Limburg Stirum, Doys en Van der Does Van Limburg Stirum De stamvader van de in het archief behandelde tak van de familie Van Limburg Stirum was Albert Dominicus, tweede zoon van Otto Ernst graaf van Limburg Stirum. Hij maakte evenals velen van zijn nakomelingen een carrière in het leger. Tevens gaf hij blijk van een zin voor historie door de voorvaderlijke bezitting Wildenburg te kopen. Van hem zet de tak zich hier voort met zijn vierde zoon Leopold, het bekende lid van het driemanschap van 1813, die huwde met Theodora Odilia Carolina Louise van der Does. Zij bracht de heerlijkheid Noordwijk in de familie, zodat Wigbold Albert Willem, oudste zoon van Leopold, zich aan het beheer en bestuur daarvan kon gaan wijden. De tak Noordwijk zou zich voortaan blijven bezighouden met bestuurlijke activiteiten op provinciaal en gemeentelijk terrein. Zijn jongere broer Otto Jan Herbert was daarentegen militair evenals diens zoon Willem. Deze kreeg door zijn vroegtijdige pensionering gelegenheid zich diepgaand bezig te houden met de geschiedenis van zijn familie, die hij neerlegde in zijn "Stamtafel". Ook daarna zette hij zijn onderzoekingen echter nog voort zoals blijkt uit de grote hoeveelheid documentatie, die hij na 1878 verzamelde. Zijn arbeid heeft in de laatste jaren een fraaie bekroning gevonden in het standaardwerk over de graven van Limburg Stirum, dat tot stand kwam dankzij de krachtige steun van W.J.H. graaf van Limburg Stirum. Dit oeuvre bevat zowel een inventaris van het archief van de graven vanaf het begin van de dertiende eeuw tot het overlijden van Frederik Willem graaf van Limburg Stirum , grootvader van Albert Dominicus, in 1722, als repertoria op de leen-hoven van Bronkhorst, Borculo, Wisch en de Wildenburg, die in handen van de familie waren. Van der Does Ook deze familie werd reeds in een monografie behandeld, zij het op minder grootscheepse wijze dan de graven van Limburg Stirum. Het beroemdste lid van dit geslacht was Jan van der Does, die aan diverse universiteiten studeerde en bij zijn terugkeer een rol speelde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Hij werd de eerste curator van de Leidse universiteit en tevens geschiedschrijver van Holland. Als zodanig stonden hij en zijn zoons Jan, Steven, Frans en George in contact met geleerden van die tijd zoals J. Lipsius en A. van Buchel. Zijn nakomelingen trokken zich evenwel terug van het veld van de wetenschap en bleven zich voornamelijk bezighouden met het bestuur van Holland, waar zij zitting hadden in de Ridderschap, en met het beheer van hun bezittingen. In de eerste plaats was dat de heerlijkheid Noordwijk, later vermeerderd met de aparte heerlijkheden Offem en Ter Lucht in die plaats. In het Westland kwam de familie door het huwelijk van Wigbold van der Does met Wilhelmina Henriette van Reede in het bezit van de heerlijkheid De Lier en verder zuidwaarts van de heerlijkheid St. Anthoniepolder, die afkomstig was van de familie Van der Mijle. De familie stierf in 1810 in mannelijke uit met Gerlach Jan Doys van der Does, die de naam Doys van de eerder uitgestorven familie van zijn moeder aan de zijne had toegevoegd. Doys Deze familie is de minst bekende van de drie hier behandelde. Aan haar is geen monografie gewijd. Daar staat tegenover, dat Gerlach Doys (1626-1685), jongere zoon van Dirk Doys, in drie delen de geschiedenisvan zijn familie beschreef en daar als bewijsstukken de akten van het familiearchief bijvoegde. Hij kon dat des te gereder doen, omdat hij het familiearchief grotendeels had meegenomen. In de zestiende eeuw woonde de familie in Deventer, waar zij aanzienlijke posten bekleedde. Zo was Gerlach Doys burgemeester en mocht Pieter Doys, zijn zoon, zich deken van de St. Lebuinus noemen. Omdat de familie vanaf de zeventiende eeuw een carrière in het leger nastreefde, verplaatsten zij zich naar Gelderland, Brabant, Zeeland en Friesland. De oudste tak stierf in 1774 uit met Theodora Odilia Doys ongeveer ter zelfder tijd als de jongere tak, die zich in Friesland had gevestigd. 3. De heerlijkheden Noordwijk, Offem, St. Anthoniepolder en De Lier De heerlijkheid Noordwijk met haar reilen en zeilen werd vooral voor de jongere tijd uitvoerig behandeld door J. Kloos. Wij geven daarom slechts een beknopt overzicht van de heerlijkheid. In 1438 werd Jan van de Boekhorst door Margaretha van Bourgondië beleend met de heerlijkheid zonder Offem, Langeveld en Ter Lucht. Van zijn zoon Jan van Noordwijk vererfde zij op Jan van der Does, in wiens familie de heerlijkheid ruim driehonderd jaar bleef tot 1810, toen de familie Van Limburg Stirum haar erfde. Alleen van 1620 tot 1640 was zij in handen van Nikolaas van de Boekhorst en Caspar en Willem van Ewsum, verwanten van Van der Does. Acht jaar voor de heerlijkheid Noordwijk ontving Jan van de Boekhorst de heerlijkheid Offem van Margaretha van Bourgondië in leen. Dit was een rechthoekig terrein aan de oostzijde van Noordwijk, dat in het noorden grensde aan Noordwijkerhout en zuidwaarts strekte ter breedte van de Bronsgeest. Deze heerlijkheid vererfde van de familie Van de Boekhorst achtereenvolgens op de families Korf, Pijns en Van Scherpenzeel, die haar in 1661 verkocht aan Wigbold van der Does, waarna zij dezelfde weg volgde als de heerlijkheid Noordwijk. De problemen over de grenzen tussen beide heerlijkheden waren door de transactie van 1661 geheel uit de weg geruimd, daar Offem in Noordwijk opging. Wigbolds gelijknamige kleinzoon verwierf in 1695 de resterende heerlijkheden Langeveld en Ter Lucht. Ook deze gingen nu dezelfde weg als Noordwijk tot Langeveld in 1774 werd toegedeeld aan Gerlach Jan Doys van der Does, die evenwel in 1788 ook Noordwijk erfde. Daardoor was de heerlijkheid herenigd. St. Anthoniepolder werd in 1357 bedijkt door Hugo Duking en zijn metgezellen. Zij deden hun werk blijkbaar bekwaam want als enige in de Hoekse waard bleef hun bedijking droog tijdens de St. Elisabeths-vloed van 1421. In de negentiende eeuw werd de gemeente onder Maasdam gebracht. De heerlijkheid was vanaf de zestiende tot het begin van de achttiende eeuw in handen van de familie Van der Mijle, van wie zij in 1712 vererfde op Wilhelmina Henriette van Reede, gehuwd met Wigbold van der Does. Zij bleef hierna in de families Van der Does en Van Limburg Stirum. De heerlijkheid De Lier in het Westland werd in 1675 verworven door Frederik van Reede, via wiens dochter Wilhelmina Henriette zij vererfde op de familie Van der Does. Bij boedelscheiding van 1812 werd zij toegedeeld aan Johanna Jacoba Herbertina Mauritia van der Does, gehuwd met Timon Cornelis de Heerdt van Eversberg. Deze familie verkocht de heerlijkheid in 1825 weer aan een plaatselijke burgemeester, waarna elk spoor van het archief ontbreekt. 4. Het klooster St. Katharina en Barbara te Noordwijk Dit klooster van Augustinessen werd in 1456 door Frank van de Boekhorst gesticht op een terrein ten noorden van de kerk van Noordwijk. Daarop had reeds eerder een geestelijke stichting gestaan, die de regel van de Derde Orde volgde, maar in 1450 was verbrand. De nieuwe stichting werd gesteld onder het toezicht van het klooster St. Hieronymus, genaamd Roma, aan het Rapenburg te Leiden en in 1465 bovendien nog onder het klooster Syon. In 1492 werd het klooster onder de hoede van het kapittel van Windesheim geplaatst. In 1572 werd het klooster opgeheven en werden de goederen voortaan beheerd door het Geestelijk kantoor. Bij die gelegenheid wist men zich in het bezit te stellen van het archief. Dit was aanzienlijk omvangrijker dan thans, te schatten naar de charters, die Romeins genummerd zijn. Het hoogste nog aanwezige nummer 87 maakt aannemelijk, dat ruim zeventig charters verloren gingen of omstreeks 1572 door de zusgers werden meegenomen. In de eerste helft van de zeventiende eeuw wisten de heren van Noordwijk zich in het bezit van de goederen te stellen, die zij voor de bekostiging van de eredienst gebruikten. Zij konden dat doen omdat zij nazaten van de stichter waren.
StudieLeonard de Gou werd op 22 december 1916 in Den Haag geboren. Zijn ouders waren Rooms-Katholiek en ook hij volgde hun sporen. Daarnaast toonde hij reeds in zijn gymnasiumtijd aan het Haganum belangstelling in archeologie door zelf opgravingen te verrichten in de voormalige Romeinse nederzetting in Ockenburg. In 1936 moest hij door ziekte zijn opleiding echter voltooien aan de Deutsche Ausland-Vollanstalt Fridericianum te Davos. Daarna studeerde hij Welthandel, rechten en wijsbegeerte aan de universiteiten van Wenen, Leuven, Leiden en Amsterdam, waar hij in 1941 zijn doctoraalexamen haalde. In 1943 promoveerde hij in Utrecht op een rechtshistorisch proefschrift over de Weeskamer van 's-Gravenhage. De geschiedenis van de Nederlandse instituties zou hem zijn leven lang bezig houden. In de oorlogHij vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij ook plaatsvervangend griffier aan de arrondissementsrechtbank werd en secretariaatswerkzaamheden verrichtte in verschillende (onder-)afdelingen van de "zelfstandige bedrijfsorganisatie" die in 1940 werd ingesteld tot regeling van het bedrijfsleven in Nederland (de zg. organisatie Woltersom). Gewaarschuwd door het verzet nam hij in 1943 afscheid van dat alles, omdat de Duitse bezettingsmacht voornemens was hem tot voorzitter van een op te richten Economische Raad aan te wijzen. Een bindende arbeidsovereenkomst werd voor hem noodzakelijk om de keuze tussen collaboratie of 'Arbeitseinsatz' te ontlopen; hij accepteerde een betrekking als referendaris aan de provinciale griffie in Drenthe. Daar werd hij actief in het culturele leven en had hij relaties met het verzet. Na de bevrijding publiceerde hij in het blad 'De vrije pers weekblad voor Drente van de voormalige illegalen'. Ook was hij betrokken bij de regionale geschiedenis, echter zonder in staat te zijn zijn studies te publiceren. Na de oorlogNa de oorlog werd hij actief in de partijpolitiek: hij geldt als een van de oprichters van de Katholieke Volkspartij, waar hij het initiatief nam tot een jongerenbeweging. In die kwaliteit had hij tot 1948 zitting in "de dagelijkse partijleiding", die periodiek in Den Haag vergaderde. Tot 1953 zat hij in het bestuur. Zijn verdere bijdrage tot de partij was de Nederlandse vertegenwoordiging in de Nouvelles Equipes Internationales, een gezamenlijke vergadering van partijen op Christelijke grondslag, die zich beschouwden als tegenhanger van de Socialistische Internationale. Ook was hij betrokken bij initiatieven voor de - mede door de Marshallhulp gestimuleerde - Europese samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de door de KVP-er P.A. Kersten mede georganiseerde Europese conferentie in Den Haag. In 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van het Noord-Brabantse Steenbergen, waar hij tevens zitting nam in de besturen van de daar werkzame waterschappen en enkele belangrijke verenigingen. Zo was hij betrokken bij het overleg over de waterwegverbinding tussen de Schelde en de Rijn, een kwestie die reeds vóór de oorlog een geschilpunt was tussen Nederland en België. Hij knoopte nauwe banden aan met het Franse Sedan, dat Steenbergen adopteerde als slachtoffer van de watersnood van 1953. Zijn kennis van het administratief recht paste hij toe door voor de Vereniging van Gemeenten te publiceren over de gemeentelijke bestuursorganen; zijn partij maakte van zijn kennis gebruik door hem te benoemen tot redacteur van het partijorgaan De gemeenteraad. In 1954 werd hij wegens zijn behartiging van West-Brabantse belangen voor de KVP verkozen in de provinciale staten van Noord-Brabant. Dit werd voor hem de opstap voor de verkiezing tot lid van de Eerste Kamer een jaar later. Deze uitverkiezing betekende meteen het einde van zijn activiteiten voor het partijbestuur; dit lidmaatschap was onverenigbaar met zijn rol als volksvertegenwoordiger. Nu diende het partijbestuur nog als relatie voor zijn sollicitaties, vooral toen hij zich als burgemeester van Steenbergen beijverde een hogere post te bereiken. Lid van de Eerste KamerAls Eerste Kamerlid specialiseerde De Gou zich in het defensiebeleid. Hij was in 1958 de woordvoerder voor de KVP toen deze partij via de Eerste Kamer met een motie van wantrouwen het ontslag afdwong van staatssecretaris F.J. Kranenburg wegens de indertijd beruchte "Helmenaffaire". Ook nam hij het op voor de Schelde-Rijnverbinding tegen F.C. Gerretson, een verklaard tegenstander, die reeds in 1924 in een comité met Mussert daartegen actie had gevoerd. Als Kamerlid had hij zitting in allerlei internationale delegaties, waaronder organen van de Benelux en de Europese Gemeenschappen - parlementen van deze organen werden toen niet rechtstreeks gekozen, maar afgevaardigd uit parlementen van de lidstaten -, de Raad van Europa, de West-Europese Unie en de NAVO. In 1962 leverde hij een bijdrage aan de vredesbesprekingen tussen Nederland en Indonesië inzake Nieuw-Guinea door zijn contacten met Indonesische familierelaties. In 1963 stelde De Gou zich niet meer herkiesbaar. Burgemeesterschap Venlo en HaarlemHij was inmiddels vanaf 1957 burgemeester van Venlo, dat sterke banden aanhaalde met enkele steden in de Duitse Bondsrepubliek. Dat lag in de visie van Venlo als internationaal knooppunt in het Europa zonder grenzen. Hartelijke relaties had De Gou met het Oostenrijkse Klagenfurt, welke samenwerking uitliep op de toekenning van het kruis van verdienste te Oostenrijk. Door Gedeputeerde Staten van Limburg benoemd in de provinciale planologische commissie en andere organen kon de Gou invloed uitoefenen op de ruimtelijke ordening en de infrastructuur van Noord-Limburg. Verder legde hij de grondslag voor een plaatselijk museumbeleid door de oprichting van het Goltziusmuseum, dat thans tot het Limburgs Museum is uitgegroeid. In 1969 werd De Gou benoemd tot burgemeester van Haarlem. In de hoofdstad van Noord-Holland legde hij zich meer en meer toe op het cultuurbeleid. In de stad was de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen gevestigd; waarvan hij achtereenvolgens directeur, bestuurslid en van 1979 tot 1985 voorzitter van het bestuur was. Als burgemeester haalde hij herhaaldelijk de landelijke pers door zijn uitgesproken stellingname voor decorum. Berucht werden zijn weigeringen tot het bijwonen van galavoorstellingen uit protest: omdat het volkslied niet werd gespeeld of het koninklijk huis zou zijn gekwetst[1]. Hij trad terug als president-regent van het Elisabeth-gasthuis toen bleek dat de toen nog illegale abortus de gynaecologische afdeling tot de financieel sterkste afdeling van het ziekenhuis maakte. Aan strafbare feiten wilde hij niet meewerken; hij geloofde in democratie, maar niet in gedoogbeleid. In 1974 zegde hij - evenwel eerst nadat hij tot driemaal toe getracht had daarover met het bestuur der K.V.P in discussie te gaan - zijn partijlidmaatschap op wegens de steun van de fractie aan de Machtigingswet van het kabinet-Den Uyl, In 1976 was hij om gezondheidsredenen genoodzaakt af te treden als burgemeester van Haarlem; het jaar daarop nam hij afscheid. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte[1]. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken.
Ambtelijke loopbaan van E.N. van Kleffens 1. Jeugd en studietijd (1894-1917) Eelco Nicolaas van Kleffens (De schets over Van Kleffens is voornamelijk gebaseerd op: Bert Zeeman, 'Jurist of diplomaat? Eelco Nicolaas van Kleffens', in: Duco Hellema, Bert Zeeman en Bert van der Zwan (red.), De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de twintigste eeuw, Den Haag 1999. Zie verder: H.N. Boon, 'Herdenking van Eelco Nicolaas van Kleffens (17 november 1894-17 juni 1983)', in: Jaarboek Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1984, 210-215. Albert Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945, Alphen aan den Rijn 1981. A.E. Kersten, 'Eelco Nicolaas van Kleffens', in J. Charité (red.), Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 3, 's-Gravenhage 1989, 330-333. Albert E. Kersten, 'Mr. E.N. van Kleffens, minister van Buitenlandse Zaken 1939-1946', in: Bert van der Zwan, Albert Kersten, Ton van Zeeland (red.), Het Londens archief. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam 2003, 29-36.) werd op 17 november 1894 geboren in Heerenveen als zoon van de substituut-officier binnen het Openbaar Ministerie Henricus Cato van Kleffens en Jeannette Frésine Veenhoven. Na zijn middelbare schooltijd in 1913 aan het Gymnasium Haganum in Den Haag te hebben voltooid, ging hij rechten studeren in Leiden. In 1919 promoveerde hij na het behalen van zijn doctoraalexamen in 1917 bij prof. jhr. M.J.M. van Eysinga op het proefschrift De internationaal-rechtelijke betrekkingen tussen Nederland en Japan; 1605-heden. 2. Het begin van zijn loopbaan (1918-1935) Vervolgens liep hij van 1918-1919 als voorbereiding op een loopbaan bij de consulaire dienst stage bij het consulaat-generaal te Londen. Desalniettemin ging hij door bemiddeling van zijn promotor in 1919 werken bij de juridische afdeling van de zo juist opgerichte Volkenbond om vervolgens vanaf eind 1920 bij het directie-secretariaat van de Shell-groep in Londen een werkkring te hebben. Het was opnieuw Van Eysinga, die hem in 1922 voor een functie benaderde, dit maal om sous-chef van de afdeling Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te worden. In 1927 veranderde hij van afdeling toen hij sous-chef van de afdeling Diplomatieke Zaken werd om vervolgens nog aan het eind van dat jaar chef te worden. Deze departementale functie combineerde hij jarenlang met het secretariaat van de in 1923 opgerichte Haagse Academie voor Internationaal Recht, waardoor hij bekende juristen leerde kennen. Een poging om voor de oorlog griffier van het Internationale Gerechtshof te worden werd niet gehonoreerd, evenmin als na de oorlog een sollicitatie naar het ambt van rechter van voornoemd Hof. 3. Huwelijk (1935) Naar het schijnt maakte hij uit ongenoegen over het functioneren van zijn superieur, minister J.A.N. Patijn, een overstap naar de diplomatieke dienst toen hij in 1939 tot gezant in Bern werd benoemd. Dit was vermoedelijk mede mogelijk doordat hij op 4 april 1935 was getrouwd met Margaret Helen Horstmann, dochter van een directeur van Standard Oil. Het was mede door haar vermogen dat Van Kleffens over ambities naar een internationale werkkring kon gaan denken. 4. Ministerschap (1939-1947) 4.1 Vooroorlogse periode De realisering van de benoeming als gezant ging echter niet door omdat Van Kleffens inging op het verzoek van kabinetsformateur jhr. D.J. de Geer om als partijloos minister leiding te geven aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij deed dit met de nodige reserves vanwege de afstand, die hij tot dan toe jegens de politiek had. Vanaf zijn benoeming op 10 augustus 1939 was hij tot 1 juli 1947 ook ondervoorzitter van de ministerraad. Hij zou de enige minister worden, die van alle oorlogskabinetten deel zou uit gaan maken. Dientengevolge werd zijn commentaar op historische werken over deze tijd zeer op prijs gesteld. Terwijl zijn belang reeds meteen werd erkend door de verlening van vier buitenlandse eredoctoraten, werd dit later nog eens benadrukt door het besluit de grote vergaderzaal van het nieuwe departement naar hem te vernoemen. De eerste acht maanden van zijn ambtsperiode verdedigde hij de neutraliteitspolitiek. Een visie, die hij zelfs niet meteen na de inval van Duitsland op 10 mei 1940 opgaf. In de zomer van 1940 verdedigde hij het Nederlandse beleid van vóór en tijdens de meidagen in The Daily Telegraph, welke artikelen kort daarna in boekvorm als The Rape of the Netherlands verschenen. Nog voordat koningin Wilhelmina en het kabinet-De Geer naar Engeland uitweken, was Van Kleffens met de minister van Koloniën, Ch.J.I.M. Welter, per watervliegtuig naar Londen vertokken om bij de Britse regering om militaire hulp te vragen. 4.2 Minister in het Oorlogskabinet Toen duidelijk was dat de oorlog langer zou gaan duren regelde hij dat de Nederlandse regering zich in Londen kon vestigen. Nadat de koningin en het kabinet op 13 mei 1940 naar Londen waren uitgeweken, nam jhr. mr. A.M. Snouck Hurgronje de leiding van het departement in Nederland over. Dit zou tot de opheffing op 11 juni 1942 blijven bestaan. In Londen richtte Van Kleffens een departement in ballingschap op, waarvoor hij uitging van de oude departementale organisatiestructuur met dien verstande dat de buitenlandse dienst werd gereorganiseerd door de afdelingen Diplomatieke en Consulaire Zaken tot één afdeling Buitenlandse Dienst samen te voegen. Beleidsmatig onderging het departement daarentegen wel degelijk een verandering doordat het na een eeuw afzijdigheidspolitiek vanaf die tijd direct bij internationaal overleg betrokken was. Het lukte Van Kleffens echter niet als voorstander van het principe van gelijkwaardigheid der staten te bereiken, dat Nederland in de samenwerking met de grote mogendheden bij het streven naar wereldvrede als gelijkwaardige gesprekspartner werd behandeld. In 1943 stelde hij reeds de oprichting van een Atlantisch pact voor en ondertekende hij op 26 juni 1945 in San Francisco het Verdrag tot oprichting van de Verenigde Naties. Verder werden op zijn initiatief in verband met de oorlog de diplomatieke betrekkingen met de Sovjet-Unie en de diplomatieke band met het Vaticaan in 1942 en 1943 aangegaan respectievelijk hervat. Hij ging daarbij een confrontatie met koningin Wilhelmina niet uit de weg. Verder schreef Van Kleffens in juli 1944 een opzienbarend artikel in het Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs, waarin hij de mogelijkheid van schadevergoeding van Duitsland aan Nederland opperde door de annexatie van Duits grondgebied met uitwijzing van de bewoners. (Uit dien hoofde correspondeerde hij nog in 1948 en 1949 met voorstanders hiervan.) 4.3 Minister na de oorlog Na de terugkeer in Nederland in de zomer van 1945 werd Van Kleffens opnieuw als minister benoemd met de diplomaat J.H. van Roijen als minister zonder portefeuille naast zich. Op 1 maart 1946 verwisselden zij van functie omdat eerstgenoemde als gevolg van de zware oorlogsjaren overspannen dreigde te raken. In deze hoedanigheid vertegenwoordigde hij tot 1 juli 1947 Nederland in de Veiligheidsraad en daarna in de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties. 5. Verdere diplomatieke loopbaan (1947-1967) 5.1 Ambassadeur te Washington Nadat hij op eigen verzoek als minister zonder portefeuille was ontslagen was hij van 23 juli 1947 tot mei 1949 buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Washington. Het eerste jaar van deze periode was hij daarnaast opnieuw Nederlands vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad, waardoor hij de eerste politionele actie moest verdedigen. Aan deze ongewenste combinatie van functies kwam op zijn eigen verzoek toen een einde. Dit gaf hem de ruimte om vervolgens nauw bij de voorbereidingen van het opstellen van het toekomstige Noord-Atlantische verdrag van 4 april 1949 betrokken te zijn. In het verlengde daarvan overtuigde hij minister mr. D.U. Stikker van de noodzaak in te stemmen met de onafhankelijkheid van Indonesië. 5.2 Ambtsperiode te Lissabon en Parijs Begin 1950 vroeg Van Kleffens vanwege de verslechterde gezondheidstoestand van zijn vrouw overplaatsing aan naar een kalmere post. Zodoende werd hij buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Lissabon, waar hij tot 7 oktober tot 1956 was gestationeerd. Het werk daar liet het toe dat hij in 1954 voorzitter van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd. Na zijn ambtsperiode te Lissabon was hij van 1956 tot 1 mei 1958 permanent vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking te Parijs. Een jaar voor zijn pensioen werd hij in 1958 na het verlenen van eervol ontslag voor negen jaar benoemd als vertegenwoordiger van de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal te Londen. 6. Pensioen (1967-1983) Nadat hieraan op 1 oktober 1967 een einde was gekomen, ging de inmiddels 72 jarige Van Kleffens met zijn vrouw in Portugal wonen, waar hij ook op 17 juni 1983 overleed. Enkele dagen daarna werd hij begraven in Roord onder Dokkum: een plaats, waarvoor hij als geboren Fries, zoals uit een voorgenomen studie over Sint Bonifacius blijkt, ook historische belangstelling had.
Na de revolutie van 1917 bleef de waarnemend gezant Willem Jacob Oudendijk nog enige maanden in Petrograd, de voormalige Russische hoofdstad. Op 9 november 1918 verliet Oudendijk zijn post en keerde, op instructie van de regering naar het vaderland teug. Vanaf die datum had Nederland géén diplomatieke betrekkingen met Rusland meer. In de periode tot 1942, het herstel van de officiële betrekkingen met de Sovjetunie, is het opnieuw aanknopen van diplomatieke betrekkingen met het nu communistische Rusland verschillende malen voorwerp van bespreking geweest. Het Nederlandse bedrijfsleven probeerde de bestendige handelsrelaties enigermate te formaliseren door samenwerking met andere landen voor te stellen. Dit leverde geen resultaten op. Na 1922 oefenden Nederlandse bedrijven andermaal druk uit op de regering om dan in ieder geval tot een bilateraal handelsakkoord te komen. Feit was het in ieder geval dat de handel tussen Nederland en de Sovjetunie na 1917 weer op gang kwam. Een de jure erkenning van de Sovjetunie kwam voor de Nederlandse regering pas ter sprake als de Sovjetunie oude vorderingen erkend zou hebben en als daar een regeling voor getroffen zou zijn.. Er waren in deze tijd wel handelsmissies van Rusland in Rotterdam en Amsterdam terwijl het ministerie van Economische Zaken in de Sovjetunie "vertegenwoordigd" was voor handelszaken. In de periode 1925-1940 werden er wel vragen door het parlement gesteld, maar de regering wijzigde haar standpunt (dat er geen termen voor een de jure erkenning van de Sovjetunie aanwezig waren) niet. Koningin Wilhelmina was geen voorstandster van het weer aanknopen van betrekkingen met de Sovjetunie. Uiteindelijk, toen Rusland met de Duitse inval op 22 juni 1941, een geallieerd bondgenoot werd, kwam het al dan niet aangaan van diplomatieke relaties weer in de actualiteit. C. baron van Breugel Douglas werd de eerste vertegenwoordiger van Nederland bij het Russische staatshoofd. Hij arriveerde op 11 september 1943 te Moskou. Op 18 september 1943 bood Van Breugel Douglas zijn geloofsbrieven aan aan Kalinin, president van het presidium van de opperste raad van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken. Na de oorlog werd Van Breugel Douglas teruggeroepen. In de periode tot 1955 bekleedden achtereenvolgens de heren A.H.J. Lovink, dr. P.H. Visser, mr. R.C.A. baron van Pallandt en jhr. mr. P.D.E. Teixeira de Mattos het ambt van ambassadeur van Nederland. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog waren de belangen van zowel de Sovjetunie als die van Nederland gericht op de wederopbouw van het land. Er was veel aandacht voor de slachtoffers die door de gewelddadigheden en vervolging gevallen waren. In het verlengde hiervan richtte de overheden en publieke opinie zich op de repatriëring van landgenoten. Vele Nederlanders waren, al dan niet als werkkracht voor de Duitsers, in Rusland verzeild geraakt, terwijl Russen door de oorlogsomstandigheden in ons land terecht waren gekomen. De schriftelijke neerslag van deze activiteiten worden in het archief Moskou, 1943-1955 aangetroffen.
Jeugd en studie Op 14 november 1899 werd Augustus Johannes Veenendaal als derde kind uit het huwelijk van behanger en stoffeerder Cornelis Willem Veenendaal en Petronella Cornelia Sloot te Soest geboren. Hij groeide op in het huis "Zomerzorg", een ouderwets sfeervol dubbel-huis aan de Van Weedestraat. Het was aan aanmoedigingen van de publicist D. Wouters, hoofd van de normaalschool te Baarn, te danken, dat Veenendaals ouders er in toestemden, dat hij verder mocht leren. Als voorbereiding daarop gaf Wouters, die zich als zijn mentor opwierp, hem zelf privé-lessen. In 1918 respectievelijk 1921 behaalde hij de akten voor onderwijzer en hoofdonderwijzer bij het lager onderwijs. Na eerst in verschillende plaatsen een tijdelijke betrekking te hebben gehad, kreeg hij in 1922 een vaste aanstelling aan de Prins Willemschool te Scheveningen ( Hij was achtereenvolgens onderwijzer te Hees (10 juni - 31 juli 1918); Vianen (1-13 oktober 1918), Soest (1 november - 7 december 1918), Hees (1 maart - 9 juni 1919), Treebeek (10 juni 1919 - 31 augustus 1922), 's-Gravenhage (1 september 1922 - 31 augustus 1925).). Hier leerde hij als collega zijn latere vrouw Maria Petronella Slagter kennen met wie hij na een lange verloving op 26 augustus 1931 te 's-Gravenhage trouwde. Aangezien hij verder wilde studeren, behaalde Veenendaal in 1924 het benodigde staatsexamen gymnasium om in 1925 in Utrecht een studie Nederlands en Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te beginnen. Als belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk werd hij lid van de Nederlandsche Christelijke Studenten Vereniging. Hij genoot tijdens zijn studie het voorrecht om college te mogen lopen bij de bekende historici G.W. Kernkamp, O.A. Oppermann en H. Bolkestein en de neerlandicus prof. G.C.N. de Vooys. Hoewel Veenendaal nog maar nauwelijks met deze studie was begonnen leverde hij al zijn eerste historische bijdrage. Aangezien Wouters namelijk niet binnen de overeengekomen tijd kans zag om met zijn aandeel in het schrijven van het "Groot Vertelboek van de Geschiedenis des Vaderlands" klaar te komen, liet hij Veenendaal hiervan op basis van zijn onderzoeksresultaten enkele tijdvakken schrijven. Naarmate hij vorderde met zijn studie, raakte hij geboeid door de artikelen van prof. dr. P.C.A. Geyl over de Groot Nederlandse Gedachte. Hoewel hem bekend was, dat zijn leermeester Kernkamp niets van de Vlaams-nationalistische opvattingen van deze wilde weten, koos hij toch voor zijn doctoraalscriptie een onderwerp, dat hier direct mee te maken had. Hij studeerde hierop op 7 februari 1931 cum laude af. Kort voordien waren P.J. Meertens en Veenendaal door Wouters bij de verzorging van de herdruk van een door hem verzorgde platenatlas betrokken. Mede door de bezwaren van Veenendaal jegens de gebrekkige bijschriften en de onbetrouwbaarheid van afgedrukte teksten ondervonden de werkzaamheden de nodige vertraging. Uiteindelijk zou het werk door de economische crisis en het verschijnen van twee gelijksoortige werken bij dezelfde uitgeverij, waarvan Veenendaal er zelf een recenseerde, in die tijd niet doorgaan. Dit zelfde lot trof een herdruk van Wouter's "Historieën onzer lage landen bij de zee". Aan deze bijzondere vriendschap kwam bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog een definitief einde, omdat Wouters met de Duitsers sympathiseerde. Promotie Veenendaal had nog tijdens zijn studie in het cursusjaar 1928-1929 les gegeven aan het Christelijk Lyceum te Zeist. Nadat hij was afgestudeerd kreeg hij ondanks de verzadigde arbeidsmarkt binnen een half jaar een tijdelijke aanstelling aan het Christelijk Lyceum te Haarlem, welke aanstelling met ingang van 1 februari 1934 in een vaste werd omgezet. Tot de vele leerlingen, die hij daar in de loop der jaren Nederlands en Geschiedenis gaf, behoorden onder andere Harry Mulisch en Barend Biesheuvel. De eerste plannen voor het schrijven van een dissertatie dateerden uit 1933. Aanvankelijk overwoog hij een studie te wijden aan "Utrecht tijdens Leicester" of aan "De verhouding van de Noordelijke- en Zuidelijke-Nederlanden in de periode van 1632-1635". Drie jaar later blijkt hij inmiddels gekozen te hebben voor "Het Engels-Nederlands condominium in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Spaanse Successieoorlog". Hieraan was uiteraard niet vreemd, dat prof. Geyl inmiddels prof. Kernkamp in 1935 was opgevolgd en nu als promotor van één van Kernkamps "beste studenten" optrad. In 1940 was hij hier zover mee gevorderd, dat prof. Geyl op grond van het manuscript oordeelde, dat het "een belangrijke bijdrage beloofde te worden". Zelfs vanuit het kamp te Buchenwald en St. Michielsgestel bleef hij hierover met Veenendaal corresponderen. In de loop van de Tweede Wereldoorlog voltooide Veenendaal zijn dissertatie, waarop hij als eerste naoorlogse promovendus te Utrecht op 3 augustus 1945 cum laude promoveerde. Een kwalificatie, die prof. dr. F.C. Gerretson dit werk al eerder toekende. Veenendaals dissertatie, die over een ook voor de Engelse geschiedschrijving belangrijk tijdvak handelde, was des te opmerkelijker, omdat hij als Nederlander op verschillende essentiële punten in zijn opvattingen met Sir W.S. Churchill's werk "Marlborough, his life and times" verschilde. Aanvankelijk lag het in de bedoeling, dat er een vervolg op deze dissertatie zou verschijnen. Toen dit door allerlei omstandigheden niet mogelijk was, bewerkte Veenendaal in plaats daarvan in de loop der tijd onderdelen tot afzonderlijke artikelen. Bezettingstijd In de bezettingstijd was Veenendaal als lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers actief in het ongewapend verzet. Hij verleende daadwerkelijk hulp door gedurende vrijwel de gehele oorlog aan een Joods meisje onderdak te verschaffen, terwijl hij ook vele anderen voor kortere of langere duur bij zich liet onderduiken, zoals zijn vriend dr. L.M. van Dis. Zodoende weigerde hij dan ook in 1943 om principiële redenen vanwege het tijdelijke lidmaatschap van het Nationaal Front van prof. dr. A.A. van Schelven en diens blijvende sympathie voor Arnold Meijer om deel te nemen aan een door deze op te richten historische kring. Aan het eind van de oorlog ontstond er een hooglopend conflict tussen dr. J. van der Elst, de rector, en het personeel van het Christelijk Lyceum te Haarlem enerzijds en het bestuur anderzijds. Aanleiding hiertoe was het feit, dat een van de bestuursleden onder druk van de Duitsers een lijst had afgegeven van de jongens in de leeftijdsgroep, die voor de arbeidsinzet in aanmerking kwam. Veenendaal speelde een bemiddelende rol bij de oplossing van dit conflict. De neerslag van de bezetting vindt men zelfs nog terug in enkele van Veenendaals stellingen (De stellingen 14 en 18-20. Tijdens het opstellen hiervan adviseerde prof. dr. P.C.A. Geyl d.d. 21 juni 1945 hem aan om sommige af te zwakken en het woord "Mof" door "Duitser" te vervangen.). Na de oorlog Vanwege zijn bekendheid bij de illegaliteit werd hij in augustus 1945 door het Militair Gezag aangezocht als secretaris van de Commissie voor zuivering van architecten. Een taak, die hem niet trok, maar waarvan hij zich met grote accuratesse kweet. Dr. L. de Jong verzocht hem in 1946 tevergeefs om een geschiedenis van het medisch verzet te schrijven. Wel schreef hij voor de redactie van de Winkler Prins Encyclopaedie op grond van zijn dissertarie artikelen op een aantal door deze voorgestelde trefwoorden. Toen de redactie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (AGN) Veenendaal in 1950 voor het schrijven van twee hoofdstukken over de Europese grote mogendheden in de periode 1648-1748 hem onvoldoende tijd gunde, zag hij hiervan af. In plaats daarvan recenseerde hij het bewuste deel voor de AGN. Dit probleem deed zich gelukkig niet voor bij de bijdrage, die hij op verzoek van prof. dr. J.S. Bromley voor het beroemde standaardwerk "The new Cambridge Modern History" over de Spaanse Successieoorlog leverde. Naast zijn historische belangstelling gaf Veenendaal geregeld blijk van een grote belangstelling voor literaire onderwerpen, zoals uit zijn artikelen en lezingen valt op te merken. Dientengevolge nam hij in oktober 1948 samen met dr. J. van der Elst, rector van het (Eerste) Christelijk Lyceum te Haarlem, het initiatief tot het oprichten van het "Comité tot behoud van het huis van Looy". Door een geldinzameling en gesprekken met de erven Van Looy kon een groot deel van Van Looys literaire oeuvre en schilderwerk op de veiling worden aangekocht, waarna het in diens woonhuis werd ondergebracht. Later is het vandaar naar het Frans Halsmuseum overgebracht. Omstreeks 1949 volgde nog een eervolle benoeming tot lid van het Bilderdijk Museum, waarvan de collectie momenteel in de Vrije Universiteit te Amsterdam berust. Directiefunctie Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën Kort voordien was Veenendaal van werkkring veranderd, toen hij met ingang van 1 mei 1949 tot onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën werd benoemd. Ondanks de drukte, die deze baan met zich meebracht, hervatte hij in 1952 daarnaast het contact met het onderwijs. Ditmaal door gedurende achttien jaar als gecommitteerde bij de eindexamens gymnasium op te treden en op het allerlaatst ook nog bij die der kweekscholen. Het stemde prof. Geyl, lid van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, tot voldoening dat dit college Veenendaal, die weliswaar geen ervaringen had met het uitgeven van bronnen, zoals één van de beide andere kandidaten voor de functie van onderdirecteur dit wel had, hem desondanks vanwege andere gebleken capaciteiten toch had uitgekozen. Naast zijn bestuurlijke activiteiten verzorgde hij met prof. Geyl als toezichthouder in bijzondere korte tijd een bronnenuitgave van het Dagboek van Gisbert Cuper, dat over hetzelfde tijdvak handelde als zijn dissertatie. Vervolgens hervatte hij onder dezelfde toezichthouder het werk van wijlen S.P. Haak, namelijk het uitgeven van de bescheiden van Johan van Oldenbarnevelt en zijn familie. Mede "vanwege zijn rustige en beheerste persoonlijkheid, kalme voortvarendheid en toewijding aan de Oldenbarnevelt-uitgave" werd Veenendaal met ingang van 1 augustus 1951 als opvolger van dr. H.J. Smit als directeur van het Bureau benoemd. In deze functie wist hij in samenwerking met de voorzitter, prof. dr. P.J. van Winter, het reeds jaren slepende geschil tussen het Bureau en prof. dr. F.C. Gerretson over de door hem samen met prof. dr. A. Goslinga uit te geven briefwisseling van G. Groen van Prinsterer tot een oplossing te brengen. De relatie tussen Veenendaal en Gerretson leed hier niet wezenlijk onder, zoals blijkt uit het feit, dat laatstgenoemde Veenendaal in 1958 bij het Departement van O. K. en W. voor de vacature van Geyl aanbeval. Des te opmerkelijker als men bedenkt, dat Veenendaal vanwege zijn kennis van Oldenbarnevelt ongewild in een wetenschappelijke discussie tussen de hoogleraren Geyl en Gerretson betrokken raakte, waarbij hij onmogelijk begrip kon opbrengen voor Gerretsons visie. Tussen voornoemde personen was namelijk een pennestrijd uitgebroken over de klassieke vraag of de terechtstelling van Oldenbarnevelt al of niet rechtmatig was. Gerretson was daarbij de mening toegedaan van de Oranjegezinden van weleer, terwijl Geyl daarentegen het Staatsgezinde standpunt verdedigde. Toen Veenendaal naar aanleiding hiervan door beide om zijn oordeel werd gevraagd, verontschuldigde hij zich ervoor "dat een korporaal zich gemengd heeft in een strijd tussen twee generaals"64. Deze discussie bracht al evenmin als bij andere historici bij voorgaande gelegenheden een oplossing. Nadat de strijd was geluwd als gevolg van een door mr. J. den Tex te publiceren artikel hierover, verscheen over deze materie posthuum nog een boek van Gerretson. Veenendaal kon al evenmin het oordeel van Den Tex, zoals dit door hem in de biografie over Oldenbarnevelt was beschreven, onderschrijven. Tijdgebrek verhinderde hem om op diens verzoek in te gaan om hierover voor het genootschap "Delvia Batavorum" in het openbaar te discussiëren. Prinses Wilhelmina In de jaren 1956-1957 deed Veenendaal als directeur een bijzondere onprettige ervaring op met Prinses Wilhelmina, die weigerde om toestemming te verlenen voor het uitgeven van een der bronnenuitgaven. Het betrof hier de door mr. dr. C. Smit verzorgde uitgave van het Eerste deel van de Derde periode van de "Bescheiden betreffende buitenlandse politiek van Nederland, 1849-1919", betreffende de periode 1893-1903. Hierin bevonden zich elf staatsstukken, waarvan de strekking door de behandeling in de Staten-Generaal reeds bekend was, inzake de tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken van Nederland en Mecklenburg gevoerde correspondentie over de vraag of hertog Hendrik van Mecklenburg na zijn huwelijk naast de verkregen Nederlandse nationaliteit tevens de Duitse zou mogen behouden. De Rijkscommissie verzocht voor de publicatie van deze stukken formeel toestemming aan het Kabinet der Koningin. Na overleg met het Koninklijk Huisarchief, de Ministerraad en de Ministeries van O. K. en W. en Buitenlandse Zaken, die hiertegen geen van alle bezwaar hadden, en een gunstig advies van jkhr. ir. P.F.O.R. Sickinge, directeur van het Koninklijk Huisarchief, aan Prinses Wilhelmina, liet zij desondanks veten, dat dit deel niet tijdens haar leven zou mogen verschijnen. Doordat de bewerker mr. dr. C. Smit in 1959 evenwel in zijn boek "Hoogtij der neutraliteitspolitiek: de buitenlandse politiek van Nederland, 1899-1919", een geheel hoofdstuk aan het huwelijk van Koningin Wilhelmina wijdde, waarbij hij verwees naar de desbetreffende staatsstukken in het nog niet verschenen Eerste deel, werd deze zaak zonder voorkennis van de Rijkscommissie overigens in feite toch eerder openbaar. Toen het Eerste deel in 1963 eindelijk verscheen, sprak de recensent E. van Raalte, na reeds eerder aandacht te hebben besteed aan het uitstel van het verschijnen van dit deel bij de verschijning ervan zijn verbazing erover uit, dat de Rijkscommissie geen verantwoording aflegde van de vertraging van de publikatie van dit deel, dat immers het jaartal 1957 droeg. In het verslag van dat jaar reageerde Veenendaal hierop uitgebreid. Aan het eind van datzelfde jaar verscheen een belangrijke studie van de hand van Veenendaal over het essayistische werk van Geyl, waarin hij veel aandacht aan diens historische beschouwingswijze besteedde. Als oudpromovendus had hij ook een groot aandeel in de huldiging van zijn promotor, die op 31 mei 1958 met emeritaat ging. Lidmaatschap Nederlands Hervormde Kerk en politiek Onder de positief christelijke collega's bleef Veenendaals "discipelschap" van Geyl voortdurend bevreemding wekken. Geyl adviseerde Veenendaal om hen in verband daarmee te attenderen op een recensie van zijn "Debates with Historians" in: The Christian Century. Veenendaal was tot aan zijn dood een meelevend gemeentelid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als lid van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging kon hij moeilijk begrip opbrengen voor het besluit van de Generale Synode om op advies van de Wereldraad van Kerken tot het steunen van verzetsbewegingen in Zuid-Afrika over te gaan. Al of niet met anderen diende hij hiertegen enkele bezwaarschriften bij de Synode en zijn wijkkerkeraad in. In één daarvan gaf hij een historische uiteenzetting over de houding van Jezus van Nazareth tegenover de Joodse verzetsbewegingen van zijn tijd. Hiervoor ontleende hij rechtstreeks argumenten aan de tekst van de door hem in 1962 voor het Haags Historisch Gezelschap over Pieter van Guethem gehouden lezing. Zijn lidmaatschap van deze kerk impliceerde overigens niet, dat hij zijn leven lang, zoals dit vroeger vrijwel een ongeschreven wet was, op de Christelijk-Historische Unie stemde. Uit enthousiasme voor het ideaal van één grote volkspartij werd hij na de Tweede Wereldoorlog lid van de Partij van de Arbeid. Toen de socialistische idealen daar echter de overhand kregen, keerde hij korte tijd naar de Christelijk-Historische Unie terug om zich vervolgens bij de Democratische Socialisten '70 aan te sluiten. Toen deze partij vanwege zijn geringe omvang niet langer meer een wezenlijke invloed op de politiek kon uitoefenen, verliet hij die omstreeks 1900. Uitgave historische bescheiden Ondanks dat Veenendaal veel tijd aan bestuurlijke activiteiten moest besteden, werkte hij gestaag door aan de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren. Deel II in de reeks verscheen in 1962, terwijl het laatste deel pas enkele jaren na het ingaan van Veenendaals pensioen op 27 november 1964 uitkwam. Het jaar daarvoor was hij reeds voor het verschijnen van deel II en zijn verdiensten als directeur gehonoreerd door de benoeming tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op grond van de bij het editeren van de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren opgedane ervaringen legde Veenendaal, al of niet in samenwerking met prof. dr. P.J. van Winter, de grondslagen voor een verdere professionalisering van uitgeven van bronnen. Hierbij ging hij er vanuit, dat het leveren van een tekst voorop diende te staan en dat de toelichtende annotatie op de laatste plaats diende te komen en bij voorkeur zelfs zoveel mogelijk moest worden vermeden. Vanwege zijn verdiensten op dit gebied benoemde de Vereniging Nederlandsch Economisch-Historisch Archief hem in 1959 tot lid van de Raad van Advies. Hij werd tevens door het bestuur van het Historisch Genootschap aangezocht om zitting te nemen in de Commissie, die belast was met het opstellen van nieuwe regels voor het uitgeven van historische bescheiden. Vrijwel tegelijk met het gereedkomen van deze opdracht ontving Veenendaal het unieke verzoek van de Rijkscommissie om ondanks zijn pensioen lid van de Commissie voor Vaderlandse Geschiedenis te willen worden. Nadat Van Winter de hiertegen door Veenendaal aangevoerde principiële bezwaren voldoende had weerlegd, ging laatstgenoemde er op in. Publicaties en lezingen Hoewel bij de besprekingen van de hierboven genoemde activiteiten reeds op verschillende van Veenendaal publikaties werd gewezen, is een aparte bespreking van dit onderdeel van zijn werk gewenst. Kort na zijn promotie verschenen twee artikelen te weten over het landgoed Oosterhout bij Haarlem, en het Wilhelmus, als uitwerking van enkele van zijn stellingen. Als gevolg van zijn promotie en benoeming tot (onder)directeur kreeg hij nog meer kennissen onder de historici. Met name moet zijn latere huisvriend J.W. Wijn worden genoemd. Deze vriendschap ontstond uit hun gemeenschappelijke interesse voor de Spaanse Successieoorlog. Wijn beschreef de militaire geschiedenis uit die tijd in deel VIII van "Het Staatsche Leger". Zij hielden ook gezamenlijk lezingen. Voor het schrijven van Wijns levensbericht putte Veenendaal rijkelijk uit diens particuliere papieren. Hij kon hier vrij over beschikken omdat hij samen met mr. B. van 't Hoff als Wijns executeur-testamentair optrad. Dit verklaart de aanwezigheid van zo veel papieren van Wijn in Veenendaals archief. Onder de bescheiden betreffende Wijns militaire loopbaan nemen de brieven van hem, als commandant van het vliegpark Soesterberg in mei '40 en vanuit het krijgsgevangenkamp te Stanislaw een unieke plaats in. Omstreeks 1950 werd Veenendaal ook voor verschillende historische kringen gevraagd. Bij sommige, zoals bijvoorbeeld het Haags Historisch Gezelschap en het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, waren de leden verplicht om geregeld lezingen te houden. Bovendien bereikten Veenendaal ook regelmatig verzoeken om vanwege zijn dissertatieonderwerp en de door hem uit te geven bronnen lezingen te houden. De tekst hiervan werd deels naderhand tot artikelen omgewerkt. Een belangrijk deel hiervan handelde over de geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Helaas werd een door Veenendaal in 1977 opgevat plan om tien eerder verschenen studies in een bundel onder de titel "Noord en Zuid" te laten herdrukken, niet gerealiseerd. Uit artikelen zoals over de Fossa Eugeniana en over Samuel Lipman blijkt, dat hij een veelzijdig man was en dat hij zich niet enkel tot zijn specialismen, de Spaanse Successieoorlog en het Oldenbarnevelt-tijdvak, beperkte. Na zijn pensioen schreef hij zelfs nog een boek over de achttiende eeuwse zeeman Matthijs Sloot, een familielid van moederszijde. Naast zijn eigen werk recenseerde hij ook veel publicaties waaruit eveneens zijn eruditie bleek. Om dezelfde reden won de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderwijs ook herhaaldelijk zijn advies in. Met name zijn recensie over de eerste drie delen van de biografie van Den Tex over Oldenbarnevelt dient te worden genoemd. Bij een eerdere gelegenheid had hij aan de AVRO geweigerd om het tweede deel van dit werk voor de microfoon te bespreken, omdat hij zelf "vrij wat contact had gehad bij het ontstaan van zijn boek" waarom hij zich tot dan toe ook van recensie s had onthouden. Aan dit arbeidzaam leven, waarin hij tot 1981 publiceerde, kwam op 23 januari 1985 een einde, toen Veenendaal op 85-jarige leeftijd te 's-Gravenhage overleed.
META KEHRER Geboren 1890 Oct. 28 als dochter van Hermann Wilhelm Kehrer en Anna Elisabeth Jacoba Nachenius te Amsterdam. Na het doorlopen van het Gymnasium gaat zij in 1912 werken als leerling-verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis. In 1915 behaald zij het diploma verpleegsterkraamverpleegster. Van maart 1918 ’ maart 1919 werkzaam in het Burgerziekenhuis. Vandaar naar de Vereniging voor Maatschappelijk Werk in de ziekenhuizen, welke vereniging in 1921 overging naar de G.G.D. 1919-1923. Hierna volgden de eerste stappen in politie-omgeving. In 1923 ging Meta als surnumerair bij de Politie (kinderpolitie) waar zij vervolgens in 1924 als inspectrice 2e klasse werd benoemd, in 1937 tot inspectrice 1e klasse, vervolgens hoofd-inspectrice (1943 Staatsrecherche en 1946 Gemeente Politie). In 1951 gaat zij de dienst met eervol ontslag verlaten wegens de pensioengerechtigde leeftijd. Hierbij zij aangetekend dat zij vanaf de oprichting in 1926 van de Zedenpolitie daarbij is aangesteld. In hetzelfde jaar deed zij het examen voor adspirant-inspecteur van Politie met goed gevolg, hetwelk was ingesteld door de Bond van Hoogere Politie-Ambtenaren. Ook in het Bodswerk was Meta zeer actief. Naast vele bestuursfuncties en redactie-lid van de zelfstandige vereniging voor verplegenden NOSOKOMOS bekleedde zij van 1925 - 1932 de Presidents-functie, als laatste presidente der Vereniging. Bij de latere Nationale Bond van Verplegenden bekleedde zij wederom een hoofdbestuursfunctie. Als afgevaardigde bezocht zij vele congressen der International Council of Nurses o.a. in Kopenhagen, Parijs, Helsingfors, Rome enz. Vanaf de oprichting in 1937 was Meta lid van de Vereniging van Vrouwelijke Hogere Politieambtenaren en mede-oprichtster, tevens van 1946-1950 Presidente. In de Bond voor Hoogere Politie-ambtenaren was zij van 1947-1950 Hoofdbestuurslid. Het sociaal maatschappelijk werk had ook haar volle belangstelling. Zo werd zij na de bevrijding in 1945 lid van het Comit´e Zedelijk Herstel Amsterdam (Z.H.A.) waaruit ontstaan is de Stichting ’De Halte’ waarvan Meta secretaresse was. Deze Stichting had als doeleinde het opvangen van prosituees die uit het leven wilden en andere moeilijke gevallen. Ook in de Vereniging ’Hulp voor Onbehuisden’ was Meta actief n.m. lid van de afdeling Voogdij-pupillen en lid van het scheidsgerecht betreffende de rechtspositie van het personeel. Meta Kehrer was ook een groot beijveraarster voor het Soroptimisme en ook daar onttrok zij zich niet aan de verantwoordelijke functies, getuige de navolgende functies: secretaressepenningmeesteresse der Nationale Unie van Nederlandse Soroptimisten-clubs; secretaresse der Commissie Verzorging, Huisvesting voor alleenstaande Vrouwen en voorzitster van de Soroptimisten- Bouwcommissie te Amsterdam. Tussen al deze bedrijvigheid door heeft zij nog vele reizen gemaakt, o.a. naar IJsland, Rusland en Isra¨el, waarbij opgemerkt dat ook dank zij al haar bedrijvigheden zij dikwijls buiten onze grenzen vertoefde. Er zijn natuurlijk nog wel meerdere functies op te noemen, maar dit korte overzicht besluit met Meta’s werkzaamheden na de bevrijding 1945 bij het Tribunaal. Zij van lid van de Remontstrantsche Gereformeerde Gemeente. KORT GENEALOGISCH OVERZICHT Dominee D. Jansen Eyken Sluyters gaat naar de West. In Amsterdam getrouwd met Mej. Heusges. 5 kinderen in de West gekregen, weer terug, na de dood zijner vrouw, met zijn kinderen. Laat die in Holland achter, deels kostschool, deels familie Rijfsnijder. Gaat terug naar de West en hertrouwt daar met de Wed. Geijer (Geijersvlijt, Cacao-Onderneming). Na een jaar overlijdt mevrouw. De dominee keert terug naar Holland en maakt een reis met zijn 5 kinderen en zijn zwager Heusges naar Itali¨e met 2 postwagens, een kamenier en 2 zwarte knechts. Keert terug van de reis en hertrouwt met Mej. van Santen. Uit dit huwelijk een dochter, Adriane (getrouwd met Leuveling Tjeenk). Alles staat gereed om naar de West te vertrekken, dominee wordt ziek en sterft plotseling. Weduwe blijft met 6 kinderen over: Mimi, oudste dochter, getrouwd met Van der Voort, later met Willink, 2 kinderen, een uit eerste, een uit tweede huwelijk; Matthes, oudste zoon, bij de Rechtbank in de West, getrouwd met Mej. van der Hart, 4 kinderen, Alfred, Adolf, Charles en Nora; Tjark, getrouwd met Mej. Nijhoff, kinderloos; Henrietta, getrouwd met Benjamin Johan Nachenius, eerder weduwnaar van Mej. J.A. Guspin (Nettie) een kind Oom Eduard, kinderen Anna Elisabeth Jacoba (Mama), Eleonore Sophie, Dirk en Henriette Adriane; Johan, getrouwd met Mej. de Burlet, 14 kinderen, Marie Siepmanven den Berg, Hans, Tobias, Johan, (met Mej. Jarman), Cato, Betsy, Eef (kuiper van Harpen) Matthes, Adrian, Dirk, Henriette, enz. Nadat de kinderen groot waren hertrouwde mevrouw de Weduwe Eyken Sluyters-van Santen, met den Heer Heusges. dit huwelijk bleef kinderloos. Heusges gestorven te Rome in het bijzijn van zijn vrouw en zijn dochter Henriette, die voor die reis haar zuster Mimi tijdelijk verlaten had, met wie zij in Holland samenwoonde. Grootmama Heusges keerde toen met haar dochter Henriette naar Holland terug. Hierna is Henriette met Benjamin Johannes Nachenius getrouwd (grootpapa en grootmama Nachenius).
Met de dood van Othon Daniel van der Staal van Piershil in 1937 stierf een oude Hollandse regentenfamilie uit. Al in het begin van de vijftiende eeuw maakten leden van de familie Van der Staal deel uit van de magistraat van Schoonhoven. Door huwelijken in de zeventiende eeuw ontstonden banden met de regentenfamilies van Rotterdam. Dit had tot resultaat, dat de familie gedurende de achttiende eeuw onafgebroken zitting had in de vroedschap van deze stad. Na de bestuursomwenteling als gevolg van de Bataafse Revolutie keerde zij daar niet terug, vestigde zich te 's-Gravenhage maar leefde het grootste gedeelte van het jaar als landjonkers op hun buitenplaatsen. Tenslotte ontwikkelden zich nauwe relaties met hofkringen, waarin de laatste generatie Van der Staal ook is opgenomen. Het is de moeite waard om over deze familie, die meer dan 500 jaar onafgebroken deel heeft uitgemaakt van het regentenpatriciaat in Holland en daardoor mede de gang van zaken in deze provincie bepaalde, iets meer mede te delen. De oudste bekende voorvader van het uit Schoonhoven afkomstige geslacht is Klaas Egbertsz.. Hij werd in 1411 als schepen aangesteld en was bij zijn dood omstreeks 1434 burgemeester van Schoonhoven. Zijn zoon Egbert Klaasz., kleinzoon Klaas Egbertsz. en achterkleinzoon Dirk Klaas Egbertsz. zijn allen schepen en later burgemeester van Schoonhoven geweest. Nakomelingen van Dirk Klaas Egbertsz. zijn niet bekend. Het geslacht zet zich voort met de oudste zoon van Dirk Egbertsz., een broer van de in 1438 overleden Klaas Egbertsz., genaamd Egbert. Hij werd volgens de familietraditie achtereenvolgens schepen en burgemeester van Schoonhoven. Egbert Dirksz. had twee zonen, Jasper en Melchior. Beiden bekleedden vooraanstaande posities, wat onder meer tot uiting komt in de huwelijken van hun kinderen. Zoals uit het onderstaande blijkt, genoten Melchiors kinderen aanvankelijk een grotere bekendheid in de Nederlanden dan die van Jasper. Jasper Egbertsz., vermoedelijk apotheker of chirurgijn, werd evenals zijn voorouders aangesteld tot schepen, was lid van de vroedschap en later burgemeester. Zijn broer Melchior is, voor zover bekend geen schepen geweest of lid van de vroedschap, vermoedelijk omdat Jasper dit was en broers niet tegelijkertijd zitting mochten hebben in het stadsbestuur. Twee van Melchiors kinderen, Agnes en Egbert, hadden een vooraanstaande positie. Agnes Melchiorsdr. van der Staal als echtgenote van Dirk Jansz. Loncq, die niet alleen lid van de vroedschap, schepen en burgemeester van Gouda was, maar ook raadsheer van de Prins van Oranje, lid van de landraad van Delft en trezorier-generaal van Holland. Hun kleinzoon, Melchior van Beverningh, was de vader van de bekende staatsman Hieronymus van Beverningh. Egbert Melchiorsz. van der Staal was schepen, later burgemeester van Schoonhoven. In die kwaliteit werd hij met zijn zwager Van Couwenhoven afgevaardigd naar Middelburg om met de Prins van Oranje te onderhandelen. Hun drie neven waren Egbert, Bartholomeus en Cornelis Jaspersz. van der Staal. Egbert en Cornelis werden evenals hun voorouders en hun neef Egbert Melchiorsz. van der Staal schepen en lid van de vroedschap van Schoonhoven, terwijl Bartholomeus naar Amsterdam vertrok. Van Egbert Jaspersz. is tevens bekend, dat hij Heilige Geestmeester en trezorier was. Zijn broer Cornelis was olieslager te Schoonhoven. Met de vestiging van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal te Amsterdam ontstond de Amsterdamse tak van de familie. Welk beroep hij uitoefende is niet bekend. Uit akten van transport en verdelingen van nalatenschappen blijkt dat hij woonde in een huis, gelegen "in de Gansoort op de hoeck van de Halsteech daar Schoonhoven uithangt". In een transportakte van een gedeelte van een huis, tuin enz. door zijn zoon aan zijn schoonzoon heet het "eenderde deel van een houttuyn, staande ende gelegen in de Oude Syts Houttuynen, eertyts genaemt Schoonhoven". Kennelijk had hij het wapen van Schoonhoven buiten hangen en ook de houttuin naar zijn vaderstad genoemd. Van zijn vrouw is niets anders bekend dan haar patroniem, nl. Gerritsdr. Het valt op, dat de kinderen van Jasper en Melchior voor het eerst met de naam Van der Staal vermeld staan in akten, die opgemaakt zijn te Gouda, Amsterdam en Schoonhoven. Mogelijk werden zij al eerder zo genoemd maar werd het vertrek van familieleden naar andere steden, nl. Agnes Melchiorsdr. naar Gouda en Bartholomeus Jaspersz. naar Amsterdam, aanleiding om deze naam regelmatig te gaan gebruiken. Met de overgang van Schoonhoven naar Staatse zijde bleef de familie Van der Staal de Rooms-Katholieke Kerk trouw. De eerder genoemde Egbert Melchiorsz. noch zijn zoon Jan of een van diens nakomelingen keerden terug in de vroedschap van Schoonhoven. Voor het bekleden van overheidsambten werden door de Staten regels gesteld. Men moest onder andere meerdere jaren poorter zijn van een stad, daarnaast een bepaalde kennis en gegoedheid bezitten en lid zijn van de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Deze laatste eis kan van invloed zijn geweest op het vertrek van Govert Egbertsz. van der Staal naar Gouda, waar hij zich als brouwer vestigde. Zijn broer Lambert stichtte met zijn zwager Adam Jaspersz. twee studiebeurzen aan de Hoge School te Leuven. Daar deze Goudse tak van de familie niet overging naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk, bleef zij van stadsambten uitgesloten. Door het huwelijk van Cornelis Govertsz. van der Staal, die gelijk zijn vader brouwer te Gouda was, vertoont deze tak een genealogisch interessant aspect. Evenals de neef van zijn vader, Wolfert Cornelisz. van der Staal, die nog aan de orde komt, trouwde hij een dochter uit een bekende Rotterdamse regentenfamilie. In 1619 werd te Rotterdam het huwelijk gesloten tussen hem en Maria Cornelisdr. Elsewaal. Uit het huwelijk Van der Staal-Elsewaal werden twee dochters en een zoon geboren. Deze zoon had geen nakomelingen, waardoor de Goudse tak omstreeks 1658 in mannelijke lijn uitstierf. De Amsterdamse tak van de familie, die ontstond door het voornoemde vertrek van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal naar Amsterdam, trof enkele jaren later hetzelfde lot. Uit het huwelijk van Bartholomeus van der Staal en N. Gerritsdr. werden drie kinderen geboren: Gerritje, Jasper en Gerrit. Deze kinderen behoorden evenals hun vader tot de gegoede burgerij. Niet verzuimd mag worden te wijzen op de huwelijken van Gerritje en Gerrit. Gerritje was gehuwd met Frans Jansz. Sael. Hun dochter Annetje trouwde met Pieter Barentsz. Plemp, apotheker te Amsterdam, een broer van de vermaarde arts Vopiscus Fortunatus Plemp, terwijl ook hun kleinzoon arts was. Gerrit, die getrouwd was met een dochter van de secretaris van Amsterdam, was koopman en liet blijkens zijn testament kinderen na. Jasper Bartholomeusz. was tinnegieter van beroep. Hij woonde op de Nieuwezijds Voorburgwal in het huis De Akkerman, terwijl ook het huis van zijn vader op de hoek van de Halsteeg en het huis De Zon op de Kolk hem toebehoorde. Zijn nalatenschap was aanzienlijk. Daar zijn oudste zoon Bartholomeus voor hem kinderloos overleed, waren erfgenamen zijn zoon Cornelis, die als pater Felix van Amsterdam in Leuven tot de orde der Capucijnen was toegetreden, zijn zuster Gerritje en zijn broer Gerrit. Tegen het gedeelte, dat nagelaten werd aan Cornelis Jaspersz. van der Staal, alias pater Felix, is later door de familie bezwaar gemaakt. Met de dood van pater Felix in 1661 is de Amsterdamse tak in mannelijke lijn uitgestorven. De Schoonhovense tak van de familie zet zich voort met een kleinzoon van Cornelis Jaspersz. van der Staal en Aagje Wolfertsdr., Hendrik Wolfertsz. van der Staal. Zijn vader de al eerder genoemde Wolfert Cornelisz. van der Staal, was als apotheker werkzaam te Rotterdam, waar hij in 1607 trouwde met Emerentia Couwael, dochter van Hendrik Pietersz. Couwael en Anna Quirijnsdr. Verhaven. De families Couwael en Verhaven behoorden tot de regentenfamilies. Uit dit huwelijk werden twee dochters Anna en Agatha geboren en drie zoons: Cornelis, Hendrik en Pieter. Vermeldenswaard is het huwelijk van Anna. Zij trouwde met de koopman Cornelis Joppen Slingerlandt, zoon van de haringkoopman Job Cornelisz. Slingerlandt en Harmpje Quirijnsdr. Verhaven. Harmpje was een kleindochter van het vroedschapslid Quirijn Jansz. Verhaven en een nichtje van de bovengenoemde Anna Quirijnsdr. Verhaven. Agatha bleef ongehuwd. Van de drie zoons vestigde Cornelis zich in Rotterdam, Hendrik zoals vermeld in Schoonhoven terwijl Pieter naar Kaap de Goede Hoop vertrok en later naar Batavia. Evenals zijn vader was Cornelis Wolfertsz. van der Staal apotheker te Rotterdam. Door zijn huwelijk in 1647 met de Rotterdamse Sophia Gijsbrechtsdr. Elsewael, werden al bestaande banden met regentenfamilies nauwer aangehaald. Uit dit huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. De zoon, Wolfert Cornelisz. van der Staal, was koopman en trouwde in 1666 de protestantse Maria le Maire. Hun enig dochtertje overleed zeer jong voor haar vader. De jongste broer, Pieter Wolfertsz. van der Staal, was ziekenbezoeker in dienst van de V.O.C. aan Kaap de Goede Hoop en in Batavia. In 1649 trouwde hij te Schiedam met Geertruid van Riebeeck, dochter van Anthonie van Riebeeck en Elisabeth Govertsdr. Pieter overleed te Batavia tussen 1664 en 1670; Geertruid overleed in 1670 eveneens te Batavia. Voor zover bekend werden uit dit huwelijk alleen dochters geboren. Al werd de familie Van der Staal door maatregelen van de overheid inzake de godsdienst uit overheidsambten geweerd, zij heeft, zoals hierboven bleek het contact met de regentenfamilies vooral door huwelijken weten te bewaren. Lang heeft deze uitsluiting niet geduurd. De overgang naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk gaf hen weer toegang tot bestuurscolleges, zodat alleen de generatie van Wolfert Cornelisz. van der Staal, gehuwd met Emerentia Couwael, geen overheidsambten heeft bekleed. Hendrik Wolfertsz. van der Staal en zijn broer Pieter zijn de eersten geweest, die tot de nieuwe leer overgingen. Hendrik werd evenals zijn grootvader Cornelis Jaspersz. van der Staal lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven. Uit zijn huwelijk met Haasje de Graaff, dat in 1639 te Schoonhoven werd gesloten, werden een zoon en een dochter geboren. Zijn zoon Wolfert was de eerste van de familie Van der Staal, die een academische opleiding volgde. Aan de Universiteit van Leiden studeerde hij rechten, waarna hij in 1669 promoveerde. Tevens was hij de laatste Van der Staal, die lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven is geweest. In 1671 trouwde hij Elisabeth Botter. Van de zeven uit dit huwelijk geboren kinderen is alleen de oudste, Hendrik, in leven gebleven. Wolfert Hendriksz. van der Staal overleed in 1678, slechts 32 jaar oud. In de achttiende eeuw, die om verschillende redenen wel de eeuw van het verval wordt genoemd, vestigde de familie Van der Staal zich in Rotterdam. Het was een periode, die onder meer gekenmerkt werd door grote tegenstellingen tussen de regenten, soms ware geldmagnaten, en het gewone volk, waarvan het aantal, dat op de rand van de armoede leefde en door de minste verandering in de conjunctuur voor lange tijd tot pauperisme verviel, hand over hand toenam. Schuldig hieraan waren onder meer de eenzijdige ontwikkeling van de handel en de toenemende concurrentie van het buitenland. De stapelmarkt verviel, waardoor grote structurele werkloosheid ontstond, die mede door het verdwijnen van vele takken van nijverheid steeds moeilijker te bestrijden viel. Het was in deze eeuw vooral de geldhandel, die bloeide. Van grote handelsmogendheid werd de Republiek meer en meer een renteniersstaat. De familie Van der Staal was een ambtenarenfamilie, die in de eerste plaats haar inkomsten verwierf uit ambten en bezittingen. Met de geldhandel als zodanig had zij niets te maken. Door hulijken echter werd zij geparenteerd aan deze handelsfamilies en zoals hieronder blijkt verwierf zij, door het uitsterven van bepaalde staken of soms hele families, vermogens. De in 1671 te Schoonhoven geboren Hendrik Wolfertsz. van der Staal studeerde evenals zijn vader rechten aan de Universiteit van Leiden. In 1701 trouwde hij met de Rotterdamse Johanna Maria Hechtermans, dochter van de uit Dordrecht afkomstige mr. Cornelis Hechtermans en Margrieta van Yck. Door dit huwelijk werd hij opgenomen in de meest invloedrijke regentenfamilies van Rotterdam. Door zijn huwelijk en door voorspraak van zijn schoonvader Dirk Meesters werd hij in 1707 lid van de vroedschap van Rotterdam en tegelijkertijd lid van de gezaghebbendste Correspondentie in de vroedschap. De familie Van der Staal en alle aangetrouwde families maakten tot aan de Bataafse Revolutie deel uit van de Correspondentie. Genoemd kunnen worden de familie Bichon, de kunstverzamelaarsfamilie Lormier en de bekende familie Gevers met de daaraan verwante geslachten IJsbrands, Noorthey en Pelt. Voorts de familie Meerman, verwant aan de invloedrijke koopmans- en bankiersfamilie Van Schoonhoven, die via de koopmansfamilie Witheyn verwant was aan de Amsterdamse regentenfamilies Backer en De Mey van Streefkerk. Via de families Meerman en Gevers waren zij afstammelingen van Witte Cornelisz. de With, de bekende vice-admiraal van Holland en Westfriesland, die in 1658 sneuvelde tijdens de Noorse oorlog bij de slag in de Sont. Van de familie Van der Staal en aanverwante families behoorden velen tot de maecenaten van het Bataafs Genootschap, wat blijk gaf van een brede belangstelling. De zoon en kleinzoon van Hendrik van der Staal, Dirk Cornelis en Claudius, behoorden hiertoe evenals Johan Wilhem Lormier en Jean Bichon. Ook de schoonzoon van Dirk Cornelis van der Staal, Abraham Gevers en zijn kleinzoon Dirk Cornelis Gevers, heer van Endegeest gaven blijk van hun belangstelling voor dit genootschap. Vanaf het hierboven genoemde jaar 1707 tot aan de Bataafse Revolutie hebben leden van de familie Van der Staal onafgebroken zitting gehad in de vroedschap van Rotterdam. De aanstelling als lid van de vroedschap was er een voor het leven. In deze functie kwam men in aanmerking voor het vervullen van ambten, die direct te maken hadden met besturen van de stad zoals burgemeester of trezorier en ambten, waarin men de stad vertegenwoordigde in landelijke organen zoals afgevaardigde voor Rotterdam in de Staten van Holland en Westfriesland of ter Generaliteitsrekenkamer. Hendrik van der Staal, zijn zoon Dirk Cornelis en kleinzoon Claudius waren alle drie naast lid van de vroedschap gedeputeerde ter dagvaart, trezorier en burgemeester. Daarnaast vervulden zij een aantal stedelijke en provinciale ambten en hadden tevens zitting in verschillende generaliteitscolleges. Zo was Hendrik onder meer baljuw en gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer, Dirk Cornelis schepen en rekenmeester en Claudius gedeputeerde ter Admiraliteit op de Maas en lid van de Raad van State. Uit het huwelijk van Hendrik Wolfertsz. van der Staal en Johanna Maria Hechtermans werden dertien kinderen geboren, waarvan zes de volwassen leeftijd bereikten en drie zijn gehuwd, te weten Dirk Cornelis, Maria Johanna en Margaretha. In verband met de vererving van de goederen, afkomstig van de families Hechtermans en Braat, is het niet ondienstig te vermelden dat Maria Johanna trouwde met het vroedschapslid Pieter Baelde. Dankzij zijn schoonvader en evenals zijn zwager bekleedde hij in die functie diverse ambten. Na zijn dood in 1763 hertrouwde zijn weduwe in 1768 met de predikant Bartholomeus van Velzen. Margaretha van der Staal was in 1753 getrouwd met Adrianus Oudemans, predikant te Noordwijk aan Zee. Dirk Cornelis van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Utrecht. Hij trouwde in 1734 Catharina Elisabeth Lormier. Door dit huwelijk werd hij de zwager van de Haagse kunstverzamelaar Adriaan Leonard van Heteren, die getrouwd was met Wouterina Brigitta Lormier. Daar de zoons van Adriaan Leonard van Heteren al jong waren overleden en het huwelijk van zijn zwager Johan Wilhem Lormier en Sara Pelt kinderloos bleef, liet hij zijn vermogen na aan de kinderen van Dirk Cornelis van der Staal, genaamd Catharina Wilhelmina en Claudius. Catharina Wilhelmina, die in 1754 getrouwd was met Abraham Gevers, weduwnaar van Kenau Deynoot, erfde in 1788 van haar tante Sara Pelt de heerlijkheid van Kethel en Spaland. Claudius van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden. Hij trouwde in 1763 met Hillegonda Petronella Meerman. Zij was, met haar zuster Johanna Geertruida, erfgename van haar grootmoeder van vaders zijde Hillegonda Gevers en van haar vader Pieter Meerman, die in 1762 kort na elkaar waren overleden. Door het uitsterven van verschillende staken van het geslacht Gevers vererfden onder meer de ambachtsheerlijkheid van Piershil en de landen van Schakenbosch via Pieter Meerman aan zijn dochter Hillegonda Petronella, die van de ambachtsheerlijkheid afstand deed ten behoeve van haar moeder Jacoba Catharina van Schoonhoven. Deze Jacoba Catharina was een energieke vrouw, die na de dood van haar man de zaken zoveel mogelijk zelf regelde. Uit brieven aan haar zaakwaarnemer Pieter Leonard Stumphius komt dit duidelijk naar voren. Zij stond met hem op goede voet en hij werd door haar als lid van de familie beschouwd. Daar hij ook de zaken van haar vader Pieter en haar broer Thymon behartigde was hij met alle familieaangelegenheden op de hoogte. Hoewel zakelijk van opzet geven deze brieven toch een aardig beeld van de schrijfster en haar familie, de onderlinge relaties van de regentenfamilies en komen naast de voorrechten, die verbonden zijn aan het bezit van kapitaal en goederen, de zorgen tot uiting, die het beheer hiervan met zich meebracht. Uit deze brieven blijkt onder meer dat zij haar schoonzoons Claudius van der Staal en Daniel Pompejus du Tour het geld leende om de buitenplaatsen Voorlinden en Wiltrust onder Wassenaar te kopen en dat zij zich veel moeite getroostte om Claudius een plaats als raadsheer bij het Hof van Holland te bezorgen. Ook de heerlijkheid van Piershil komt ter sprake evenals de heerlijkheid van Oud-Beijerland, welke laatste zij in 1767 kocht. Door het uitsterven van het geslacht Van Schoonhoven in mannelijke lijn zijn verhoudingsgewijs veel stukken bewaard gebleven van Pieter van Schoonhoven. Hij was een van de rijkste mannen van Rotterdam wat blijkt uit het kohier van de Personele Quotisatie van 1742, waarin hij onder de hoogstaangeslagenen behoort. Deze rijkdom, zijn Franse geboorte, antistadhouderlijke gezindheid en doorgaande graanhandel op Frankrijk, ondanks het plakkaat hiertegen van de Staten-Generaal waren evenzovele oorzaken, om hem en andere regenten tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog te wantrouwen en van verraad te beschuldigen. Van de Orangisten kreeg hij de bijnaam van Franse Piet. Hoewel de burgers over het algemeen van mening waren, dat zij de regenten alle eer en achting waren verschuldigd, sloten zij Pieter van Schoonhoven, en onder andere ook Claudius Lormier, hiervan nadrukkelijk uit. Maar ook uit eigen kring kwam kritiek, onder andere op de beleggingen van kapitaal in het buitenland, waardoor de kredietwaardigheid van het land werd aangetast. In 1748 werd Pieter van Schoonhoven met vier andere regenten, "tot wegneming van diffidenten en murmuratie onder de ingesetenen", door Willem IV afgezet als lid van de vroedschap. Hierdoor kwam tegelijk een einde aan de Correspondentie, die pas na de dood van de prinses-gouvernante Anna in 1759, herleefde. Pieter van Schoonhoven was gehuwd met Maria Anna Witheyn. Haar nicht Johanna Maria Witheyn, enige dochter van de Amsterdamse reder en koopman Johan Witheyn, was gehuwd geweest met Abraham van Harencarspel en Vincent Maximiliaan baron van Lockhorst, heer van Ter Meer en Maarssen. Na de dood van haar tweede echtgenoot behield zij de beschikking over het huis Ter Meer terwijl zij tevens een huis bezat op de Herengracht te Amsterdam. De kinderen uit haar eerste huwelijk stierven jong waardoor Maria Anna Witheyn en haar neven Jean Gijsberto de Mey en Cornelis Jansz. Backer de enige erfgenamen waren van deze schatrijke weduwe. Door het kinderloos overlijden van de kleinzoons van Pieter van Schoonhoven, Pieter, Adriaan en Jacob, zoons van zijn enige zoon Thymon, bleef zijn dochter Jacoba Catharina van Schoonhoven, weduwe Meerman, als enige erfgename over. Zij erfde onder meer het buiten Haagvliet te Voorburg, dat met haar huis op het Tournooiveld, vererfde aan haar kleindochter Jacoba Catharina Geertruida du Tour, gehuwd met Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese. Als hun gasten hebben op Haagvliet tijdelijk koning Lodewijk Napoleon en zijn vrouw Hortense de Beauharnais geresideerd. Hillegonda Petronella Meerman stierf op Voorlinden in 1799, drie jaar na Claudius van der Staal. Haar nalatenschap bleef tot 1806 ongedeeld tussen haar drie zoons Abraham Willem, Daniel Pompejus Johannes en Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal. Abraham Willem erfde de heerlijkheid van Oud-Beijerland en noemde zich Van der Staal van Oud-Beijerland. Na zijn dood in 1821 ging de heerlijkheid over op zijn dochter Everdine Suzette, gehuwd met Samuel François Anne van Pallandt, waardoor de tak Van Pallandt van Oud-Beijerland ontstond. Na haar dood erfde haar zoon Jan Werner de heerlijkheid, die hij in 1907 naliet aan zijn neef Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken van Zuylen, de zoon van zijn zuster Henriëtte Charlotte Everdine. Het archief van de heerlijkheid van Oud-Beijerland vanaf 1767 tot 1900, berust thans op het Rijksarchief in de provincie Utrecht, waar het deel uitmaakt van het archief van het slot Zuylen. De landen van Schakenbosch gingen over op Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal en ook hij noemde zich naar zijn goederen nl. Van der Staal van Schakenbosch. Hij was lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij zitting had voor de eigenerfden. Daar hij reeds in 1818 overleed en zijn enige dochter Claudine Claire hem slechts tot 1826 overleefde, besloten de erven Van der Staal met instemming van haar echtgenoot Marie Ferdinand baron de Flotte in 1828 deze landen in het openbaar te verkopen. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Naast ambachtsheer was Daniel Pompejus Johannes hoogheemraad van Rijnland en maire van Lisse. In Lisse woonde hij op het uitgestrekte landgoed Wassergeest, dat hij in 1804 kocht van Isaac van Buren. Hij vergrootte Wassergeest door aankoop van onder andere de boerderij van het in 1782 gesloopte huis Grotenhof, de bouwmanswoning Duinhof, de boerderijen de Phoenix en de Hoogewerf in de Laageveense polder, waardoor Wassergeest zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof. Na Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne Adriaan van Pallandt, die op Keukenhof woonden, was Daniel Pompejus Johannes van der Staal, met 110 hectaren, de grootste grondbezitter in Lisse. In 1852 werd dit prachtige buitengoed geveild in het logement De Zwaan te Lisse en gekocht door de erven Steengracht, waardoor het tien jaar later, door vererving aan de bovengenoemde bewoners van Keukenhof kwam. Zoals met zoveel buitenplaatsen in die tijd gebeurde, werd ook dit kapitale huis gesloopt en wel vlak na de verkoop, in 1853. Door vererving is Wassergeest thans in het bezit van de barones van Lynden. Wassergeest heeft, evenals het bovengenoemde buiten Haagvliet onder Voorburg, een rol gespeeld in de geschiedenis van ons land. Ten huize van Van der Staal van Piershil is door Adam François van der Duyn van Maasdam in bijzijn van Hendrik Collot d'Escury de door Gijsbert Karel van Hogendorp opgestelde proclamatie getekend, waarin deze met Van der Duyn van Maasdam het Algemeen Bestuur in handen nam tot de komst van de Prins van Oranje. Hieruit blijkt dat Van der Staal, hoewel maire van Lisse, niet uitgesproken Fransgezind was. In ieder geval wist de omgeving van Van Hogendorp, dat hij te vertrouwen was. Verwonderlijk was dit niet, daar allen, die bij de opstand tegen de Franse overheersing betrokken waren tot de familie behoorden. Door zijn huwelijk met Sophia Wilhelmina Charlotte Alexandrina van Bylandt was hij verwant aan Van der Duyn van Maasdam, een neef van zijn schoonmoeder Anna van der Duyn, een vurig Orangiste, terwijl Leopold van Limburg Stirum een oom was van zijn vrouw. Ook zijn zwager Jan Carel van Bylandt bood vanaf de eerste dag Gijsbert Karel van Hogendorp zijn diensten aan. Bovendien moet Van der Staal Van Hogendorp uit Rotterdam gekend hebben. Daniel Pompejus Johannes van der Staal was de enige van de drie broers, die door koning Willem I in de adelstand werd verheven. Zijn huwelijk met een gravin Van Bylandt zal hierin een rol hebben gespeeld en het feit, dat zijn zwager Jan Carel van Bylandt bijzonder bij de koning in de gunst stond. De heerlijkheid van Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, behoorde van oudsher tot het land van Putten. Voor de eerste bedijking in 1524 door Frederik van Renesse, heer van Oostmalle, sprak men van de Ommeloop van Groot- en Klein-Puttermoer. De heerlijkheid bestaat uit de polders Oud-, Nieuw- en Klein-Piershil. Het dorp ligt in de polder van Oud-Piershil en werd in de achttiende eeuw om haar bloei ook wel het klein Haagje genoemd. Dit kon echter niet verhinderen, dat het Hof van Piershil onder de slopershamer viel. In 1831 liet Daniel Pompejus Johannes van der Staal het ambachtsherenhuis slopen en het vrijgekomen terrein in bouwland veranderen. Na de dood van Daniel Pompejus Johannes van der Staal vererfde de heerlijkheid aan zijn drie dochters. Na hun overlijden gingen de heerlijke rechten over op de kinderen van hun in 1855 overleden broer Guillaume Charles, om tenslotte te vererven aan de kleindochter van Guillaume Charles van der Staal, Marie Alexandrine Otheline Caroline van Bylandt, dochter van Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil en Carel Jan Emilius van Bylandt. Het archief van de heerlijkheid van Piershil is daarom verspreid over twee archieven. Naast het archief, dat beschreven is in deze inventaris, bevindt een ander gedeelte zich in het archief van de graven van Bylandt, dat berust bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief. De enige zoon van Daniel Pompejus Johannes, Guillaume Charles van der Staal van Piershil woonde als rentenier in Breda en Princenhage. Hij en zijn vrouw zijn vlak na elkaar in 1855 overleden. Hun drie zeer jonge kinderen stonden onder voogdij van Eugène Jan Alexander van Bylandt en werden te 's-Gravenhage opgevoed in het huis van hun tante Otheline Agathe van der Staal. Zij vormden de laatste generatie van de familie Van der Staal, die zoals eerder vermeld in hofkringen werd opgenomen. Sophie Alexandrine was hofdame van prinses Amalia, de echtgenote van prins Hendrik, broer van koning Willem III, vaak beter bekend als prinses Hendrik. Uit haar huwelijk met Carel Jan Emilius van Bylandt werden twee dochters geboren, Marie Alexandrine Otheline Caroline en de jong overleden Charlotte Eugenie Roline. Marie van Bylandt, overleden in 1968, is de stichtster van de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting te 's-Gravenhage, die haar vermogen, waaronder de heerlijkheid van Piershil, beheert. De laatste afstammelingen in mannelijke lijn van het geslacht Van der Staal waren Othon Daniel en Jean Arthur Godert. Laatstgenoemde stierf in 1904 na een succesvolle loopbaan bij de Marine. Naast marine-officier was hij adjudant, kamerheer en particulier secretaris van koningin Wilhelmina. Zijn broer Othon Daniel bekleedde hoge ambten. Hij was onder meer gezant te Constantinopel en Sint Petersburg, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister aan de hoven van België en Luxemburg. Aan het hof was hij kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. In 1886 trouwde hij met Maria Elisabeth Margaretha van Zuylen van Nyevelt. Daar hun huwelijk kinderloos bleef stierf het geslacht Van der Staal met zijn dood in 1937 uit.
De familie Snouckaert van Schauburg en de aanverwante geslachten Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Zomergem Er wordt voor het eerst melding gemaakt van het geslacht Snouckaert in een op 7 februari 1165 te Sens uitgegeven bul van paus Alexander III. In deze bul neemt Alexander III de abdij te Dunes in bescherming en wordt Walter Snocart genoemd als een van de eigenaren van de aan dit klooster toebehorende vaste goederen te Erembalde Capelle (ofwel Aernouts-Capelle) dat een halve mijl ten westen van St. Winoxbergen, in Vlaanderen, gelegen was. De geregelde stamreeks van het geslacht begint met Henri Snocart die in 1380 te Lyesele in de omgeving van Hontschote leefde. Sinds de 15e eeuw worden meer en meer leden van het geslacht Snouckaert te Brugge aangetroffen waar zij regelmatig hoge functies binnen het stadsbestuur vervullen. Aan het einde van de 16e eeuw splitste het geslacht Snouckaert zich in drie grote takken, namelijk de takken Schauburg, Binckhorst en Zomergem. De heren van Binckhorst en Zomergem bleven katholiek terwijl de tak Snouckaert van Schauburg overging tot de gereformeerde religie. De beide eerstgenoemde takken stierven in de loop van de 18e eeuw uit. De namen van de diverse takken werden ontleend aan de bezittingen van de verschillende heren van het geslacht Snouckaert. Zo werd de naam Schauburg afgeleid van de heerlijkheid van die naam waarmee Martin Snouckaert (nr. 3a) in 1523, tegelijk met Zomergem, werd beleend. De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad Binckhorst die in Delfland, in de omgeving van 's-Gravenhage, was gelegen. Deze ridderhofstad bleef nadien tot 1690 in het bezit van respectievelijk de tak Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Schauburg. De Vlaamse tak van de familie stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. Deze naam werd ontleend aan de heerlijkheid Zomergem die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel en met alle hieraan verbonden rechten in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. De heerlijkheid was leenroerig aan de Burcht van Gent (de Oudburch) en werd in 1523 uit handen van de graaf van Vlaanderen, keizer Karel V, verkregen. In 1562 kocht Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) de heerlijkheid, met alle hieraan verbonden rechten, van koning Philips II. In 1706 werd de heerlijkheid Zomergem, door de sinds 1589 in het bezit van Zomergem gestelde Vlaamse tak van de familie, verkocht. A. De Familie Snouckaert van Schauburg De wortels van het geslacht Snouckaert lagen oorspronkelijk in de omgeving van Leysele en Hontschote, in de loop van de 16e eeuw echter treft men de naam van de familie in Brugge aan waar de familie zich een plaats wist te verschaffen in de plaatselijke stedelijke aristocratie. Met een zekere regelmaat waren leden van de familie vertegenwoordigd in de bestuurlijke functies die in Brugge te vergeven waren. Maar ook boven het lokale niveau wist de familie zich aanzien te verschaffen. Dit was voor een niet onaanzienlijk deel te danken aan de functies die Martin Snouckaert (nr. 1) wist te verwerven. Als particulier secretaris van keizer Karel V en 1e raadpensionaris en hoofd-griffier van de regering van de stad Brugge wist hij Schauburg en de heerlijkheden Zomergem, Waerschot, Hansbeke en Lovendegem in leen te krijgen (1523). Hiermee legde hij de grondslag voor het latere grondbezit van de familie. Elf jaar later kwam de familie, waarschijnlijk eveneens dankzij de bijzondere inspanningen van de hiervoor genoemde Martin Snouckaert, voor het eerst in het bezit van een adellijke titel. Op 8 november 1544 werden zijn zoons Michiel, Willem, Jacob en Jean Snouckaert door keizer Karel V erkend in hun "oude adel" en verheven tot Erfelijke Ridders van het Heilige Roomse Rijk. In 1562 kwam Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) door koop in het bezit van het kasteel Schauburg en de lage, middelbare en hoge heerlijkheid Zomergem. Dit grondbezit werd door Martin nog uitgebreid toen hij op 30 mei 1565 het in de Noordelijke Nederlanden gelegen goed De Binckhorst erfde van zijn broer Willem Snouckaert van Schauburg. (nr. 5). Op 10 september 1569 schonk hij de Binckhorst aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze ridderhofstede bij diens kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Onder Nicolas Snouckaert van Schauburg (nr. 10) werden door de tak Snouckaert van Schauburg nog gebieden in Duitsland verworven. Hij verliet Vlaanderen in 1568 en vertrok naar Wenen waar hij werd benoemd tot edelman van het huis van keizer Rudolf II. Hij stond bij de keizer in hoog aanzien en werd als diens zaakgelastigde te Praag gestationeerd. Hij vestigde zich te Halle in Saksen en op 21 februari 1620 kocht hij van de graaf van Mansfeldt de Duitse ambten Dornstadt, Amstorff, Stettin, Wansleben, Stenden en Hochstedt. Naast de nauwe banden die hij met het Duitse Rijk onderhield haalde hij echter ook de banden met de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden strakker aan. Dit blijkt uit de aankoop, eveneens in 1620, van een huis aan het Voorhout te Den Haag. Ook in een ander belangrijk opzicht onderscheidde hij zich van zijn voorgeslacht, als eerste van de familie ging hij, hoogstwaarschijnlijk al in Duitsland, over tot het protestantisme. De relaties met de Republiek der Verenigde Nederlanden werden door de zoon van Nicolaas, Maerten Snouckaert van Schauburg (nr. 13a), nog inniger aangehaald. Nadat hij aanvankelijk in Praag was opgegroeid liet hij zich als student inschrijven aan de Hogeschool van Leiden, waar hij wijsbegeerte en staatswetenschappen studeerde. Hij vestigde zich in het huis aan het Voorhout en huwde met Martina Joachimi. Zij was de dochter van de Zeeuwse diplomaat Albert Joachimi. In het gevolg van zijn schoonvader, en in het gezelschap van zijn vrouw, reisde hij naar Engeland. Onsuccesvol was hij daar niet en hij werd benoemd tot ridder en edelman van de Privékamer van Koning Karel I. Maertens zoon Albert Snouckaert van Schauburg (nr. 15a) verwierf in de Republiek de baronie Heeze en Leende en Zes Gehuchten (1659), maar verloor de heerlijkheden en "amten" Dornstadt, Amstorff, Stettin en Schraplau in het Duitse. De laatste belangrijke aanvulling van het familiebezit werd door Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) gerealiseerd toen hij in 1776 de heerlijkheid de Duckenburg, in de omgeving van Nijmegen, aankocht. Met het overlijden van Maerten Snouckaert van Schauburg (nr 13a) verdween ook de traditie van de diplomatie uit de familie. In de plaats hiervoor kwam een militaire traditie die tot ca. 1795 dominant bleef. Nieuwe carrièremogelijkheden voor het geslacht Snouckaert van Schauburg werden geopend door Albert Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) die als zoon van luitenant-generaal Willem Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 19a), allereerst in de voetsporen van zijn vader trad. Zijn militaire carrière vond echter een vroegtijdig einde door de politieke en militaire gebeurtenissen in 1795. In dat jaar werd hij op 18 januari ontslagen uit zijn functie van luitenant-kolonel bij de cavalerie, maar slaagde erin zijn carrière onder de Bataafse Republiek, het Franse Keizerrijk en het Koninkrijk der Nederlanden voort te zetten. Na een reeks andere benoemingen verkreeg hij de functie van intendant van de koninklijke paleizen te Utrecht (1808) en Amsterdam (1810). Na afloop van de Franse periode slaagde hij erin opnieuw voor hoffuncties in aanmerking te komen, zo werd hij in 1814 door koning Willem I tot kamerheer benoemd. Vrijwel gelijktijdig werd hij aangesteld in een aantal andere belangrijke commissies en colleges waaronder de Commissie tot samenstelling van een Kamer van Heraldiek, de Commissie tot Organisatie der Landmilitie en de Hoge Raad van Adel. Op grond van zijn verdiensten werden hij en zijn nakomelingen, bij Koninklijk Besluit van 27 augustus 1814, erkend te behoren tot de Nederlandse Adel met titel van baron. Met deze reeks van benoemingen waaraan in 1815 en 1832 nog die van kamerheer-ceremoniemeester en opperschenker werden toegevoegd zette Albert Carel de toon voor een geheel nieuwe traditie in het carrièreverloop van de familie Snouckaert van Schauburg; namelijk het vervullen van hoffuncties bij leden van het Nederlandse Koninklijk Huis. Zo dienden bijvoorbeeld drie opeenvolgende Albert Carels Snouckaert van Schauburg (nrs. 25a, 37a en 40) in diverse hoffuncties onder de koningen Willem I, Willem II en Willem III en onder koningin Wilhelmina. Deze werkzaamheden combineerden zij bovendien alledrie met het lidmaatschap van de Hoge Raad van Adel. Zij waren echter niet de enigen van de familie die aanzienlijke hoffuncties vervulden bij leden van het Koninklijk Huis. De desbetreffende archiefbestanddelen bevatten dan ook interessante bronnen voor diegenen die zich een goed beeld van het hofleven in de 19e eeuw willen verschaffen. B. De familie Snouckaert van Binckhorst. De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr.5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad De Binckhorst die in Delfland in de omgeving van 's-Gravenhage was gelegen. Het huis was zeer oud en werd reeds in de 11e eeuw genoemd. Oorspronkelijk was het huis in bezit van het reeds lang uitgestorven geslacht Van Binckhorst. Het huis De Binckhorst dat in deze vroege periode een vrij eigendom schijnt te zijn geweest werd in het jaar 1308, met alle hiertoe behorende goederen, door de toenmalige bezitter Simon van Benthem opgedragen aan Willem III, graaf van Holland, van wie hij het weer in leen ontving. Sindsdien is dit adellijke huis altijd een leen van Holland gebleven waarbij ook verschillende achterlenen behoorden. Het is onduidelijk wie het huis na Simon van Benthem in bezit heeft gehad. Het is waarschijnlijk dat het in jaar 1350, toen het huis door graaf Willem V werd belegerd, aan Jacob van Binckhorst behoorde. Deze Jacob van Binckhorst behoorde vrijwel zeker tot het oud riddermatig geslacht Van Binckhorst dat in 1576, met Simon van Binckhorst, uitgestorven is. In 1389 werd, door Jan van Arkel, Johan van Leyenburgh met De Binckhorst beleend. Van hem ging het over naar Aart van Leyenburgh die het in 1409 verkocht aan Dirk Ploeg die het op zijn beurt overdroeg aan Dirk van Zwieten. Via zijn zoon Aart van Zwieten en diens broers' zoon Jan van Zwieten kwam het in het jaar 1464 aan Dirk Poes, die in het jaar 1467 werd benoemd tot griffier van het Hof van Holland. Het geslacht Poes voegde de naam Van Binckhorst aan de familienaam toe. De opvolger van Dirk Poes, Lodewijk Poes van Binckhorst werd, bij sententie van 7 mei 1568, door Alva verbannen terwijl zijn goederen verbeurd werden verklaard. In de tussentijd was het huis echter, wegens het overlijden van Johanna Poes van Binckhorst in 1563, bij testamentaire dispositie, aan haar echtgenoot Willem Snouckaert van Schauburg vervallen (nr. 5). Na zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Schauburg (nr 3a) op 30 mei 1565 in het bezit van De Binckhorst gesteld. Op 10 september 1569 schonk hij de ridderhofstad aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze bij zijn kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Met deze Jacob Snouckaert begint dan de tak Snouckaert van Binckhorst. Hij was eerste auditeur en, later, rentmeester van Holland. In het jaar 1572 nam hij, gedwongen door de troebelen in de Nederlanden, de wijk naar Utrecht waar hij overleed. Hierdoor verviel De Binckhorst aan zoon Jacob Snouckaert van Binckhorst (nr. 63) en vervolgens aan nog twee elkaar opeenvolgende Jacobs uit dezelfde tak (1575-1678). Bij het overlijden van deze laatste telg werd de ridderhofstede op 29 juli 1678 opgedragen aan Willem de Nobelaer die met Wilhelmina Snouckaert was gehuwd. Zij ontving het goed bij het overlijden van haar man op 13 januari 1685 en verkocht het op 22 augustus 1690 aan Henry Du Vernet, ridder, heer van Lavalle. C. De familie Snouckaert van Zomergem Deze Vlaamse tak stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. De naam Zomergem werd ontleend aan de heerlijkheid van die naam die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel, en met alle hieraan verbonden rechten, in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. Tot de heerlijkheid Zomergem behoorden een groot aantal lenen te Hansbeke, Oostwinkel, Wachtebeke, Winkel, Saffelare, Ertvelde, Kluizen en Landegem. De voornaamste hiervan waren Briarde, Schipdonk of Berendale, Laatschap, Herzele, Rivish, Hoetsel of Breusleen, het Prootsche of St. Pieters, Overdam, Schauburg of Schaubroek, Beke, Van den Rudder, Ten Broeke, Kruisstrate, de Platte Gaverij, Immetuin, Leischoot, Twaalf Bunder, Staaktevijvere en het goed ter Meersch. De oudst bekende bezitter van de heerlijkheid Zomergem was Herman van Zomergem die in 1085 met graaf Robert de Fries ter kruisvaart ging. Het is onbekend hoe lang de leden van het geslacht Zomergem de heerlijkheid in bezit hebben gehad. Zeker is in ieder geval dat de heerlijkheid in het jaar 1235 aan Boudewijn van der Meersch (of Van der Weiden) toebehoorde. In hetzelfde jaar begiftigde Lodewijk van Nevers, ter gelegenheid van haar huwelijk met Simoen van Mirabelle, zijn bastaarddochter Elisabeth met de heerlijkheid. Na de dood van Van Mirabello werden de goederen van Elisabeth door de graaf van Vlaanderen aangeslagen uit hoofde van achterstallige afdrachten van gelden die Simoen, als rewaard en ontvanger van de graaf van Vlaanderen had gelicht. Er werd een overeenkomst gesloten waarbij de graaf en zijn opvolgers in het bezit kwamen van Het Hof ten Walle te Gent (later de Prinsenhof genaamd), en van de weiden tussen dit hof en de Lieve. Elisabeth en haar tweede echtgenoot, Arnout van Heule, heer van Rumene, bleven in het bezit van de heerlijkheid Zomergem maar verloren alle rechten op de heerlijkheden van Eeklo, Kaprijke en Lembeke. Korte tijd later kocht de graaf de heerlijkheid opnieuw en kwam deze, door het huwelijk van Beatrix van Blaesvelt, de natuurlijke dochter van de graaf van Vlaanderen, met Philips van Massemen, gouverneur van Dendermonde, aan het huis van Massemen te Gent. Bij zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Zomergem (nr. 64a) met de heerlijkheden beleend (28 maart 1589) welke tot 1706 aan deze Vlaamse tak van de familie bleven toebehoren. De laatste heer van Zomergem was Martin Pierre Ignase Snouckaert van Zomergem (nr. 75) die sinds 4 maart 1654 in het bezit van de heerlijkheid was gesteld; hij sneuvelde op 29 juli 1693, als majoor der cavalerie, te Neerwinden. Na zijn dood werd de heerlijkheid Zomergen op 11 december 1706, voor f 70.600, - aan Jan Theodoor de Jonge verkocht. In de loop van de 18e eeuw werd het oorspronkelijk door Maerten Snouckaert te Zomergem gebouwde kasteel door De Montmorency's afgebroken en naar Bellem overgebracht.
1. De geschiedenis van het Vaticaan Nederland en de Pauselijke Staat gingen diplomatieke betrekkingen aan in 1814. De Pauselijke vertegenwoordiging in Nederland werd in 1829 ingesteld en sindsdien gehandhaafd. De Nederlandse vertegenwoordiging bij het Vaticaan werd echter in 1872 opgeheven. Aangezien de Paus in 1871 zijn wereldlijke heerschappij had verloren (in 1871 kwam de Italiaanse eenheidsstaat tot stand met koning Victor Emmanuel van Savoie als staatshoofd), werd in de Nederlandse volksvertegenwoordiging het nut van een gezantschap bij de Heilige Stoel niet meer ingezien. De antikatholieke leden van de Tweede Kamer was de vertegenwoordiging bij de Paus een doorn in het oog. Men wilde niet de indruk wekken het geestelijk leiderschap van de Paus te erkennen door een gezant bij hem te accrediteren. 2. De Nederlandse betrekkingen met de Heilige Stoel Het Vaticaan ontwikkelde zich tot een centrum van diplomatie. Tijdens WO I waren in het Vaticaan diplomaten van alle oorlogsvoerende partijen geaccrediteerd, wat Rome de uitgelezen plek voor vredesbesprekingen maakte. Wegens het grote aantal gezantschappen was het Vaticaan een interessante 'luisterpost', ook voor neutrale mogendheden zoals Nederland, die hun steentje wilden bijdragen aan de vredesonderhandelingen. In 1915 werden kabinet en parlement het eens over het herstellen van de betrekkingen met het Vaticaan. Nog enkele jaren na afloop van WO I bleef de missie bestaan. Maar omdat het gezantschap bij de Heilige Stoel een aparte post op de begroting van Buitenlandse Zaken was, kon de missie iedere keer dat er over de begroting gedebatteerd werd, ter discussie gesteld worden. Dit gebeurde dan ook geregeld door de voormannen van de Christelijke Historische Unie (CHU), die een vertegenwoordiging bij de katholieke leider niet ondersteunden. In principe bestond in de Tweede Kamer geen meerderheid voor het afschaffen van het gezantschap (de anti-revolutionairen waren niet tegen de post), maar in 1925 kregen de christelijk-historischen steun van de liberalen, die het zittende kabinet ten val wilden brengen en daarvoor de anti-paapse motie van de CHU aangrepen. In 1926 werd de post officieel opgeheven. Tijdens de oorlog van 1914-1918 achtte de Nederlandse regering het, ondanks fel verzet van de CHU - met het oog op bemiddelingsacties ten gunste van de vrede - van belang een vertegenwoordiger te hebben in één van de weinige overgebleven centra van diplomatiek verkeer. Dat leidde tot tijdelijk herstel van de betrekkingen met het Vaticaan welke in 1871 waren beëindigd. In 1915 werd mr. L.H.W. Regout benoemd als gezant bij het Vaticaan in tijdelijke en speciale zending. Mr. L.H.W. Regout overleed enkele weken na zijn benoeming. In 1916 werd jhr. O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer benoemd. Na de wapenstilstand van 1918 wilde Minister H.A. van Karnebeek deze vertegenwoordiging blijvend maken, maar hij kreeg A.F de Savornin Lohmann tegen zich. Enkele jaren kon de Minister het gezantschap houden omdat de SDAP en de Vrijzinnige Democraten hem steunde. In het najaar van 1925 diende ds. G.H. Kersten van de SGP een amendement in bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken, dat schrapping van het krediet voor het gezantschap bij het Vaticaan beoogde. Op 10 november 1925 ging de linkerzijde - de SDAP en de Vrijzinnig Democraten - om en haalde het amendement van ds. G.H. Kersten een meerderheid. Hierdoor kwam het kabinet te vallen. De terugroepingsbrieven van gezant O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer werden op 3 juni 1926 overhandigd. Van Nispen had zelf gewild dat hij het leedwezen van de regering over het kamervotum kenbaar had mogen maken, maar zijn instructie luidde minder scherp. Hij diende de kardinaal staatssecretaris Gasparri mee te delen dat de Nederlandse regering erop vertrouwde 'dat de door haar betreurde opheffing van het gezant voor het overige geen wijziging zal brengen in het oprecht vriendelijk karakter der diplomatieke betrekkingen welke sedert zovele jaren tussen het Vaticaan en de Nederlandse regering bestaan.' In 1944 werden de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan opnieuw aangeknoopt. Op 16 augustus 1944 werd jhr. mr. M.W. van Weede benoemd als gezant bij het Vaticaan. Hij werd in 1956 opgevolgd door F.R.W.H.M.J. graaf de Marchant d'Ansembourg. In 1967 werd mr. S.G.M. baron Voorst tot Voorst benoemd als ambassadeur. Hij werd in 1975 opgevolgd door mr. J.I.M. Welsing. Tijdens WO II kwam het vestigen van een nieuw gezantschap wederom ter sprake. Na het uitbreken van de oorlog nam Nederland nog altijd een neutrale houding aan en liet die zelfs niet geheel gaan toen het door Duitsland onder de voet werd gelopen. Het verlangen vredesbesprekingen te voeren of op zijn minst bij te wonen was groot en het Vaticaan leek weer een centrum van vredesinitiatieven te worden. Ook was het Vaticaan, met 37 gezanten uit allerlei landen, een bron van inlichtingen, een 'luisterpost'. De Amerikanen begonnen al in 1940 druk uit te oefenen op de Nederlandse regering om de kwestie van de betrekkingen weer op te nemen met het Vaticaan. Maar Nederland liep bij de eerste poging tegen een weigering op. Het Vaticaan bracht praktische bezwaren naar voren, maar de moeilijkheden die van Duitsland verwacht werden als de Paus diplomatieke betrekkingen aanknoopte met een bezet land waren de werkelijke reden. Aangezien die reden voor 1942 doorslaggevend was, omdat Duitsland aan de winnende hand was in Europa, wilde noch Nederland, noch het Vaticaan op de zaak terugkomen, alle Amerikaanse pressie ten spijt. Pas in 1943 stonden beide staten positiever tegen het uitwisselen van vertegenwoordigers. De Heilige Stoel bracht echter wel de eis ter tafel dat de Nederlandse zending geen noodmaatregel mocht zijn. Dat wil zeggen: een herhaling van 1925, waarin de gezant onder protestantse en liberale druk teruggetrokken werd, wilde het Vaticaan pertinent voorkomen. Dit leidde tot de vraag of de Nederlandse regering in ballingschap een dergelijke beslissing wel kon nemen, zonder de instemming van de volksvertegenwoordiging. Ook vreesde men het verzet van koningin Wilhelmina. Deze twee kwesties hingen samen, omdat de koningin zeker wilde weten dat het protestantse deel der natie gediend was van een dergelijke zending (zijzelf stond niet bepaald te springen). De Nederlandse ministers stonden in het algemeen positief tegenover het aangaan van diplomatieke betrekkingen, maar zij konden de koningin niet vermurwen. Minister van Kleffens dreigde zijn portefeuille ter beschikking te stellen en enkele collega's verklaarden zich solidair. Gezond verstand wendde uiteindelijk een regeringscrisis af, omdat men inzag dat een kabinetsval niet de belangen van het bezette Nederland diende. Gelukkig gaf uiteindelijk de koningin toe en konden de papieren in orde worden gemaakt. In 1946 werd er nog een poging gedaan door de CHU om de post weer te doen opheffen, maar deze motie werd zo overtuigend verworpen dat het gezantschap niet meer in gevaar kwam en daarna ook niet meer ter discussie werd gesteld. De Paus in oorlogstijd, Pius XII, betuigde meermaals zijn medeleven met het Nederlandse volk in oorlogstijd, dat, volgens de lezing van de 'minister van Buitenlandse Zaken' van de Paus, een van de zwaarst getroffen volken was. Vooral met het deel van het land dat in 1945 nog bezet was, werd hevig meegeleefd. Ook aan de Koninklijke familie liet de Paus geregeld de hartelijke groeten overbrengen, die even hartelijk geretourneerd werden. Pius XII had veel respect voor koningin Wilhelmina, die in zijn ogen een voorbeeldig vorstin was. De koningin was op haar beurt zeer te spreken over de rol van de Nederlandse katholieken en de katholieke geestelijkheid tijdens WO II, die een actieve rol hadden gespeeld in het verzet tegen de Duitse overheersing. 3. Na de Tweede Wereldoorlog Na WO II brak voor de Kerk in zekere zin een onzekere tijd aan. Het katholicisme was onverenigbaar met het atheïstische en materialistische communisme, dat in de landen die door de USSR bevrijd waren de nieuwe regeringsdoctrine werd. Door de Russische en andere communistische media werd de katholieke Kerk afgeschilderd als verdediger van de Duitse, Italiaanse en Japanse regimes. Daar tegenover stelde de Vaticaanse pers een heftige campagne om de beschuldigingen van de Sovjets de weerleggen en greep te houden op de Russische gelovigen. Afgezien van deze ideologische strijd, moest de Kerk afwachten hoe de katholieken door de nieuwe communistische regimes behandeld zouden worden. De behandeling van de kerkelijke leiders was echter niet goed. Verschillende hoge geestelijken werden gearresteerd en hun werk werd onmogelijk gemaakt. Ook de vertegenwoordigers van de Paus bij de verschillende regeringen werd het functioneren onmogelijk gemaakt en steeds meer van hen werden teruggeroepen of overgeplaatst. De Paus maakte zich hier diepe zorgen over, maar bleef tegelijkertijd bereid diplomatieke betrekkingen aan te knopen met onder andere de Sovjet-Unie. Dit paste in de traditie van het Vaticaan een zo compleet mogelijk diplomatiek netwerk aan zich te binden, waardoor vredesbesprekingen konden plaatsvinden. Deze praktijk had zowel tijdens de eerste als de tweede wereldoorlog bestaan en de Heilige Stoel zag een dergelijke rol weer voor zich weggelegd tijdens de Koude Oorlog. De USSR was zelf echter niet bereid betrekkingen aan te gaan. De dood van Stalin in 1953 bracht geen merkbare veranderingen teweeg in de Russische opstelling. De buitenlandse politiek van de Heilige Stoel werd uiteraard gekenmerkt door dogmatische katholieke opvattingen. Zo kon de Paus het niet eens zijn met het vormen van een Joodse staat in Palestina als dat inhield dat de heilige plaatsen in Jeruzalem en Bethlehem niet meer toegankelijk zouden zijn voor katholieken. Met betrekking tot Indonesië stoorde het de Kerk vooral dat veel civielrechtelijke instanties in handen waren van Islamitische instituties, terwijl de bevolking - volgens het Vaticaan - nog veelal animistisch was. De dominantie van het Islamitische bestuur ontnam de katholieke zending iedere bewegingsvrijheid. In 1951 kondigde het Vaticaan de oprichting van een vloot onder pauselijke vlag aan. De schepen zouden gebruikt worden voor het vervoer van levensmiddelen en andere hulpgoederen, die de Paus bijeenbracht in het kader van zijn charitatieve inspanningen. Een jaar later stuurde de Nederlandse gezant de feitelijke beheerder van de vloot het curriculum vitae van een hoge officier van de Nederlandse vloot, H.C. Ackermann, met het doel de officier een hoge post binnen de vloot te bezorgen. Daarop moest echter de beheerder toegeven dat de pauselijke vloot nog slechts op papier bestond en dat er door de bevoegde instanties nog geen initiatieven ontplooid werden om de plannen van de Paus in praktijk te brengen. 4. De post, 1944-1954 De eerste gezant van Nederland bij de Heilige Stoel was jhr. M. W. van Weede. De post bestond verder uit een honorair gezantschapsraad voor kerkelijke aangelegenheden (vanaf 1944 de bejaarde mgr. dr. B.J. Eras) en een kanselier, mej. E.S.F. van Alphen, die ook allerhande vertaalwerk voor haar rekening nam. Deze bezetting leek de gezant wat mager, maar het departement weigerde een extra diplomaat beschikbaar te stellen. Buiten oorlogstijd was het Vaticaan niet van een dergelijk diplomatiek belang dat die post voorrang kreeg bij de toewijzing van ambtenaren. De post kwam eerder juist op de laatste plaats bij het toewijzen van de schaarse diplomaten. Gezant van Weede, hoewel geen katholiek, had groot respect voor de Paus en vooral voor de bisschoppen in de communistische Oostbloklanden, die hun werk nauwelijks konden doen onder het antikerkelijke bewind. Met veel eerbied en een weinig kritische blik rapporteerde hij over de Paus en diens politieke en religieuze doelstellingen. Vooral in de berichtgeving van het Vaticaanse dagblad de 'Osservatore Romano' werden door Van Weede nauwelijks nuanceringen aangebracht. Van Weede was met de hoofdredacteur van de 'Osservatore Romano', het Vaticaanse huisblad, overeengekomen dat deze krant geregeld artikelen over Nederland zou publiceren. Dit werd ter hand genomen onder andere door aandacht te besteden aan de audiënties van Van Weede bij Pius XII en het publiceren van Nederlandse herderlijke brieven, maar ook door enkele enthousiaste 'Nederland-correspondenten'. Deze baseerden hun artikelen echter geregeld op onvolledige of onjuiste gegevens, waardoor Van Weede zijn handen vol had aan het rechtzetten van de misleidende informatie over de positie van de Nederlandse katholieken in verschillende sectoren van de maatschappij en de toename van hun aantal.
Frederik Nicolaas Nieuwenhuijzen werd op 22 oktober 1819 in Amsterdam geboren als zoon van Otto Hendrik Nieuwenhuijzen en Margaretha Cornelia Wilhelmina Lutjens. Zijn vader was tabakskoper en commissionair in koloniale waren. Op 15-jarige leeftijd reisde hij alleen naar Batavia, waar hij vermoedelijk onderdak vond bij zijn oom Hendrik Jacob Lutjens, die als kolonel van het Oost-Indisch Leger en later als direkteur van Financiën een vooraanstaande positie in de Indische samenleving innam. Zijn bijzondere capaciteiten tezamen met het milieu, waarin hij verkeerde hebben gezorgd voor een uiterst opmerkelijke carrière, die zou voeren van onbezoldigd klerk tot vice-president van de Raad van Nederlands-Indië. Begin december 1834 aangekomen wist Nieuwenhuijzen binnen 14 dagen een baan te krijgen als onbezoldigd klerk bij de Algemene Secretarie, waar hij in dermate gunstige zin opviel, dat promoties tot bezoldigd klerk (1835), 1e klerk (1838), 2e commies (1838) en 1e commies (1840) spoedig bereikt werden. De Algemene Secretarie is voor Nieuwenhuijzen een uitstekende leerschool geweest. De centralistische opzet van de Indische administratie deed vrijwel iedere te nemen beslissing van enige importantie belanden ten burele van de gouverneur-generaal en zijn secretarie. Zodoende kon hij kennis nemen van alle voorkomende bestuurlijke en politieke kwesties. Naar analogie zijn er diverse voorbeelden van Indische ambtenaren, die via een leerperiode bij de secretarie het tot hoge posten hebben weten te brengen. Hoewel Nieuwenhuijzen de opleiding aan de Delftse Academie miste, werd hem bij Koninklijk Besluit van 22 april 1842 nummer 95 desondanks het radikaal van Indisch ambtenaar verleend, waardoor een benoeming bij het binnenlands bestuurscorps mogelijk werd. In 1843 werd hij aangesteld tot residentie-secretaris in Banjoemas. Hij bleef hier slechts twaalf maanden en werd in gelijke betrekking verplaatst naar de residentie Bagelen, waar hij het onbeperkte vertrouwen genoot van resident Von Schmidt auf Altenstadt. In 1847 werd hij bevorderd tot assistent-resident van de Noorderdistrikten van Makassar met standplaats Maros. Het was een moeilijke post in het landschap Gowa met de naburige leenroerige landschappen Boni en Tanette, waar gedurende de 19e eeuw diverse expedities naar ondernomen werden. De gouverneur van Celebes (en latere vice-president van de Raad van Nederlands-Indië), De Perez, leerde daar zijn verdiensten waarderen en zou hem protegeren sindsdien. Toen De Perez in 1849 met het bestuur over Soerabaja werd belast volgde Nieuwenhuijzen zijn vorige chef als assistent-resident van politie, waar hij o.a. bijdroeg tot het ontslag van de regent van Soerabaja vanwege "knevelarij". In februari 1853 volgde zijn plaatsing in de toendertijd aan Soerabaja onderhorige assistent-residentie Madoera, waar hij de Nederlandse vertegenwoordiger was aan het Hof van de Panembahan. Anderhalf jaar later werd hij benoemd tot assistent-resident van Probolinggo in de residentie Besoeki. Vanaf zijn benoeming tot resident van Riouw (1855) zou hij regelmatig gebruikt worden als trouble-shooter in de verhouding van het gouvernement tot diverse inlandse vorstendommen. Toen Engeland en Nederland in 1824 bij het Traktaat van Londen alle geschillen regelden, die uit de koloniale overdracht van 1816 waren voortgekomen, had Engeland afgezien van alle aanspraken op Sumatra. De ongebreidelde Engelse expansie vanuit Singapore maakte het noodzakelijk de zaken te regelen ten aanzien van de nabij gelegen sultanaten Lingga Riouw en Siak Sri Indrapoera. Bovendien diende een Engelse versterking, met goedvinden van Siak op Bengkalis gevestigd, ontmanteld te worden. Nieuwenhuijzen werd bij geheim gouvernementsbesluit met beide taken belast. Na het onttronen van de sultan van Riouw, Machmoed Shah, en de benoeming van een gouvernementsgezinde opvolger kon een nieuw traktaat met dit landschap gesloten worden. Tevens konden de Engelse invloeden worden teruggedrongen na het sluiten van een nieuw traktaat met de vorsten van Siak. Het leverde hem een koninklijke onderscheiding en diverse tevredenheidsbetuigen van het gouvernement op. In 1857 werd Nieuwenhuijzen als resident verplaatst naar Pekalongan, doch spoedig hierna (1858) volgde zijn benoeming tot resident van Soerakarta. Een uitermate delicate plaatsing vanwege de nog altijd slepende opvolgingskwestie van de na de Java-oorlog verbannen Soesoehoenan. Na een voorlopige voorziening in 1858 wist Nieuwenhuijzen de zaak in 1861 te regelen met de benoeming van de zoon van de verbannen vorst. Dat ook het gouvernement zijn houding tegenover de inlandse vorstenhuizen goedkeurde, bleek uit zijn benoeming in 1859 tot gouvernements-commissaris in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. Hierbij werd het opstandige vorstenhuis van Bandjermasin onttroond en het gebied ingelijfd bij de direkt bestuurde gebieden. In 1863 werd Nieuwenhuijzen naast zijn funktie van resident van Soerakarta benoemd tot waarnemend resident van Djokjakarta. Aanleiding hiertoe was de geestesziekte van resident Brest van Kempen en het vermoeden, dat de sultan Djokja misbruik van deze omstandigheid had gemaakt. Na zijn onderzoek en rapportage hierover aan de gouverneur-generaal kon hij van het waarnemerschap worden ontheven en werd hij in juni 1863 opgevolgd door resident Arriëns. In 1864 werd Nieuwenhuijzen een tweejarig ziekteverlof naar Nederland toegekend, een periode die hij niet zou volmaken vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van Nederlands-Indië in 1865. Na het onverwacht overlijden van de vice-president van de Raad, mr. A. Loudon, werd hij in 1868 met de waarneming van deze funktie belast. Bij K.B. van 25 juli 1869 nr. 20 volgde zijn definitieve benoeming tot hoogste ambtenaar naast de gouverneur-generaal. Uit zijn verlofdagen in Nederland stamt zijn vriendschap met de liberale staatsman Fransen van de Putte. Een vriendschap, die hem later direkt zou betrekken bij het ontstaan van de Atjeh-oorlog. Op voordracht van minister Fransen van de Putte benoemde de gouverneur-generaal, mr. James Loudon, Nieuwenhuijzen in februari 1873 tot gouvernements-commissaris voor Atjeh. Hij werd meegezonden met het expeditionaire leger, dat de sultan van Atjeh tot inkeer moest brengen. Toen de commissaris tijdens de onderhandelingen met de vorst geen genoegdoening kreeg, reikte hij op 26 maart 1873 de door Loudon ondertekende oorlogsverklaring uit, waarmee de Atjeh-oorlog een feit geworden was. De verantwoording voor de mislukking, waarop de expeditie uitliep, kwam op de schouders van Loudon terecht, die op zijn beurt de commissaris beschuldigde door hem misleid te zijn ten aanzien van het terugtrekken van de troepen. De gouverneur-generaal stelde een commissie in, die het gehele verloop van de expeditie moest onderzoeken. Nieuwenhuijzen weigerde zijn medewerking aan het onderzoek. Het rapport van 1500 pagina's zou in 1874 verschijnen. Loudon wilde niet zover gaan een eervol ontslag voor Nieuwenhuijzen aan de minister voor te stellen. De vriendschap tussen Nieuwenhuijzen en Fransen van de Putte stond echter garant voor een veilige aftocht, die in een onderhandse telegramwisseling werd geregeld. Hij kreeg eervol ontslag en werd per 1 oktober 1873 gepensioneerd. Door de ruchtbaarheid, die aan de Atjeh-kwestie werd gegeven zouden publiekelijke verwijten hem nog jaren blijven achtervolgen. Nieuwenhuijzen overleed op 7 november 1892 in Den Haag. Als nevenfunkties van Nieuwenhuijzen kunnen genoemd worden: vendumeester in Banjoemas (1843-1844), Bagelen (1843-1847) en Probolinggo (1854-1855), lid van de Sub-Commissie van Onderwijs te Soerabaja (1851-1854), lid van de Commissie voor het afnemen van Indische Ambtenaarsexamens (1864-1873), voorzitter van het watersnoodfonds op Java (1869-1873).
Het geslacht van Lansberge. Het geslacht van Lansberge, afkomstig uit België, stamt af van Karel van Lansberge, die in het midden van de 15e eeuw leefde in de Kasselrije van Kortrijk. Met Daniel van Lansberge (1523-1595) kwam dit geslacht in Nederland. Van zijn zonen genoot Philips van Lansberge (1561-1632), predikant in Antwerpen, Goes en Middelburg, vermaardheid als wis-, natuur- en sterrenkundige. Hij was de grondlegger van de tak, waarvan het archief hier wordt besproken. Zijn kleinzoon Jacob van Lansberge (1656-1727) was burgemeester van Hulst en Hulsterambacht; diens zoon Martinus (1689-1751) was pensionaris van Brielle en vervolgens gezant van de Republiek der Verenigde Nederlanden in Keulen. Jacob van Lansberge (1740-1809) volgde de voetsporen van zijn vader en vertegenwoordigde de Republiek in Trier, Bonn, de Westfaalse Kreits en de Vrije Rijksstad Keulen. Een dochter uit zijn eerste huwelijk, Johanna Louise Martine (1768-1819), huwde met de Nederlandse gezant aan het hof van Baden, Samuel Ulrich Gronovius (1772-1810). Reinhard Frans Cornelis van Lansberge (1804-1873) was zijn enige zoon uit zijn tweede huwelijk met Maria Margaretha Henrica van Oldenbarneveldt, genaamd Tullingh (1774-1864). Na een korte loopbaan als ambtenaar van registratie en domeinen op Curaçao werd hij in 1826 benoemd tot vice-consul in Bogota, de hoofdstad van Nieuw-Granada (het huidige Colombia), waar weldra de bekende vrijheidsstrijder Simon Bolivar president werd. Bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1828, nr. 48, werd hij consul aldaar; hij kreeg er de gelegenheid, een intensieve studie van het land te maken. Zijn diplomatieke missie werd in 1840 uitgebreid met het consulaat-generaal van Venuzuela en Equador. In 1840 trad hij op, toen de regering van Venuzuela Curaçao met een oorlogsverklaring bedreigde, omdat het de oppositie zou steunen: hij schorste de diplomatieke betrekkingen en liet een eskader van het Nederlandse goevernement voor de kust kruisen. Wederom nam hij militaire maatregelen, toen in 1854 naar Coro geemigreerde Curaçaose joden door de plaatselijke bevolking werden gemolesteerd. Op 28 april 1855 werd hij benoemd tot goeverneur van Curaçao en onderhorigheden, een functie, die hij op 25 februari 1856 aanvaardde. In de drie jaar van zijn bewind bekampte hij de Colombiaanse zeerovers, die de scheepvaart belemmerden, en verbeterde het ziekenhuiswezen en de postdistributie op Curaçao. In 1859 nam hij afscheid om zijn benoeming als goeverneur van Suriname te aanvaarden. Het belangrijkste werk van zijn achtjarig bewind op Suriname was de uitvoering van de motie van de Tweede Kamer van 16 november 1855, "dat de slavernij op een nader te bepalen tijdstip zou worden af geschaft op een wijze, bij de wet te bepalen". De wet tot afschaffing van de slavernij werd eerst op 1 juli 1863 van kracht. Een van de reglementen, die uit de afschaffing voortvloeide, was het tienjarig staatstoezicht op de naleving van de arbeidsovereenkomsten, die tijdens de vrijlating werden opgesteld. Van Lansberge zorgde er vooral voor, dat de met de vrijmaking gepaard gaande onlusten tot een minimum beperkt bleven. Tevoren had hij een geschil met Frans Guyana over een stuk grond tussen de twee rivierarmen van de Marowijne tot een voor Nederland gunstig einde gebracht. Door de instelling van de Koloniale Staten krachtens het regeringsreglement van 1866 trachtte hij de Surinaamse burgerij in het bestuur en in het economische leven te betrekken. Te dien einde werd in 1865 de Surinaamse bank opgericht. In 1867 trok hij zich op 63-jarige leeftijd uit het politieke leven terug. Zijn vrouw, Victoria Maria Rodrigues y Escobar, met wie hij op 2 maart 1823 was gehuwd, schonk hem drie zoons. Hiervan vertrok de oudste, Johan Wilhelm (1830-1905), spoedig naar Nederland om in Leiden te studeren. Daar promoveerde hij in 1854 in de rechten, en na een korte militaire loopbaan in Den Haag werd hij in 1857 tot secretaris van de Nederlandse legatie in Spanje benoemd. In hetzelfde jaar werd hij naar St. Petersburg overgeplaatst, in 1860 naar Brussel. In 1864 werd hij benoemd tot raad van de Nederlandse legatie in Parijs, in 1866 tot tijdelijk secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. Persoonlijk speelde hij een rol in een diplomatiek geschil tussen België en Nederland over de afdamming van het Sloe en de Oosterschelde voor de aanleg van een spoorlijn van Vlissingen naar Venlo door de publikatie van twee anonieme brochures, waarin hij het Nederlands standpunt voor internationaal publiek verdedigt. In 1871 werd hij buitengewoon gezant in Brussel. De benoeming tot goeverneur-generaal van Nederlands Indië in 1874 betekende een radikale ommekeer in zijn loopbaan. Op 25 maart 1875 kwam hij in Batavia aan. Hier werd hij geconfronteerd met de Atjeh-oorlog, die oorspronkelijk een reeks expedities tegen de Atjehse zeeroverij inhield, maar allengs uitgroeide tot een streven naar de vestiging van Nederlands bestuur in het vorstendom zelf. Onder leiding van generaal A.J.E.Diemond probeerde Van Lansberge de kuststrook onder Nederlands gezag te brengen. Na een bezoek aan Atjeh in 1877 besloot hij het militaire bezettingsbewind geleidelijk aan te doen vervangen door een burgerlijk bewind, ofschoon hij militair ingrijpen, o.m. door Diemonts opvolger, K. van der Heyden, niet schuwde. Bij zijn vertrek in 1881 achtte hij de situatie gunstig genoeg voor de aanstelling van een goeverneur in het veroverde kustgebied. Mede door de Atjeh-oorlog leverde de begroting van de koloniën geen batig slot meer op. Om dit op te vangen, trachtte men de financiën van Indië te scheiden van die van het moederland, hetgeen gepaard ging met de invoering van belastingmaatregelen in de koloniën. Dit gelukte niet zonder heftig verzet van de Europeanen. Ook poogde Van Lansberge de inlandse herendiensten te doen afschaffen door de invoering van een uniform hoofdgeld. Hij toonde zich geen voorstander van de conversie van het dessa- en communaal landbezit van de inlander in individueel bezit. Wel steunde hij de ondernemers door verbetering van de infrastuctuur door de aanleg van spoorwegen en de uitvoering van andere openbare werken. In Zuid-Oost Borneo, Sumatra's Westkust, Palembang en Benkoelen werd het Nederlands bestuur hechter georganiseerd. In 1881 keerde Van Lansberge weer met zijn vrouw Rafaëla Romoalda Ricarda del Villar y Battle terug naar Nederland, waar hij de rest van zijn leven doorbracht met studies over vlinders en het kweken van orchideeën. In 1905 overleed hij in Menton. Zijn broer Henry (1832-1854) sneuvelde jong in Coduto (Venezuela) aan de zijde der federalisten. Zijn jongere broer Jan Felix Adriaan Eugeen (1839-1883) maakte als militair vele onderzoekings- en inspectietochten in de binnenlanden van Suriname. Met J.F.A. Cateau van Rosevelt was hij de samensteller van een verbeterde kaart van Suriname, die in 1881 verscheen. Hij was gehuwd met Wilhelmina Suzanna Petronella Adriana Maas Geesteranus, die na zijn dood de geschiedenis van haar huwelijk in een deeltje mémoires vastlegde ten behoeve van het nageslacht. Van de vele kinderen die zij kreeg zette slechts George van Lansberge (1873-1940) employé van de Bataafse Petroleum Maatschappij in Batavia, het geslacht voort. Diens zoon Jan Willem George (1908-1963) huwde als tweede vrouw op 3 juni 1947 Maria de Kanter, een nicht van het liberale Kamerlid P.J. de Kanter.
De geschiedenis van de familie Baumhauer en Von Baumhauer begint, voor zover thans bekend, in de veertiende eeuw in het Westfaalse Coesfeld binnen het milieu van de Duitse Hanze. In een tijd waarin de spelling van familienamen nog niet vaststond, werd de schrijfwijze regionaal bepaald. Gosswin Boomhouwer van Coesfeld (ca. 1410-1486), die rechten in Keulen studeerde, was in de periode 1441-1477 secretaris van de machtige Duitse Hanze te Brugge. Zijn nazaten woonden als kooplieden in de Hanzestad Reval, het huidige Tallin in Estland. Eén van hen, Christianus Bomhower (ca. 1468-1518) stelde zijn leven in dienst van de rooms-katholieke kerk en was aanvankelijk aflaatcommissaris en later bisschop van Dorpat (Tartu in Estland). Als dank voor zijn verdiensten voor de rooms-katholieke kerk verleende Keizer Maximiliaan I van Oostenrijk in 1513 Christianus en zijn broers het recht tot het voeren van het wapen met de leeuw en drie boomstammen: 'De stammen onder de Leeuw'. Christianus' broer, Hans Bomhower, verliet omstreeks 1529 de stad Reval en werd vrijwel zeker de stamvader van de Eupense en Akense familie van lakenfabrikanten en lakenkooplieden. Omstreeks 1600 ging de familie Baumhewer over tot de Reformatie naar de inzichten van Johannes Calvijn. In de 17e-eeuw werden de gereformeerden uit Aken verdreven, waarna drie Baumhewer-broers zich in Maastricht vestigden en een omvangrijk nageslacht aan kooplieden, hoge militairen en bankiers voortbrachten. Johan Baumhewer (ca. 1621-1682) mocht vanwege zijn status als rijke koopman tegen betaling van het 'Beiwohnrecht' binnen de stadsmuren van Aken wonen. Zijn kleinzonen Johan (1689-1760) en Heinrich (1691-1741) stichtten aan het begin van de 18e-eeuw nieuwe lakenfabrieken in het nabijgelegen Eupen. Eupen werd de plaats waar drie nieuwe takken ontstonden: Wilhelm Jacob Baumhauer (1735-1796) trok naar Hamburg en kreeg daar nakomelingen tot in de tegenwoordige tijd. Zijn broer Heinrich Baumhauer (1726-1790) legde door zijn huwelijk met de rooms-katholieke Petronella Nicolai de basis voor een omvangrijke rooms-katholieke familie met nakomelingen tot in de huidige tijd in geheel West-Duitsland. Van Johan Boomhouer (1689-1760), lakenkoopman en leider van de gereformeerde gemeenschap te Eupen, is de vroegstbewaarde familiekroniek afkomstig. Uit deze kroniek is ondermeer bekend dat zijn dochter Anna Catharina Baumhauer (1730-1795) tegen de wil van haar vader trouwde met haar neef Jacob Reinhard Baumhauer (1729-1786), die in Aken een lakenfabriek had. Na het overlijden van Jacob Reinhard zette de weduwe het bedrijf samen met haar zoon Johann Matthias Baumhauer (1759-1818) voort. De bijbehorende schriftelijke overeenkomsten werden door Jon Baumhauer te München in 2002 aan het Familiearchief Von Baumhauer geschonken. Johans jongste zoon, de koopman Matthijs Jacob Boomhouer (1737-1789) vestigde zich omstreeks 1762 op de Keizersgracht te Amsterdam om de koopmansfirma van zijn kinderloze oom Wilhelm Baumhauer (1695-1758) en tante Elisabeth Cappel voort te zetten. Hij werd stamvader van de Nederlandse tak, die sinds het midden van de 19e-eeuw de naam 'Von Baumhauer' draagt, nadat eerst omstreeks 1790 in Nederland de schrijfwijze 'Baumhauer' was geworden. De oudste zonen van Matthijs Jacob Boomhouer en Helena Maria von Scheibler zagen in de Napoleontische tijd geen kans de oorspronkelijk zo vermogende koopmansfirma voort te zetten. In hun generatie voltrok zich de overgang naar beroepen op het bestuurlijke en juridische terrein. Zo werden Charles Matthieu Baumhauer (1779-1834) bestuursambtenaar in Nederlands-Indië en zijn jongere broer Matthieu Jacques Reinhard Baumhauer (1789-1822) aanvankelijk militair onder Napoleon en later secretaris van het Nederlandse Gouvernement in Malakka. Daar werd Jan Willem Samuel von Baumhauer (1820-1884) geboren, die na het vroegtijdige overlijden van zijn ouders in Brussel en vervolgens in Utrecht bij zijn oom Willem Theodorus (von) Baumhauer opgroeide. Hij studeerde daar rechten en was later werkzaam als bestuursambtenaar op Java en Borneo's westkust. Bij de Javaanse vrouw Sarina had hij één dochter, Maria (1852/4-1932). Centrale figuur in de 19e-eeuwse familie was een derde broer, Mr. Willem Theodorus (von) Baumhauer (1785-1849), Procureur-Generaal te Brussel en Utrecht, die in 1824 pogingen deed in de adelstand verheven te worden. Omdat hij geen bewijzen kon aanvoeren voor zijn afstamming van één van de in de wapenbrief van 1513 genoemde vier gebroeders Bomhower, kon de Hoge Raad van Adel niet aan dit verzoek voldoen. Sinds ongeveer 1842 noemden Willem Theodorus Baumhauer, zijn vier zonen en neef Jan Willem Samuel zich officieel 'Von Baumhauer', hetgeen tot op heden de schrijfwijze van de Nederlandse tak is gebleven. Het geslacht van Willem Theodorus (von) Baumhauer en Apollonia Joanna Croese werd tot in de huidige tijd door één zoon voortgezet in de persoon van Professor Edouard Henri von Baumhauer (1820-1885), gehuwd met Elisabeth Catharina Petronella Boonen. Hij genoot op scheikundig terrein een groot aanzien in binnen- en buitenland en stond in contact met belangrijke geleerden van zijn tijd. Door vererving kwamen landerijen en boerderijen in Elspeet en Vierhouten op de Veluwe, die al eeuwen in het bezit waren van de familie Boonen, in de familie Von Baumhauer. In 1917 verrees aldaar aan de Elspeterbosweg 'Huize Vierhouten' dat een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog zou spelen. Nakomelingen van het echtpaar Von Baumhauer-Boonen in rechte lijn zijn: Mr. Edouard Marie von Baumhauer (1853-1907), Officier van Justitie te Amsterdam; de broers Mr. Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950), advocaat te Amsterdam en Ir. Albert Gillis von Baumhauer (1891-1939) vliegtuigbouwkundige en ten slotte de bedrijfsjurist Mr. Edouard Mari Herminius von Baumhauer (geb. 1931). Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950) was een zelfstandig gevestigd advocaat in Amsterdam met uitgebreide contacten in het internationale zakenleven. Daarnaast was hij voorzitter van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en vertegenwoordiger van de Deutsche Bank. Voor zijn werk bij de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel ondernam hij in 1930, 1932 en 1938 enkele maandenlange reizen naar de Verenigde Staten van Amerika. Onder druk van de oorlogomstandigheden nam hij in 1943 vanuit 'Huize Vierhouten' het initiatief tot de oprichting en in standhouding van het 'Pas-Op-kamp' voor onderduikers in het Vierhoutense bos, dat bijna twee jaar in gebruik bleef. Hiermee redde het echtpaar Von Baumhauer met hulp van velen het leven van tientallen onderduikers. In de naoorlogse jaren verzamelde zijn weduwe Hermien verdere documentatie en bewijsmateriaal over de rol van haar man in de Tweede Wereldoorlog, mede omdat er over de betekenis van het werk van verschillende verzetsmensen verschil van mening bestaat. In het voorjaar van 1984 werd het verzetsherdenkingskruis uitgereikt aan Hermien von Baumhauer-Ribbink en haar dochter Clazien (1923-1984). Het echtpaar Von Baumhauer werd in mei 2000 postuum geëerd met de Yad Vashem-onderscheiding, die Eduard von Baumhauer (geb. 1931) namens zijn ouders te Wassenaar in ontvangst nam. De tak van de Zutphense predikant Theodore Charles Matthieu von Baumhauer (1823-1900) stierf wat betreft naamdragende nakomelingen uit met het overlijden van zijn oudste dochter Apollonia Johanna Wilhelmina von Baumhauer in 1937. Haar nageslacht vindt men heden binnen de families De Ranitz, Campert en Waszink.
De oudste geschiedenis van de familie Veegens is op een levendige manier beschreven in de "Herinneringen uit het begin dezer eeuw" door de negentiende-eeuwse historicus Daniel Veegens. Te zijner nagedachtenis werd zij, fragmentarisch als zij was, opgenomen in een bundel Historische Studiën, die kort na zijn overlijden in 1884 werd uitgegeven. In 1979 voltooide zijn kleinzoon mr D.J. Veegens een handgeschreven genealogie onder de titel Vier eeuwen Veegens, waarin van de voornaamste personen levensbeschrijvingen zijn opgenomen. De eerste Veegens waarvan papieren bewaard zijn gebleven, is Dirk (1723-1797), gereformeerd predikant in Ilpendam, Vlissingen en Haarlem, die naast zijn herderlijk ambt ook letterkundige arbeid verrichtte. Zijn zoon Dirk (1762-1801) vestigde zich als arts in Haarlem en zou daar een gezagvolle notabele zijn geworden, als hij niet vroegtijdig aan een tyfus-epidemie was bezweken. Zijn echtgenote, Johanna Wilhelmina Vijgh (1772-1806), hertrouwde kort daarop met Pieter Hamminck Schepel, adjudant van Daendels. In 1806 stierf zij in het kraambed. Haar man kwam in 1812 om tijdens de veldtocht van Napoleon naar Rusland. Haar vroeg verweesde kinderen kwamen nu onder de zorg van haar moeder, Maria Vriends, weduwe van de boekdrukker Daniël Vijgh (1748-1793). Daniël was afkomstig van een oorspronkelijk doopsgezinde familie, waarvan de nakomelingen in de achttiende eeuw zich toelegden op de letterkunde en zich aansloten bij de patriotten. De eruditie van deze familie was van grote invloed op de opvoeding van de kinderen Veegens. De oudste, Dirk Jacob Veegens (1798-1861), kandidaat in de letteren, brak zijn studie af om praeceptor te worden aan de Latijnse school in Haarlem. In 1846 werd hij rector aan de Latijnse school van Amsterdam. Hij beschikte over een brede kennis op allerlei gebied, promoveerde in 1839 op een klassiek onderwerp, maar had dat evengoed in de rechten kunnen doen. Van belang van de kennis van zijn leven en zijn opvattingen zijn vooral de brieven aan zijn broer Daniel. 2. Daniel Veegens Reeds vroeg verweesd werd Daniel Veegens vanaf 1806 door zijn grootouders van moederszijde, de boekdrukkersfamilie Vijgh, opgevoed. Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1813 begon hij zijn loopbaan als notarisklerk. In 1820 trad hij echter in dienst als klerk bij de hoofdinspectie van het lager en middelbaar onderwijs. Sedertdien reisde hij vaak met schoolinspecteur A. van den Ende mee naar de Zuidelijke Nederlanden. Op 1 januari 1828 werd hij op proef aangenomen in de redactie van de Nederlandsche Staatscourant; officiële aanstelling volgde bij beschikking van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 9 februari 1828, nr. 1, geheim. Doordat zijn benoeming eerst bij Koninklijk Besluit van 14 september 1836, nr. 28, bekrachtigd werd, was dit lange tijd een functie met een onzekere rechtspositie. In maart 1847 benoemde de Tweede Kamer hem tot griffier. In deze functie vergrijsde hij, tot hij zich op 81-jarige leeftijd om gezondheidsredenen terugtrok. Hij werd in de Kamer een alom geachte en vertrouwde persoonlijkheid, op wie men achter de schermen vaak een beroep deed. In het jaar van zijn ontslagname, 1881, werd hem door de Utrechtse universiteit het eredoctoraat in de rechten toegekend. Veegens had zich namelijk, geïnspireerd door de eruditie van de boekhandelsfamilie Vijgh en door de wetenschappelijke loopbaan van zijn broer Dirk Jacob, in zijn vrije tijd aan de geschiedschrijving gewijd. In tal van tijdschriften publiceerde hij artikelen over historische persoonlijkheden, voornamelijk uit de tijd van Frederik Hendrik en Johan de Witt. Verder beoefende hij op dusdanige wijze de historische topografie, dat hem in 1879 door het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid werd opgedragen een officiële beschrijving van de Hofkapel in het Haagse Binnenhof samen te stellen. Op 28 april 1884 overleed Veegens, waardoor hij tal van geschiedkundige werken onafgeschreven moest laten. 3. Jacob Dirk Veegens Op 22 januari 1845 werd Jacob Dirk Veegens in Den Haag geboren als zoon van Daniël en Anna Maria van Baalen. Na een schoolopleiding aan het Gymnasium Haganum schreef hij zich in 1863 in aan de faculteit der rechten aan de Leidse universiteit. Daar bleek hij, door zijn redacteurschap van de studentenalmanak en zijn bemoeienis met het novitiaat in het Corps, een actief student met essayistische begaafdheden te zijn. In debatingclubs toonde hij zich een enthousiaste leerling van de econoom S. Vissering, bij wie hij in 1868/69 promoveerde over "De banken van leening in Noord-Nederland". Na zijn studie was hij correspondent in de Tweede Kamer voor het Haagse dagblad Het Vaderland, dat toen onder redactie stond van zijn geestverwant H. Goeman Borgesius. Hij beëindigde zijn werkzaamheden bij dit blad in 1872, omdat hij zich toen als advocaat en procureur in Brielle vestigde. Niettemin bleef hij de plaatselijke kranten van parlementair commentaar voorzien, waarbij hij vooral van leer trok tegen de conservatieve regeringspartij. In 1874 vestigde hij zich wederom in Den Haag, waar hij naam begon te maken als politiek essayist en rechtsgeleerde: hij publiceerde enkele kleine monografieën over het auteursrecht en het faillissementsrecht, en artikelen over de Franse Revolutie, waarin hij de personen en politieke opvattingen van de Jacobijnen besprak. In 1873 publiceerde hij een soort program in De Gids onder de titel Politieke Gedachten van een Leek. Hij schaarde zich hiermee onder de prominente jong-liberalen, die vanaf 1874 een eigen spreekbuis hadden in het maandblad Vragen des Tijds. De scherpe literaire criticus Busken Huet oordeelde hierover "Onder de redacteuren ... is de heer Veegens de enige die talent van schrijven heeft". In die periode verkeerde het constitutionele stelsel door de buitenparlementaire oppositie tegen de Schoolwet van het kabinet Kappeyne van de Coppello in een crisis. Veegens zag de oplossing in de oprichting van een Comité voor Algemeen Stemrecht, dat ijverde voor kiesrecht voor vrouwen. Volgens Veegens moest de volksvertegenwoordiging "de photographie der natie" zijn. Omdat toekenning van alle burgerrechten de oplegging van alle burgerplichten impliceerde, toonde Veegens zich eveneens voorstander van de algemene dienstplicht. Tevens pleitte hij voor staats-inmenging ter oplossing van het arbeidsvraagstuk en sociale wetgeving: zijn opvattingen kwamen sterk overeen met de Owenistische initiatieven van de Delftse fabrikant J.C. van Marken, voor wie hij grote bewondering had. Necrologieën in liberale bladen beschreven hem dan ook als "een onzer kathedersocialisten" en "min of meer staatssocialistisch". In 1881 volgde hij zijn vader op als griffier van de Tweede Kamer: alom beschouwde men hem als "een verjongde uitgave van zijn vader", wiens voorkomen en optreden in de loop der decennia karakteristiek was geworden! Bij invloedrijk parlementair werk achter de schermen bleef het echter niet: in 1888 werd hij als kandidaat voor de unieliberalen gekozen door het district Groningen. Als kamerlid schaarde hij zich ter linkerzijde. Hij liet zich kennen als een gedegen, zijn teksten tot in de puntjes voorlezende docent die van elke redenaarskunst was verstoken, doch die om zijn inhoudelijke bijdragen respect inboezemde. Hij steunde de kieswet-Tak van 1893 en stemde in 1896 tegen de hem te beperkte kieswet-Van Houten. Zelfs voerde hij oppositie tegen de hem te behoudende ongevallenwet van het geestverwante kabinet-Pierson in 1899. Van 1899 tot 1901 was hij tweede vice-voorzitter van de Kamer. Voorbereidende arbeid bij de wetgeving leverde hij bovendien in de belangrijke Staatscommissie van enquête naar de arbeidstoestanden in 1890 en in de Staatscommissie voor de droogmaking van de Zuiderzee in 1892. In 1901 stelde hij zich voor de Vrijzinnig Democratische Bond verkiesbaar als kandidaat in Hoogezand. Deze partij had zich in datzelfde jaar van de Liberale Unie afgesplitst en zou, mede onder invloed van Veegens, tenderen om op enkele parlementaire vraagstukken met de aan invloed winnende sociaaldemocraten samen te werken. Veegens verloor de verkiezingen; in zijn plaats werd een sociaaldemocraat gekozen. Opnieuw kon hij zich daardoor aan juridische studie wijden; in hetzelfde jaar verscheen zijn monografie Het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Hij werd in 1903 weer in de staatspolitiek betrokken als voorzitter van de Staatscommissie van enquête omtrent het spoor- en tramwegpersoneel, om het sociale antwoord van de regering te vinden op de spoorwegstakingen, die tot een revolutionaire beweging dreigden uit te groeien. In 1904 werd hij tot lid van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten benoemd. Toen er na de val van het coalitie-kabinet-Kuyper in 1905 een "uit onvoorzichtigheid geboren" ministerie van liberale signatuur aan het bewind kwam, vertegenwoordigde Veegens met E. van Raalte de vrijzinnig-democratische stroming. Veegens beheerde het nieuw opgerichte departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, waar hij weldra een eigen stempel op drukte door het organisatorisch uit te bouwen. Een aparte Afdeling Handel werd opgericht en Veegens wist op doortastende wijze kredieten voor scheepvaartverbindingen naar Latijns Amerika gevoteerd te krijgen. Nog intensiever was zijn bemoeienis met de sociale wetgeving: hij diende naast vele kleine ontwerp-wetten een ontwerp-wet op de ziektever-zekering, de ongevallenverzekering en de ouderdomsverzekering in. Zij kwamen echter niet in behandeling in de Tweede Kamer als gevolg van de val van het kabinet-De Meester in 1908 door de zwakte van de coalitie. Zijn opvolger, de antirevolutionaire A.S. Talma, trok de ontwerpen in. Indrukwekkend was zijn optreden in de waarneming van het departement van Waterstaat als vervanger van dr ir J. Kraus, toen in februari 1906 door een stormramp de polders bij Rilland Bath verloren dreigden te gaan. Met het argument "men stopt geen dijken met papier, maar met cement" wist hij een versneld krediet voor de redding van deze polders te bewerkstelligen. Veegens bleef actief op staatkundig terrein: in 1909 stelde hij zich opnieuw kandidaat voor de Tweede Kamer, maar vergeefs; hij werd voorzitter van de Tiendcommissie, die de gevolgen moest regelen van de door hemzelf tot stand gebrachte wet op de afschaffing der tienden. Op 27 december 1910 werd hij door de dood uit het politieke leven weggerukt. 4. Dirk Jacob Veegens De kwaliteiten van Jacob Dirk Veegens "als toegewijde en opgewekte man en vader kwamen" eerst na diens tweede huwelijk in 1895 "tot volle ontplooiing". Op 8 augustus 1899 werd Dirk Jacob Veegens geboren. Deze promoveerde in 1924 in de rechten en vestigde toen een advocatenpraktijk. Vanaf 1927 was hij werkzaam als plaatsvervangend Rijksadvocaat, later werd hij ook Rijksadvocaat. In 1940 werd hij benoemd tot auditeur-militair bij de Krijgsraad in 's-Gravenhage en als zodanig was hij betrokken bij de afdoening van krijgstuchtelijke feiten, bedreven tijdens krijgshandelingen van Nederlandse militairen na de Duitse inval op 10 mei. Ook werd hij in 1943 als krijgsgevangene naar Duitsland weggevoerd. Veegens stelde zijn ervaringen te boek en na zijn pensionering als rijksadvocaat en raadsheer bij de Raad van Cassatie legde hij ook enkele belevenissen tijdens zijn werkzaamheden voor de krijgsraad voor de geschiedenis vast. Zijn historische belangstelling kwam ook tot uiting in enkele levendig opgestelde genealogische 'beschrijvingen.
Het Kabinet der Koningin is opgericht bij Koninklijk besluit van 22 december 1840 no. 44. Dat besluit bepaalde in artikel 1 de vervanging van de Secretarie van Staat en het toen bestaande Kabinet des Konings per 1 januari 1841 door een nieuwe instelling onder de naam Kabinet des Konings. Het tweede artikel bepaalde de formatie: een directeur, drie referendarissen, twee commiezen, drie adjunct-commiezen, enige vaste klerken en het nodige getal bedienden. Het derde artikel bevat de benoeming van de griffier ter Secretarie van Staat A.G.A. ridder van Rappard tot directeur van het nieuwe Kabinet des Konings. Het eigenlijke oprichtingsbesluit bevat dus geen taakomschrijving van het Kabinet. De considerans van dit besluit bevat wel enige toelichting. Na de opheffing van de Secretarie van Staat zouden de "overblijvende werkzaamheden echter van dien aard en van dien omvang zijn, dat zij noodwendig het aanhouden van eene afzonderlijke instelling, vooral ook voor het behoorlijk aantekenen, rangschikken en bewaren der wetten en besluiten en andere regeringsacten vereischen: maar tevens dat daarbij gevoeglijk de werkzaamheden, welke bij het oude Kabinet des Konings alsnog worden verrigt, kunnen plaats hebben". De formele samenvoeging van het oude kabinet des Konings en de Srecretarie van Staat betekende dus ook een samenvoeging van taken. Niet alle taken van beide instellingen zouden op het nieuwe Kabinet des Konings overgaan. Het concipiëren van de ontwerp-besluiten en het plaatsen van het contraseign waren aan de verantwoordelijke ministers opgedragen. Volgens de considerans van het instellingsbesluit behoorden dus in elk geval tot het takenpakket van het Kabinet des Konings: registratie der wetten, besluiten en andere staatsstukken; Van 1798 tot eind 1988 werden de stukken chronologisch geregistreerd en voorzien van een iedere dag opnieuw beginnende doorlopende nummering. Daarmee stemt overeen de "agenda" der dagelijks ingekomen stukken, met een korte opgave van de inhoud, alsmede de datum en nummer van het besluit van afdoening. Overigens maakte men geen onderscheid tussen belangrijke en minder belagrijke stukken. Alles, rijp en groen, werd geregistreerd, wetten en algemene maatregelen van bestuur, maar ook de toezending van een jaarverslag of de uitbetaling van een vergoeding aan een personeelslid. bewaring der wetten, besluiten en andere staatstukken; Na te zijn afgehandeld werden de stukken in het archief van het Kabinet opgeborgen. Ze liggen chronologisch, op datum en nummer van het besluit. Om nu stukken te kunnen terugvinden, waarvan de datum en het nummer niet bekend zijn, maar het onderwerp wel, werden zeer uitgebreide en omvangrijke registers aangelegd: een onderwerpsgewijze index en een alfabetische namen- en zakenklapper. Evenmin als bij de registratie werd bij de opberging onderscheid gemaakt naar de aard van het stuk. Wel is er naast het zgn. "publieke" archief een klein "geheim" archief, waarin stukken zijn opgeborgen, waarvan de inhoud voor het eigen personeel een tijd geheim moet blijven. Naast deze twee in de considerans van het instellingsbeluit genoemde taken, gingen dus nog enkele andere taken naar het nieuwe Kabinet des Konings over. Dat waren: het voorleggen van en behandelen met de Koning van alle ingekomen stukken; Dit hield in het maken van een samenvatting of een commentaar, de controle op volledigheid van de bijlagen en juistheid der stukken, en het gevraagd en ongevraagd verzamelen van informatie. Tijdens de latere jaren van het koningschap van Koning Willem III liet deze zich de stukken vaak voorlezen door een medewerker van het Kabinet. het voeren van de correspondentie namens de Koning met de ministers en de Hoge Colleges van Staat; De Koning(in) schrijft in principe zelf geen brieven. Het overgrote deel van het contact tussen de Koning(in) en de ministers en de Hoge Colleges van Staat verloopt schriftelijk en via het Kabinet. De uitgaande brieven en beschikkingen (niet de Koninklijke besluiten) worden door ambtenaren van het Kabinet geconcipieerd en door de directeur ondertekend. Slechts brieven van de Koningin aan buitenlandse staatshoofden worden door haarzelf ondertekend, evenals de geloofsbrieven van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers in het buitenland. het vervaardigen en verzenden van afschriften van Koninklijke besluiten aan de ministers en de Hoge Colleges van Staat, ter uitvoering of ter kennisneming; Indien in de tekst van een Koninklijk besluit staat vermeld dat afschriften van het besluit moet worden verzonden aan een of meer met name genoemde personen of instellingen, dan werden die afschriften door personeel van het Kabinet vervaardigd en verzonden. De minister, die met de uitvoering van het besluit was belast, liet door zijn ambtenaren afschriften vervaardigen voor andere, niet met name in het besluit genoemde belanghebbenden. het registreren, behandelen en doorzenden der aan de Koning gerichte verzoekschriften aan de ministers, ter afdoening of om bericht en raad; Verzoekschriften aan de Koningin gericht werden nooit door de Koningin zelf afgedaan, maar altijd door de minister, op wiens terrein het verzoekschrift betrekking had. De verzoekschriften werden bijna altijd ter afdoening aan de ministers gestuurd. Daarom zijn in het archief van het Kabinet ook nauwelijks afschriften te vinden. Als de Koningin geïnformeerd wilde worden over een bepaalde kwestie, in een verzoekschrift genoemd, liet ze het eerst om 'consideratie en advies' of om 'bericht en raad' aan een minister sturen. Deze rapporteerde dan aan de Koningin, waarna de minister gemachtigd werd om overeenkomstig zijn rapport te handelen. Deze taken worden nog steeds door het personeel van het Kabinet der Koningin verricht. Enkele andere taken die in 1841 overgingen naar het nieuwe Kabinet des Konings verdwenen in de loop der tijd: de uitgifte van het Staatsblad; Van 1841 tot 1864. Krachtens Koninklijk besluit van 22 december 1863 S.149 is de uitgifte van het Staatsblad opgedragen aan de Minister van Justitie. de behandeling van aangelegenheden van het Koninklijk Huis; Tussen 1841 en 1898 gingen geleidelijk een aantal bemoeiingen van het Kabinet over op de hofhouding, nl.: a) behandeling van verzoeken om financiële ondersteuning, voor zover die niet uit 's rijks schatkist kon geschieden; b) behandeling van verzoeken om het predicaat koninklijk en hofleverancier; c) behandeling van verzoeken om boekwerken aan de Koning(in) te mogen opdragen; d) bemiddeling bij het aanbieden van boekwerken; e) registratie van verlening van onderscheidingen in de Orde van de Eikenkroon en van de Gouden Leeuw van Nassau. het secretariaat van de Kabinetsraad. Onder Koning Willem II kwamen de ministers geregeld samen en vergaderden onder voorzitterschap van de koning. Deze vergaderingen werden Kabinetsraad genoemd. De invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid verschoof het zwaartepunt van de besluitvorming naar de Ministerraad, waardoor de noodzaak tot het houden van een Kabinetsraad minder opprtuun werd. Onder Koning Willem III zijn dan ook een beperkt aantal vergaderingen van de Kabinetsraad gehouden. Ook Koningin Wilhelmina heeft nog tweemaal een Kabinetsraad voorgezeten, en wel in 1904 en 1906, welke, voor zover bekend, de laatste zijn geweest. Er is niet alleen een aantal taakonderdelen verdwenen, maar er zijn er ook enkele bijgekomen, zoals: het secretariaat van de Ministerraad; Van 1823 tot 1842 was het secretariaat van de Ministerraad opgedragen een referendaris bij de Raad van State. Bij art. 4 van het Koninklijk besluit van 31 maart 1842 houdende het Reglement van orde voor de Raad van Ministers werd de directeur van het Kabinet des Konings belast met het secretariaat van die raad. Formeel, want feitelijk vervulde de toenmalige directeur Van Rappard het secretariaat reeds sinds 1839 in zijn functie van griffier ter Staatssecretarie. In 1850 wilde de Koning afschriften ontvangen van de notulen, welke sindsdien steeds aan de Koning(in) zijn voorgelegd. Mede als gevolg hiervan zijn de notulen verworden totlouter lijsten van formele besluiten: men kan er niet meer in lezen waarover de ministers beraadslaagd hebben. Bij Koninklijk besluit van 31 januari 1862 nr 47 verkreeg jhr F.L.W. de Kock, directeur van het Kabinet, ontslag op eigen verzoek als secretariaat van de Ministerraad. Krachtens ket Koninklijk besluit van 3 augustus 1862 nr. 21, houdende een nieuw Reglement van orde, treedt een der ministers op als tijdelijk secretaris van de Ministerraad. de ambtelijke ondersteuning bij het representatief optreden van de Koningin; Als de koningin als staatshoofd ambassadeurs ontving of zelf op staatsbezoek ging, zorge het Kabinet voor de voorbereiding, samen met de betrokken ministeries. de voorlichting over het optreden van het staatshoofd. Met name bij kabinetsformaties verzorgde de directeur van het Kabinet de communiqués over de stand van de kabinetsformatie.
1. Jan Jacob Rochussen (1797-1871) Op 23 oktober 1797 werd Jan Jacob Rochussen in Etten geboren als zoon van Jan Rochussen (1759-1818) en Aletta Jacoba Erbervelt (1764-1851). De Rochussens stamden van een Vlissings magistratengeslacht, welks stamvader Rochus Rochussen (1598 - na 1623) zich aldaar had gevestigd. Jan Jacob begon zijn loopbaan in het voetspoor van zijn vader, die was opgeklommen tot direkteur der accijnzen in Amsterdam. Toegerust met gelijke kennis en ervaring op fiskaal gebied als zijn vader, werd hij in 1826 sekretaris van de Kamer van Koophandel in Amsterdam en in 1828 direkteur van het Entrepotdok. Zijn handelsrelaties brachten hem op de weg der diplomatie: zo vertegenwoordigde hij Nederland in het college van de Rijnvaart, bij onderhandelingen met Pruisen over een scheepvaartverdrag in 1837 en met het Tolverbond over een verdrag in 1839. Op 25 juni 1840 werd hij door koning Willem I tot minister van Financiën benoemd, de eerste minister die, overeenkomstig de grondwetsherziening van 1840, jaarlijks zijn financiële politiek voor de Staten-Generaal moest verdedigen. Zijn nota van 28 oktober 1840 over het Amortisatie-syndicaat legde de deplorabele toestand van de schatkist bloot, maar zijn maatregelen ter sanering door een konversie van de werkelijke schuld van 4 in 3 procent werden in 1843 door de Tweede Kamer verworpen, als gevolg waarvan hij aftrad. De goede verstandhouding, waarin hij als gevolg van zijn diplomatieke aktiviteiten met koning Leopold I van België verkeerde, maakten hem bij uitstek geschikt voor onderhandelingen met België ter afwikkeling van geschilpunten, welke na de konferentie van Londen in 1839 waren blijven bestaan. Nog tijdens zijn ministerschap bracht hij deze tot een bevredigend einde en een post als gezant in België was hiervan het gevolg. In januari 1845 werd hij echter tot gouverneur-generaal van Nederlands -Indië benoemd. Zijn vijfjarig bewind aldaar kenmerkt zich door herziening van het muntwezen en voortzetting van het kultuurstelsel, zij het, dat hongersnoden in 1848 en 1849 tot verlichting van lasten op de inlanders noodzaakten. Hij kantte zich tegen voorstellen tot persvrijheid. Ook was hij de eerste gouverneur-generaal die daadwerkelijk streefde naar enige ordehandhaving in de Buitengewesten, zodat onder zijn bewind strafexpedities plaats vonden naar Borneo (tegen Chinese mijnwerkers) en naar de Soeloe-eilanden (tegen zeerovers). Op Java bracht hij kontraktuele bestuursbanden tot stand met de vorsten aldaar. In 1850 nam hij ontslag, doch eerst in 1852 keerde hij in Nederland terug. In datzelfde jaar nog werd hij voor het distrikt Alkmaar tot lid van de Tweede Kamer verkozen, waar hij grote invloed had bij de totstandkoming van het Regeringsreglement voor Nederlands-Indië van 1854. In 1857 trok hij zich terug, wijl hij geen oppositie wenste te voeren tegen de toenmalige minister van Koloniën P. Mijer. Zijn invloed op het koloniale beleid werd nochtans versterkt, nadat hij in 1853 was benoemd tot commissaris des konings bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Als zodanig was hij betrokken bij voorstellen tot de afschaffing van de slavernij in Oost- en West-Indië. In het voorjaar van 1858 werd Rochussen door de koning aangezocht een ministerie te vormen, "gematigd zonder partijschap". In dit eerste z.g. koninklijk kabinet "van fusie" (tussen konservatieven en liberalen) beheerde hij de portefeuille van Koloniën; het kabinet trad op 23 maart 1859 af na de verwerping van een wet op staatsexploitatie der spoorwegen. Rochussen, die een wet op de afschaffing van de slavernij in Oost-Indië aangenomen zag, bleef echter aan onder het volgende kabinet, dat door F.A. van Hall gepresideerd werd en in toenemende mate te kampen kreeg met de oppositie van een liberale Tweede Kamermeerderheid. Rochussens starre konservatieve stellingname voor het behoud van het kultuurstelsel en tegen parlementaire kontrole op het beheer der koloniale middelen droeg daar niet weinig toe bij. In december 1860 trad hij af, doordat zijn begroting in de Tweede Kamer werd afgestemd. Hij ging evenwel niet in op het voorstel van koning Willem III de Kamer te ontbinden. De koning, die hem node zag gaan, overlaadde hem met eerbewijzen (De koning bood hem verheffing in de adelstand aan onder de titel van graaf. Rochussen weigerde, zoals hij ook in 1842 een baronnentitel van koning Willem II had geweigerd. Rochussen werd nu het grootkruis van de Nederlandse Leeuw toegekend met briljanten, een dekoratie, die tot dan toe aan niemand was uitgereikt.). Als verpersoonlijking van "het behoudend stelsel" werd hij in 1864 wederom in de Tweede Kamer verkozen. Hij opponeerde tegen de ministeries Thorbecke en Fransen van de Putte en stelde zich achter het ministerie Van Zuylen-Heemskerk. In 1869 trok hij zich terug. Rochussen was op 14 december 1831 gehuwd met Anna Sara Velsberg (1807-1841), en wettigde hiermee drie tevoren geboren zoons en een dochter. Na het overlijden van zijn echtgenote huwde hij in Batavia op 25 september 1848 met Elisabeth Charlotta Vincent (1827-1851). Op 21 januari 1871 overleed hij in Den Haag. 2. Jhr. mr. Willem Frederik Rochussen (1832-1912) Willem Frederik, geboren in Amsterdam op 18 december 1832, was de eerste vanaf zijn geboorte wettige zoon van Jan Jacob Rochussen. Na een universitaire studie in Amsterdam, Utrecht en Leiden promoveert hij in 1855 op thesen, waarna hij de diplomatieke loopbaan kiest. Hij begint als attaché bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarna hij in 1856 tot gezantschapssekretaris te Berlijn wordt benoemd en vervolgens in 1858 te Parijs. Op 6 juli 1860 wordt hij zaakgelastigde te Kopenhagen. Hij valt op door een beleidvol en, ook in netelige kwesties, doortastend optreden. Dit leidt tot een uitbreiding van zijn post met de vertegenwoordiging in Zweden en Noorwegen. Op 14 december 1867 treedt hij in het huwelijk met Gregersone Mathilde barones Wedell-Wedellsborg (1835-1927). In 1870 wordt hij gezant in België, maar een gewichtiger post volgt, wanneer hij zich in 1871 benoemd ziet tot gezant bij het Duitse keizerrijk. Zijn berichtgeving over het nieuwe imperium bevat uitgebreide gegevens over de publieke geest aldaar en over Bismarcks politiek. Tevens bemiddelt hij voor het koninklijk huis, waarmee zijn vader steeds zulke gunstige betrekkingen had onderhouden. Op 5 januari 1876 wordt hij in de adelstand verheven met het predikaat jonkheer. Zijn vader had zelfs hogere titels steeds afgewezen. Op 15 september 1881 geeft hij na lang aandringen zijn lukratieve gezantschapspost prijs voor de benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het sterk heterogene kabinet-Van Lynden van Sandenburg. Hij verdedigt het voorstel van zijn voorganger tot uitbreiding van zijn departement met sukses, maar een onder zijn bewind gesloten handelsverdrag met Frankrijk wordt tot tweemaal toe door de Tweede Kamer verworpen, hetgeen op 9 mei 1882 tot zijn aftreden leidt. Het ontslag wordt geweigerd, maar het kabinet struikelt op een herziening van de kieswet op 23 april 1883. Rochussen blijft nu verder in Nederland, waar hij op 30 april 1886 wordt benoemd tot lid van de Raad van State, in welke funktie hij tot 1907 werkzaam blijft. Hij stelt zich in diverse publikaties konservatief en vaderlandslievend, doch ethisch bewogen, op en raakt op goede voet met koningin Wilhelmina( Vergelijk inventarisnummers 47, 60 en 64. ). Op 17 juli 1912 overlijdt hij in Den Haag. 3. Jhr. mr. Jan Jacob Rochussen (1871-1928) Jan Jacob Rochussen( Biografische gegevens van Jan Jacob Rochussen over zijn loopbaan tot 1815 bevinden zich in inventarisnummer 78. Mr. H.J. Sjollema maakt op pagina 46 van zijn studie over Isaac Rochussen melding van autobiografische aantekeningen van J.J. Rochussen. Deze zijn niet aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen, omdat zij hoofdzakelijk partikuliere aangelegenheden betreffen. ) werd op 5 november 1871 in de Nederlandse legatie in Berlijn geboren als zoon van Willem Frederik Rochussen. Deze had, juist terwille van de opleiding van zijn zoon, afgezien van nieuwe posten in het buitenland. Zolang deze vader nog lid was van de Raad van State, doorliep de jonge Jan Jacob een briljante loopbaan. Hij had sedert 1889 aan de Rijksuniversiteit van Leiden gestudeerd, waar hij in 1895 de titel van meester in de rechten verwierf. In 1895 werd hij als adjunkt-commies verbonden aan het departement van Buitenlandse Zaken, waar hij reeds in 1901 tot referendaris was geavanceerd. Hij heeft in verschillende commissies zitting gehad, en aan internationale konferenties deelgenomen, welke zich vooral bezig hielden met de arbitragegedachte en het internationaal privaatrecht. Geïnspireerd door zijn oom, jhr. mr. A.P.C, van Karnebeek en door mr. T.M.C. Asser, die hij als zijn leermeester beschouwde, werd hij betrokken bij de voorbereiding van de Tweede Vredesconferentie, die in 1907 zou plaatsvinden. In 1906 werd hij benoemd tot de belangrijke funktie van chef der afdeling Politieke Zaken van zijn ministerie. In 1907 trok hij zich uit deze ambtelijke funktie terug om het direktoraat te aanvaarden van het Rotterdamse kantoor der Amsterdamsche Bank. Tot dit besluit werkte, naast een aanzienlijke verbetering van zijn persoonlijke financiële positie (zijn inkomen werd aanstonds verviervoudigd!), ook zijn overtuiging mee, dat hij geen medewerking meer kon verlenen aan internationale vredesconferenties, die door de machtigsten voor eigen imperialistische doeleinden konden worden misbruikt. Wel heeft hij ook als zakenman incidenteel nog een rol gespeeld in de diplomatie; in 1915 intervenieerde hij officieus ten gunste van het kabinet-Cort van der Linden bij de Engelse regering. Intussen was hij op 12 november 1909 gehuwd met Mary Gervey, een Engelse, afkomstig uit Brits-Borneo. In december werd hij door zijn neef, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, H.A. van Karnebeek, benoemd tot minister-resident, toegevoegd aan de Nederlandse legatie te Parijs om daar samen met de direkteur der Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij, E. Heldring( Aantekeningen over Rochussen bevinden zich in Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring, uitgegeven door J. de Vries namens het Historisch Genootschap, Utrecht 1970, pag. 277-335. ), de Nederlandse belangen te behartigen tijdens de vredesonderhandelingen te Parijs inzake de aanvankelijk door Frankrijk gesteunde Belgische territoriale eisen. Rochussens arbeid was niet zonder sukses, en zijn bekwaam optreden voor de Nederlandse zaak maakte indruk. Hij had het overigens niet gemakkelijk, doordat zijn direkte chef, de gezant A.L.E. ridder de Stuers, hem als een dwarskijker beschouwde. Na de voltooiing van zijn missie zette Rochussen zijn direktoraat van het Rotterdamse kantoor van de Amsterdamsche Bank voort, totdat hij in 1922 om persoonlijke redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Sedertdien vestigde hij zich in Engeland. Op 5 november 1928 overleed hij aldaar in Barnes.
A. 1.Geschiedenis A.1.1. Geschiedenis der Universiteit van Amsterdam Op 8 januari 1632 werd met de plechtige inwijding van het zogeheten “Athenaeum Illustre” in de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal de grondslag gelegd van de instelling die thans de naam “Universiteit van Amsterdam” draagt. Bij die gelegenheid hield een der beide door de Amsterdamse vroedschap beroepen professoren, Vossius, een openingsrede over het nut der geschiedenis; een dag later hield zijn enige ambtgenoot, Barlaeus, een betoog over een in die tijd aangehangen ideaal, nl. dat van de “Mercator Sapiens”, de onderlegde handelsman; voorts sprak hij over de noodzaak de studie van de handel en die van de filosofie hecht te combineren. Deze “Oratio de conjugendis Mercaturae et Philosophiae studiis” vond in de toenmalige handelsstad grote weerklank. Dit Athenaeum Illustre bleef tot 1876 een voorbereidend instituut voor de rijksuniversiteiten elders in den lande. Eerst met de Wet op het Hoger onderwijs van 1876 werd aan de Gemeente Amsterdam toegestaan het “Atheneum Illustre tot universiteit in te rigten”: de universiteit begon toen met een personele bezetting van 39 hoogleraren, verdeeld over vijf faculteiten (Theologie, Geneeskunde, Rechten, Letteren en Wis-, Schei- en Natuurkunde). Huisvesting werd gevonden in de “Garnalendoelen” aan dat deel van de Singel, waar thans de Universiteitsbibliotheek is gevestigd. In 1880 werd het Oudemanhuis betrokken. De uit de in 1618 gestichte Medicinale Cruythof voortgekomen Hortus Botanicus werd in 1877 bij de universiteit gevoegd, in 1878 volgde het Binnengasthuis. In 1891 legde Koningin Wilhelmina de eerste steen voor het naar haar genoemde Gasthuis, dat als academisch ziekenhuis ging functioneren. De oorsprong van de groep laboratoria op wat thans het “Roeters- eiland” wordt genoemd, lag ook in deze jaren: in 1891 werd daar als eerste het “Scheikundig Laboratorium” geopend. In 1922 werd het traditionele aantal van vijf faculteiten uitgebreid: in 1922 werd de faculteit der Handelswetenschappen (thans: Faculteit der EconomischeWetenschappen en Econometrie) gesticht en in 1947 begon de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen (naderhand: Faculteit der Sociale Wetenschappen) als zevende haar onderwijs, sedert 1 september 1986 is deze faculteit opgesplitst in drie faculteiten. Na meer dan driehonderd jaar bestuurd te zijn door de stadsregering, kwam in 1960 met deWet op het Wetenschappelijk Onderwijs een belangrijke wijziging in de positie van de gemeentelijke universiteit: op 1 januari 1961 verkreeg de Universiteit van Amsterdam “rechtspersoonlijkheid”: invloed van het college van Burgemeester en Wethouders van de stad Amsterdam op het dagelijks beheer van de universiteit werd daarbij vrijwel geheel geelimineerd. Aanvankelijk droeg de gemeente Amsterdam nog een gering percentage in de kosten bij, maar sedert 1970 worden de kosten van de Universiteit van Amsterdam volledig door het Rijk gedragen. Organisatie Op voet van de in 1960 aangenomen Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs, die later nog vele malen werd gewijzigd, is de Universiteit van Amsterdam tot in 1970 bestuurd door het “College van Curatoren” en de “Senaat”, onder medewerking van de faculteiten en interfaculteiten. De voorzitter van het uit 8 leden bestaande College van Curatoren was de Burgemeester van Amsterdam; de Wethouder van Onderwijs maakte tevens van het College deel uit; 3 leden werden voorts door de Kroon benoemd en 3 door de Gemeenteraad. Curatoren waren belast met het algemeen bestuur der universiteit en hadden “te waken voor de naleving van” de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. De Senaat, gevormd door de gezamenlijke hoogleraren, behartigde de “algemene belangen van het onderwijs en van de beoefening der wetenschap aan de universiteit” ondermeer door het doen van voorstellen en het geven van adviezen te dien aanzien aan Curatoren. Wettelijke basis van curatoren: Besluit van de gemeenteraad no.1318 van 28 december 1960. Het besluit is enkele malen gewijzigd en voor het laatst (wat betreft de periode waarover het archief loopt) op 30 september 1970, no.1009. Taken van curatoren: a. Toezicht op het naleven van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. B. Het bestuur, samen met de Senaat van de Universiteit. Bevoegdheden: a. Vaststellen van een bestuursreglement, na de Senaat en het Presidium gehoord te hebben. Het reglement wordt goedgekeurd door de gemeenteraad. B. Het vaststellen van richtlijnen voor beheer en gebruik van gebouwen, inrichtingen, terreinen, verzameling en andere hulpmiddelen voor het onderwijs. C. Het geven van voorschriften en het treffen van maatregelen ter bescherming van de gezondheid van de studenten. D. De voorzitter van het college is vertegenwoordiger van de Universiteit. E. Alle bevoegdheden met betrekking tot de Universiteit voor zover deze niet uitdrukkelijk aan andere organen zijn toegekend. (art. 4 t/m 17) f. Curatoren zijn ook bevoegd samenwerkingsverbanden met andere universiteiten aan te gaan en gemeenschappelijke regelingen aan te gaan met gemeenten en provincies een stichting op te richten en ook overeenkomsten te sluiten voor het oprichten van rechtspersoonlijke lichamen. (art. 47) g. Curatoren zijn bevoegd instellingen, stichtingen, etc. toe te laten leerstoelen of lectoraten te vestigen. Hierover wordt advies ingewonnen bij de Senaat. (art. 48) h. Curatoren laten privaatdocenten toe na advies van het Presidium en de Senaat. i. Het personeel wordt formeel door curatoren benoemd en ontslagen. Benoeming en ontslag van hoogleraren behoeft goedkeuring van de Kroon {art. 50 en 55) j. De financi¨ele stukken: ontwikkelingsschema’s, begrotingen, financi¨ele schema’s en jaarrekeningen gaan van curatoren naar de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, alsmede naar het College van Burgemeester en Wethouders. Het dagelijks-, financieel-economisch- en personeelsbeheer werd gevoerd door het “Presidium”, bestaande uit de rector-magnificus, de pro-rector, de kanselier-directeur en in 1967 werd het Presidium uitgebreid met twee gedelegeerde Curatoren. In 1970 werd de “Wet Universitaire Bestuurshervorming” van kracht, waarbij het bestuur over de universiteit wordt opgedragen aan de “Universiteitsraad en het College van Bestuur”. De Universiteitsraad bestaat uit door het personeel en de studenten (faculteitsgewijs) gekozenen, 33 in getal, aangevuld met 7 door de Kroon benoemde leden. Het College van Bestuur, bestaande uit 5 leden, van wie 2 gekozen zijn door de Universiteitsraad; 2 leden door de Kroon zijn benoemd en de rector magnificus, heeft een overwegend voorbereidende en uitvoerende taak; het College van Bestuur wordt daarin bijgestaan door de centrale diensten. De Universiteitsraad heeft vooral een algemeen bestuurlijke taak en neemt een aantal vitale beslissingen, zoals het vaststellen van de begroting, het bestuursreglement en het kiesreglement. Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs per 1 september 1986 wordt een wijziging aangebracht in de universitaire samenstelling van de Universiteitsraad en van het College van Bestuur, terwijl tevens de bevoegdheidsverdeling tussen de Universiteitsraad en het College van Bestuur wordt gewijzigd. A.1.2. Geschiedenis periode 1960-1971 Deze periode wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke gebeurtenissen welke niet voorbij zijn gegaan aan de Universiteit van Amsterdam. Een aantal woorden zijn daarbij steeds terugkerend, namenlijk “democratisering”, “macht” en “inspraak”. Ter verduidelijking van de beschreven archiefperiode is het onderstaande toegevoegd aan de inleiding en zal de onderzoek(st)er zelf hieraan de nodige waarde kunnen toekennen. Na de beeindiging van de Tweede Wereldoorlog trad een periode in van wederopbouwen herstel, bevorderd en gestimuleerd met behulp van het “Marshall-plan” van de Verenigde Staten. Van een agrarische structuur ging Nederland naar een geindustrialiseerde structuur, waarbij de economie in een opwaartse lijn terecht kwam. Een aantal multinationals ontstonden dan ook in die jaren, zoals Shell, Philips en Unilever en er vond een kapitalisering plaats naar Amerikaans model. Voorbeelden van de toenemende welvaart waren dan ook overduidelijk aanwezig met de opkomst van de huishoudelijke artikelen, auto’s en de telefoonaansluitingen. De economische groei bleef gestaag doorgaan en de vraag naar arbeidskrachten was groter dan het aanbod en zo werden er buitenlandse arbeidskrachten aangetrokken. Ook aan meer vrije tijd werd de behoefte gevoeld en al spoedig is de gehele zaterdag een vrije dag geworden en daarmee de de “vijfdaagse-werkweek” een feit. Dit alles werd geaccepteerd en kan omschreven worden met de “sociale-vrede” na de Tweede Wereldoorlog. De loonexplosie maakte een eind aan deze “sociale vrede” en daarvoor in de plaats kwam een sociale-onvrede”, alhoewel deze in het begin alleen nog maar bij kleine groepjes geconstateerd werd, zoals bijvoorbeeld bij milieu-actiegroepen. De industrialisatie tastte het milieu aan, evenals de vele auto’s behoefte hadden aan een wegennet en hetgeen weer ten koste ging van het natuurschoon. De politiek ging zijn eigen weg en de burger was op geen enkele wijze betrokken bij het besluitvormingsproces, waardoor acties werden ondernomen om rechten en plichten af te dwingen. Uiteindelijk ontstond ook binnen de politiek problemen en trad er versplintering op van de politieke partijen om gevolg te kunnen geven aan de wensen. Provo en Kabouter waren begrippen geworden binnen de Amsterdamse samenleving met bekende plannen als het “Witte fietsenplan” en de “Daktuinen ”. Uiteindelijk kwam de climax met de studentenrellen te Parijs in mei 1968, waar het ging om de inspraak en de medezeggenschap van de studenten binnen de structuur van het wetenschappelijk onderwijs en ter bevordering van de openheid van bestuur. De politieke geloofwaardigheid nam steeds verder af en de Nederlandse studenten kwamen eveneens in opstand met de uiteindelijke climax in mei 1969 door het “Maagdenhuis” te bezetten. Eerder waren onderwijsvernieuwingen doorgevoerd middels de “Mammoetwet” met als gevolg dat het aantal studenten alleen maar toenam, doch niet de universitaire mogelijkheden en met name binnen de faculteiten Geneeskunde, Letteren en Rechtsgeleerdheid. Stagnaties en studiebeperkingen maakten het de student niet makkelijk en het “starre bestuur” der Universiteit van Amsterdam deed hier niets aan in de ogen van de de staf en de studenten. De student wilde openheid van bestuur, inspraak en medezeggenschap op universitair niveau en niet alleen om hier mee te denken, maar tevens om aan zijn eigen toekomst te kunnen werken. Het onderwijs moest ook volgens het bedrijfsleven veel meer hierop aansluiten en dat maakte dan ook vernieuwingen binnen het wetenschappelijk onderwijs noodzakelijk. Ook op het bestuurlijke niveau was inmiddels onrust gekomen, daar de Wetenschappelijke Staf gelijkwaardig behandeld wilde worden als de Senaat. Deze Wetenschappelijke Staf voerden in feite aan twee kanten strijd, namenlijk aan de ene kant op het bestuurlijke niveau en aan de andere kant met de studenten. Het bestuur bleef een starre houding aannemen en uiteindelijk deed de “Maagdenhuisbezetting” de veranderingen, ook landelijk versnellen. De inspraak van de staf en de studenten is dan ook een voldongen feit geworden met de “Wet Universaire Bestuurshervorming 1970”.
In 1950 besloten een aantal afstammelingen van Marten Westerman en Anna Maria Rudolphina Vorst ten einde de belangstelling van de veelal in het buitenland verspreide familieleden in hun voorouders te stimuleren en de familieportretten en ’papieren bijeen te brengen en te houden de Familie Westerman Stichting in het leven te roepen. Deze kwam op 21 april 1951 te Amsterdam tot stand door de daartoe ten overstaan van de notaris W.W. Rutgers afgelegde verklaringen van vertegenwoordigers van de staak doctor Gerardus Frederik Westerman en de staak Franciscus Casparus Westerman. Familieleden uit Amsterdam, ’s-Gravenhage en Wassenaar brachten papieren en portretten bijeen. Met de genealoog Jos. Goudswaard te Baarn werd overlegd over het instellen van een genealogisch onderzoek naar de oudere generaties om de door G.L. van der Molen in De Navorscher van 1921 gepubliceerde en de in 1924 in boekvorm verschenen genealogie¨en een bredere basis te kunnen geven. Dit leidde tot een herziene editie van de reeds in het Nederlands Patriciaat van 1928-1929 geplaatste genealogie Westerman in het Nederlands Patriciaat van 1955, blz. 371-382. Het 125-jarig bestaan van het mede door dr. G.F. Westerman opgerichte Koninklijk Zo¨ologisch Genootschap Natura Artis Magistra leidde in 1963 tot contacten van de secretaris van de Westerman Stichting, drs. W.F. Westermann, met het Amsterdamse Gemeentebestuur en de Gemeentelijke Archiefdienst. In 1964 werden door de Familie Westerman Stichting aan de gemeente Amsterdam overgedragen twee schilderijen en een zilveren bokaal als eigendom voor het Historisch Museum en de familiepapieren voor het Gemeentearchief als eeuwigdurend buikleen. I Westerman In het stamland Westfalen komt de familienaam Westerman veel voor. Bezat en bewoonde men in het westen van een dorp een boerderij, dan heette men Westerman, zoals men aan de oostzijde landerijen bezittende Oosterman genoemd werd. De oudst opgespoorde voorvader van de familie Westerman, wier archief hierna beschreven wordt, is Gerhard Westerman. Zijn omstreeks 1700 geboren zoon Georg Henrich, zich noemende Jurriaan Westerman, trouwde in 1735 met Frederica Romberg. Van hun tien te Kamen geboren kinderen vestigden zich een dochter en vier zoons in Amsterdam. Deze gebroeders Westerman waren: de knopenmaker Johann Heinrich Philipp, de drukker Johan Caspar Godefridus, de tabakskoper Friedrich Wilhelm Georg en de korendrager Johannes Theodor. Uit het huwelijk van de eerste, die zich Hendrik ging noemen, met Clara Catrina Mikke, werden vijf kinderen geboren. Van deze was het Marten, geboren op 28 september 1775, die de situatie van de familie geheel veranderde. Na enige jaren in Rotterdam als letterkundige en toneelspeler werkzaam te zijn geweest en zich de vriendschap van Tollens te hebben verworven, kwam hij in 1808 naar Amsterdam terug, waar zijn veelzijdige persoonlijkheid zich ook als drukker, uitgever en directeur van de Amsterdamse schouwburg verder zou ontwikkelen. Van alle werkzaamheden van deze stamvader van het huidige geslacht Westerman is in het familiearchief neerslag bewaard gebleven, waaraan blijken van waardering van tijdgenoot en nageslacht zijn toegevoegd. De kinderen uit Martens huwelijk met Anna Maria Rudolphina Vorst gingen voort op de door hun vader ingeslagen weg. Anna Petronella, in 1802 te Rotterdam geboren, maakte voor haar huwelijk met de cargadoor Jacobus Muller in 1825 naam als toneelspeelster. Gerardus Frederik, op 8 december 1807 te Rotterdam geboren, ontwikkelde zich van boekverkoper, firmant van M. Westerman en Zoon, nadat hij in 1838 de stoot gegeven had tot de oprichting van het Zo¨ologisch Genootschap Natura Artis Magistra, tot een dier- en plantkundige van internationale vermaardheid, aan wie in 1851 door de universiteit van Giessen een eredoctoraat in de filosofie werd verleend, waarbij Justus von Liebig als promotor optrad. In de tweede zoon, Johannes Casparis die in 1810 te Amsterdam was geboren en op 12 augustus 1831 als vrijwillig Koninklijk Jager voor Leuven sneuvelde, moest vader Marten de zo vaak door hem bezongen vaderlandsliefde met eigen bloed bezegelen. De twee jaar later geboren Franciscus Caparus volgde als lid der firma M. en F.C. Westerman zijn vader als drukker en uitgever op. Bij zijn huwelijk met Johanna Dorothea Blikman in 1834 werd tussen zijn firma en de firma Blikman en Sartorius een overeenkomst gesloten, waarbij zijn schoonvader Hendrik Blikman zich verbond alle aan hem opgedragen drukwerken door de firma Westerman te doen vervaardigen. Het familiearchief is voor een groot deel afkomstig van het echtpaar Westerman-Blikman en hun afstammelingen. Hun oudste zoon William Marten, letterkundige, uitgever en lid der firma Blikman en Sartorius, trouwde in 1861 met Johanna Frederica Smaale. Willem werd o.a. president van de Rotterdamsche Bankvereeniging, lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam, president van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en president van de Nederlands-Amerikaanse Fundatie. In de jaren na 1920 besteedde hij ook zorg aan het familiearchief, waaraan door zijn toedoen de papieren-Smaale konden worden toegevoegd. Die belangstelling werd gedeeld door zijn oudste zoon, weer een Willem Marten, die in 1924 een genealogie Westerman deed verschijnen, samengesteld aan de hand van het toen onder hem berustende familiearchief. Deze Westerman voegde zelf, gelijk zijn bet-overgrootvader Marten, vele gedrukte publikaties van zijn hand aan het archief toe. Zijn vader, Willem, deed ook heel wat in druk verschijnen van deze, evenals van diens zwager Ewald Tweer, de man van zijn zuster Jenny, zijn belangwekkende brieven, rapporten en foto’s uit Nederlands-Indi¨e bewaard. Veel minder heeft broer Jan, die directeur was van de Co¨operatieve Stoomzuivelfabrieken Concordia te Wageningen en Ede, aan het archief toegevoegd. Johanna, directrice van de Sweelinckschool te ’s-Gravenhage, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en presidente van de Nationale Vrouwenraad, komt uit de niet talrijke stukken, die van haar bewaard bleven, zowel ambtelijk als persoonlijk naar voren. Jenny vooral ook in verband met haar werk voor de Amsterdamse kinderbewaarplaatsen en de Nederlandsche Vrouwenclub. Behalve reeds in 1872 op 36-jarige leeftijd gestorven William Marten, wiens aantekeningen over zijn kinderen en brieven aan zijn vrouw een goed beeld geven van het midden 19e-eeuwse familieleven, had het echtpaar Westerman-Blikman nog een dochter en twee zoons. Deze dochter Sara Hendrika trouwde in 1861 met de makelaar in specerijen en rijs Willem Frederik Westermann en bracht zo een verwantschap tot stand met een uit Brunswijk afkomstige familie, die zich in het begin van de 19e eeuw te Amsterdam gevestigd had. Sara Hendrika’s broef Franciscus Casparus werd kantoorbediende en later bibliothecaris te Soerabaja. Een reisdagboek uit 1865 bleef van hem bewaard. Johannes Casper zette de uitgeversfirma M. en F.C. Westerman voort. Uit zijn huwelijk met Wilhelmina Georgine Adelbert werden een dochter en twee zoons geboren. De oudste van deze jongens, Franciscus Wilhelm, kwam na de vroege dood van zijn moeder bij tante Westerman-Smaale in huis. Over dat verblijf bleven enige stukken bewaard. De afstammelingen van dr. Gerardus Frederik hebben in het familiearchief in veel mindere mate hun sporen nagelaten. Het meeste nog de dochter Margaretha Catharina, die in 1862 trouwde met Johannes Noordhoek Hegt, die aanvankelijk kapitein ter koopvaardij was en later onderdirecteur van Artis en directeur van de Trading Company late Hegt en Co. Haar broer Wilhelm Marten, kapitein der genie, trouwde in 1865 met Marie Margaretha Duyts. Uit dit huwelijk sproot de Haarlemse chirurg dr. Cornelis Willem Johan Westerman (1867-1925). Van deze, evenals van dr. Gerardus Frederik’s zoon Henricus Theodorus, gehuwd met Elisabeth Maria Cornelia Matthes, en dochters Dorothea Maria Eleonora, gehuwd met de Antwerpse beeldhouwer Jacobus Josephus Franciscus Verdonck en Anna Eleonora, gehuwd met de advocaat mr. Willem Hendrik Karel Mouthaan, bleven enkele stukken bewaard, die te zamen onder het hoofd: kinderen en verdere afstammelingen, achter die van hun roemruchte voorvader werden opgenomen. II Smaale Zoals reeds vermeld, trouwdeWilliam MartenWesterman in 1861 met Johanna Frederica Smaale, Zij was de dochter van Jan Hendrik Smaale Jr. en Johanna Eva Kraft. Hij dreef een handel in tapijten, eerst met goed succes, doch later met zo weinig voorspoed, dat een faillissement zijn oude dag zeer ongelukkig maakte. In de Lutherse gemeente vervulde hij verschillende functies. Met hem stief de mannelijke linie der Smaale’s uit. Zijn vader Johannes Henricus Smaale (de middelste), getrouwd met Johanna Frederica de Reus, verloor door de woelingen van de Franse tijd een groot deel van zijn fortuin en werd ambtenaar. Diens broer Frans Andries raakte in 1812, toen hij was ingedeeld bij het 24e regiment chasseurs `a cheval, in Rusland vermist. Hun vader Jan Hendrik Smaale (de oudste), getrouwd met Adriana Elisabeth de Reus, was wijnkoper en in 1762 overman van het gilde. Hij is de eerste Smaale van wie archief bewaard is gebleven. Behalve van hem en de andere genoemden zijn er nog papieren afkomstig van Theresia Smaale, dochter van Johannes Henricus Smaale (de middelste) en echtgenote van Henrik Abraham Klinkhamer, directeur van het Trippenhuis. De van leden der families Kraft, De Reus en Coster bewaarde stukken betreffen hoofdzakelijk geboorten, huwelijken en sterfgevallen. III De Flines Sijbrand Jonathan de Flines trouwde in 1832 met Sara Hendrika Blikman. In 1834, toen haar zuster Johanna Dorothea met Franciscus Casparus Westerman in het huwelijk trad, ontstond de band tussen de families De Flines en Westerman, die in de leiding van de firma Blikman en Sartorius van 1860 tot 1872 gestalte zou krijgen en er tevens toe leidde, dat betreffende enige leden van het geslacht De Flines stukken in het Westermanarchief belandden. Voor verdere gegevens over hen kan verwezen worden naar het ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van Blikman en Sartorius N.V. door mej. dr. C.C. van de Graft geschreven gedenkboek Lotgevallen van een Amsterdams Koopmanshuis 1749-1949.
Hoofdstuk 1: Het Geslacht Van Bylandt De heren Van Bylandt stammen af van de Gelderse ridder Willem Doys, zoon van Theodoricus Doys, die in 1275 beleend werd door Diederik VIII graaf van Kleef met het slot Scathe bij Pannerden, genaamd Bilant. Deze naam werd door hem aangenomen als grondsof goedheer. Zijn nazaten splitsten zich in een tak, die door huwelijk verbonden werd met het huis Halt en een tak, die zich verbond met de heerlijkheid Rheydt. Dit geslacht heeft verscheidene funkties in het maatschappelijke leven bekleed, zoals blijkt uit de hieronder beschreven personen. Hoofdstuk 1.1: Alexander Graaf van Bylandt Alexander was een telg van het geslacht Van Bylandt-Halt; hij werd op 29 december 1743 te Nijmegen geboren als jongste zoon van Otto Roeleman Frederik en Anna Constantia van Sevenaer. Op zijn eenentwintigste jaar trouwde hij met Anna barones van der Duyn. Samen kregen zij vijf zoons en twee dochters. In zijn militaire loopbaan bracht hij het tot generaal-majoor van de infanterie en kreeg bij afwezigheid van stadhouder Willem V het bevel over het garnizoen van Breda. Deze stad zou hij bij de Franse belegering in 1793 te snel hebben overgegeven, daardoor werd hij vervallen verklaard van al zijn militaire charges en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, die overigens tot de Bataafse onwenteling duurde. Hij stierf, gescheiden van zijn echtgenote, in 1819. Hoofdstuk 1.2: Otto Anne Graaf van Bylandt De oudste zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren in 1766. Hij werd belast met het toezicht over de studie van de erfprins, de latere koning Willem I, aan de Leidse universiteit waar hij zelf gestudeerd had. In 1783 trad hij in dienst van het staatse leger en bracht het tot ritmeester. Hij trouwde met de Leidse burgemeestersdochter Agatha Wilhelmina Twent in 1791. Otto Anne was kamerheer bij Willem Frederik van Oranje in 1804, de koningin van Holland in 1806, koning Lodewijk Napoleon in 1810 en koning Willem I in 1822. In 1848 werd hij lid van de Eerste Kamer en hij overleed te Breda op 20 februari 1857. Hoofdstuk 1.3: Jean Charles Graaf van Bylandt De vierde zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren op 5 januari 1776 te 's-Gravenhage. Jean Charles werd in 1792 aangesteld als brigadier en ritmeester bij de lijfgarde van Willem V tot de omwenteling in 1795. Hij begaf zich naar Osnabrück, waar meer dan achthonderd officieren zich verzameld hadden onder prins Frederik om de oude orde te herstellen, wat mislukte. Daarna studeerde hij staatswetenschappen aan de universiteit van Leipzig. Door koning Lodewijk Napoleon werd hij gevraagd weer in militaire dienst te treden, wat hij weigerde. Op 11 maart 1807 werd hij benoemd tot minister-plenipotentiaris te München. Regelmatig liet hij weten, dat zijn inkomsten niet in overeenstemming waren met de kosten van levensonderhoud in Beieren. In 1813 behoorde hij tot diegenen, die voor herstel van het huis van Oranje ijverden. Hij werd aangesteld bij de vrijwillige lijfwacht te paard en in 1814 kwam zijn benoeming tot gewoon kamerheer, die gevolgd werd door een aanstelling tot hofmaarschalk van 's konings oudste zoon, de latere koning Willem II. In 1815 werd Jean Charles lid der Provinciale Staten en acht jaar later lid der Gedeputeerde Staten van Holland. Van 1831 tot zijn dood was hij lid der Eerste Kamer. In 1838 werd hij opperkamerheer en opper-intendant der koninklijke paleizen. Hij was gehuwd met Otteline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum op 28 oktober 1805 te 's-Gravenhage en kreeg twee zonen. Hij stierf in 1841. Hoofdstuk 1.4: Eugène Jean Alexander Graaf van Bylandt De oudste zoon van Jean Charles en Otheline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum werd geboren op 1 juli 1807 te 's-Gravenhage. Hij studeerde in Leiden en promoveerde in 1830.(Bylandt, Specimen antiqui juris publici.) In 1837 trouwde hij met Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken en zij kregen in 1840 een zoon, Carel van Bylandt. Eugène van Bylandt werd referendaris bij het Kabinet des Konings, gouverneur der provincie Zuid-Holland tot 1859, commissaris des konings in Overijssel in 1864, lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland, lid van de Raad van State, lid en president der Eerste Kamer, curator der Leidse Universiteit en kamerheer des konings. Nadat zijn vrouw in 1849 gestorven was, hertrouwde hij met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, staatsdame van koningin Anna Paulowna. Hij overleed op 21 februari 1876 te 's-Gravenhage. Hoofdstuk 1.5: Carel Jan Emilius Graaf van Bylandt Carel van Bylandt werd geboren op 8 januari 1840 te 's-Gravenhage; zijn ouders waren Eugène Jean Alexander en Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken. Nadat hij het gymnasium Haganum had doorlopen, studeerde hij rechten te Leiden en promoveerde in 1864 op 'Het regt van petitie'. Hij nam een betrekking aan als volontair op de Provinciale Griffie van Zuid-Holland. In 1866 kwam Carel van Bylandt op het Departement van Koloniën, waarna hij commies van staat bij de Raad van State werd van 1866 tot 1872. In 1872 werd hij benoemd tot referendaris bij het Kabinet des Konings, maar na een jaar vertrok hij, toen hij tot lid van de gemeenteraad van Den Haag werd gekozen (1873-1877). Het Departement van Buitenlandse Zaken bood Van Bylandt in 1875 een post aan, die hij ondanks zijn lidmaatschap van de gemeenteraad accepteerde. In mei 1878 werd hij door het kiesdistrict 's-Gravenhage gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1883 droegen de Staten hem het lidmaatschap op van de Gedeputeerde Staten. Carel van Bylandt was liberaal afgevaardigde voor het kiesdistrict Gouda in de Tweede Kamer van 1894 tot 1901. In de Kamer bemoeide hij zich hoofdzakelijk met vraagstukken betreffende het universitaire onderwijs; dit staat in direkt verband met zijn curatorschap aan de Leidse universiteit (1891-1901). Bovendien was hij lid van vele sociale en culturele verenigingen, zoals het schildersgenootschap 'Pulchri Studio', het provinciaal comité tot bevordering van de afschaffing van de slavenhandel en hij was voorzitter van de Nederlandse commissie op de internationale tentoonstelling te Antwerpen. Van Bylandt werd tot voorzitter benoemd van het comité voor de inhuldigingsfeesten van koningin Wilhelmina in 1898 en bij het huwelijk van de koningin in 1901 met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. De neerslag hiervan is te vinden in een groot aantal archiefstukken. Op 30 januari 1873 trouwde Carel van Bylandt met jonkvrouw Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil, die hofdame van Amalia, prinses van Saksen-Weimar-Eisenach, was geweest.(Echtgenote van de derde zoon van koning Willem II, prins Hendrik) Zij kregen twee dochters, waarvan de jongste op vijfjarige leeftijd al stierf. In Den Haag woonde Van Bylandt op de Lange Voorhout, maar hij verbleef ook veel in het buitenland. Hij erfde van zijn grootmoeder Elisabeth Henriette Emilia van Tuyll van Serooskerken geboren Collot d'Escury de heerlijkheid Sliedrecht en de landgoederen Oostduin en Waalsdorp. Na zijn dood in 1902 gingen deze goederen over op de laatste telg van deze tak van de familie Van Bylandt, Marie van Bylandt. Hoofdstuk 1.6: Marie Alexandrine Otheline Caroline Gravin van Bylandt De oudste dochter van Carel van Bylandt en Sophie van der Staal van Piershil werd geboren op 17 april l874. Zij tekende veel in haar jeugd en maakte met haar ouders reizen naar het buitenland. Haar moeder stierf jong en nadat ook haar vader was overleden, zette zij zijn liefdadigheidswerk voort en beheerde de vele bezittingen zorgvuldig. 's Winters woonde zij in het pand aan de Lange Voorhout; de zomers bracht ze door op Oostduin. Na de Ie Wereldoorlog verbleef ze uitsluitend op Oostduin en moest het in de jaren '40 op gezag van de Duitsers verlaten. ("De freule". Het Vaderland.) Na de oorlog heeft zij Oostduin af laten breken, omdat er van het terrein misbruik was gemaakt o.a. door er V-1's en V-2's te lanceren. Zij verkocht het terrein aan de Diakonie van de Hervormde gemeente, de Nederlandse Hervormde Synode en de Haagse Hervormde kerkvoogdij, die er het Haags Hervormd rusthuis Oostduin en het flatgebouw Arendsdorp bouwden. Zijzelf ging in Laren wonen. Vlak voor haar dood werd zij ter verpleging in genoemd rusthuis opgenomen. Na haar dood werd haar gehele vermogen in een stichting ondergebracht, waarvan de statuten werden vastgelegd bij akte van 17 maart 1964. De stichting kreeg de naam M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting en heeft tot doel steun te verlenen aan rechtspersonen, die het algemeen belang van mens en dier binnen het Rijk en Europa beogen. Hoofdstuk 2: Van Bylandt-Rheydt Over het geslacht Van Bylandt-Rheydt is niet veel te vinden. Hendrik (1500-na 1527) was degene, die de titel heer van Rheydt verwierf door vererving. Van zijn verre nazaten Willem Karel Frederik graaf van Bylandt, Carl Hermann graaf van Bylandt en Agnes Hilda Johanna Maria gravin van Bylandt staan enkele gegevens boven de inventarisnummers 395, 396 en 397. Hoofdstuk 3: Rechten en bevoegdheden Hoofdstuk 3.1: Het hoogheemraadschap de Alblasserwaard De Alblasserwaard is gelegen in Zuid-Holland en kan verdeeld worden in de Overwaard, omvattend het stroomgebied van de Giessen, en de Nederwaard, het stroomgebied van de Alblas. In 1277 kreeg de Alblasserwaard haar eerste onder algemeen bestuur gestelde dijk bij handvest van graaf Floris V. De naam Alblasserwaard werd niet eerder gebruikt dan nadat de landen van Alblas bedijkt werden in 1365. Naast het hoofdzakelijk met dijkzorg belaste dijkscollege bestonden er twee afzonderlijke colleges, die het beheer voerden over de Neder- en Overwaard. Het bestuur van het waterschap de Nederwaard bestond uit twee colleges van watergraaf en heemraden, ingesteld in 1320 en 1323, bijgestaan door twee waarslieden, een klerk of sekretaris die tevens penningmeester was, een fabriek-landmeter, twee sluismeesters en een bode. Het toezicht op het bestuur hadden gecommitteerden uit de dorpen en ambachten. Tot de Nederwaard behoorden o.a. de heerlijkheden Hofwegen, Naaldwijk, Papendrecht, Sliedrecht en Streefkerk. Het beheer van de uitwatering van het waterschap de Overwaard werd geregeld in een verdrag van 1366. Daaruit heeft zich het waterschap de Overwaard ontwikkeld. Een gezworen rechter, later ook wel erfwatergraaf genoemd, met zeven heemraden schouwden de dijken. Het bestuur werd bijgestaan door een klerk, ook collecteur, gadermeester of sekretaris-penningmeester genoemd, een bode, een fabriek-landmeter en een sluismeester. Het toezicht op het bestuur hadden commissarissen, die in tegenstelling tot de gecommitteerden van de Nederwaard geen afgevaardigden van de dorpen waren. In de Overwaard lagen o.a. de heerlijkheden Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld. De archiefstukken zijn waarschijnlijk bij het persoonlijk archief van Adriaan van Bleyenburg, heer van Naaldwijk in zijn funktie als penningmeester van de Alblasserwaard terechtgekomen. Via aanverwante families Van der Burch en Collot d'Escury is het bij de Van Bylandts beland. Hoofdstuk 3.2: De heerlijkheid Benthorn De heerlijkheid Benthorn, gelegen in Zuid-Holland werd in 1724 door de Staten van Holland, aan wie het door onvermogen van de vorige eigenaren vervallen was, verkocht aan Adam Adriaan van der Duyn, heer van 's-Gravenmoer.( Aa, Aardrijkskundig woordenboek, II, 279, 280. ) Sedertdien is de heerlijkheid in de familie Van der Duyn gebleven. Het is niet geheel duidelijk hoe deze stukken bij Carel van Bylandt terechtgekomen zijn. Waarschijnlijk ligt de oorsprong in familie-banden, die sinds het huwelijk van Alexander graaf van Bylandt met Anna barones van der Duyn bestaan. In 1846 werd Benthorn met Benthuizen verenigd. Hoofdstuk 3.3: De heerlijkheid Oud-Beyerland De polder Oud-Beyerland, gelegen in de Hoekse Waard in Zuid-Holland, werd genoemd naar Sabina van Beyeren, echtgenote van Lamoraal van Egmond. In 1556 werd een begin gemaakt met de bedijking door Lamoraal van Egmond, die de middelen voor de bedijking bij elkaar bracht door alvast het land te verkopen. Na de onthoofding van zijn vader in 1568, waarbij alle goederen verbeurd verklaard werden, kreeg Philips van Egmond de Beyerlanden (Oud- en Nieuw-Beyerland) bij de pacificatie weer in bezit. Hij ging door met het bedijken van Oud-Beyerland totdat hij de Spaanse zijde in 1579 gekozen had en zijn goederen in beslag werden genomen door de Staten van Holland. De vruchten van Oud-Beyerland werden genoten door Philip's zusters Françoise en Sabine van Egmond, die in de Noordelijke Nederlanden verbleven en gereformeerd waren. In 1589 stierf Françoise; het jaar daarop Philips, toen kwamen de rechten aan zijn broer Lamoraal. Hij droeg de rechten over aan Sabine in 1593; zij werd door de Staten van Holland met de hoge heerlijkheid beleend. Sabine overleed in 16l4 en in 1619 werden de Beyerlanden te koop aangeboden. Ze gingen voor een goede prijs van de hand en werden door de Staten van Holland genaast. Eén archiefstuk is in het bezit van de Van Bylandts gekomen via de aanverwante familie Van der Staal van Piershil. Hoofdstuk 3.4: De heerlijkheid Hofwegen De heerlijkheid Hofwegen, gelegen in de Alblasserwaard, was tot in het begin van de 15e eeuw in het bezit van het geslacht Van Brederode. Het werd in de 18e eeuw eigendom van de familie Van Hogendorp. Dit enige overgeleverde archiefstuk is waarschijnlijk meegekomen met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, die getrouwd was met mr. Eugène Jean Alexander graaf van Bylandt. Nadat de laatste heerlijke rechten in 1848 werden afgeschaft, ging de heerlijkheid op in de gemeente Bleskensgraaf. Hoofdstuk 3.5: De polder het nieuwland genaamd Den Andel De polder het Nieuwland is ontstaan door aanwas van gronden ten zuiden van Delfland in Zuid-Holland. In 1322 werd in een akte melding gemaakt van gorzen gelegen onder 's-Gravenzande tussen de Delflandse Dijk en de Maas genaamd Den Grooten Andel. Nadat het geslacht Van Voorne ermee beleend was door graaf Willem III in 1328, krijgt het Kapittel van St. Marie in Den Haag in 1371 Den Andel. Het Kapittel gaf de gorzen ter bedijking uit in 1414 aan zijn kanunnik Jan Gillisz van Wissenkerc, tevens deken van het Kapittel van St. Pieter in de Noordmonsterkerk te Middelburg. De confirmatie van 1415 bevat ook bestuurlijke bepalingen, zoals de instelling van een college van vijf hoofdingelanden, dat als uitvoerend orgaan een dijkgraaf en gezworenen aanstelde. Het bedijkte land werd later het Binnen-Nieuwland, het buitendijkse werd het Buiten-Nieuwland genoemd en het geheel heette het Nieuwland genaamd Den Andel. Het Kapittel van St. Marie behield het eigendom van een zevende deel, zowel binnen- als buitendijks met vrijdom van alle lasten, het zogenaamde "vrije zevende". Delfland was belast met het toezicht en de zorg voor de Kapittelduinen, waar het Nieuwland contributie voor betaalde. Regelmatig ontstonden er geschillen over ieders aandeel in de kosten van herstel en versterking van de zeewering. De konijnen vormden een bedreiging van de zeewering van binnenuit, daartegen werden maatregelen getroffen zoals te vinden is in diverse inventarisnummers. In 1852 werd de polder binnen de grenzen van het Hoogheemraadschap Delfland gebracht, dat de zorg en het onderhoud van de zeewering op zich nam. Via Hendrik Collot d'Escury kwamen de stukken betreffende het Nieuwland terecht bij de Van Bylandts. Hoofdstuk 3.6: De heerlijkheid Papendrecht Ook de heerlijkheid Papendrecht was gelegen in de Alblasserwaard. De Brederode's die de machtigste heren in dit gebied waren in de Middeleeuwen, bezaten Papendrecht, leengoed van de graven van Holland, tot het begin van de 15e eeuw. Na een jarenlang durend proces over de vererving tussen de dijkgraaf en de hoogheemraden van de Alblasserwaard aan de ene kant en de Van Muilwijks aan de andere kant kocht in 1625 Tielman van Muilwijk Papendrecht. In 1744 kwam de heerlijkheid in het bezit van Dordrecht. De stukken zijn waarschijnlijk via de aanverwante familie Van Bleyenburg op de familie Van der Burch en daarna op het geslacht Collot d'Escury overgegaan. Hendrik Collot d'Escury die geen stamhouder had, heeft zijn stukken betreffende heerlijkheden nagelaten aan Carel van Bylandt. Hoofdstuk 3.7: De heerlijkheid Piershil De heerlijkheid Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, is in de 17e eeuw in handen geweest van het geslacht Van Hesse. Hendrik Pelt kocht in 1721 de heerlijkheid van Gillis van Hesse, waarna Piershil vererfde via de familie Gevers, Meerman en Schoonhoven op Van der Staal. Tenslotte is de heerlijkheid via de echtgenote van Carel van Bylandt, Sophie Alexandrine op Marie van Bylandt overgegaan. Thans beheert de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting de laatste heerlijke rechten van Piershil. Het archief van de heerlijkheid bevindt zich op de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief in het archief van de familie Van der Staal van Piershil. Een aantal stukken zijn waarschijnlijk bij de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting achtergebleven en bij de papieren van de Van Bylandts terechtgekomen . Hoofdstuk 3.8: De heerlijkheid Sliedrecht Op het gebied van de gemeente Sliedrecht, gelegen in de Alblasserwaard, bestonden voor 1795 drie naast elkaar gelegen heerlijkheden, te weten Lokhorst of Oversliedrecht, Naaldwijk, en Niemandsvriend. Elk van de ambachten had dan ook zijn eigen schout en heemraden of schepenen, die door de ambachtsheer werden aangesteld. In 1853 erfde Carel Jan Emilius van Bylandt de drie samengevoegde heerlijkheden van Hendrik Collot d'Escury. Hoofdstuk 3.9: Lokhorst of Oversliedrecht Sliedrecht werd in de Middeleeuwen vaak aangeduid als Oversliedrecht, hiermee wordt Sliedrecht aan de overzijde van de Merwede in de Alblasserwaard onderscheiden van Sliedrecht bij Kraaiestein in de Grote Waard, dat met de St. Elizabethsvloed in 1421 verdronken is. Lokhorst is de naam, die leden van het geslacht Van Lockhorst aan deze heerlijkheid hebben gegeven, toen zij haar van de 14e tot in de 16e eeuw in leen hielden van de hofstede van de Merwede. Door huwelijk kwam het leen in 1597 aan Nicolaas van Schagen en Matenesse, waarna zijn leenopvolgers het in 1675 aan Johan Teding van Berkhout verkochten. Johan van der Burch verwierf de heerlijkheid in 1696; in 1759 werd Sliedrecht aan Simeon Petrus Collot d'Escury overgedragen. Hoofdstuk 3.10: Naaldwijk De naam van deze heerlijkheid was afkomstig van Willem van Naaldwijk, die haar in 1370 in leen kreeg. Naaldwijk blijkt van 1447 tot het eind van de 16e eeuw leenroerig te zijn aan de hofstede Brederode. Nadat de ambachtsheer de spade in de dijk had gestoken en het land verlaten had vanwege hoge dijklasten werd de Alblasserwaard eigenaar, die de heerlijkheid in 1625 overdroeg aan Adriaan van Bleyenburg. Naaldwijk ging over van het geslacht Van Bleyenburg naar het geslacht Van der Burch in 1730, waarna Simeon Petrus Collot d'Escury heer van Naaldwijk werd. Hoofdstuk 3.11: Niemandsvriend De naam Niemandsvriend, in de Middeleeuwen ook wel Colijnsambacht genoemd, is verbonden aan het tolhuis. In het begin van de 16e eeuw behoorde het ambacht Niemandsvriend aan de hofstede Nijenrode, die de helft in leen had uitgegeven. In 1771 verwierf Hendrik Collot d'Escury, de oudste zoon van Simeon Petrus, deze helft van Johan van der Burch; hij kocht de andere helft van het echtpaar Onderwater-Hoefft. Hoofdstuk 3.12: Het goed bij Klarenbeek De hof Ingen Elsen bij Klarenbeek was gelegen in het hertogdom Kleef. In 1437 schonk de hertog van Kleef het aan zijn natuurlijke zoon Johan van Kleef Blankenstein. Via zijn familie en de aanverwante geslachten Smullinck en Selbach is het goed in de 17e eeuw een leen van de Von Lützenraths geworden. Hoe het goed van het geslacht Von Lützenrath bij het geslacht Von Wartensleben terecht is gekomen is niet bekend, evenals hoe de stukken bij Van Bylandt-Halt in het archief zijn geraakt. Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln. Gorinchem, 1839-1851. Aa, C. van der. Geschiedenis van den jongst-geëindigden oorlog tot op het sluiten van de vrede te Amiëns, byzonder met betrekking tot de Bataafsche Republiek. 10 dln. Amsterdam, 1802-1808. Bos Jzn, W. Van hennepland tot huizenzee. Sliedrecht, 1978. Bosscha, J. Neêrlands heldendaden te land van de vroegste tijden af tot in onze dagen. 4 dln. Leeuwarden, 1834-1856. Bylandt, C.J.E. van. Het regt van petitie. 's-Gravenhage, 1864. Bylandt, E.J.A. van. Specimen antiqui juris publici Belgici inaugurale de Imperii Forma sub comitibus Hollandiae. Leiden, 1830. Die Lehnregister des Herzogtums Kleve. E. Dösseler, F.W. Oediger. Das Hauptstaatsarchiv Düsseldorf und seine Bestände. 8 dln. Siegburg, 1957-1974. Gouw, J.L. van der. De ring van Putten. 's-Gravenhage, 1967. Hardenberg, H. Oostduin en de graven van Bylandt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk. 's-Gravenhage, 1976. Hasselt, G. van. "Oorsprong van het geslacht Van Bylandt" in: Geldersche Byzonderheden, I-III. Arnhem, 1809. Isenburg, W.K. von. Stammtafeln zur Geschichte der Europäischen Staaten (Europäische Stammtafeln). 8 dln. Marburg, 1965-1980. Jansen, H.P.H. Kalendarium. Geschiedenis van de lage landen in jaartallen. Utrecht, 1974. Jansen, H.P.H.; Swart, K.W.; Deursen, A.Th. van,e.a. Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis. Alphen a/d Rijn, 1979. Kort, J.C. "Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Zuid-Holland, het land van Gelre, het Sticht van Utrecht, Putten en Heenvliet, 1199-1648" in: Ons Voorgeslacht, 1977. Groot Charterboek der graaven van Holland en Zeeland en heeren van Vriesland; beginnende met de eerste en oudste brieven van die landstreeken, en eindigende met den dood van onze gravinne, vrouwe Jacoba van Beyere. F. van Mieris. 4 dln. Leiden, 1753-1756. Molhuysen, P.C.; Blok, P.J.,e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. 10 dln. Leiden, 1911-1937. Nederland's Adelsboek. 10e jaargang. 's-Gravenhage, 1912. Nieuwe Nederlandsche jaarboeken of vervolg der merkwaardigste geschiedenissen, die voorgevallen zijn in de Vereenigde Provinciën, de Generaliteitslanden en de Volksplantingen van den staat. 33 dln. Leiden, 1748-1798. Teixeira de Mattos, L.F. De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland. 10 dln. in 14 bdn. 's-Gravenhage, 1906-1961. Het Vaderland, 13 augustus 1968. "De freule had het voor 't zeggen". Vey Mestdagh, J.H. de. "Het Nieuwland genaamd Den Andel" in: Rotterdams Jaarboekje, 1960. Vorsterman van Oyen, A.A.; Epen, Joh.D.G. van; Meulen, J.C. van der. Jaarboek van den Nederlandschen Adel. 5 dln. 's-Gravenhage, 1888-1891; Oisterwijk, 1893-1894.
Jeugd, opleiding, studie Jan Anne Jonkman werd op 13 september 1891 geboren in Utrecht uit het huwelijk van dr. Hendrikus Franciskus Jonkman, directeur van de rijks HBS aldaar, en Anna Margaretha Franciscus van Gorkum. Zijn grootvader, dr K.W. van Gorkum, was directeur van de kinacultuur en hoofdinspecteur van de cultures in Nederlands-Indië. Hij bezocht de openbare school en het stedelijk gymnasium in Utrecht, slaagde in 1910 voor zijn eindexamen en werd toegelaten voor de studie rechten aan de Utrechtsche Universiteit. In 1911 haalde hij zijn kandidaatsexamen rechtswetenschap. Hij volgde colleges aan de Universiteit van Toulouse van oktober 1913 tot mei 1914. Het gevoel van patriottisme onder zijn mede-studenten in Toulouse had grote indruk op hem gemaakt. Het was in Toulouse dat Jonkman grote belangstelling kreeg voor Nederlands-Indië. In zijn studententijd had hij actief deelgenomen aan het studentenleven. In 1909-1910 was hij preafectus van de Utrechtsche Letterkundige Gymnasiasten Vereeniging en vervulde hij in 1910 bij de gelegenheid van het eerste lustrum van deze vereniging de hoofdrol bij de opvoering van Sophocles' Philoktetes. Hij werd in 1910 lid van het Utrechts Studenten Corps. In mei 1916 werd hij gekozen als rector van het corps en hield een indrukwekkende rectorale rede ter gelegenheid van de viering van de herdenking van het 280-jarig bestaan van de Utrechtse Hogeschool. In december 1916 trad hij af en werd benoemd tot honorair-senator. Zijn belangstelling voor Nederlands-Indië groeide gestadig en dit bleek uit het feit dat hij in 1917 mede-oprichter en eerste voorzitter werd van het Indonesisch Verbond voor Studerenden. Hij werd tevens lid van de eerste redactie van het verbondsorgaan, de "Hindia Poetra". Lid van dit verbond konden zijn Indonesiërs, Chinezen en Nederlanders, die zich in Nederland voorbereidden voor een Indische werkkring. Het Verbond stelde zich ten doel om de kennismaking, de omgang en de samenwerking van zijn leden te bevorderen, zowel gedurende hun studie in Nederland als ook later in Nederlands-Indië. In het congresnummer van dit verbond, van 29 augustus 1918 schreef Jonkman: "De ethische koers heeft zijn hoogtepunt overschreden. Zijn bezorgdheid voor de belangen van de inlanders wordt overbodig, omdat de Indonesier eigen belangen behartigen gaat; zijn voogdij loopt ten einde, waar de pupil meerderjarig staat te worden; zijn sentimentaliteit beledigt den inlander, die meent voor vriendschap groot genoeg te zijn. Een Indonesisch-nationale politiek, doelende op de staatkundige en geestelijke onafhankelijkheid der indonesische volkeren wordt thans gevraagd en gehuldigd". Jonkman, die reeds in 1915 zijn rechtenstudie in Utrecht voltooid had, promoveerde op 11 juli 1918 in Leiden op een proefschrift getiteld "Indonesisch-nationale grondslag op het onderwijs ten dienste der inlandsche bevolking". Op 24 juli 1918 werd hij als advocaat en procureur beëdigd voor de arrondisementsrechtbank te Utrecht. Hij legde vervolgens op 24 januari 1919 in Leiden, met goed gevolg het aanvullend faculteitsexamen af voor de rechterlijke macht in Nederlands-Indië. Nederlands-Indië (1919-1945)In 1919 begon zijn Indische carrière. Bij besluit van de minister van Koloniën van 23 mei 1919, nr. 36, werd Jonkman ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal om te worden geplaatst in rechterlijke betrekkingen. Van 1919 tot 1927 bekleedde hij diverse functies bij de rechtbank in Nederlands-Indië. Daarnaast hield hij zich met diverse activiteiten in de Indonesische maatschappij bezig zoals: - tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad te Tebing Tinggi (Deli) in 1920. - tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad te Medan in 1921. - lid, tevens secretaris, van de Commissie voor de herziening van het strafprocesrecht in 1928. - lid van de Commissie om het ontwerp van een algemene verordening tot uitvoering van art 33 der Indische Staatsregeling voor te bereiden in 1929. - lid der afdeling Rechtswetenschap van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 1929. Ook in Indonesië bleef Jonkman zich actief bezighouden met het Indische vraagstuk. Van 1927 tot 1939 was hij lid van de Volksraad. In 1939 werd hij voorzitter. De Volksraad was het college van vertegenwoordigers van de Indische bevolking, in 1916 ingesteld, om aan de Indiërs gelegenheid te geven om de belangen van hun land zelf te behartigen. Jonkman bewees in de Volksraad een aanhanger te zijn van een vrijzinnige koloniale politiek, welke steunde op een krachtige welbewuste gezaghandhaving, terwijl hij meer versterking van de kwaliteit van de medezeggendschap van de Volksraad dan uitbreiding van de bevoegdheden van het college voorstond. Jonkman was in 1930 mede-oprichter van de Vereniging tot Bevordering van de Maatschappelijke en Staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië, die het blad "De Stuw" uitgaf. Lid van deze vereniging waren enkele intellectuelen en ambtenaren. De beginselverklaring van deze vereniging luidde: "De vereniging wil beproeven aaneensluiting en samenwerking tot stand te brengen tussen de Nederlanders hier te lande, die overtuigd zijn, dat het hun plicht als Nederlander is mede te werken aan de uitvoering van Nederland's koloniale taak, welke voltooid zal zijn, wanneer een Indisch Gemenebest in de rij der zelfstandige volken een eigen plaats inneemt, in staat en bereid ook aan de internationale verplichtingen te voldoen en recht en belang ook van niet inheemsche ingezetenen te erkennen en te beschermen. Zij streeft er naar, dat Nederland en dat Gemenebest blijvende banden zullen onderhouden". Eind februari 1941, vanaf de oprichting, was Jonkman voorzitter van het hoofdcomité van de Verenigde Prins Bernhard- en Spitfire Fonds en alsmede het 8 December Fonds, die ten doel hadden ten dienste van de oorlogvoering gelden in te zamelen en naar Londen over te maken. De laatste vergadering van de Volksraad vond plaats op 6 maart 1942. Kort daarop werd Jonkman door de Japanners gevangen genomen en te Bandoeng geïnterneerd. De gevangenschap duurde van 26 maart 1942 tot augustus 1945. Minister van Overzeese GebiedsdelenOp 23 december 1945 arriveerde Jonkman als Indisch verlofganger met Europees verlof in Nederland. Door de naoorlogse gebeurtenissen in Indonesië werd hij als Volksraadvoorzitter en Indonesiëkenner onmiddellijk betrokken bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Overzeesche gebiedsdelen. Door minister Beel werd Jonkman verzocht om minister van Overzeesche Gebiedsdelen te worden na de verkiezingen van mei 1946. Op 3 juli 1946 werd hij op Soestdijk beëdigd. Kort daarop trad hij toe tot de Partij van de Arbeid. Zijn grootste bekendheid kreeg Jonkman als minister gedurende de cruciale periode van de onderhandelingen inzake de onafhankelijkheid van Indonesië. Lid en Voorzitter van de Eerste Kamer (1948-1966)Op 8 juli 1948 werd Jonkman tot Kamerlid verkozen, voor de Partij van de Arbeid. Op 27 juli volgde in de Eerste Kamer zijn beëdiging en en werd hij aangewezen als woordvoerder in zaken van Indonesische politiek. Hij werd door de regering benoemd zowel in de Commissie van Negen als in de Nederlandse Vertegenwoordiging op de West-Indische Conferenties, de Ronde Tafel Conferenties van vertegenwoordigers van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. De Commissie van Negen was samengesteld uit negen politici, leden van de Eerste en Tweede Kamer, die als taak hadden het voorbereiden en het deelnemen aan de Ronde Tafel Conferentie met vertegenwoordigers van Indonesië die in 1949 plaatsvond ter bespreking in het bijzonder van de inrichting van de Nederlands- Indonesische Unie. Ook bij verdergaande staatkundige hervormingen ten behoeve van Suriname en van de Nederlandse Antillen trad Jonkman als woordvoerder van de fractie op. Hij was lid van de Staatscommissie in 1947 ingesteld om na te gaan welke artikelen van de grondwet gewijzigd dienden te worden om de noodzakelijk geachte hervormingen grondwettelijk door te kunnen voeren in verband met de autonomie van de overzeese gebiedsdelen. Hij maakte ook deel uit van de Staatscommissie, die van 1950 tot 1954 belast was met de herziening van de grondwet van het Koninkrijk om deze aan te passen aan de nieuwe rechtsorde. Met ingang van 1 juli 1951 werd Jonkman benoemd tot voorzitter van de Eerste Kamer. Gedurende de vijftien jaren van zijn voorzitterschap is Jonkman tevens voorzitter geweest van diverse vaste commissies uit de Eerste Kamer, die belast waren met de buitenlandse politiek en aangelegenheden aangaande de vroegere Nederlandse overzeese gebiedsdelen. De benaming van deze commissies werd telkens aan de veranderde verhoudingen tussen Nederland en de vroegere koloniën aangepast: - Indonesië: - Vaste Commissie voor Uniezaken (1951-1954) - Vaste Commissie voor Indonesische Zaken (1954-1957) - Vaste Commissie voor Buitenlandse Politiek (1958-1966) - Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands Nieuw-Guinea: - Vaste Commissie voor Overzeesche Rijksdelen (1952-1957) - Vaste Commissie voor Zaken Overzee (1957-1959) - Suriname en de Nederlandse Antillen: - Vaste Commissie voor Betrekkingen met Suriname en de Nederlandse Antillen (1959-1966) - Nieuw-Guinea: - Vaste Commissie voor Nederlandse Nieuw-Guinea (1959-1962) - Vaste Commissie voor Overgangszaken Nieuw-Guinea (1962-1963) Naast zijn voorzitterschap van de Eerste kamer had Jonkman ook drie belangrijke nevenfuncties bekleed als voorzitter te weten; van de Garantiewetcommissie, van het Hoofdbestuur van de Vereniging voor Internationale Rechtsorde (V.I.R.O.) en van de Programmaraad van de Radio Nederland Wereldomroep. Op 11 mei 1950 werd door de koningin de "Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië" goedgekeurd. Voor Jonkman lagen Eerste Kamer en Garantiewetcommissie in het verlengde van zijn Indische loopbaan als politiek geinteresseerde rechterlijk ambtenaar. De V.I.R.O., Nederlands Lid van de "World Federation of United Nations Associations, had als doel: op de grondslag van een internationale rechtsorde vrede en veiligheid te bevorderen, daartoe de rechtsgrondslag van de Verenigde Naties te versterken, en belangstelling te wekken voor vraagstukken van internationale staatkunde. Het voorzitterschap van de V.I.R.O. had Jonkman bekleed van 1949 tot 1952. Daarna was hij tot 1966 lid van het hoofdbestuur. In 1950 werd Jonkman benoemd tot lid van de Programmaraad van Radio Nederland Wereldomroep. In 1959 werd hij zelfs voorzitter van de Programmaraad, welke functie hij tot 1966 bekleedde. Jonkman beschouwde de V.I.R.O en de Wereldomroep als instrumenten bij de Nederlandse omschakeling van koloniale naar internationale werkzaamheid. Uit zijn functie als voorzitter van de Eerste Kamer vloeiden ook activiteiten voort als voorzitterschappen van comite's. Op 4 februari 1963 werd Jonkman door de minister-president namens de Ministerraad uitgenodigd het voorzitterschap van het Comité Nationaal Monument Koningin Wilhelmina op zich te nemen. Het comité werd opgericht teneinde te onderzoeken op welke wijze verschillende plannen tot de oprichting van een nationaal monument gecoördineerd konden worden. Op uitnodiging van prinses Beatrix nam Jonkman als voorzitter van de Eerste Kamer zitting in het Comité Nationale Herdenking 1813-1963. De herrijzenis van de Nederlandse staat in 1813 werd in 1963 herdacht. Als nationale herdenkingsdag werd 30 november gekozen. De herdenking strekte zich uit over het tijdvak 30 april 1963 - 30 maart 1964. Uit het Comité Nationale Herdenking werd een Algemeen Werkcomité gevormd waaronder contactgroepen werden ingesteld voor de verschillende terreinen van activiteiten. De nadruk werd gelegd op de plaats en taak van het Koninkrijk der Nederlanden in de wereld. Jonkman was in 1952 lid geweest van het Werkcomité van de tentoonstelling " De geschiedenis van de Staten-Generaal",gehouden in het Gemeentemuseum van 's-Gravenhage van 29 mei tot en met 13 september 1952. Op 9 januari 1464 kwam de Staten-Generaal voor het eerst te Brugge bijeen. Dit werd op 9 januari 1964 herdacht. Uit de beide Kamers van de Staten-Generaal werden commissies samengesteld, ter voorbereiding van de herdenking. De "Verenigde commissie 500 jaar Staten-Generaal" van de beide Kamers werd voortgezeten door Jonkman. Zo was Jonkman in 1965 ook voorzitter van de Stichting Nationaal Comité Huwelijksgeschenk Prinses Beatrix en Claus von Amsberg. In september 1966 nam Jonkman afscheid als voorzitter van de Eerste Kamer. Hij ontving gedurende zijn carrière diverse Koninklijke Onderscheidingen. - 1940 Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. - 1948 Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. - 1953 Grootkruis der Orde van Leopold II van België. - 1955 Commandeur met het Grootkruis in de Orde van de Poolster van Zweden. - 1961 Grootofficier in de orde van Oranje-Nassau. - 1964 Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw. - 1966 Grootkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw. Jonkman schreef memoires die in twee delen gepubliceerd werden: " Het Oude Nederlands-Indië " en "Nederland en Indonesië Beide Vrij". Hij overleed in Den Haag op 27 juni 1976 op de leeftijd van 84 jaar. Hij was gehuwd met J.L.M. de Bruïne. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, drie zonen en één dochter.
Schermerhorn kwam uit een familie, waarin aan de kerk 'niet werd gedaan' hoewel zijn moeder doopsgezind lidmaat was en hij catechisatie volgde bij de hervormde predikant te Grootschermer. Vooral na het vertrek uit het ouderlijk huis in 1913 kreeg een algemeen christelijk-protestantse levensovertuiging terdege betekenis voor zijn denken. De Vrijzinnig Christelijke Studenten Beweging heeft later hiervoor een blijvende grondslag gelegd. Hij volgde lager onderwijs te Grootschermer en bezocht vervolgens op aandringen van het schoolhoofd in 1908 de HBS te Alkmaar, omdat hij lichamelijk niet geschikt bleek voor de boerderij. In 1913 deed hij eindexamen en liet zich aan de TH te Delft voor de studie van civiel ingenieur inschrijven, waarvoor hij in 1918 het diploma behaalde. Tot 1926 was hij werkzaam als assistent voor landmeetkunde bij prof. J.H. Heuvelink, maar hij sloeg al spoedig met de wetenschappelijke toepassing een eigen weg in, die hem een internationale reputatie zou bezorgen. Hij stichtte een particulier adviesbureau voor landmeetkunde en cartografie, waarvan hij van 1921 tot 1931 de leiding had. De meeste invloed op zijn wetenschappelijke vorming had daarbij zijn 10 jaar oudere Duitse vriend prof. Otto von Gruber te Jena. In 1926 werd hij, nog geen 32 jaar oud, benoemd tot hoogleraar in de landmeet- en waterpaskunde en de geodesie te Delft; een functie, die hij tot 1945 zou blijven bekleden. In 1931 werd hem daarnaast de wetenschappelijke leiding van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat opgedragen. Zijn belangrijkste vernieuwing in die hoedanigheid was de introductie van de voordien in Nederland nog niet toegepaste fotogrammetrie, waardoor een veel doelmatiger kartering werd bereikt. Al vanaf 1929 had hij daarvoor samengewerkt met de KLM. Eén hoogtepunt van deze werkzaamheden als fotogrammeter vormde de luchtkartering van Nieuw-Guinea in 1936, waarbij hij de leiding had. Een steile en onproblematische loopbaan tot zover, waarbij een wetenschappelijke en praktischorganisatorisch gerichte belangstelling en activiteit elkaar gelukkig aanvulden en stimuleerden. Toch waren er al tekenen, dat Schermerhorn nooit volledig opging in deze op zichzelf niet geringe activiteiten van hoogleraar, Rijksadviseur en praktiserend luchtkarteerder. Hij was niet het type van een theoreticus, zoals zijn op de directe praktijk gerichte specialisatie trouwens al bewees en gaf in deze jaren steeds meer blijk van maatschappelijke belangstelling. Een kwestie, die hem daarbij met name aantrok was de verhouding tussen landbouw en moderne samenleving; concreter: de gevolgen, die de confrontatie met een technologische maatschappij voor het traditionalistische denk- en levenspatroon van het agrarische bevolkingsdeel moest hebben. Een vraag, die correspondeerde met Schermerhorns eigen ontwikkeling van landbouwerszoon tot wetenschapsman en cartograaf, met de spanning tussen zijn herkomst uit een agrarisch-traditionalistisch milieu en zijn technische gerichtheid. Een serie lezingen voor de VPRO, in 1934 gebundeld in De boeren in de volksgemeenschap, en een brochure De plaats van de boerenstand in de volkshuishouding, op grond van een lezing voor de Vrijzinnig-Democratische Bond te Leeuwarden in 1937 gehouden, zouden van deze belangstelling getuigen. Hij werd lid van de vereniging Landbouw en Maatschappij. Ook was hij tot 1933 lid van Kerk en Vrede, een interkerkelijke geloofsgemeenschap van sterk pacifistisch georiënteerde christenen. Daarnaast werkte hij van 1934-1935 als mederedacteur van De Smidse. Maandblad voor moderne religie en humanistische cultuur. Directe politieke activiteiten ontwikkelde hij echter nog niet, al sloot hij zich eerst bij de Liberale Staatspartij en later bij de Vrijzinnig-Democratische Bond aan. Zijn lidmaatschap van het bestuur van de VPRO (1924-1942) en zijn commissariaat van de N.V. Glasfabriek Leerdam (1934-1936) wijzen echter eveneens op zijn maatschappelijk gerichte belangstelling. Het was - deze kleine opsomming van activiteiten in de jaren dertig toont het aan - meer een algemene sociaal-ethische instelling, dan uitgesproken politieke ambitie, die hem dreef. In 1935 nam hij samen met een aantal overtuigde democraten het initiatief tot oprichting van de beweging Eenheid door Democratie, die zich bestrijding van de groeiende antidemocratische stromingen van rechts en links ten doel stelde en daarvoor een bovenpartijdig, buitenparlementair front wilde vormen. In 1938 nam hij op aandringen van ir. J. Goudriaan, president-directeur van de NS, de leiding op zich, die hij tot de ontbinding in mei 1940 behield. In mei 1942 werd hij, vermoedelijk op grond van zijn anti-fascistische reputatie, met andere prominenten door de bezetter in het klein-seminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel gegijzeld. Samen met W. Banning, W. Drees e.a. speelde hij een vooraanstaande rol in de discussies over de noodzakelijk geachte vernieuwing na de oorlog. Daarbij kregen de doorbraakgedachte en het plan van de Nederlandse Volksbeweging meer vorm, speciaal ook door toedoen van Schermerhorn. In december 1943 vrijgelaten, werd hij onmiddellijk mederedacteur van het illegale blad Je Maintiendrai, (JM) waarin de Gestelse groep zich o.a. verder met de partijvernieuwing bezighield. Deze enge samenwerking met SDAP'ers bezorgde Schermerhorn en de JM- groep de naam 'Oranje-socialisten'. Zijn conceptie kwam neer op een personalistisch getint socialisme, waarbij de klassenstrijd als verouderd werd verworpen en de Oranjemonarchie als symbool en garantie van de eenheid een rol kreeg toebedeeld. Ook fungeerde Schermerhorn als voorzitter van de Indische Commissie, die uit diverse verzetsgroepen gerekruteerd werd. Direct na de bevrijding tekende hij op 12 mei 1945 de oproep in naam van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), waarbij politieke vernieuwing in de geest van christendom en humanisme werd bepleit. Twee weken later volgde zijn benoeming tot voorzitter van de NVB maar nog in dezelfde maand werd hij, als één van de meest geprofileerde figuren van de nationale vernieuwingsgedachte, door koningin Wilhelmina samen met W. Drees tot kabinetsformateur benoemd. Op 23 juni presenteerden zij het nieuwe kabinet, waarvan de kern bestond uit mannen uit de NVB en SDAP. Schermerhorn zelf aanvaardde het voorzitterschap en de portefeuille van Algemene Zaken van deze eerste naoorlogse regering met de woorden: 'Majesteit, wie in deze put springt is een verloren man.' Het nationale kabinet-Schermerhorn-Drees trad in één van de meest beslissende perioden van de Nederlandse geschiedenis op en zag zich voor een kolossale opgave geplaatst: de wederopbouw, en het materieel en geestelijk herstel van een ontwricht land, na vijf zware oorlogsjaren. Een nadeel was stellig dat antirevolutionairen en communisten géén zitting in de regering hadden, zodat niet alle volksgroepen zich ermee konden identificeren. Op 27 juni verkondigde Schermerhorn over de zender Herrijzend Nederland het omvangrijke regeringsprogram, waarin hij, in de hem eigen klare eenvoudige taal, de bovengenoemde kwesties aan de orde stelde en voor politieke vernieuwing pleitte. Samen met de minister van Onderwijs G. van der Leeuw bleef hij in het kabinet de meest uitgesproken exponent van de doorbraak, die het voor de idealen van de NVB en voor een socialistisch personalisme opnam. De snelle terugkeer van de vooroorlogse partijverhoudingen - vooral van confessionele zijde, gedeeltelijk al vóór de bevrijding, met kracht en succes bevorderd - belette, dat er veel van terechtkwam. Een bundeling van vernieuwingsgroeperingen, met name uit SDAP, VDB en Christelijk Democratische Unie richtten daarom op 9 februari 1946 de Partij van de Arbeid op, als drager van die idealen. Doch de PvdA ontwikkelde zich steeds meer, gedeeltelijk gedwongen en zeker tegen Schermerhorns wens, tot opvolger van de vooroorlogse SDAP dan tot nationale doorbraakpartij. Schermerhorn behoorde tot de oprichters en bleef tot 1961 lid van het partijbestuur. Vanzelf speelde hij een voorname rol in alle belangrijke activiteiten van de regering: de beëindiging van het militair gezag, de reconstructie van de Staten-Generaal; de hele zuivering, de moeilijkheden rond de Eenheidsvak-centrale (EVC) en de grote Rotterdamse havenstakingen in de zomer 1945; de oprichting van het Centraal Planbureau en de Stichting van de Arbeid evenals de nationalisatie van de mijnen. Met zijn maandelijkse 'praatjes op de brug', waarin hij zich via de omroep direct tot de bevolking richtte, en ook in het kabinet zelf introduceerde hij een non-conformistische stijl: een mengsel van kordaat aanpakken en praktisch idealisme, zoals dat tijdens de bezetting in verzetskringen had kunnen ontstaan. Een vraagstuk van onverwachte overschaduwende betekenis, ook voor zijn persoonlijke loopbaan, werd echter al spoedig de Indonesische kwestie. Deze maakte hem tot één van de felst omstreden politici. Overtuigd van de absurditeit van een herstel van de vooroorlogse verhoudingen en open oog voor het fenomeen van een wereldwijd revolutionair dekolonisatieproces trachtte hij samen met de luitenant-GG dr. H.J. van Mook en de minister van Koloniën J.H.A. Logemann door een soepele politiek van onderhandelingen met de Indonesische nationalisten zowel een gewapend conflict als een volledige losscheuring van Indonesië te voorkomen. Zijn streven was tot een zelfstandig federatief Indonesië in Rijksverband volgens de conceptie van Van Mook te komen. Een tactiek, die door de rechtse oppositiepartijen heftig werd bestreden en die ook bij het merendeel van de bevolking op onbegrip en argwaan stuitte. De positie van het kabinet-Schermerhorn werd bemoeilijkt doordat het niet op een parlementaire meerderheid kon steunen. De verkiezingen in mei 1946 betekenden in feite een 'neen' jegens de doorbraakgedachte en de omstreden Indonesië-politiek en daarom nam Schermerhorn in het nieuwe kabinet-Beel geen zitting meer. Wel nam hij het voorzitterschap op zich van de Commissie-Generaal, die na langdurige onderhandelingen op 15 november 1946 de ontwerp-overeenkomst van Linggadjati met de Indonesische leiders parafeerde, waarbij men het eens werd over een zelfstandige Indonesische federatie, in Unie met Nederland verbonden. Maar nieuwe onlusten leidden tot de eerste militaire actie (21 juli - 4/ 5 augustus 1947), waarmee Schermerhorn tegen zijn geweten instemde, onder druk van partijvoorzitter J.J. Vorrink, die benauwd was voor de val van het katholiek-socialistische kabinet en een terugslag voor de PvdA. De verbitterde kritiek op de Commissie-Generaal en de animositeit jegens de persoon van Schermerhorn droegen er toe bij, dat hij, toen de Commissie ontbonden werd in de herfst 1947, meer op de politieke achtergrond raakte. In een uitvoerig dagboek heeft hij even openhartig als informatief zijn bevindingen als voorzitter van de Commissie-Generaal neergelegd. In juli 1948 behaalde hij een zetel in de Tweede Kamer voor de PvdA en in 1951 ging hij naar de Eerste Kamer, die hij in 1965 verliet. Vooral de buitenlandse politiek en onderwijszaken hadden in die jaren zijn belangstelling. Na zijn pensionering in 1965 mengde hij zich opnieuw in de tegenstellingen binnen de PvdA en koos de zijde van Nieuw-Links en van de jeugdige vernieuwingsvleugel. Zo betuigde hij ook adhesie aan het pamflet Tien over rood (1966). Op het partijcongres in 1967 hield hij een pleidooi voor meer democratisering binnen de partij. Inmiddels was hij zich na beëindiging van zijn regeringsfuncties ook weer met wetenschappelijk werk bezig gaan houden. Van 1951 tot 1965 (jaar van zijn emeritaat) was hij directeur van het Internationaal Instituut voor luchtkartering te Delft. Verschillende buitenlandse eredoctoraten (Gent, Zürich, Milaan, Glasgow en Hannover) en andere hoge binnen- en buitenlandse onderscheidingen vielen hem in die jaren ten deel. Zijn maatschappelijke belangstelling had hem al vlak voor de oorlog ook met het vraagstuk van de onderwijsvernieuwing in verbinding gebracht, met name met de Werkplaats van Kees Boeke te Bilthoven. Bij de oprichting van de stichting van die school in 1948, die mede door zijn toedoen tot stand was gekomen, bleek hij de aangewezen voorzitter; een functie, die hij tot 1969 bekleedde. In al die jaren toonde hij zich een krachtig voorvechter van Boekes ideeën. Schermerhorns betekenis als pionier in de luchtkartering is onbetwist, terwijl zijn politieke rol dat vanzelfsprekend allerminst is gebleven. Toch kan men hier van een pioniersrol spreken, ook al is die hem niet in onverdeelde dankbaarheid afgenomen: pionier als voorstander van de doorbraak, als criticus - voor 1940 al - van het verzuilde parlementaire bestel, maar bovenal als iemand die al spoedig in 1945 begreep, dat slechts erkenning van het Indonesische nationalisme een reële basis bood voor een politiek, die een geweldloze en soepele transformatie van het failliete koloniale bestel naar een vrij, doch met Nederland verbonden Indonesië tot doel had. Dat hij politieke visie had, is later ook door toenmalige opponenten erkend. De verguizing, die hem jarenlang ten deel is gevallen, hing gedeeltelijk stellig samen met het feit, dat de meerderheid ook van de Nederlandse politieke voormannen t.a.v. de Indonesische kwestie deze visie miste. Aan de andere kant was Schermerhorn geen tacticus, geen diplomaat bereid om met gevoeligheden rekening te houden, tenen of belangen te ontzien. Hij hield van een zeer onopgesmukte, doch in zijn openhartigheid ook vaak emotionele en provocatieve aanpak. Zijn democratisch bewustzijn was doortrokken van het besef, dat niet gevestigde instituties en regelingen doch de juiste mensen op de juiste plaats de doorslag geven, die dan ook recht op de nodige bewegingsvrijheid dienen te hebben. Beslissend voor zijn lot als politicus was echter de sterke restauratieve tegenstroom na 1945, die niet de uit het verzet opgekomen vernieuwers maar de tactici en partijmanagers onder de politieke elite begunstigde.
De Zuid-Afrikaanse Republiek Korte geschiedenis Kaap de Goede Hoop werd vanaf de 17e eeuw door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gebruikt als een stopplaats onderweg naar Azië. De schepen sloegen er vers water en voedsel in. In 1651 richtte de VOC er een vaste bevoorradingspost op. Het bezette gebied stond onder leiding van commandeurs, gouverneurs en commissarissen. Een aantal jaren later werd het inwoners van de Republiek toegestaan om zich aan de Kaap te vestigen als zogenaamde 'vrijburgers'. Velen maakten hier gebruik van en er ontstond een bloeiende landbouwkolonie. (Zuid-Afrika is echter nooit een officiële Nederlandse kolonie geweest.) Er werden slaven geïmporteerd om te dienen als goedkope arbeidskrachten. Aan het eind van de 17e eeuw vestigden ook Duitsers en Fransen zich in het gebied. Samen zouden deze Europeanen het 'Afrikanervolk' gaan vormen. Al snel ontstonden er conflicten. De Afrikaners (ook wel Boeren genoemd) eisten zelfbestuur, maar zowel de VOC als de Staten-Generaal waren hier op tegen. Uiteindelijk kwamen de Boeren in opstand. In 1795 namen zij in een aantal districten het gezag over en verenigden zij zich met een eigen constitutie direct onder de Nederlandse Republiek. De bezetting van de Kaap door Groot-Brittannië in datzelfde jaar maakte echter al weer snel een einde aan het zelfbestuur. De Vrede van Amiens zorgde er in 1803 voor dat het gebied tijdelijk terugkeerde onder het gezag van de opvolger van de Republiek: de Bataafse Republiek. Maar drie jaar later veroverden de Britten de Kaap wederom en in 1814 kregen zij het definitief in bezit. Toen de Britten aan het einde van de 18e eeuw arriveerden telde Zuid-Afrika zo'n 14.000 Boeren. De nieuwe machthebbers van de Kaapkolonie (of Cape Colony) zorgden ervoor dat de wijnbouw en de wolexport flink toenamen. Maar tegelijkertijd verzetten de Boeren zich tegen de nieuwe, strakke regelgeving, die de Britten hen wilden opleggen. Zo werd het Engels bijvoorbeeld de enige officiële taal. Ook de afschaffing van de slavernij en de vestiging van 5.000 Britse emigranten in de Kaapkolonie zette kwaad bloed. Bij de Boeren ontstond steeds meer behoefte om een nieuwe, onafhankelijke republiek op te richten. Oprichting van de Boerenrepublieken Na de zesde Kafferoorlog in 1834 trokken de Boeren naar het noorden. Dit wordt de 'Grote Trek' genoemd. Hierdoor kwamen zij in conflict met verschillende autochtone stammen (de Ndebele en de Zoeloes). De Boeren kwamen als overwinnaars uit de strijd (de Slag bij de Bloedrivier) en zij annexeerden gedeeltes van Natal. Vervolgens richtten zij een eigen republiek op: Natalia. Vanaf 1842 begon Groot-Brittannië de Boerenrepubliek te veroveren. Zes jaar later, in 1848, probeerden de Boeren tevergeefs het verloren gebied te herwinnen. Daarop stichtten zij twee nieuwe republieken, namelijk Transvaal (de officiële naam luidde: de Zuid-Afrikaanse Republiek) in 1852 en Oranje Vrijstaat in 1854. Beide staten wisten overeenstemming te bereiken met de Britten. Hun onafhankelijkheid werd door Londen erkend in twee traktaten, respectievelijk de Conventie van Zandrivier en de Conventie van Bloemfontein. Natal werd in 1856 een officiële Britse kolonie. De gesloten verdragen hielden niet lang stand. Groot-Brittannië bleek niet bereid zich te houden aan de vastgelegde bepalingen en annexeerde grondgebied van beide republieken (Basoetoland in 1868 en de Transvaalse en Vrijstaatse diamantvelden in 1871). Na de ontdekking van goudvelden werd in 1877 uiteindelijk de gehele Zuid-Afrikaanse Republiek bezet. De Boerenoorlogen De Britten probeerden nu wederom hun wetgeving aan de Boeren op te leggen. Zij wilden hierdoor onder andere de positie van de zwarte bevolking verbeteren. Hiertegen kwamen de Boeren in 1880 in opstand. Zij stonden onder leiding van Paul Krüger. In de Slag om Majuba Hill werden de Britten verslagen en het gevolg was dat de Boeren in 1881 Transvaal terugkregen. Zij hadden de Eerste Boerenoorlog gewonnen. Krüger werd staatspresident van een autonome Zuid-Afrikaanse Republiek. Om zijn staat verder te ontwikkelen reisde hij naar Nederland om daar jonge, hoogopgeleide arbeidskrachten te vinden. Ondertussen hadden de Duitsers zich gevestigd in Zuidwest Afrika (het tegenwoordige Namibië). Londen was bevreesd voor een anti-Brits verbond tussen hen en de Boeren. Daarom werd in 1885 het protectoraat Bechuanaland (het tegenwoordige Botswana) tot stand gebracht. Aan het hoofd stond Cecil Rhodes, die ook het bewind voerde over Cape Colony. Hij probeerde een Britse corridor te realiseren vanaf Kaap de Goede Hoop tot aan Caïro in Egypte. Zelfstandige Boerenrepublieken pasten niet in dit plan. Bovendien werd er in 1886 goud ontdekt in Witwatersrand. Hierdoor groeide Johannesburg zo snel, dat het groter werd dan Kaapstad, dat in Britse handen was. Gelukzoekers, waaronder vele Britten, trokken in grote getale naar de Tranvaal. De economische groei van Witwatersrand maakte Rhodes duidelijk dat hij de Boerenrepublieken moest annexeren. Als aanleiding gebruikte hij hiervoor de grieven van de 'Uitlanders'. Deze groep blanke niet-Afrikanen waren verbolgen over het feit, dat Krüger de termijn, die zij in de republiek moesten wonen alvorens zij mochten stemmen, had verlengd van vijf naar veertien jaar. Een groep Britten probeerde in 1895 de 'Uitlanders' aan te zetten tot een opstand: de zogenaamde Jameson' Raid. Deze actie mislukte echter volkomen. De spanningen tussen de Boerenrepublieken en Groot-Brittannië liepen mede hierdoor echter op tot het kookpunt. Het aftreden van Rhodes veranderde daar niets aan. De Zuid-Afrikaanse Republiek en Oranje Vrijstaat (onder leiding van president Steyn) sloten daarom in 1897 een verbond. Hierdoor zouden zij in een komende - en haast onvermijdelijk lijkende - oorlog één front vormen. Twee jaar later, in 1899, was de Tweede Boerenoorlog inderdaad een feit. De optimistische Britten noemden de oorlog de 'Tea-Time War', terwijl de Boeren spraken over de 'Tweede Vrijheidsoorlog'. Aanvankelijk behaalden de Boeren onder generaals als Botha, Joubert en Hertzog successen. Tegenover de guerrillaoorlog van de Boeren stelden de Engelsen echter de tactiek van 'farm burning'. Ook werden vrouwen en kinderen opgesloten in concentratiekampen. Krüger zocht ondertussen steun in Europa. Uiteindelijk zagen de Boeren zich echter door voedselgebrek en uitblijvende hulp gedwongen om de strijd op te geven. Op 31 mei 1902 werd de oorlog beëindigd. Beide kampen sloten het Verdrag van Vereeniging. Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaanse Republiek kwamen onder Brits gezag, maar behielden een grote mate van zelfbestuur. Paul Krüger keerde niet terug en bleef als balling achter in Europa. Hij werd opgevolgd door kolonel Jan Smuts. In 1910 verenigden de Zuid-Afrikaanse Republiek, Kaapkolonie, Oranje Vrijstaat en Natal zich in de Unie van Zuid-Afrika. Louis Botha werd de eerste premier. Om zowel de Boeren als de Britten tevreden te stellen werd besloten om het parlement in Kaapstad te vestigen, de regering in Pretoria en het hooggerechtshof in Bloemfontein. De unie bleef onderdeel van het Britse rijk, maar besliste zelf over binnenlandse aangelegenheden. Staatsinrichting Wetgevende macht Aan de basis van de staatsinrichting van de Zuid-Afrikaanse Republiek lag de Grondwet van 1858. Hierin was bepaald dat de wetgevende macht bij de Volksraad lag. Tot 1889 bestond deze uit twaalf leden, daarna werd dit aantal uitgebreid tot 28. Burgers die gekozen wilden worden in deze raad, dienden aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo moesten zij bijvoorbeeld van onbesproken gedrag zijn, tussen de 30 en 60 jaar oud en lid van de protestantse kerk zijn. Eén keer per jaar vergaderde de Volksraad in Pretoria. In de grondwet werd de Volksraad bestempeld als het hoogste gezag van het land. De president diende bij de raad wetsvoorstellen (van hemzelf, van een Volksraadlid of vanuit het volk) in. Als een voorstel werd aangenomen kreeg dit vervolgens de kracht van wet. Wel hadden de burgers de gelegenheid om hier - gedurende een periode van drie maanden - bezwaar tegen aan te tekenen, voordat de nieuwe wet uiteindelijk in het wetboek werd vastgelegd. Om te voorzien in de behoeftes van het groeiende aantal Uitlanders werd in 1890 de Tweede Volksraad opgericht. De oude Volksraad werd omgedoopt tot Eerste Volksraad. Tegelijkertijd volgden er aanzienlijke wijzigingen in het kiesrecht. Deze waren bedoeld om de vertegenwoordiging van 'Uitlanders' in de Tweede Volksraad te vergemakkelijken en in de Eerste Volksraad te bemoeilijken. De Tweede Volksraad kon onder andere wetten maken voor het mijnwezen, de posterijen, het octrooi- en auteursrecht, de bestrijding van besmettelijke ziektes, de civiele en criminele rechtsprocedures en andere zaken die door de Eerste Volksraad werden doorverwezen. De besluiten van de Tweede Volksraad waren wel onderworpen aan de goedkeuring van de Eerste. De Tweede Volksraad was beslast met de behartiging van technische en stoffelijke belangen, terwijl de Eerste Volksraad het algemene beleid en de hogere volksbelangen voor haar rekening nam. Uitvoerende macht De uitvoerende macht lag in handen van de president (Officieel luidde de titel 'President van den Uitvoerenden Raad'.) en de Uitvoerende Raad. Deze raad telde eerst zes - later zeven - leden. De Zuid-Afrikaanse Republiek kende geen regering op partijpolitieke basis. Naast de president (die als voorzitter optrad) bestond de Uitvoerende Raad nog uit de commandant-generaal ( De commandant-generaal was de hoogste militair van de republiek. Hij werd door het volk gekozen, eerst voor onbepaalde tijd, later voor een periode van tien jaar.), de staatssecretaris, twee burgers ( De twee burgers werden door de Volksraad gekozen, maar niet vanuit hun midden. Het was namelijk verboden dat de twee burgers, die zitting namen in de Uitvoerende Raad, ook lid waren van de Volksraad.), de notulist ( De notulist was ambtshalve lid van de raad en had ook stemrecht.) en (vanaf 1884) de superintendent van 'naturellesake' ( Voor de superintendent gold dezelfde regeling.). Als de stemmen staakten had de president de beslissende stem. Ook stond het hem vrij om hoofdambtenaren voor de zitting uit te nodigen als het over zaken ging die onder hun departement vielen. In zo'n geval hadden ook zij een stem en waren zij medeverantwoordelijk voor het genomen besluit. Na de grondwetswijziging van 1889 werd de titel president vervangen door staatspresident. De uitvoerende macht was nu alleen nog aan hem opgedragen. Ondanks deze machtsuitbreiding bleef hij nog altijd de hoogste ambtenaar, waardoor hij verantwoording schuldig bleef aan de Volksraad. De president werd uit en door de burgers gekozen, die stemgerechtigd waren voor het kiezen van de Eerste Volksraad. Zijn ambtstermijn duurde vijf jaar, daarna mocht hij zich herkiesbaar stellen. De president was belast met de uitvoering van wetten en besluiten genomen door de Volksraad. Ook was hij verantwoordelijk voor het landsbestuur. Eenmaal per jaar diende hij daarom samen met een lid van de Uitvoerende Raad alle dorpen en steden te bezoeken en de regeringskantoren te inspecteren. Tijdens de jaarlijkse vergadering van de Volksraad moest hij verslag doen van zijn verrichtingen. Met toestemming van de Volksraad kon hij ook oorlog verklaren en vrede sluiten. Vredesverdragen moesten - evenals andere verdragen - wel door de Volksraad worden goedgekeurd. Alle ambtenaren (met uitzondering van de rechterlijke) waren aan hem ondergeschikt. Ook stelde hij alle ambtenaren aan met uitzondering van degenen die door verkiezing werden gekozen. Levensloop van dr. W.J. Leyds Willem Johannes Leyds werd op 1 mei 1859 geboren te Magelang in Nederlands-Indië. Op zesjarige leeftijd overleed zijn vader, W.J. Leyds, die tot op dat moment gouvernements-onderwijzer was. Zijn moeder, Trijntje van Beuningen, besloot daarop met haar vijf kinderen (naast Willem waren dit Johannes, Jacobus, Reinier en Marie) terug te keren naar Nederland. Het gezin vestigde zich vervolgens in Amsterdam. Dankzij een studiebeurs was het voor Leyds mogelijk om in 1874 naar de Rijkskweekschool te gaan. Vier jaar later had hij de opleiding afgerond en ging hij werken in het onderwijs. In 1880 schreef hij zich in voor de studie rechten aan de Universiteit van Amsterdam, nadat hij eerst een toelatingsexamen had gedaan. Zijn studie bekostigde hij met het geven van lessen. Leyds bleek een uitmuntend student. Al zijn examens en zijn proefschrift (getiteld De rechtsgrond der schadevergoeding voor preventieve hechtenis (1884)) waren cum laude. Door toedoen van zijn hoogleraren kwam Leyds in contact met staatspresident S.J.P. Krüger van de Zuid-Afrikaanse Republiek, die op dat moment een rondreis door Europa maakte. De jonge jurist kreeg het ambt van staatsprocureur aangeboden. Leyds nam het aanbod aan en vanaf 6 oktober 1884 was hij in deze functie hoofd van het Openbaar Ministerie, de politie en het gevangeniswezen in de Zuid-Afrikaanse Republiek. Ook nam hij deel aan de beraadslaging over justitiële zaken en was hij regeringsadviseur in juridische zaken. In feite fungeerde hij als een soort minister van Justitie. Kort voor zijn vertrek was Leyds getrouwd met Louise Wilhelmina Susanna Roeff. Na enige tijd volgde zij hem naar Zuid-Afrika. Samen kregen zij twee zonen (waarvan de oudste jong overleed) en een dochter. Op 26 juni 1888 werd Leyds aangesteld als staatssecretaris. Pas vanaf 1 mei 1889 kon hij in deze hoedanigheid optreden, omdat hij toen de voorgeschreven leeftijd bereikte van 30 jaar. Het staatssecretariaat met aan het hoofd de staatssecretaris vormde het administratieve centrum van de Zuid-Afrikaanse Republiek. Het was de verbindende schakel tussen wetgevende en uitvoerende macht. Ook fungeerde het als een soort gecombineerd Ministerie van Binnen- en Buitenlandse Zaken. Als staatssecretaris had Leyds zitting in de Uitvoerende Raad en was hij tot 1892 griffier van de Volksraad. Samen met de staatspresident vormde hij de kern van de regering. De staatssecretaris werd gekozen door de Volksraad voor een periode van vier jaar. Tot tweemaal toe werd Leyds herkozen in deze functie. Uiteindelijk dwong een keelaandoening hem om de zware functie in mei 1898 neer te leggen. Tijdens zijn periode als staatssecretaris werd hij geëerd met diverse onderscheidingen, waaronder de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Duitse Orde van de Rooden Adelaar en de Franse 'Ordre National de la Légion d ' Honneur'. Leyds keerde daarop terug naar Europa, waar hij gezant werd voor de Zuid-Afrikaanse Republiek. Hij werd bij verschillende Europese regeringen en hoven geaccrediteerd en zijn standplaats werd Brussel. Nadat de Tweede Boerenoorlog was uitgebroken (1899) zette hij zich vooral in om de zaak van de Boeren in Europa te promoten. Hij probeerde de hulpverlening te coördineren. Ook beheerde hij fondsen, waarmee onder andere de aankoop en het transport van wapens en munitie betaald werden. Met het einde van de oorlog kwam er ook een eind aan de loopbaan van Leyds. Hoewel hij nog maar 43 jaar oud was, besloot hij geen nieuwe functie te zoeken. Hij vestigde zich vanaf 1905 in Den Haag. Een jaar eerder had hij het stoffelijk overschot van Paul Krüger begeleid vanuit Europa tot aan Kaapstad. Pas in 1909 zou hij zelf weer terugkeren in Zuid-Afrika voor een kort bezoek. Inmiddels was hij toen weduwnaar geworden. Zijn vrouw was in 1907 overleden. Leyds hertrouwde in augustus 1910 met Anna (Carina) Castens. Zij kregen geen kinderen. In 1930 schonk hij het nog altijd door hem beheerde gezantschaparchief aan het Staatsarchief van Zuid-Afrika. Ook publiceerde hij verschillende brochures, artikelen en boeken over zijn ervaringen in zijn tweede vaderland. In 1934 werd hij nog benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw in 1934. Dr. Willem Johannes Leyds overleed kort na de Duitse inval in Nederland op 14 mei 1940.
Algemeen Voor de inleiding is gebruik gemaakt van de inv.nrs. 357 en 488: Het dagboek van dr. G.H.C. Hart, Londen mei 1940-mei 1941, uitgegeven door A.E. Kersten, Den Haag 1976 en van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog door dr. L. de Jong, deel 9 en 11. Op 10 mei 1940 vertrok de minister van Koloniën, Ch.J.I.M. Welter, samen met zijn ambtsgenoot van Buitenlandse Zaken naar Engeland om met de Britse en Franse regering besprekingen te houden over de situatie die ontstaan was na de Duitse inval. Na het vertrek op 13-14 mei van de Nederlandse regering naar Engeland trof Welter de nodige maatregelen om het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen vanuit Londen mogelijk te maken. De chefs van de ministeriële afdelingen I (Juridische Zaken, W.G. Peekema), II (Financiën en begroting, J. Hardeman), IV (West-Indische Zaken, A. Muhlenfeld) en VIII (Economische Zaken, G.H.C. Hart) werden met spoed naar Londen gedirigeerd. Bij deze groep voegde zich een aantal KNIL-officieren onder leiding van kolonel Verniers van der Loeff. Deze officier en lnt.kol. De Blieck zouden aan het hoofd gesteld worden van de koloniale militaire afdeling in Londen. De overige KNIL-officieren werden naar New York gezonden, waar zij deel gingen uitmaken van de Aankoop Commissie voor het KNIL. Voorts werden nog enige hoge ambtenaren in Londen bij het ministerie gedetacheerd, die zich min of meer toevallig in het buitenland bevonden tijdens de Duitse inval: J.H. Delgorge en P.H. Westermann (Delgorge bevond zich als Nederlands adviseur bij de conferentie voor internationale opiumzaken in Genève; Westermann als secretaris van de Internationale Rubbercommissie te Londen.). Deze personen zouden gedurende de oorlog de kern van het departement in Londen vormen. Het overige ministerie-personeel werd gerecruteerd uit in Londen aanwezige Nederlanders, Engelandvaarders, gestrande Indische verlofgangers en incidenteel uit gespecialiseerd personeel overgezonden uit Nederlands-Indië. Aldus werd naar analogie van het Haagse model een organisatie geschapen, die in staat was de administratieve taken voortvloeiend uit het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen onder verantwoordelijkheid van de minister van Koloniën te vervullen. Feitelijk kwamen hier nog enige taken bij, omdat ook een deel van de taken van het Commissariaat voor Indische Zaken (personele en materiële zaken voor de koloniën) in Londen vervuld diende te worden, alsmede de afzet van de koloniale produkten, hetgeen voordien aan het particulier initiatief werd overgelaten. Welter was na onenigheid met Gerbrandy in november 1941 teruggetreden als minister van Koloniën en Gerbrandy had diens functie op zich genomen. Op 21 mei 1942 nam Van Mook zijn taak als minister over en zou Gerbrandy naast minister-president tevens optreden als minister van het per genoemde datum opgerichte Ministerie van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk. Een belangrijk keerpunt in de organisatie en functievervulling van het ministerie vond plaats na de bezetting van Nederlands-Indië in maart 1942. Bij KB van 9 mei 1942 Stb. C39 werd het algemeen bestuur over Nederlands-Indië, voorheen een taak van de gouverneur-generaal, overgedragen aan de minister van Koloniën. De operationele zeggenschap over de strijdkrachten in het Oosten kwam echter onder de minister van Marine, admiraal Furstner, met C.E.L. Helfrich als bevelhebber in Australië(Overleg over militaire zaken tussen Furstner en Van Mook vond plaats binnen de Ministeriële Commissie Oorlogvoering.). Het beheer van de Indische koopvaardijvloot kwam in handen van de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Hiermee werd een scheiding aangebracht tussen de koloniale civiele en de militaire sector. Een groep Indische hoofdambtenaren onder leiding van H.J. van Mook had vlak voor de capitulatie Nederlands-Indië verlaten en hieruit was de Nederlands-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland onder leiding van Van der Plas gevormd. Een aantal ambtenaren ging met Van Mook mee naar Londen, waar zij in de koloniale adviescolleges werden opgenomen. Van Mook ging op basis van de taakuitbreiding en wegens de inpassing van zijn Indische adviseurs in augustus 1942 over tot herverdeling van werkzaamheden en reorganisatie van het ministerie. Hij werd bij de uitoefening van het algemeen bestuur over Nederlands-Indië terzijde gestaan door de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken, een adviesorgaan zoals voorheen de Raad van Nederlands-Indië. Ter behartiging van de Indische belangen in Amerika werd kort daarop de Commissie voor Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao opgericht, die deel uit maakte van de Missie voor Economische, Financiële en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk in Amerika. Omdat vrij veel adviserende leden in de jaren 1942-1944 verspreid raakten over Amerika en Australië bepaalde Van Mook, dat deze leden zowel deel zouden uitmaken van de Raad van Bijstand in Londen als van de Commissie in Amerika. De eind 1943 afgekondigde wetsbesluiten D65 en D66, die een voorlopige regeling troffen voor de terugkeer van de Nederlands-Indische regering, hadden voor de organisatie van het ministerie tot gevolg, dat er een Politieke Inlichtingendienst, annex wervingsbureau voor de Indische dienst werd opgericht. Stb. D65 is op 14 september 1944 van kracht geworden, de datum waarop Van Mook tijdelijk werd belast met de functie van luitenant-gouverneur-generaal. Alle bevoegdheden met betrekking tot het algemeen bestuur gingen over van de minister van Koloniën naar de luitenant-gouverneur-generaal. Dit werd definitief na Van Mooks aftreden als minister van Koloniën op 23 februari 1945. In september 1944 werd getracht contact op te nemen met het Ministerie van Koloniën in Nederland, dat naar Zutphen was geëvacueerd. Wervingen voor de koloniale dienst verliepen vanaf 1944 via Sectie XV van het Militair Gezag, dat in Eindhoven gevestigd was. In het licht van de nieuwe staatkundige verhoudingen, zoals in het vooruitzicht gesteld door de rede van koningin Wilhelmina van 7 december 1942, werd bij KB van 12 april 1945 nr 16 de naam van het ministerie met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945 gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen werd bij beschikking van 21 juli 1945 nr. 1/Kabinet met ingang van 1 augustus 1945 opgeheven. In juli-augustus 1945 werd de verhuizing van het ministerie van Londen naar Den Haag voltooid en samengevoegd met in Den Haag, Zutphen en Eindhoven functionerende organen. Voor de afwikkeling van de vnl. militaire koloniale belangen in Engeland werd met ingang van 1 augustus 1945 het Londen Bureau van het Departement van Overzeese Gebiedsdelen (LBOG) opgericht. Medio 1946 kwam aan de taak van dit bureau een einde. Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië onder het bevel van P.H. Westermann bleef tot 1948, geïncorporeerd in de Nederlandse ambassade, in Londen gevestigd. Organisatie-overzicht Ministers van Koloniën Ch.J.I.M. Welter 10-08-1939 t/m 20-11-1941 prof.mr. P.S. Gerbrandy, ad interim 20-11-1941 t/m 25-02-1942 prof.mr. P.S. Gerbrandy 25-02-1942 t/m 21-05-1942 dr. H.J. van Mook 21-05-1942 t/m 23-02-1945 prof.ir. J.I.J.M. Schmutzer 23-02-1945 t/m 24-06-1945 Organisatie per 28 mei 1940 Zie beschikking van 1 juni 1940, nr. 30/B; mededeling aan de gouverneur-generaal en de gouverneurs van Suriname en Curaçao. secretaris-generaal: J. Hardeman Afd. A: Staatsrechtelijke en juridische zaken, internationale zaken (uitgezonderd monetaire en economische aangelegenheden): mr. W.G. Peekema Afd. B: Financiële en monetaire zaken: J. Hardeman Afd. C: Economische zaken in ruime zin, handel en scheepvaart, gouvernementsbedrijven handelspolitiek (ook politieke zaken Oost-Azië en Amerika): mr. G.H.C. Hart Afd. D: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld Afd. E: Personele zaken: J.H. Delgorge Afd. F: Agenda, archief en expeditie: J.H. Delgorge Afd. G: Militaire zaken en aanschaffingen (ook voor de burgerlijke departementen): kol.ir. H.J.W. Verniers van der Loeff Organisatie per 24 augustus 1942 Organisatie volgens beschikking 24 augustus 1952, nr. 649/IX.2. secretaris-generaal: J. Hardeman secretaris van de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken: mr. N.S. Blom Afd. I: Algemene en Juridische Zaken: mr. W.G. Peekema Afd. II: Kabinet en personele zaken, archief, expeditie: J.H. Delgorge Afd. III: Financiën, waaronder munt- en bankzaken: J. Hardeman Afd. IV: Comptabiliteit: H.J.M. Merhottein Afd. V: Economische en scheepvaartzaken: P.H. Westermann Afd. VI: Deviezen, burgerlijke luchtvaart: mr. D. Crena de Iongh Afd. VII: Rechtsverkeer (besluiten A1, A6 en C18, zetelverplaatsingen): prof.mr. J. Eggens Afd. VIII: Militaire zaken en aanschaffingen: generaal-majoor ir. H.J.W. Verniers van der Loeff Afd. IX: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld Afd. X: Informatie en publiciteit: mr. W.G. Peekem Organisatie per 14 juli 1943 Organisatie volgens beschikking van 14 juli 1943, nr. 101/B.16 geheim. Oprichting van het Bureau Inlichtingen voor Nederlands-Indië. Hoofd: ir. P.A. de Blieck; rechtstreeks onder de minister van Koloniën, uitoefenende het algemeen bestuur over Nederlands-Indië. verkrijgen van inlichtingen uit en over Nederlands-Indië; geheime berichtgeving en propaganda naar Nederlands-Indië; ondergrondse actie in Nederlands-Indië; aanwerving van personeel voor deze doeleinden en hun vervoer naar het verre oosten; afschaffing van materieel voor deze doeleinden en de verzending daarvan naar het verre oosten; onderhouden van contact met de overeenkomstige diensten van de Departementen van Oorlog en Marine; onderhouden van contact met de overeenkomstige Britse en Amerikaanse diensten; correspondentie met de met de onder a. t/m e. omschreven taak belaste Nederlandse of Nederlands-Indische organen buiten Engeland. Het Bureau Inlichtingen gaat per 21 december 1943 op in de Afdeling VIII-A. Organisatie per 21 december 1943 Organisatie volgens beschikking 21 december 1943, nr. 1068/IX.2A. Afd. V-A: Scheepvaartzaken en sociale zorg Indonesische zeelieden: L. Speelman Afd. VIII-A: Politieke Inlichtingen Dienst en Werving personeel voor de Indische Dienst: kol.ir P.A. de Blieck Organisatie per 23 februari 1945 Organisatie volgens KB van 12 april 1945, nr. 16 met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945. Naam van het ministerie gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Organisatie per 28 februari 1945 Organisatie volgens beschikking 28 februari 1945, nr. 306/IX.23. Afd. VIII-A: opgeheven m.i.v. 1 maart Afd. VIII: bureauindeling: Bureau Inlichtingen, alsmede olie-inlichtingen, aanschaffing (voor zover ver niet onder afd. V), bijzondere opdrachten. kol.ir. P.A. de Blieck. Bureau Algemene en Personele Zaken. lnt.kol. J. Klein Bureau Defensie en Organisatie. lnt.kol. A.L.A. Coppens. Bureau Militaire Administratie en Intendance. Lnt.kol. J.F. Snijdewint. Organisatie per 1 augustus 1945 Opheffing Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen m.i.v. 1 augustus 1945. Oprichting van het Londen Bureau van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Hoofd: kol. ir. P.A. de Blieck; onderhoofd: lnt.kol. P.G.H. van der Harst zorg voor de huisvesting, verpleging en verscheping naar hun bestemming van militaire en civiele landsdienaren van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao; behandeling van zaken betreffende Indische militaire organisaties in Engeland; contact met Nederlandse, Britse en geallieerde officiële en andere instanties aangaande militaire zaken en de Olie-Inlichtingendienst. afwikkeling van lopende aanschaffingen verricht door de voormalige afdeling VIII van het departement; alle verdere zaken, het Departement van Overzeese Gebiedsdelen betreffende, welke in Groot-Brittannië en Noord-Ierland dienen te worden behandeld, met uitzondering van economische en financiële zaken. Voor alle militaire zaken stond het Hoofd LBOG rechtstreeks onder de bevelen van het hoofd van de Afdeling Militaire Zaken van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag. Onder de bevelen van het hoofd LBOG stond de commandant van het Departement Europa van het KNIL en het overige niet tot dit detachement behorende personeel van het KNIL in Groot-Brittannië. Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië (hoofd P.H. Westermann) was tot juli 1945 samengevoegd met de Vijfde Afdeling van het ministerie. Bij beschikking van 21 juli 1945 nr.1/Kabinet werd het handelscommissariaat formeel ondergebracht bij de Nederlandse ambassade in Londen. De taken werden in het genoemde besluit als volgt omschreven: behartiging van de economische belangen van Nederlands-Indië in het Verenigd Koninkrijk; bemoeienis met het beheer van het Nederlands-Indisch deviezenvermogen in Groot-Brittannië; afwikkeling van gestrande ladingen; aanschaffing van goederen voor relief en rehabilitatie voor Nederlands-Indië. De handelscommissaris stond onder de bevelen van de Directeur van Economische Zaken in Batavia.
De erkenning van Franco-Spanje, 1938-1939 In de periode 1936-1939 woedde in Spanje de burgeroorlog. De republikeinse regering had in de voorafgaande periode weinig aandacht besteed aan buitenlandse betrekkingen. De enige vertegenwoordiging van Nederland bestond dan ook uit een Duitser, F. Schlosser. Zelfs nog in 1946, toen volgens een VN-resolutie alle gezanten uit Spanje teruggeroepen dienden te worden, waren er slechts vijf landen die aan die oproep gehoor konden geven. Andere landen hadden geen vertegenwoordiging van enige rang in Spanje. Gedurende het jaar 1938 boekte generaal Franco, leider van de nationalistische tegenregering, grote successen op de republikeinen en veroverde steeds grotere delen van het land. Uit economische overwegingen werd het interessant contact met hem te leggen, als waarschijnlijke winnaar van de burgeroorlog. Naast Schlosser, die bij de republikeinse regering in Barcelona verbleef, stuurde de Nederlandse regering jhr.mr. W.E. van Panhuys als 'agent' naar het Franse St. Jean de Luz, om de belangen bij Franco te behartigen. De nationalistische regering van Franco in Burgos had enkele economische troeven in handen, waaronder de handel in erts. Franco weigerde handel toe te staan tussen Spanje en landen die zijn regering niet erkend hadden. Daarom besprak het Nederlands agentschap in St. Jean de Luz in mei 1938 met de nationalistische regering op welke manier Nederland over kon gaan tot erkenning van het nationalistische regime, waarbij de keus bestond tussen de facto-, de jure-erkenning of een geheimgehouden belofte tot de jure-erkenning. Officieel erkende Nederland alleen de Republikeinse regering in Barcelona als regering van Spanje. Een de jure-erkenning van de tegenregering van Franco was dus uitgesloten. Nederland wilde eigenlijk het voorbeeld van Groot-Brittannië, dat handel mocht voeren met Franco-Spanje, volgen maar de regering in Londen ontkende dat ze Franco de facto erkend had en gaf geen informatie over de aard van haar overeenkomst met Franco. Franco-Spanje stelde zich zelfbewust op. Bij de onderhandelingen met Nederland verwezen de nationalisten er zelfs naar dat franquistisch Spanje een groter oppervlak had dan Nederland, en toonden ze vertrouwen in de goede afloop van de oorlog. In dat opzicht hoefden ze niks te pikken van andere landen en vonden ze een 'agent' eigenlijk te weinig. In de praktijk accepteerden ze echter wel agenten, zolang de de facto erkenning openbaar was. Ze hielden echter wel een economische slag om de arm; er werd met nadruk op gewezen dat een de facto-erkenning en het uitwisselen van agenten niet betekende dat de commerciële betrekkingen normaliseerden. In de loop van juli 1938 kwam er een verklaring tot stand welke een de facto-erkenning van het Franco-regime inhield waar beide partijen mee in konden stemmen. De handel met Franco-Spanje was gered, terwijl Nederland zich niet had verplicht tot een de jure-erkenning van Franco-Spanje. Ongeveer een maand voor het beëindigen van de burgeroorlog door de overwinning van Franco, werd de regering van Franco door Nederland de jure erkend en werd jhr. Van Panhuys, die tot die tijd als agent vanuit St. Jean de Luz had gewerkt, tijdelijk zaakgelastigde bij de Spaanse regering, waar al vrij snel C.H.J. Schuller tot Peursum aankwam als gezant. Van Panhuys werd de tweede man van het gezantschap. Diplomatieke vernedering Tijdens WO II was het de taak van de gezant om de Nederlandse regering op de hoogte te houden van Franco's houding tijdens de oorlog, waarbij de grootste vraag was of hij mee zou doen aan de strijd van de As-mogendheden of dat hij neutraal zou blijven. Deze missie werd bemoeilijkt doordat de Duitse gezant de Spaanse regering onder druk zette om de gezantschappen van de door Duitsland veroverde gebieden weg te pesten. De Duitse delegatie probeerde zo de Nederlandse regering zover te krijgen dat Nederland zijn vertegenwoordiging terugriep. Uiteindelijk gebeurde dit niet, maar er werd wel rekening mee gehouden: het ministerie in Den Haag had Zweden al bereid gevonden de Nederlandse belangen te behartigen mocht, de gezant teruggetrokken worden. Het was de verdienste van Schuller tot Peursum dat hij zich niet weg liet pesten en jarenlang protocollaire vernederingen slikte om het gezantschap draaiende te houden, ten behoeve van het nuttige werk dat gedaan kon worden voor de Nederlandse vluchtelingen in Spanje. De vertegenwoordigingen van België, Noorwegen, Polen, Joegoslavië en Griekenland werden wel teruggeroepen. De pesterijen begonnen na het overlijden van de verbannen koning Alfonso XIII. Voor de kerkelijke eredienst die in verband met het overlijden werd gehouden, werd de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging niet uitgenodigd. Het was het startsein voor een reeks van officiële gelegenheden waarbij de Nederlandse gezant niet welkom was. Ook kreeg hij in plaats van de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken alleen maar de Secretaris-generaal als hoogste regeringsfunctionaris te spreken. Toen echter de kansen voor de As-mogenheden begonnen te keren, koos Franco eieren voor zijn geld. Spanje verstevigde zijn onafhankelijke en neutrale positie en haalde de diplomatieke contacten aan om zich politiek staande te kunnen houden na de oorlog. Rond kerst 1943 werd de achtergestelde positie van Nederland en de andere door Duitsland bezette gebieden ongedaan gemaakt tijdens het afscheidsbanket van de Egyptische gezant. Tegen de tijd dat Schuller tot Peursum op het punt stond van post te wisselen, werd hij weer met alle egards ontvangen en bleken de Spanjaarden veel eerbied gehad te hebben voor koningin Wilhelmina tijdens haar verblijf te Londen. Vluchtelingenzorg Tijdens de oorlog probeerden veel vervolgden en verzetsstrijders via Spanje naar vrij gebied te vluchten. Uit Nederland kwamen vluchtelingen, die doorreisden naar Noord- en Zuid-Amerika, en Engelandvaarders, die naar Groot-Brittannië wilden om daar dienst te nemen in het Britse leger. Het was mogelijk een doorreisvisum te bemachtigen, maar dit gold niet voor personen tussen de 18 en de 41 jaar. Deze personen, die illegaal de grens overstaken, werden aan de zuidkant van de Pyreneeën opgevangen door grenspatrouilles en in interneringskampen geplaatst. De opvang van vluchtelingen was, wat Schuller betreft, een zaak van het consulaat-generaal. Vanuit het gezantschap werd wel door gezantschapsraad Van Panhuys toezicht gehouden op het consulaat-generaal en de werkzaamheden ten behoeve van vluchtelingen, maar die controle was niet erg strikt. Het gezantschap diende zich ervoor in te spannen dat de vluchtelingen zo snel mogelijk het kamp konden verlaten en naar vrij gebied konden gaan. Wegens gebrekkige coördinatie tussen het gezantschap en het consulaat-generaal verliep de hulp aan de vluchtelingen chaotisch. In tegenstelling tot geïnterneerden van andere nationaliteiten, kregen de Nederlanders in de kampen en gevangenissen weinig hulpgoederen, zoals kleding en voedsel, van het gezantschap. Ook bleven zij veel langer dan anderen in de kampen. Het Nederlandse gezantschap leek weinig begaan te zijn met het lot van zijn landgenoten in gevangenschap. Jongemannen die ontsnapten en op het gezantschap of het consulaat-generaal in Madrid papieren wilden bemachtigen om via Portugal naar Groot-Brittannië te gaan, werden met weinig egards behandeld en als 'brutale jongens' weggestuurd. Na een inspectiereis van de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken werd in 1943 de zorg voor de vluchtelingen gescheiden van de andere taken van het gezantschap en het consulaat-generaal en werden de betreffende diplomaten (Schuller tot Peursum, Van Panhuys en consul-generaal De Bruyn Tengbergen) gedreigd met overplaatsing. Wegens de precaire situatie van de vertegenwoordiging naar aanleiding van de Duitse protocollaire pesterijen kwam het daar echter niet van. De situatie was des te opmerkelijker omdat Nederland überhaupt een gezantschap had in Spanje, terwijl de andere landen, die protocollaire vernederingen niet hadden willen ondergaan en zich hadden teruggetrokken, wél adequate hulp aan hun gestrande landgenoten wisten te bieden. Na afloop van de oorlog werd een onderzoek ingesteld naar het verloop van de vluchtelingenopvang in onder andere Spanje. De tendens van het onderzoeksrapport was dat de Nederlandse vertegenwoordiging in Spanje gefaald had: er was te weinig tact en persoonlijke belangstelling te bespeuren geweest bij de diplomaten die betrokken waren bij de hulpverlening aan uitgeweken landgenoten. Toelating tot de Verenigde Naties Tijdens de naoorlogse besprekingen over de oprichting van de VN werd besloten dat staten met regimes die door buitenlandse strijdkrachten in het zadel waren geholpen, tegen de zin van de bevolking in, niet toegelaten zouden worden tot de VN of organisaties verbonden aan de VN. Er werd besloten dat dit ook voor Spanje gold, omdat Franco met Duitse en Italiaanse hulp de burgeroorlog zou hebben gewonnen. Ook speelde mee dat Spanje in de ogen van de internationale gemeenschap iets te veel met de fascistische vijand had geheuld en zich niet strikt neutraal had gehouden. Spanje ontkende dit in alle hevigheid en beriep zich op het non-interventiepact dat de Europese staten hadden gesloten met betrekking tot de Spaanse burgeroorlog, waaruit bleek dat de burgeroorlog uitgevochten was door Spaanse strijders. Ondanks de tegenwerpingen werd Spanje niet toegelaten tot de VN. Het doel van de VN was het regime van Franco zo spoedig mogelijk te vervangen door een democratisch bewind. De mensenrechtensituatie in het land werd onder de loep genomen en naar aanleiding van dat onderzoek werd in december 1946 een resolutie aangenomen om de diplomatieke banden met Spanje te verbreken en het land uit te sluiten van de gespecialiseerde organen van de VN. Van Kleffens, de Nederlandse vertegenwoordiger bij de VN, was tegen de resolutie. Hoewel hij geen sympathie voelde voor het bewind, kon niet aangetoond worden dat Franco een gevaar voor de vrede was en dus moest het accepteren of verwerpen van zijn regime gezien worden als een Spaanse binnenlandse aangelegenheid. Van Kleffens zag juist heil in het handhaven van de diplomatieke betrekkingen, omdat zo nog enige controle uitgeoefend kon worden op Francos regime. Vooral het inmengen in binnenlandse aangelegenheden wilde Nederland ontmoedigen met het oog op zijn eigen 'politionele acties' in Indonesië, die later veroordeeld zouden worden door de VN. Hoewel Nederland zich onthield van stemming over de resolutie van 1946, werd gezant Teppema toch vervangen door een tijdelijk zaakgelastigde, baron Van Voorst tot Voorst. Ondanks de uiteindelijke terugtrekking van Teppema, bleef de Spaanse pers positief tegenover Nederland (de Spaanse bladen spraken instemmend over de 'politionele acties' in Indonesië als strijd tegen het 'rode en gele gevaar'), omdat Nederland had laten weten het niet eens te zijn met het voorstel en de daaruit volgende resolutie. Ook volgde Nederland het VN-beleid om Spanje te weren uit de gespecialiseerde organen, ondanks de nadelige gevolgen die dit had voor de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Spanje. Zo werd een concessie voor een burgerluchtvaartverbinding tussen Amsterdam en Barcelona geweigerd. De VS gingen eerst bilaterale militaire banden aan met Spanje. In ruil voor vliegbases leverde de VS wapens aan Spanje, leidde officieren op en ging handelsrelaties aan. Ook mocht Spanje vanaf 1948 van de Marshallhulp profiteren. De Westerse lidstaten van de NAVO waren hevig gekant tegen de Amerikaanse toenadering tot het ondemocratische Spanje. Volgens een verdedigingsstrategie zou de Atlantische verdediging steunen op Groot-Brittannië en Spanje als pijlers. Tegen de tijd dat de Russen daar zouden zijn, was het voor de andere Europese landen dan al te laat - vandaar o.a. de protesten van Frankrijk, dat de eigen verdediging gecompromitteerd zag. Het strategisch belang van de VS woog niet op tegen de politieke implicaties; immers, door het steunen van een fascistoïde regime, ondermijnde de VS het groeiende vertrouwen in de democratie in Europa. Daarbij vreesde West-Europa dat steun aan Franco de stijgende kansen op zijn omverwerping teniet zouden doen (zo leken de verbannen oppositiegroepen van de monarchisten en de socialisten zich te verenigen in Parijs). En Francos rechtvaardiging met verwijzing naar de ondermijnende positie van socialisten en communisten liep schade op door de succesvolle integratie van socialisten in de Italiaanse politiek. Nederland ondersteunde een onverminderde boycot van Franco's regime. Het Nederlands beleid veranderde echter toen de Koude Oorlog vaste vormen aan begon te nemen en het fascistoïde regime van Franco een minder grote bedreiging voor de wereldvrede vormde dan de Sovjet-Unie en haar satellieten. Franco stond in dat conflict duidelijk aan de zijde van West-Europa. Langzaamaan begon ook in de Nederlandse pers het idee wortel te schieten dat Spanje cruciaal was voor de verdediging van Europa en waarschuwde men ervoor de propaganda van de communisten te geloven, die Franco af bleven schilderen als een bondgenoot en geestverwant van Hitler. In 1952 ontstond er een breuk in het Europese socialistische blok over de vraag of Spanje buiten de VN gehouden moest worden (het eensgezinde 'ja' sneuvelde) en kon Spanje toetreden tot de UNESCO (UN Educational Scientific and Cultural Organization). In 1951 was er ook al weer een gezant naar Madrid gezonden, die in 1954 de status van ambassadeur kreeg. Culturele betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog In zijn reportage aan het departement classificeerde Schuller het bewind van Franco als een schrikbewind. Het verzet tegen zijn regime werd echter ernstig geschaad door de buitenlandse steun die het kreeg. Deze steun kwam voornamelijk vanuit Groot-Brittannië dat, enerzijds uit vrees voor een door communisten gedomineerde Spaanse republiek en anderzijds vanuit strategische oogpunt met betrekking tot Gibraltar, de betrekkingen met Franco niet al te ernstig wilde verstoren. Schuller tot Peursum en daarna Teppema hielden de minister van Buitenlandse Zaken na het aflopen van WO II nauwkeurig op de hoogte van het verzet tegen Franco zowel binnen als buiten Spanje door middel van een bijna tweewekelijkse rapportage. Naast de vele stukken met overwegend negatieve tendens over Franco's regime, was Nederland tegelijkertijd bezig met de charmes van met name Andalusië te ontdekken. Tussen de politieke commentaren op Franco's dictatuur, schitterden reisverslagen over stierengevechten en markten in pittoreske Zuid-Spaanse stadjes. Ook bestond er een wederzijdse interesse voor religieuze groepen. De Spaanse correspondent in Amsterdam, Carlos Delgado Olivares, bracht de positie van de Nederlandse katholieken in beeld (op zijn opmerking dat de Nederlandse katholieken in aantal toenamen, maakte de gezant een notitie of die gegevens gecontroleerd konden worden), terwijl Nederlandse kranten aandacht schonken aan de achtergestelde positie van protestanten in Spanje. Het katholicisme was de officiële staatsgodsdienst en protestanten werden meer dan eens gedwarsboomd in het belijden van hun geloof, wat grote verontwaardiging teweegbracht in Nederland. Handelsbetrekkingen De Nederlands-Spaanse handelsbetrekkingen hadden zwaar te lijden onder de Spaanse Burgeroorlog en WO II. Relatief bleef het Nederlandse aandeel op de Spaanse markt weliswaar behouden, maar de totale omvang van de Spaanse buitenlandse handel was door het vele oorlogsgeweld en het internationale isolement in de naoorlogse jaren gehalveerd, en daarmee het Nederlands-Spaanse handelsvolume ook. Bijkomende factor was dat in 1948, toen er onderzoek werd verricht naar de Nederlandse handelspositie, de Franse en Duitse handel ook ingezakt waren, maar te verwachten viel dat deze twee economieën zich spoedig zouden herstellen en dan geduchte concurrenten van Nederland zouden worden. Tot 1950 toonde de Nederlandse-Spaans handel geen opleving, maar samenhangend met de politieke rehabilitatie van Spanje in de jaren '50 werd die wel verwacht. Tot 1951 weigerde Spanje gebruik te maken van buitenlandse kredieten, zoals de Marshallhulp. Toen men wel eenmaal besloten had te profiteren van deze zogenaamde manipulatiekredieten, bracht het geen verlichting, omdat de geïmporteerde producten relatief steeds duurder werden en de geëxporteerde productie een waardevermindering ondergingen. Nederland wilde graag zijn positie op de Spaanse markt verbeteren, maar gezien de ongunstige omstandigheden kon dit in de eerste helft van de jaren '50 niet verwezenlijkt worden.
Organisatie van de departementen Op 13 mei 1940 verlieten, ten gevolge van de Duitse inval, koningin Wilhelmina en het kabinet De Geer Nederland om zich in Londen te vestigen. Mr M.P.L. Steenberghe, minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, kon vlak na aankomst in Londen beschikken over een drietal hoofdambtenaren (Drs A.B. Speekenbrink, D.M. de Smit en mr H. van Blankenstein.) die via IJmuiden Nederland hadden verlaten en enkele ambtenaren die tijdens de Duitse inval in Parijs op dienstreis waren. Later werd daar Nederlands, maar ook enig Engels personeel aan toegevoegd. Door toeneming van de werkzaamheden groeide ook de omvang van het departement. Op 1 april 1944 werkten er ca. 35 personen op het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, dat gevestigd was in Stratton House in de Engelse hoofdstad. Twee voorname zaken waarmee het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart zich na aankomst in Londen mee bezig hield, waren de inschakeling van de Nederlandse koopvaardijvloot bij de geallieerde oorlogsvoering en het aankopen en beheren van goederen die in Nederland na de bevrijding nodig waren. Later kwam daar de economische wederopbouw (reconstructie) en bevoorrading (ravitaillering) van Nederland na de bevrijding nog bij. De Nederlandse gezant in Londen, jhr mr E.M.F.J. Michiels van Verduynen, was al direct na het uitbreken van de oorlog door de Nederlandse regering gemachtigd om zorg te dragen voor de uitvoering van de Zeeschepenvorderingswet 1939 en de Wet Behoud Scheepsruimte 1939. De gezant stelde een adviescommissie van vier reders in, die toevallig op dat moment in Londen waren. Na het arriveren van het kabinet De Geer in Londen werd de door de gezant ingestelde adviescommissie uitgebreid met andere reders en vertegenwoordigers van bedrijven tot de Nederlandse Scheepvaart en Handelscommissie (NSHC; Netherlands Shipping and Trading Committee NSTC). De commissie kreeg van de regering volmacht om scheepvaart- en handelsaangelegenheden te behandelen. De NSTC groeide uit tot een organisatie van ca. 1000 man personeel. De minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart was in de NSTC vertegenwoordigd door twee ambtenaren die toezicht namens hem uitoefenden: één voor scheepvaartaangelegenheden (A.B. Speekenbrink) en één voor handelsaangelegenheden, het beheer en de verkoop van de ladingen (D.M. de Smit). In New York werd een soort tegenhanger van de NSTC opgericht: het Nederlands Scheepvaart Comité. Deze bestond uit reders en directeurs van de grote rederijen. Er bestond tussen beide organisaties enige rivaliteit. De waarnemend secretaris-generaal van het departement, A.Th. Lamping, vertegenwoordigde Nederland in de Commissie Leith Ross die tot taak had schattingen op te stellen van de na afloop van de oorlog in de bezette landen bestaande behoeften. Lamping meende dat de besprekingen in de commissie voor Nederland tot weinig praktische resultaten zouden leiden. Steenberghe, op de hoogte van Lampings opinie, wilde nu het initiatief naar Nederlandse zijde trekken. Hij stelde na overleg in het kabinet, C. van Stolk in New York aan als regeringscommissaris in buitengewone dienst, belast met de voorbereiding van maatregelen tot de ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Deze verrichtte zijn werk vanaf begin 1941 als hoofd van het pas opgerichte Voedselaankoopbureau in New York. In 1943 werd de United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA) opgericht, een internationale organisatie die streefde naar het herstel van door oorlogsgeweld en bezetting getroffen landen. Nederland nam hier ook aan deel. In juli 1944 werd de Netherlands Office for Relief and Rehabilitation (NORR; Administratie voor Relief en Rehabilitatie ARR) opgericht, een organisatie belast met de voorbereiding en uitvoering van alle civiele aankopen voor Nederland na de bevrijding. Bovendien was de NORR verantwoordelijk voor de opslag en het transport van de aangekochte goederen. De NORR viel aanvankelijk onder vijf ministeries, later nog alleen onder het ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw. Bijlage 2 geeft enige wetsbesluiten die voor het taakgebied van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart (en later Handel, Nijverheid en Landbouw) van belang waren, met uitzondering van scheepvaartaangelegenheden. De werkzaamheden van het departement van Landbouw en Visserij werden verricht door ambtenaren van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. De bemoeienissen met de kleine vissersvloot, die in de meidagen van 1940 naar Engeland was overgestoken, was beperkt, omdat de dagelijkse zorg ervoor was ondergebracht bij de NSTC. Na het vertrek van de bewindsman van Landbouw en Visserij, mr. dr. A.A. van Rhijn, naar de Buitengewone Algemene Rekenkamer op 1 mei 1941, werd de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart tevens ad interim minister van Landbouw en Visserij. Problemen van Van Steenberghe's opvolger, P.A. Kerstens, met de koopvaardij en in het bijzonder met het bestuur van de NSTC, leidde tot de wens om voor de scheepvaart een afzonderlijke minister te benoemen. Dat werd J.M. de Booy, een van de bestuursleden van de NSTC. Als gevolg daarvan werd het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart op 31 mei 1944 gesplitst in twee departementen: het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw en het departement van Scheepvaart en Visserij. ( Besluit van 31 mei 1944 (S. E35), houdende opheffing van het Departement van Landbouw en Visserij, instelling van een nieuw Departement van Scheepvaart en Visserij en wijziging van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in Departement van Handel, Nijverheid en Landbouw.) De minister van Financiën Van den Broek, werd ad interim belast met Handel, Nijverheid en Landbouw. In november 1944 besloot de regering in ballingschap, dat bij terugkeer in Nederland de ministers de leiding zouden hernemen van hun oude departementen. ( Besluit van 9 november 1944, S. 1944 E141.) In mei 1945 werd Nederland bevrijd en maakten de Londense ministeries zich op om naar huis terug te keren. Het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw in Nederland werd in juni 1945, na de formatie van een nieuw kabinet, gesplitst in het departement van Handel en Nijverheid en het departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. (Besluit van 23 juni 1945 houdende instelling, wijziging en opheffing van ministeriële departementen, S. 1945 F113.) Interne organisatie Gedurende het eerste jaar was het ministerie niet in formele afdelingen of bureaus ingedeeld. Als gevolg van de toeneming der werkzaamheden werd eerst in november 1941 een bureauindeling ingevoerd. st de secretaris-generaal a.i. bestonden de volgende bureaus: Kabinet en Archief Afdeling Economische Politiek Afdeling Scheepvaart Afdeling Handelszaken Afdeling Juridische en Algemene Zaken Bureau Comptabiliteit De werkkringen van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in Londen waren als volgt over de afdelingen verdeeld: 1. Afdeling Economische Politiek Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en voedselvoorziening. 2. Afdeling Scheepvaart Zaken betreffende de Nederlandse handelsvloot en de Nederlandse zeelieden, waaronder die de visserij betreffende. 3. Afdeling Handelszaken Zaken betreffende de afwikkeling van gestrande ladingen en contracten van goederen, bestemd geweest voor Nederland. 4. Afdeling Juridische en Algemene Zaken Aangelegenheden van wetgevende en juridische aard. Toepassing van de besluiten inzake het rechtsverkeer in oorlogstijd en de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland. Octrooizaken. Vraagstukken betreffende de toekomstige handelspolitieke verhoudingen. Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Voorbereiding Sectie Economische Zaken van de Staf van het Militair Gezag (sinds eind 1943). In februari 1943 vond een interne reorganisatie plaats, waarbij de afdeling Handelszaken werd opgeheven door samenvoeging met de afdeling Scheepvaart. Uit de afdeling Economische Politiek werd een nieuwe afdeling gevormd en wel de: 5. Afdeling Nijverheid het opstellen van een werkplan voor economische reconstructie; de samenstelling van het 'overzicht Nederl(andsche) Industrie'; de opstelling van primaire metaalbehoeften na de bevrijding (ramingen en toelichtingen); samenwerking met de Studiegroep voor Reconstructie-Problemen behandeling van industrieproblemen in het algemeen en in samenwerking met andere departemeten; deelname aan de organisatie Allied Post War Requirements Bureau ('Leith-Ross') inzake internationale geallieerde behoefteramingen voor na de bevrijding. Daarnaast waren er onder meer nog een adviseur voor aangelegenheden betreffende de industriële eigendom en een regeringscommissaris in buitengewone dienst, belast met de voorbereiding van maatregelen tot de revitaillering van Nederland na de bevrijding (het hoofd van het Voedselaankoopbureau in New York). Verder ressorteerden onder het ministerie nog diverse commissies, waaronder de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie, het Nederlands Scheepvaart Comité in New York en de Textielcommissie. Op diverse Nederlandse ministeries in Londen, waaronder Handel, Nijverheid en Scheepvaart, werden werkgroepen opgericht, die zich bezig hielden met de voorbereiding van ontwerp-besluiten. Ook interdepartementale commissies waren actief, waaronder de Commissie Herstel Rechtsverkeer van de departementen van Justitie en Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Na de splitsing van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in juni 1944 in twee departementen, bemoeide het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw zich met de volgende zaken: Afdeling Economische Politiek Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Afdeling Landbouw en Voedselvoorziening Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en de voedselvoorziening. Afdeling Nijverheid Aangelegenheden betreffende de Nederlandse industrie. De ambtenaren van het departement moesten vaak onder gebrekkige omstandigheden hun werk verrichten. Zo schreef ir. J.F. Straatman, werkzaam op de Afdeling Nijverheid, dat zijn sectie vóór 20 januari 1945 niet beschikte over een eigen typiste en dat het typewerk alleen op rustige momenten kon worden uitbesteed aan de algemene typekamer. Zijn sectie die zich bezig hield met de chemisch-technologische aspecten van de nijverheid, werkte "met veel te weinig personeel, met veel te weinig geschoolde krachten, en met veel te weinig concrete gegevens". De sectie baseerde zich voor haar werkzaamheden, onder meer voor het opstellen van behoefteramingen voor bevrijd Nederland, op gegevens verkregen via een beperkte hoeveelheid gedrukte bronnen, verhoren van een twintigtal Engelandvaarders en zogenaamde Geheime Berichten, die slechts mondjesmaat aan de sectie werden verstrekt. E.D.M. Koning, sedert eind augustus 1944 chef van de Afdeling Nijverheid, schreef na zijn vertrek uit bezet Nederland dat hij van een Londense collega de indruk had gekregen: "van de zeer moeilijke omstandigheden waaronder de regeering in Londen haar werk moest verrichten en van het enorme personeelstekort, waarmee speciaal Handel en Nijverheid te kampen had". Afdeling Juridische en Algemene Zaken Toepassing van de besluiten inzake het rechtsverkeer in oorlogstijd en de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland. Octrooizaken. Samenwerking met de Sectie Economische Zaken van de Staf van het Militair Gezag (sinds september 1944). De behandeling van de zaken betreffende de afwikkeling van gestrande ladingen en contracten van goederen, bestemd geweest voor Nederland, was met de gehele Afdeling Scheepvaartzaken naar het nieuwe Ministerie van Scheepvaart en Visserij gegaan. Hiervan was drs A.B. Speekenbrink tot secretaris-generaal benoemd. Bovendien beschikte het departement over een vertegenwoordiger bij de Missie voor Economische, Financiële en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk voor het Westelijk Halfrond en een regeringscommissaris in buitengewone dienst, belast met de voorbereiding van maatregelen tot de revitaillering van Nederland na de bevrijding, gevestigd in New York. Bij het ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw vond nog één grote reorganisatie vond plaats en wel in maart 1945. Per 12 maart 1945 was de indeling als volgt: Directie van Handel en Nijverheid, onderverdeeld in twee afdelingen: Afdeling Economische Reconstructie (voorheen Afd. Nijverheid) Afdeling Economische Politiek Binnenland Directie van de Handelsaccoorden Afdeling Voedselvoorziening Afdeling Juridische en Algemene Zaken Afdeling Economische Voorlichting Afdeling Comptabiliteit Drs A.B. Speekenbrink werd secretaris-generaal, terwijl A.Th. Lamping weer zijn oude functie van directeur van de Handelsaccoorden op zich nam, zij het in de rang van Gevolmachtigd Minister. Als logisch gevolg van de overgang van Speekenbrink van Scheepvaart en Visserij naar Handel, Nijverheid en Landbouw ging ook de bemoeienis met de liquidatie der aangehouden en gestrande ladingen over naar laatstgenoemd ministerie. Per 19 maart 1945 werd de Afdeling Handelszaken van het Ministerie van Scheepvaart en Visserij als Afdeling Afwikkeling Ladingen toegevoegd aan het Ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw. Het Bureau Londen De bewindslieden van de beide in juni nieuw ingestelde departementen, nl. die van Handel en Nijverheid en van Landbouw, Voedselvoorziening en Visserij, besloten in augustus 1945 een tijdelijk en gezamenlijk Bureau Londen in te stellen, dat verantwoordelijk zou zijn voor: de overbrenging naar 's-Gravenhage van personen en diensten ressorterende onder het voormalige Departement van Handel, Nijverheid en Landbouw te Londen; het in ontvangst nemen, toetsen en doorgeven aan de Administratie voor Relief en Rehabilitatie van aankoopopdrachten uit Nederland, zoolang deze opdrachten nog niet van uit Nederland rechtstreeks aan de Administratie voor Relief en Rehabilitatie worden verstrekt; het verrichten van alle daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden ten behoeve en in opdracht van den Economischen Voorlichtingsdienst; het behandelen van alle aangelegenheden, welke als uitvloeisel van de uitvoerende taak der beide Ministeries tijdelijk nog in Londen moeten worden verricht en het daartoe onderhouden van het noodige contact met geallieerde instanties; het behandelen van comptabele kwesties der beide Ministeries, voorzoover deze in Londen moeten worden behandeld. Tot hoofd van het Bureau Londen werd benoemd ir F.Q. den Hollander, waarnemend directeur-generaal van Handel en Nijverheid in Den Haag. Zijn plaatsvervanger was mr. E.D.M. Koning, hoofd van directie Handels- en Industrieel Beleid. De dagelijkse leiding berustte bij de Bureausecretaris, drs. H. Jonker. De behandeling van zaken betreffende landbouw, visserij en voedselvoorziening lag in handen van drs. C.C.L. Eygenraam. De organisatie van het Bureau Londen zag er als volgt uit: Bureauleiding Bureau Secretariaat Sectie Algemene Dienst, Personeel en Archief Sectie Reizen en Ontvangst Bureau Coördinatie Aankoopopdrachten Bureau Londen Economische Voorlichtingsdienst Bureau Comptabiliteit Bureau Landbouw Het ministerie van Handel en Nijverheid hief zijn gedeelte van dit Londens Bureau reeds op per 31 oktober 1945. De Sectie Reizen en Ontvangst werd overgeheveld naar Administratie voor Relief en Rehabilitatie. Jonker werd belast met de verdere afwikkeling in Londen. Het Londense Bureau van het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, onder leiding van Eygenraam, bleef na 31 oktober 1945 nog bestaan. Het Bureau Londen van de Economische Voorlichtingsdienst (ook kortweg EVD genoemd) was de opvolger van de Afdeling Economische Voorlichting van het Londense Ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw. De Economische Voorlichtingsdienst, in augustus 1945 verhuisd van Stratton House aan Stratton Street naar Mexborough House aan Doverstreet, ging per 1 november van datzelfde jaar over naar de Handelsafdeling (Economische Afdeling) van de Nederlandse ambassade in Londen. Het Bureau Londen van de Economische Voorlichtingsdienst had de volgende werkzaamheden: uitgave van de Netherlands Economic News en documentatievoorziening van de Engelssprekende Nederlandse consulaire posten; het informeren van Nederlandse overheidsinstellingen en particuliere bedrijven op verzoek; het voeren van de handelscorrespondentie ten behoeve van het Nederlandse consulaat-generaal in Londen; contacten met buitenlandse en Nederlandse consulaten ten einde economische informatie te verzamelen; samenwerking met de Administratie voor Relief en Rehabilitatie inzake het uitwisselen van informatie; het voorzien van de Economische Voorlichtingsdienst in Den Haag van relevante informatie en documentatie. Bij de overheveling van de EVD naar de ambassade vonden er geen wezenlijke veranderingen plaats in de werkzaamheden. De contacten met de diplomatieke posten in het buitenland in het kader van de informatie- en documentatieverwerving werden teruggebracht en de activiteiten beperkt tot het Brits imperium en die plekken waar Nederland geen diplomatieke vertegenwoordiging had. Uit bezuinigingsoverwegingen is de EVD in Londen geleidelijk sterk ingekrompen. In augustus 1948 waren nog slechts 3 personen op de ambassade werkzaam, belast met economische voorlichting, vermoedelijk reguliere ambassadewerkzaamheden.
Jacobus Albertus Wilhelmus (Jaap) Burger werd op 20 augustus 1904 in het Noordbrabantse Willemstad geboren. Zijn familie was van christelijk historischen huize. Op 10 jarige leeftijd had hij al de lagere school doorlopen, waarna hij aanvankelijk naar de christelijke Keuchenius MULO in Oud Beijerland ging. Toen echter in diezelfde plaats een christelijke HBS werd gesticht stapte hij naar deze school over. Na de middelbare school studeerde Burger rechten in Utrecht waar hij lid werd van de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV). Na het behalen van zijn kandidaatsexamen verliet hij Utrecht om zijn studie te vervolgen en af te ronden aan de Universiteit van Amsterdam. Hier kwam hij in kontakt met medestudenten en docenten die wel gelovig waren maar geen lid waren van en zelfs niet sympathiseerden met een christelijke partij. Door deze kontakten werd Burger lid van de Sociaal Democratische Studentenclub (SDSC), waar hij mensen als J. Tinbergen en H. Verwey Jonker leerde kennen met wie hij ook in zijn latere carrière van doen zou krijgen. Burger noemde zichzelf wel democratisch maar niet vrijzinnig, reden waarom hij zich niet tot de vrijzinnig democratische richting aangetrokken voelde. In 1929, aan het eind van zijn studie, werd Burger wel lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), in welke partij het pacifisme, gesymboliseerd door het 'gebroken geweertje' hem sterk aantrok. Na een buitenlands verblijf in o.a. Zwitserland en Engeland liep Burger stage op een advocatenkantoor in Rotterdam, waarna hij zich in 1930 als advocaat in Dordrecht vestigde. In deze plaats richtte hij de afdeling Zuid Holland op van het Bureau voor Arbeidsrecht dat een orgaan van het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV) was. Hoewel hij wel secretaris werd van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (een instelling van de SDAP) weigerde hij hem aangeboden functies in de gemeentelijke en provinciale politiek. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Burger niet betrokken bij de georganiseerde illegaliteit. Wel wist hij een zestal Joden uit handen van de Duitse bezetter te houden door hen bij hem te verbergen. In januari 1943 schreef hij zijn eerste politieke brochure ('Perspectief van Onzen Tijd'), waarin hij bedenkingen uitte tegen een onmiddellijk herstel van de parlementaire democratie na afloop van de oorlog. Aan kritiek onderhevig was later een passage waarin hij zich terughoudend uitliet over volledige materiële tegemoetkomingen na de oorlog aan Joden wier bezit door de Duitsers was geroofd. Op 12 mei 1943 stak Burger met anderen per boot over naar Engeland, waarbij zijn stuurmanskunst (zeilen was een hobby van hem) uitstekend van pas kwam. Burger werd in Londen aangesteld tot verbindingsman met het Militair Gezag op het ministerie van Sociale Zaken. In juli 1943 maakte hij, zoals elke Engelandvaarder, kennis met koningin Wilhelmina die, samen met de Nederlandse regering, in Londen resideerde. Op dit kennismakingsgesprek volgden vele andere besprekingen met de vorstin die een grote sympathie voor elke Engelandvaarder koesterde en al langer van zins was om één van hen in de regering op te nemen. Zij stelde aan minister president P.S. Gerbrandy voor om Burger tot Minister zonder portefuille te benoemen, hetgeen op 11 augustus 1943 geschiedde. De nieuwe minister werd toegevoegd aan de Commissie Terugkeer, een commissie die zich bezighield met het opstellen van plannen voor het bestuur van Nederland na het einde van de oorlog, waartoe zij concept besluiten ontwierp betreffende de naoorlogse Staten Generaal, Provinciale Staten en Gemeenten. De samenwerking tussen Burger en Gerbrandy (de laatste ervoer Burger als een 'luis in zijn pels') was niet steeds optimaal en ook traden er andere wrijvingen in de ministersploeg op, ten gevolge waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, H. van Boeyen, aftrad. Op 31 mei 1944 werd Burger tot zijn opvolger benoemd. Als Minister van Binnenlandse Zaken was hem het functioneren van het Militair Gezag onder leiding van generaal H.J. Kruls in het bevrijde deel van Nederland een doorn in het oog. Burger kwam in het kabinet in een geïsoleerde positie te staan door zijn mening over de zuivering van onvaderlandslievende personen na het einde van de bezetting, een mening die afweek van die van het merendeel der ministers en van de koningin. Burger vond het raadzaam om een onderscheid te maken 'tusschen hen die alleen maar slap zijn geweest in hun houding tegenover den bezetter en hen, die door doen of nalaten den vijand of zijn handlangers bewust steun en hulp hebben verleend'. In een radiorede van 14 januari 1945 formuleerde hij het als volgt: 'Want het gaat niet om het vinden van begane fouten, maar om het vinden van hen, die fout zijn geweest'. Al op 3 januari 1945 was hij naar Nederland gegaan om aldaar de werkzaamheden van het Bureau Binnenlandse Zaken te ondersteunen. Naar aanleiding van zijn uitspraken in de radiorede van 14 januari werd op 23 januari 1945 door Gerbrandy een ontslagbrief opgesteld waarmee Burger de laan zou worden uitgestuurd. Uit solidariteit met de Minister van Binnenlandse Zaken dienden ook de twee andere socialistische ministers, J. van den Tempel en J.W. Albarda, hun ontslag in, hetgeen evenwel op dat ogenblik overbodig was daar Gerbrandy zelf al een dag tevoren het ontslag van het gehele kabinet bij de koningin had ingediend. Op 23 februari 1945 trad een nieuw kabinet aan waarvan Burger geen deel meer uitmaakte. Op die dag ook werd het Bureau Binnenlandse Zaken opgeheven. Al eerder was Burger in Cambridge geweest ten behoeve van een studie over de theoloog K. Barth en na de oorlog zette hij deze studie gedurende een korte tijd voort. Hij werd evenwel vanuit de SDAP benaderd om zitting te nemen in de Voorlopige Staten Generaal (ook 'Noodparlement' geheten), een uitnodiging waar Burger inderdaad op inging. Op 20 november 1945 werd hij met de andere volksvertegenwoordigers beëdigd. Op 16 mei 1946 werden de eerste na oorlogse verkiezingen gehouden die geen doorbraak te zien zouden geven naar een nieuwe partij politieke constellatie. Daarna werd Burger gewoon Kamerlid voor de nieuwe Partij van de Arbeid (PvdA) die op 9 februari 1946 was opgericht. In de jaren 1946 -1948 was hij ook gedelegeerde bij de Verenigde Naties in New York. Burger werd tevens op 16 maart 1946 benoemd tot president van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging te Dordrecht. Consternatie veroorzaakte in januari 1951 een uitspraak van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, M. van der Goes van Naters, die voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië was en die verklaarde dat de Nieuw-Guinea-kwestie hem wel een politieke crisis waard was. Van der Goes van Naters werd gedwongen tot aftreden (van de PvdA fractieleden stemde alleen Burger hiertegen) en werd opgevolgd door L.A. Donker. Toen laatstgenoemde echter in 1952 Minister van Justitie werd was het Burger die tot nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA werd gekozen. Hij leidde namens de PvdA de onderhandelingen bij de kabinetsformatie van 1952. Grote opschudding veroorzaakte een herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen in 1954 waarbij deze aan rooms-katholieken verboden om lid van socialistische organisaties te zijn. Burger stelde zich tegen dit 'Mandement' fel teweer en zag met genoegen dat rooms-katholieke Kamervertegenwoordigers voor de PvdA als J. Willems en G. Ruygers niet op de bisschoppelijke eisen ingingen. In de discussie over afschaffing van de geleide loonpolitiek pleitte Burger ervoor de rol van de overheid niet geheel te doen verdwijnen. Op 17 mei 1955 ontstond er een politieke crisis toen de PvdA weigerde om de Huurwet van minister H.B.J. Witte te accepteren. Op 26 mei van dat jaar werd Burger tot formateur benoemd die de politieke breuk wist te lijmen. Bij de Tweede Kamer verkiezingen van 13 juni 1956 werd de PvdA de grootste partij. Pas na drie maanden was er een nieuw kabinet dat mede tot stand kwam dankzij de werkzaamheden die Burger als informateur verrichtte. Voor de vierde maal formeerde daarop W. Drees een rooms-rood kabinet dat echter al in 1958 ten val kwam na een reeks van botsingen tussen PvdA en Katholieke Volkspartij (KVP). Naast regeermoeheid speelde er ook grote irritatie tussen beide fracties die gevoed werd door de zeven PvdA eisen ten aanzien van het regeringsbeleid die Burger op de zgn 'Fakkeldragersdag' van de PvdA (22 november 1958) formuleerde. De KVP onder leiding van C.P.M. Romme greep de belastingvoorstellen van de Minister van Financiën, H.J. Hofstra aan om te breken met de PvdA, wat het definitieve einde betekende van het premierschap van Drees. Op 23 december 1958 trad een interim kabinet aan dat onder leiding stond van KVP voorman L.J.M. Beel. Op de verkiezingen van 12 maart 1959 volgde het aantreden van een kabinet waaraan de socialisten niet deelnamen en dat onder leiding stond van de KVP'er J.E. de Quay. Burger werd nu leider van de oppositie, in welke hoedanigheid hij fel verzet aantekende tegen het beleid van wat wel eens genoemd werd het 'werkgeverskabinet De Quay'. De wijze waarop Burger oppositie voerde en de door hem beoogde doelstellingen trachtte te verwezenlijken werd niet altijd gesteund door partijgenoten als de oud ministers I. Samkalden, J.G. Suurhoff en A. Vondeling, die nu Tweede Kamerlid waren en angst koesterden dat de PvdA de middengroepen van zich zou vervreemden. Burgers optreden werd door medestanders omschreven als recht door zee, slim, oprecht, ontbloot van prietpraat en franje, terwijl tegenstanders hem als bruusk, bot, onbehouwen en als brulboei tegen rechts typeerden. En ook nu werd de kwestie Nieuw Guinea aanleiding tot beëindiging van het voorzitterschap van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Burger was tegen rechtstreekse onderhandelingen met Indonesië over de overdracht van Nieuw-Guinea, iets wat andere fractieleden wel voorstonden en als enige mogelijkheid zagen om de benarde politieke situatie op te lossen. Bovendien beschuldigde Burger minister J. Cals ervan een steunpunt in het kabinet te zijn voor de zgn 'groep Rijkens', bestaande uit een aantal zakenlieden dat grote financiële belangen had in Indonesië en daarom pleitte voor een snelle overdracht aan dit land van Nederlands Nieuw Guinea. Minister Cals voelde zich diep gegriefd en Burger werd gedwongen om zijn excuses te maken. Nu keerden ook geestverwante organen als 'Het Parool' en vooraanstaande PvdA'ers als J. de Kadt zich openlijk tegen Burger. Laatstgenoemde eiste daarop dat het Partijbestuur van de PvdA een kapittelende brief naar 'Het Parool' zou sturen, wat (met nipte meerderheid) door het Partijbestuur geweigerd werd, hetgeen een nederlaag voor Burger betekende. Op 27 maart 1962 schreef Burger zijn ontslagbrief die echter enkele maanden geheim werd gehouden om partij-politieke redenen. In juni 1962, na het volmaken als fractieleider van het parlementaire jaar, trad Burger daadwerkelijk af. Zijn opvolger werd oud minister A. Vondeling. In 1963 werd Jaap Burger lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke functie hij tot 1970 zou uitoefenen. Bovendien volgde later zijn benoeming tot lid van het Europees parlement en van de Interparlementaire Beneluxraad. In 1967 was inmiddels J.M. den Uyl voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA geworden, die, als oppositieleider, in 1971 een 'progressief schaduwkabinet' vormde waarin Burger Minister van Defensie was. Bij de verkiezingen in dat jaar 1971 verloren de regeringspartijen aanzienlijk. De nieuwe partij DS '70 was echter bereid om het nieuw geformeerde kabinet onder leiding van B.W. Biesheuvel te steunen en liet twee partijgenoten (W. Drees jr en M. de Brauw) als ministers aan het kabinet deelnemen. Na een jaar evenwel stapten de DS '70 ministers uit het kabinet, waarna er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Tot informateur werd M. Ruppert, oud CNV voorzitter, benoemd, die op 31 januari 1973 zijn eindrapport uitbracht. Een dag later werd Burger tot formateur benoemd. Opmerkelijk was zijn zeer zelfbewuste, door niet politieke vrienden als bijna onbehoorlijk ervaren optreden waarbij hij het akkoord van de progressieve partijen, 'Keerpunt' geheten, tot leidraad van zijn handelen nam. Bovendien wist hij handig tegenstellingen binnen het confessionele blok uit te buiten door het veelvuldig publiceren van correspondentie tussen hem en de leiders van politieke partijen. De confessionele partijen wezen echter samenwerking met de socialisten af, waarna Burger toch twee politici van de Anti-Revolutionaire Partij, W.F. de Gaay Fortman en J.Boersma, bereid vond om toe te treden tot een kabinet dat onder leiding zou staan van J.M. den Uyl, een handelwijze die door de confessionelen veelbetekenend met de term 'inbraak' werd betiteld. Nadat Burger door zijn tegenspelers F.H.J.J. Andriessen, W. Aantjes en H.W. Tilanus nog werd gedwongen zijn formatie opdracht terug te geven, werd hij, na informatiewerkzaamheden van W.Albeda en A.A.M. van Agt, opnieuw tot formateur benoemd, samen met Ruppert, de oud informateur. Op 11 mei 1973 ving het kabinet Den Uyl (een 'rood kabinet met een wit randje'), dat door KVP'ers en anti revolutionairen ternauwernood werd gedoogd, met zijn werkzaamheden aan. In 1970 was Burger lid van de Raad van State geworden, hetgeen hij tot 1979 zou blijven. Zes jaar later, op 4 april 1975, werd hij Minister van Staat. Bovendien werd hij in 1974 ereburger van zijn geboorteplaats Willemstad. Ook was Burger van 1949 tot 1966 voorzitter van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Burger overleed op 19 augustus 1986, een dag voor zijn 82e verjaardag, en werd begraven in zijn woonplaats Wassenaar.
Alle resultaten
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in