gahetNA in het Nationaal Archief

Ruslandgids - Zoeken: wilhelmina

Zoeken

Velden doorzoeken
Ruslandgids: overzicht van bronnen over de relatie tussen Nederland en Rusland in Nederlandse Archieven 1200-1991 download index (ZIP, 3.97 MB)
64 resultaten gevonden
Zoekresultaten: 64 gevonden
SamenvattingGeschiedenis archiefbeheerGeschiedenis archiefvormer
Florentin Xavier de Brouwer werd op 20 mei 1807 in Mechelen geboren. Op 3 september 1829 huwde hij Sara Wilhelmina Johanna, gravin van Hogendorp (1810-1888), wier achternaam hij bij de zijne voegde. De Brouwer van Hogendorp had, na een geslaagde rechtenstudie in Leuven, belangrijke financiële relaties aangeknoopt met de bankiershuizen Hirsch en Bischofsheim, hetgeen hem in staat stelde invloed uit te oefenen in de Belgische economie. In 1848 werd hij gekozen in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, waarin hij mede ijverde voor een goede spoorwegexploitatie. Ook in Nederland trachtte hij concessies te verkrijgen. Zijn activiteiten breidden zich zelfs uit tot in Rusland, waar hij via zijn relaties het huis Hirsch de financier werd van de spoorlijn Moskou-Rjazan en Turkije, waarheen hij vlak voor zijn dood in 1871 een inspectiereis wilde maken.
Na de revolutie van 1917 bleef de waarnemend gezant Willem Jacob Oudendijk nog enige maanden in Petrograd, de voormalige Russische hoofdstad. Op 9 november 1918 verliet Oudendijk zijn post en keerde, op instructie van de regering naar het vaderland teug. Vanaf die datum had Nederland géén diplomatieke betrekkingen met Rusland meer. In de periode tot 1942, het herstel van de officiële betrekkingen met de Sovjetunie, is het opnieuw aanknopen van diplomatieke betrekkingen met het nu communistische Rusland verschillende malen voorwerp van bespreking geweest. Het Nederlandse bedrijfsleven probeerde de bestendige handelsrelaties enigermate te formaliseren door samenwerking met andere landen voor te stellen. Dit leverde geen resultaten op. Na 1922 oefenden Nederlandse bedrijven andermaal druk uit op de regering om dan in ieder geval tot een bilateraal handelsakkoord te komen. Feit was het in ieder geval dat de handel tussen Nederland en de Sovjetunie na 1917 weer op gang kwam. Een de jure erkenning van de Sovjetunie kwam voor de Nederlandse regering pas ter sprake als de Sovjetunie oude vorderingen erkend zou hebben en als daar een regeling voor getroffen zou zijn.. Er waren in deze tijd wel handelsmissies van Rusland in Rotterdam en Amsterdam terwijl het ministerie van Economische Zaken in de Sovjetunie "vertegenwoordigd" was voor handelszaken. In de periode 1925-1940 werden er wel vragen door het parlement gesteld, maar de regering wijzigde haar standpunt (dat er geen termen voor een de jure erkenning van de Sovjetunie aanwezig waren) niet. Koningin Wilhelmina was geen voorstandster van het weer aanknopen van betrekkingen met de Sovjetunie. Uiteindelijk, toen Rusland met de Duitse inval op 22 juni 1941, een geallieerd bondgenoot werd, kwam het al dan niet aangaan van diplomatieke relaties weer in de actualiteit. C. baron van Breugel Douglas werd de eerste vertegenwoordiger van Nederland bij het Russische staatshoofd. Hij arriveerde op 11 september 1943 te Moskou. Op 18 september 1943 bood Van Breugel Douglas zijn geloofsbrieven aan aan Kalinin, president van het presidium van de opperste raad van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken. Na de oorlog werd Van Breugel Douglas teruggeroepen. In de periode tot 1955 bekleedden achtereenvolgens de heren A.H.J. Lovink, dr. P.H. Visser, mr. R.C.A. baron van Pallandt en jhr. mr. P.D.E. Teixeira de Mattos het ambt van ambassadeur van Nederland. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog waren de belangen van zowel de Sovjetunie als die van Nederland gericht op de wederopbouw van het land. Er was veel aandacht voor de slachtoffers die door de gewelddadigheden en vervolging gevallen waren. In het verlengde hiervan richtte de overheden en publieke opinie zich op de repatriëring van landgenoten. Vele Nederlanders waren, al dan niet als werkkracht voor de Duitsers, in Rusland verzeild geraakt, terwijl Russen door de oorlogsomstandigheden in ons land terecht waren gekomen. De schriftelijke neerslag van deze activiteiten worden in het archief Moskou, 1943-1955 aangetroffen.
Organisatie van de departementen Op 13 mei 1940 verlieten, ten gevolge van de Duitse inval, koningin Wilhelmina en het kabinet De Geer Nederland om zich in Londen te vestigen. Mr M.P.L. Steenberghe, minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, kon vlak na aankomst in Londen beschikken over een drietal hoofdambtenaren ( Drs A.B. Speekenbrink, D.M. de Smit en mr H. van Blankenstein.). Door toeneming van de werkzaamheden groeide ook de omvang van het departement. Op 1 april 1944 werkten er ca. 35 personen op het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, dat gevestigd was in Stratton House in de Engelse hoofdstad. Twee voorname zaken waarmee het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart zich na aankomst in Londen mee bezig hield, waren de inschakeling van de Nederlandse koopvaardijvloot bij de geallieerde oorlogsvoering en het aankopen en beheren van goederen die in Nederland na de bevrijding nodig waren. Later kwam daar de economische wederopbouw (reconstructie) en bevoorrading (ravitaillering) van Nederland na de bevrijding nog bij. Na het arriveren van het kabinet De Geer in Londen werd de door de gezant ingestelde adviescommissie uitgebreid met andere reders en vertegenwoordigers van bedrijven tot de Nederlandse Scheepvaart en Handelscommissie (NSHC; Netherlands Shipping and Trading Committee NSTC). De commissie kreeg van de regering volmacht om scheepvaart- en handelsaangelegenheden te behandelen. De minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart was in de NSTC vertegenwoordigd door twee ambtenaren die toezicht namens hem uitoefenden: één voor scheepvaartaangelegenheden (A.B. Speekenbrink) en één voor handelsaangelegenheden, het beheer en de verkoop van de ladingen (D.M. de Smit). Interne organisatie Gedurende het eerste jaar was het ministerie niet in formele afdelingen of bureaus ingedeeld. Als gevolg van de toeneming der werkzaamheden werd eerst in november 1941 een bureauindeling ingevoerd. Er bestonden de volgende bureaus: Kabinet en Archief Afdeling Economische Politiek Afdeling Scheepvaart Afdeling Handelszaken Afdeling Juridische en Algemene Zaken Bureau Comptabiliteit De werkkringen van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in Londen waren als volgt over de afdelingen verdeeld: 1. Afdeling Economische Politiek Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en voedselvoorziening. 2. Afdeling Scheepvaart Zaken betreffende de Nederlandse handelsvloot en de Nederlandse zeelieden, waaronder die de visserij betreffende. 3. Afdeling Handelszaken Zaken betreffende de afwikkeling van gestrande ladingen en contracten van goederen, bestemd geweest voor Nederland. 4. Afdeling Juridische en Algemene Zaken Aangelegenheden van wetgevende en juridische aard. Toepassing van de besluiten inzake het rechtsverkeer in oorlogstijd en de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland. Octrooizaken. Vraagstukken betreffende de toekomstige handelspolitieke verhoudingen. Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Voorbereiding Sectie Economische Zaken van de Staf van het Militair Gezag (sinds eind 1943). Uit de afdeling Economische Politiek werd een nieuwe afdeling gevormd en wel de: 5. Afdeling Nijverheid het opstellen van een werkplan voor economische reconstructie; de samenstelling van het 'overzicht Nederl(andsche) Industrie'; de opstelling van primaire metaalbehoeften na de bevrijding (ramingen en toelichtingen); samenwerking met de Studiegroep voor Reconstructie-Problemen behandeling van industrieproblemen in het algemeen en in samenwerking met andere departemeten; deelname aan de organisatie Allied Post War Requirements Bureau ('Leith-Ross') inzake internationale geallieerde behoefteramingen voor na de bevrijding. Na de splitsing van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in juni 1944 in twee departementen, bemoeide het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw zich met de volgende zaken: Afdeling Economische Politiek Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Afdeling Landbouw en Voedselvoorziening Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en de voedselvoorziening. Afdeling Nijverheid Aangelegenheden betreffende de Nederlandse industrie.
Jeugd, opleiding, studie Jan Anne Jonkman werd op 13 september 1891 geboren in Utrecht uit het huwelijk van dr. Hendrikus Franciskus Jonkman, directeur van de rijks HBS aldaar, en Anna Margaretha Franciscus van Gorkum. Zijn grootvader, dr K.W. van Gorkum, was directeur van de kinacultuur en hoofdinspecteur van de cultures in Nederlands-Indië. Hij bezocht de openbare school en het stedelijk gymnasium in Utrecht, slaagde in 1910 voor zijn eindexamen en werd toegelaten voor de studie rechten aan de Utrechtsche Universiteit. In 1911 haalde hij zijn kandidaatsexamen rechtswetenschap. Hij volgde colleges aan de Universiteit van Toulouse van oktober 1913 tot mei 1914. Het gevoel van patriottisme onder zijn mede-studenten in Toulouse had grote indruk op hem gemaakt. Het was in Toulouse dat Jonkman grote belangstelling kreeg voor Nederlands-Indië. In zijn studententijd had hij actief deelgenomen aan het studentenleven. In 1909-1910 was hij preafectus van de Utrechtsche Letterkundige Gymnasiasten Vereeniging en vervulde hij in 1910 bij de gelegenheid van het eerste lustrum van deze vereniging de hoofdrol bij de opvoering van Sophocles' Philoktetes. Hij werd in 1910 lid van het Utrechts Studenten Corps. In mei 1916 werd hij gekozen als rector van het corps en hield een indrukwekkende rectorale rede ter gelegenheid van de viering van de herdenking van het 280-jarig bestaan van de Utrechtse Hogeschool. In december 1916 trad hij af en werd benoemd tot honorair-senator. Zijn belangstelling voor Nederlands-Indië groeide gestadig en dit bleek uit het feit dat hij in 1917 mede-oprichter en eerste voorzitter werd van het Indonesisch Verbond voor Studerenden. Hij werd tevens lid van de eerste redactie van het verbondsorgaan, de "Hindia Poetra". Lid van dit verbond konden zijn Indonesiërs, Chinezen en Nederlanders, die zich in Nederland voorbereidden voor een Indische werkkring. Het Verbond stelde zich ten doel om de kennismaking, de omgang en de samenwerking van zijn leden te bevorderen, zowel gedurende hun studie in Nederland als ook later in Nederlands-Indië. In het congresnummer van dit verbond, van 29 augustus 1918 schreef Jonkman: "De ethische koers heeft zijn hoogtepunt overschreden. Zijn bezorgdheid voor de belangen van de inlanders wordt overbodig, omdat de Indonesier eigen belangen behartigen gaat; zijn voogdij loopt ten einde, waar de pupil meerderjarig staat te worden; zijn sentimentaliteit beledigt den inlander, die meent voor vriendschap groot genoeg te zijn. Een Indonesisch-nationale politiek, doelende op de staatkundige en geestelijke onafhankelijkheid der indonesische volkeren wordt thans gevraagd en gehuldigd". Jonkman, die reeds in 1915 zijn rechtenstudie in Utrecht voltooid had, promoveerde op 11 juli 1918 in Leiden op een proefschrift getiteld "Indonesisch-nationale grondslag op het onderwijs ten dienste der inlandsche bevolking". Op 24 juli 1918 werd hij als advocaat en procureur beëdigd voor de arrondisementsrechtbank te Utrecht. Hij legde vervolgens op 24 januari 1919 in Leiden, met goed gevolg het aanvullend faculteitsexamen af voor de rechterlijke macht in Nederlands-Indië. Nederlands-Indië (1919-1945)In 1919 begon zijn Indische carrière. Bij besluit van de minister van Koloniën van 23 mei 1919, nr. 36, werd Jonkman ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal om te worden geplaatst in rechterlijke betrekkingen. Van 1919 tot 1927 bekleedde hij diverse functies bij de rechtbank in Nederlands-Indië. Daarnaast hield hij zich met diverse activiteiten in de Indonesische maatschappij bezig zoals: - tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad te Tebing Tinggi (Deli) in 1920. - tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad te Medan in 1921. - lid, tevens secretaris, van de Commissie voor de herziening van het strafprocesrecht in 1928. - lid van de Commissie om het ontwerp van een algemene verordening tot uitvoering van art 33 der Indische Staatsregeling voor te bereiden in 1929. - lid der afdeling Rechtswetenschap van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 1929. Ook in Indonesië bleef Jonkman zich actief bezighouden met het Indische vraagstuk. Van 1927 tot 1939 was hij lid van de Volksraad. In 1939 werd hij voorzitter. De Volksraad was het college van vertegenwoordigers van de Indische bevolking, in 1916 ingesteld, om aan de Indiërs gelegenheid te geven om de belangen van hun land zelf te behartigen. Jonkman bewees in de Volksraad een aanhanger te zijn van een vrijzinnige koloniale politiek, welke steunde op een krachtige welbewuste gezaghandhaving, terwijl hij meer versterking van de kwaliteit van de medezeggendschap van de Volksraad dan uitbreiding van de bevoegdheden van het college voorstond. Jonkman was in 1930 mede-oprichter van de Vereniging tot Bevordering van de Maatschappelijke en Staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië, die het blad "De Stuw" uitgaf. Lid van deze vereniging waren enkele intellectuelen en ambtenaren. De beginselverklaring van deze vereniging luidde: "De vereniging wil beproeven aaneensluiting en samenwerking tot stand te brengen tussen de Nederlanders hier te lande, die overtuigd zijn, dat het hun plicht als Nederlander is mede te werken aan de uitvoering van Nederland's koloniale taak, welke voltooid zal zijn, wanneer een Indisch Gemenebest in de rij der zelfstandige volken een eigen plaats inneemt, in staat en bereid ook aan de internationale verplichtingen te voldoen en recht en belang ook van niet inheemsche ingezetenen te erkennen en te beschermen. Zij streeft er naar, dat Nederland en dat Gemenebest blijvende banden zullen onderhouden". Eind februari 1941, vanaf de oprichting, was Jonkman voorzitter van het hoofdcomité van de Verenigde Prins Bernhard- en Spitfire Fonds en alsmede het 8 December Fonds, die ten doel hadden ten dienste van de oorlogvoering gelden in te zamelen en naar Londen over te maken. De laatste vergadering van de Volksraad vond plaats op 6 maart 1942. Kort daarop werd Jonkman door de Japanners gevangen genomen en te Bandoeng geïnterneerd. De gevangenschap duurde van 26 maart 1942 tot augustus 1945. Minister van Overzeese GebiedsdelenOp 23 december 1945 arriveerde Jonkman als Indisch verlofganger met Europees verlof in Nederland. Door de naoorlogse gebeurtenissen in Indonesië werd hij als Volksraadvoorzitter en Indonesiëkenner onmiddellijk betrokken bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Overzeesche gebiedsdelen. Door minister Beel werd Jonkman verzocht om minister van Overzeesche Gebiedsdelen te worden na de verkiezingen van mei 1946. Op 3 juli 1946 werd hij op Soestdijk beëdigd. Kort daarop trad hij toe tot de Partij van de Arbeid. Zijn grootste bekendheid kreeg Jonkman als minister gedurende de cruciale periode van de onderhandelingen inzake de onafhankelijkheid van Indonesië. Lid en Voorzitter van de Eerste Kamer (1948-1966)Op 8 juli 1948 werd Jonkman tot Kamerlid verkozen, voor de Partij van de Arbeid. Op 27 juli volgde in de Eerste Kamer zijn beëdiging en en werd hij aangewezen als woordvoerder in zaken van Indonesische politiek. Hij werd door de regering benoemd zowel in de Commissie van Negen als in de Nederlandse Vertegenwoordiging op de West-Indische Conferenties, de Ronde Tafel Conferenties van vertegenwoordigers van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. De Commissie van Negen was samengesteld uit negen politici, leden van de Eerste en Tweede Kamer, die als taak hadden het voorbereiden en het deelnemen aan de Ronde Tafel Conferentie met vertegenwoordigers van Indonesië die in 1949 plaatsvond ter bespreking in het bijzonder van de inrichting van de Nederlands- Indonesische Unie. Ook bij verdergaande staatkundige hervormingen ten behoeve van Suriname en van de Nederlandse Antillen trad Jonkman als woordvoerder van de fractie op. Hij was lid van de Staatscommissie in 1947 ingesteld om na te gaan welke artikelen van de grondwet gewijzigd dienden te worden om de noodzakelijk geachte hervormingen grondwettelijk door te kunnen voeren in verband met de autonomie van de overzeese gebiedsdelen. Hij maakte ook deel uit van de Staatscommissie, die van 1950 tot 1954 belast was met de herziening van de grondwet van het Koninkrijk om deze aan te passen aan de nieuwe rechtsorde. Met ingang van 1 juli 1951 werd Jonkman benoemd tot voorzitter van de Eerste Kamer. Gedurende de vijftien jaren van zijn voorzitterschap is Jonkman tevens voorzitter geweest van diverse vaste commissies uit de Eerste Kamer, die belast waren met de buitenlandse politiek en aangelegenheden aangaande de vroegere Nederlandse overzeese gebiedsdelen. De benaming van deze commissies werd telkens aan de veranderde verhoudingen tussen Nederland en de vroegere koloniën aangepast: - Indonesië: - Vaste Commissie voor Uniezaken (1951-1954) - Vaste Commissie voor Indonesische Zaken (1954-1957) - Vaste Commissie voor Buitenlandse Politiek (1958-1966) - Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands Nieuw-Guinea: - Vaste Commissie voor Overzeesche Rijksdelen (1952-1957) - Vaste Commissie voor Zaken Overzee (1957-1959) - Suriname en de Nederlandse Antillen: - Vaste Commissie voor Betrekkingen met Suriname en de Nederlandse Antillen (1959-1966) - Nieuw-Guinea: - Vaste Commissie voor Nederlandse Nieuw-Guinea (1959-1962) - Vaste Commissie voor Overgangszaken Nieuw-Guinea (1962-1963) Naast zijn voorzitterschap van de Eerste kamer had Jonkman ook drie belangrijke nevenfuncties bekleed als voorzitter te weten; van de Garantiewetcommissie, van het Hoofdbestuur van de Vereniging voor Internationale Rechtsorde (V.I.R.O.) en van de Programmaraad van de Radio Nederland Wereldomroep. Op 11 mei 1950 werd door de koningin de "Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië" goedgekeurd. Voor Jonkman lagen Eerste Kamer en Garantiewetcommissie in het verlengde van zijn Indische loopbaan als politiek geinteresseerde rechterlijk ambtenaar. De V.I.R.O., Nederlands Lid van de "World Federation of United Nations Associations, had als doel: op de grondslag van een internationale rechtsorde vrede en veiligheid te bevorderen, daartoe de rechtsgrondslag van de Verenigde Naties te versterken, en belangstelling te wekken voor vraagstukken van internationale staatkunde. Het voorzitterschap van de V.I.R.O. had Jonkman bekleed van 1949 tot 1952. Daarna was hij tot 1966 lid van het hoofdbestuur. In 1950 werd Jonkman benoemd tot lid van de Programmaraad van Radio Nederland Wereldomroep. In 1959 werd hij zelfs voorzitter van de Programmaraad, welke functie hij tot 1966 bekleedde. Jonkman beschouwde de V.I.R.O en de Wereldomroep als instrumenten bij de Nederlandse omschakeling van koloniale naar internationale werkzaamheid. Uit zijn functie als voorzitter van de Eerste Kamer vloeiden ook activiteiten voort als voorzitterschappen van comite's. Op 4 februari 1963 werd Jonkman door de minister-president namens de Ministerraad uitgenodigd het voorzitterschap van het Comité Nationaal Monument Koningin Wilhelmina op zich te nemen. Het comité werd opgericht teneinde te onderzoeken op welke wijze verschillende plannen tot de oprichting van een nationaal monument gecoördineerd konden worden. Op uitnodiging van prinses Beatrix nam Jonkman als voorzitter van de Eerste Kamer zitting in het Comité Nationale Herdenking 1813-1963. De herrijzenis van de Nederlandse staat in 1813 werd in 1963 herdacht. Als nationale herdenkingsdag werd 30 november gekozen. De herdenking strekte zich uit over het tijdvak 30 april 1963 - 30 maart 1964. Uit het Comité Nationale Herdenking werd een Algemeen Werkcomité gevormd waaronder contactgroepen werden ingesteld voor de verschillende terreinen van activiteiten. De nadruk werd gelegd op de plaats en taak van het Koninkrijk der Nederlanden in de wereld. Jonkman was in 1952 lid geweest van het Werkcomité van de tentoonstelling " De geschiedenis van de Staten-Generaal",gehouden in het Gemeentemuseum van 's-Gravenhage van 29 mei tot en met 13 september 1952. Op 9 januari 1464 kwam de Staten-Generaal voor het eerst te Brugge bijeen. Dit werd op 9 januari 1964 herdacht. Uit de beide Kamers van de Staten-Generaal werden commissies samengesteld, ter voorbereiding van de herdenking. De "Verenigde commissie 500 jaar Staten-Generaal" van de beide Kamers werd voortgezeten door Jonkman. Zo was Jonkman in 1965 ook voorzitter van de Stichting Nationaal Comité Huwelijksgeschenk Prinses Beatrix en Claus von Amsberg. In september 1966 nam Jonkman afscheid als voorzitter van de Eerste Kamer. Hij ontving gedurende zijn carrière diverse Koninklijke Onderscheidingen. - 1940 Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. - 1948 Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. - 1953 Grootkruis der Orde van Leopold II van België. - 1955 Commandeur met het Grootkruis in de Orde van de Poolster van Zweden. - 1961 Grootofficier in de orde van Oranje-Nassau. - 1964 Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw. - 1966 Grootkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw. Jonkman schreef memoires die in twee delen gepubliceerd werden: " Het Oude Nederlands-Indië " en "Nederland en Indonesië Beide Vrij". Hij overleed in Den Haag op 27 juni 1976 op de leeftijd van 84 jaar. Hij was gehuwd met J.L.M. de Bruïne. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, drie zonen en één dochter.
Loopbaan van Johannes van den Bosch. De politieke activiteit van de man, van wie hier de nagelaten papieren worden beschreven, valt niet alleen chronologisch grotendeels samen met de regeringsperiode van Willem I, maar is ook bij uitstek representatief voor het beleid in die jaren. Vrijwel alle medewerkers van deze monarch waren min of meer autoritair ingesteld én verscheidene van hen hebben hun beste krachten gegeven om ons land op te heffen uit het verval, waarin het sedert het midden van de achttiende eeuw verkeerde. Maar meer dan bij voorbeeld bij A.R. Falck of C.F. van Maanen kwam bij J. van den Bosch de toewijding, waarmee hij zijn koning diende, voort uit een persoonlijke geestverwantschap, met al de positieve en negatieve aspekten daarvan. Johannes van den Bosch werd op 2 februari 1780 geboren te Herwijnen in de Tielerwaard uit het huwelijk van de arts Johannes van den Bosch en Adriaantje Ponigh. Hij werd opgeleid tot officier en in 1798 door het Comité voor de Oost-indische Handel en Bezittingen, dat tijdens de Bataafse Republiek in de plaats van het V.O.C.-bestuur was gekomen, aangesteld tot eerste luitenant bij de genie te Batavia. In 1801 werd hij kapitein-adjudant bij de goeverneur-generaal en in 1807 luitenant-kolonel en adjudant-generaal. Onder H.W. Daendels, die in 1808 door Lodewijk Napoleon tot goeverneur-generaal werd benoemd, bleek Van den Bosch met zijn schoonvader, de commandant van het Indische leger De Sandol Roy, en de vice-president van de Raad van Justitie R.G. van Polanen, tot een groep te behoren, die zich in het nieuwe regime niet goed kon schikken en die ook van de kant van de regering werd gewantrouwd. In 1808 al werd hij op eigen verzoek eervol ontslagen en in 1810 beval Daendels hem zelfs Java te verlaten. Onderweg naar Nederland raakte hij in engelse krijgsgevangenschap, waaruit hij in 1812 door uitwisseling vrijkwam. Toen men de Fransen in 1813 van het nederlandse grondgebied ging verdrijven, bood Van den Bosch de soevereine vorst onmiddellijk zijn diensten aan en op 25 november 1813 was hij kolonel-adjudant van de generaal Krayenhoff. Hij kreeg de leiding van de werfbureau's maar bezette ook de stad Utrecht en blokkeerde de vesting Naarden. Belangrijker voor het vervolg van zijn carriérre was, dat hij in 1814 zitting kreeg in een commissie onder leiding van de generaal Janssens, die het indische leger moest reorganiseren, en dat hij op 28 februari van dat jaar als kolonel bij de generale staf belast werd met de leiding van de zaken betreffende de troepen, die voor de koloniën bestemd waren. In januari 1819 nam hij ontslag uit de aktieve militaire dienst, en in september 1825 werd hij administrateur voor de nationale militie en schutterijen. Intussen had hij een initiatief genomen, waardoor hij ook bij anderen dan kenners van de koloniale geschiedenis bekend zou blijven. Het "schrikbarend pauperismus", (om zijn eigen uitdrukking aan te halen) dat vanaf omstreeks 1730 meer en meer om zich heen had gegrepen, was een onontwijkbaar probleem geworden. Van den Bosch geloofde, in de geest van de Verlichting, dat dit kwaad afdoende bestreden kon worden door de armen niet langer aan de bedeling over te laten maar hun produktief werk te verschaffen. Hij dacht daarbij met name aan ontginning en exploitatie van gronden. Ofschoon de Maatschappij van Weldadigheid, die hij in 1818 met een aantal gelijkgezinden oprichtte, niet in alle opzichten een succes is gebleken, werd en wordt toch erkend, dat dit experiment waard was gewaagd te worden. De uitvoering ervan werd overigens wel gehandicapt door het feit, dat ze teveel van de werkzaamheid van de voornaamste oprichter afhankelijk was en juist hij zes jaar lang niet persoonlijk aan de leiding kon deelnemen. Want tussen 1827 en 1834 vervulde Van den Bosch twee hoge funkties overzee. Eerst werd hem opgedragen als commissaris-generaal het bestuur en de economie van de west-indische koloniën te saneren. Op 21 oktober 1827 vertrok hij naar Curaçao en vervolgens, na bezoeken aan de andere Nederlandse Antillen,op 28 april 1828 naar Paramaribo. Zijn taak in de West omvatte voornamelijk het aanbrengen van administratieve bezuinigingen, het doen van onderzoek naar eventuele onregelmatige handelingen van ambtenaren en het treffen van voorzieningen, waardoor deze bezittingen in plaats van een tekort weer winst zouden kunnen opleveren. Hij stelde inderdaad orde op de ambtelijke zaken, maakte Curaçao (opnieuw) en Sint-Eustatius (voor het eerst) tot vrijhavens, aktiveerde de reeds bestaande Curaçaose Bank en zorgde voor de oprichting van een West-Indische Bank in Suriname, terwijl hij het zogenaamde kaartengeld verving door metalen munt en in Suriname proeven nam met nieuwe cultures op een goevernements-plantage. De negerslaven kregen in het regeringsreglement dat hij tot stand bracht de status van "onmondige" personen, vergelijkbaar met horigen; dit was een vooruitgang, want ze werden nu niet langer als "zaken" beschouwd. Midden oktober 1828, drie weken na zijn terugkeer werd hij bevorderd tot luitenant-generaal en tegelijkertijd benoemd tot goeverneur-generaal van Oost-Indië. De koning gaf als zijn overtuiging te kennen, dat hij in de gegeven situatie de enige geschikte persoon daarvoor was. Willem I was zeer verontrust door het ernstige deficit van de Staat en wilde vooral met het oog daarop Van den Bosch de gelegenheid geven bepaalde denkbeelden over de exploitatie van deze koloniën in praktijk te brengen, die hij al eerder in geschriften had gepropageerd. Van den Bosch vertrok 1 juli 1829 en kwam 2 januari 1830 te Batavia aan. Onderweg deed hij Rio de Janeiro aan voor een studiebezoek. Het complex van maatregelen, dat men later het "cultuurstelsel" is gaan noemen, hield, eenvoudig gezegd, in, dat de inheemse bevolking gedwongen werd verschillende gewassen voor de europese markt te telen. Onder het landrentestelsel, dat door het engelse bestuur was ingevoerd en na de teruggave van de koloniën in 1816 was gehandhaafd, waren de Javanen vrij te kiezen wat zij wilden verbouwen en mochten zij ook de opbrengst verkopen aan wie zij wilden; zij moesten alleen van die opbrengst een gedeelte in natura of geld aan het goevernement bij wijze van belasting afgeven. In de praktijk, redeneerde Van den Bosch, kwam dit er op neer, dat zij veel minder produceerden dan ook in hun eigen belang was en dat zij zich bovendien in hoofdzaak tot de voor de handel weinig attraktieve rijstteelt beperkten. Uitgaande van het bestaande gebruik, dat de plaatselijke hoofden de dessa's-d.w.z. zowel arbeidskrachten als gronden-aan cultuurondernemers verhuurden, werd nu bevorderd, dat deze hoofden in plaats van de landrente in rijst of geld te voldoen een deel van de gronden reserveerden voor de gewenste cultures, waarbij dan de ondernemers de landrente betaalden. Dit ging in de vorm van overeenkomsten tussen de residenten en de inheemse bestuurders, maar werd in feite verplicht, omdat men zich op het standpunt stelde, dat de grond staatseigendom was en aan de bevolking slechts in gebruik gegeven; de voorstellen van de europese ambtenaren werden trouwens als bevelen opgevat. Waar partikuliere planters kapitaal te kort kwamen, schoot het goevernement dit voor onder beding, dat het voor de aflossing een contingent van de oogsten tegen vaste prijzen mocht afnemen. Het cultuurstelsel was bedoeld als een integrerende faktor in het economische samenspel, dat de regering van Willem I nastreefde. Men wilde de koloniale handel, die leed onder drukkende, vooral engelse, concurrentie, weer naar de nederlandse "stapelmarkt " leiden, maar van de andere kant ook, door de koopkracht van de oostindische bevolking te vergroten, een afzetgebied voor de nederlandse industrie, in het bizonder de textielindustrie, creëren. Een belangrijke bemiddelende rol werd hierbij vervuld door de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handelmaatschappij, die een "factorij" te Batavia had gevestigd. Van den Bosch heeft zich als goeverneur-generaal niet uitsluitend aan deze welvaartspolitiek kunnen wijden. Toen hij zijn ambt aanvaardde waren er al sinds enige tijd twee binnenlandse oorlogen aan de gang: de opstand van Dipo Negoro in Midden-Java en die van de Padri's aan de Westkust van Sumatra. Dipo Negoro was de oudste zoon van de in 1814 gestorven sultan van Djokjakarta. Omdat hij door het nederlandse gezag niet tot opvolger van zijn vader was aangewezen en ook vanwege andere grieven begon hij een guerilla, waarin hij een grote aanhang meekreeg uit de door armoede en uitbuiting verbitterde inwoners van de Vorstenlanden. Onderhandelingen stuitten af op zijn eis als hoofd van de Islam erkend te worden. Na een bloedig en hardnekkig verzet capituleerde hij begin 1830 en werd eerst naar Menado en vervolgens naar Makassar verbannen. Deze Java-oorlog had tot gevolg, dat van de Vorstenlanden enige grensgebieden werden afgenomen, waaruit de vier nieuwe residenties Banjoemas, Bagelen, Madioen en Kediri gevormd werden. De Padrioorlog was omstreeks 1820 ontstaan door het optreden van een groep radikale Islamieten, tegen wie de Minangkabause hoofden de hulp van de Nederlanders hadden ingeroepen, maar die door velen onder de bevolking werden gesteund. De verovering van hun versterkte plaats Bondjol in 1837 betekende nog niet hun definitieve onderwerping. Om 10 oktober 1830 vroeg Van den Bosch ontslag om gezondheidsredenen. Maar de koning ging daar niet op in en haalde hem integendeel over om een jaar langer aan te blijven. Op 17 januari 1832 werd hij zelfs commissaris-generaal, wat inhield, dat hij desgewenst met voorbijgaan van het regeringsreglement alle gezag kon uitoefenen wat de koning zich niet uitdrukkelijk had voorbehouden. Aan Van den Bosch zelf werd overgelaten te bepalen wanneer hij van deze uitbreiding van zijn bevoegdheden gebruik zou maken. Dit gebeurde op 27 juni 1833. Tot zijn opvolger was inmiddels, op zijn eigen voorstel, Jean Chrétien Baud bestemd, die sinds 1824 aan het departement in Den Haag directeur van Koloniën was geweest. Baud kwam 10 januari 1833 te Batavia aan en werd op 2 juli 1833 geinstalleerd als goeverneur-generaal ad interim; Van den Bosch bleef zelf de financiën, het cultuurstelsel en de defensie leiden. Bij zijn vertrek op 1 februari 1834 liet de commissaris-generaal een uitvoerig verslag voor Baud achter. Terwijl gezegd moet worden, dat Van den Bosch niet van al zijn ambtenaren en evenmin van alle Raden van Indië hartelijke medewerking had ondervonden, was daarentegen bij Willem I het vertrouwen in zijn aanpak volledig bevestigd. Dit kwam tot uiting in zijn benoeming, onmiddellijk na zijn repatriëring, tot minister van Koloniën. Van 30 mei 1834 tot 31 december 1839 bekleedde hij dit ambt, dat hem de gelegenheid gaf om het tot dusver door hem gevoerde beleid op een nog hoger niveau voort te zetten. Bij de grondwetten van 1814 en 1815 was aan de koning het opperbestuur over de koloniën gelaten, zonder dat er iets over controle door de Staten-Generaal was bepaald. Dit werd lange tijd zo geínterpreteerd, dat de betrokken minister zich niet rechtstreeks tegenover de Kamers behoefde te verantwoorden. Voor een man als Van den Bosch moest deze positie uiteraard aantrekkelijk zijn, maar toen eenmaal de kritiek niet meer tegengehouden kon worden, kreeg hij wel des te scherper aanvallen te verduren. Er werd in deze tijd een nauwe band gelegd tussen de financiën van Oost-Indië en die van het rijk in Europa. De Staat, die in de bataafse periode de schulden van de opgeheven Verenigde Oostindische Compagnie had overgenomen, had in de eerste jaren na de herkrijging van de onafhankelijkheid heel wat uit de europese middelen toegelegd op de overzeese gebiedsdelen. Men achtte zich op grond daarvan gerechtigd een schuld van de Koloniën aan het Koninkrijk te construeren en de winsten, die met het cultuurstelsel werden gemaakt, als een soort afbetaling daarvoor te gebruiken. De "indische baten" werden op de staatsbegroting vermeld als inkomsten, maar van de wijze, waarop ze waren verkregen en verder werden besteed, werd, althans in het openbaar, geen rekenschap afgelegd. Hiervóór is al gesproken over het samenspel, waarin de afzonderlijke economische hulpbronnen onder leiding van de overheid de welvaart als één geheel moesten bevorderen. Van den Bosch werkte deze gedachte nog eens uit in een memorie "Over de belangen van Nederland en deszelfs koloniën in onderling verband beschouwd", die hij op het einde van 1834 bij de koning indiende. Hierin werd het koninkrijk der Nederlanden gezien als een echt imperium, dat zijn plaats tussen de mogendheden niet kon handhaven door "laisser faire", maar dat alle beschikbare krachten moest bundelen. Het betoog beperkte zich niet tot de economie: er werd tevens een ingrijpende reorganisatie van het defensiestelsel in bepleit, welke-en dat is karakteristiek voor Van den Bosch-eveneens uit de oostindische baten zou moeten worden gefinancierd. De regering bleef samenwerken met de Nederlandsche Handel Maatschappij. Met deze instelling hadden de vorige ministers van Koloniën al contracten aangegaan, krachtens welke produkten van de cultures door haar voor rekening van de regering werden verkocht en daartegenover gelden, die benodigd waren voor het oostindisch bestuur en die niet uit de schatkist konden worden geput, door de Maatschappij werden verschaft, ook vóórdat de verkoop van die produkten had plaats gevonden. Van den Bosch ging hiermee door, maar wel moet worden opgemerkt, dat hij persoonlijk geen voorstander was van een volstrekt monopolie en meer dan eens daarnaast andere gegadigden begunstigde, wat bij de onderhandelingen wel aanleiding tot moeilijkheden gaf. Op den duur raakte tengevolge van de aldoor stijgende geldbehoefte van de regering de verkoop van de koloniale produkten toch praktisch geheel in handen van de N.H.M. Ook werd ze ingeschakeld bij de textielexport van Nederland naar Java. Om de engelse, en na 1830 ook de belgische mededinging vandaar te weren werden de "geheime lijnwaadcontracten" gesloten. De N.H.M. nam op zich jaarlijks tot een vaste waarde katoenen stoffen in Indië desnoods met verlies te verkopen; het departement van Koloniën paste de tekorten bij en regelde de bestellingen bij de fabrikanten. Waar een en ander bovendien gepaard ging met de vaststelling van discriminerende invoerrechten konden toen het geheim uitlekte, protesten van de zijde van Groot-Brittannië niet uitblijven, maar de nederlandse regering kwam daaraan slechts in schijn tegemoet en bleef in feite protectionistisch, door het nadeel, dat de eigen ingezetenen van de gelijktrekking der tarieven leden, te compenseren uit de schatkist. Dat het Van den Bosch' streven was het departement van Koloniën te doen fungeren als een motor voor de nationale welvaart-een taak, die oorspronkelijk aan het Amortisatiesyndicaat was toegedacht, maar die deze instelling door de afval van België niet meer goed kon vervullen-blijkt ook uit andere aktiviteiten. Zo steunde hij als minister door orders en credieten het bedrijf van Gerhard Moritz Roentgen op Feijnoord, zowel de werf voor de bouw van stoomschepen als de geschutgieterij. Verder interesseerde hij zich o.a. voor enige rederijprojecten, waarbij, behalve de genoemde Roentgen met name Abraham van Hoboken en Paul van Vlissingen betrokken waren. De Maatschappij van Weldadigheid, waarmee het minder goed ging dan men gehoopt had, poogde hij financieel sterker te maken door een belangengemeenschap met de oostindische koloniën. In 1836 verstrekte het departement aan de M.v.W. een grote lening; men stelde zich voor in haar "etablissementen" een aantal jeugdige minvermogenden voor de dienst in Oost-Indië op te kweken. Omstreeks diezelfde tijd ging men ertoe over bestedelingen van de Maatschappij die niet geschikt waren voor de landarbeid katoen en jute voor Java te laten weven. Bij de overeenkomst van 1836 profiteerde de M.v.W. ook mee van de winsten, die de regering trok uit het verschaffen van kopergeld voor circulatie in Indië. Er werd n.l. al sinds 1825 bij de levering van duiten aan het koloniale bestuur een hogere prijs berekend dan men zelf voor de aanmunting betaalde; Van den Bosch voerde dit verschil nog op door ongemunte koperen plaatjes aan te kopen en die in Indië te laten stempelen en gebruikte deze "duitenwinst" van 1836 tot 1839 als een soort subsidie voor de M.v.W. "Het departement van Koloniën gedroeg zich als een rijke oom, tot wie men zich wenden kon met alles wat geld kostte en wat men aan de Staten-Generaal wenste te onthouden". Deze woorden van Van den Bosch' biograaf Westendorp Boerma drukken uit wat met enig recht kon worden ingebracht tegen een politiek, die wel blijk gaf van fantasie, maar die bij gebrek aan toezicht van het parlement gemakkelijk tot het nemen van al te grote risico's kon leiden en ook inderdaad geleid heeft. Aanvankelijk nam men genoegen met de optimistische verzekeringen die de regering uitte ten aanzien van de groei van de indische baten en zag men er van af tot in details te informeren naar wat er verder mee gedaan werd. Maar naarmate de staatsschuld steeg tengevolge van het volhardingssysteem tegenover de Belgen werd de neiging om op medezeggenschap over de koloniale financiën aan te dringen in de Tweede Kamer sterker. Tot 1839 gelukte het opkomende argwaan bij de Kamerleden te bezweren door te wijzen op de bloei van de koloniale handel en door te beloven, dat de financiële zaken openbaar gemaakt zouden worden zodra een regeling met België zou zijn getroffen. Van den Bosch waagde het meer en meer vooruit te lopen op de resultaten van het cultuurstelsel; op zijn instigatie werden staatsleningen onder verband van de oostindische bezittingen uitgeschreven en bovendien nam hij aanzienlijke voorschotten op bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Zelfs kwam hij ertoe, onder druk van de geldverlegenheid, waarin de regering geraakt was, eind oktober 1839 de N.H.M. te verzoeken een ongedekte wissel van een half millioen te accepteren, en dat terwijl juist weer een wetsontwerp aanhangig was om een lening ten laste van Indië aan te gaan, ditmaal tot een bedrag van 56 millioen. Bij de behandeling van de begroting voor 1840 eiste toen een meerderheid in de Tweede Kamer algehele openlegging van de financiën en tevens herziening van de grondwet. Van den Bosch moest wel persoonlijk in het parlement verschijnen om zijn beleid-waar de koning nog altijd achter stond-te verdedigen. Hoewel het ook aan waardering niet ontbrak vond hij in de oppositie die hij ontmoette aanleiding om, samen met zijn collega van Financiën, zijn ontslag aan te bieden, wat hem op 25 december 1839 werd verleend, met gelijktijdige toekenning van de kwaliteit van minister van Staat. Zijn aftreden betekende overigens volstrekt niet, dat hij nu helemaal buiten de politiek kwam te staan; Willem I raadpleegde hem nog meermalen over allerlei zaken. Ook kon Van den Bosch niet nalaten te blijven ijveren voor de economische visie, die hij als goeverneur-generaal en minister had gepoogd te verwezenlijken. Zo verscheen van zijn hand een brochure "lets over de financieële aangelegenheden van het Rijk", die een felle polemiek uitlokte. Willem II, die intussen aan de regering was gekomen, achtte dit geschrift niet loyaal tegenover de nieuwe minister van Koloniën en meende de auteur scherp te moeten berispen. Wat Van den Bosch nog onaangenamer trof was dat in de gevoerde pennestrijd de ambtenaar Kruseman die hij indertijd zelf aan het departement had benoemd, zich tegen hem keerde. Verder was er zijn geesteskind, dat een zorgenkind was geworden: de Maatschappij van Weldadigheid. Van 1831 af al had het bestuur daarvan bij herhaling een beroep op de overheid moeten doen om financiële steun, met het gevolg, dat het zich krachtens de overeenkomst van 1836, waarover hiervoor is gesproken, inspraak van regeringscommissarissen moest laten welgevallen. Van den Bosch had zich sinds die tijd te verweren gehad tegen kritiek op zijn plannen en berekeningen. Daar stond tegenover, dat de regering haar eigen toezeggingen ook niet volledig nakwam, zodat er in 1841 een achterstand in de subsidie was van f. 125.000.-. Een wetsontwerp om dit bedrag alsnog te betalen werd door de Tweede Kamer goedgekeurd op voorwaarde, dat er een staatscommissie werd ingesteld, die een rapport over het beheer moest uitbrengen. De conclusies van die commissie brachten haar in een hevig conflict met het bestuur van de Maatschappij, dat in het openbaar door middel van brochures werd uitgevochten. Met ingang van 1 januari 1843 trad het bestuur zelfs af, maar in mei van dat jaar was men weer verzoend en werd een wettelijke regeling getroffen, waardoor het voortbestaan van de Maatschappij voor enige tijd weer mogelijk werd gemaakt. De tijd van ambteloosheid duurde tot 7 juli 1842; toen koos de ridderschap van Zuid-Holland hem tot lid van de Tweede Kamer. Als zodanig is Van den Bosch zeker niet minder aktief en vasthoudend opgetreden dan in zijn vorige functies. Weliswaar ging hij nu met zijn opvattingen, die dezelfde waren gebleven, tegen de heersende geest in. In plaats van bezuiniging en verhoging van de belastingen zag hij nog altijd anticipatie op de inkomsten uit Indië als redmiddel tegen het dreigend staatsbankroet. Hij betoogde dat tweemaal in een nota, op 29 februari en 9 mei 1843, en pleitte krachtig, zij het tevergeefs, voor het wetsontwerp van de minister van Financiën Rochussen, waarbij conversie van de staatsschuld werd voorgesteld. In de laatste maanden van zijn leven vielen de beraadslagingen over de bekende leningwet-Van Hall; Van den Bosch was daarvan een verklaard tegenstander. De beslissing maakte hij niet meer mee; hij overleed op 28 januari 1844. Johannes van den Bosch trouwde tweemaal, eerst in 1804 met Catharina Lucretia de Sandol Roy, die 10 februari 1814 overleed, vervolgens op 28 oktober 1823 met Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturler, overleden 26 februari 1873. Hij had uit het eerste huwelijk zes en uit het tweede huwelijk twee kinderen. Bij K.B. d.d. 17 juni 1835 no. 106 werd hij verheven in de Nederlandse adel met de titel van baron bij eerstgeboorte; bij K.B. d.d. 25 december 1839 no. 124 kreeg hij de titel van graaf, eveneens bij eerstgeboorte. II. De Maatschappij van Weldadigheid. Deze vereniging (of "zedelijk lichaam") constitueerde zich op 1 april 1818 en koos haar zetel te 's-Gravenhage. Een formele afzonderlijke erkenning of goedkeuring der statuten van regeringswege heeft nooit plaats gevonden. De naam luidde voluit: "Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Nederlanden". (In het zuiden van het Koninkrijk werd n.l. nog een Maatschappij met dezelfde doelstelling opgericht, die echter niet tot bloei kwam en na de Belgische afscheiding failliet ging). Het voltallig bestuur bestond uit dertien leden, waaronder een voorzitter (zolang hij leefde was dit prins Frederik der Nederlanden) en een "eerste" en "tweede assessor". Het was verdeeld in vier secties: de tweede assessor (Van den Bosch) was voorzitter van de sectie "lopende werkzaamheden". Het dagelijks bestuur werd uitgeoefend door een "Permanente Commissie", gevormd uit de tweede assessor als voorzitter en twee andere leden van de Commissie van Weldadigheid. De "deelgenoten" (leden) van de Maatschappij wezen jaarlijks een "Commissie van Toevoorzicht" aan, waarvan een deel de rekening onderzocht en een ander deel de inrichtingen van de Maatschappij ter plaatse inspecteerde. In verscheidene plaatsen, ook in Oost- en West-Indië, werden subcommissies opgericht om belangstelling voor het werk van de Maatschappij te wekken en gaande te houden en om de contributies te innen. De inrichtingen van de Maatschappij werden gevestigd in Drenthe, Friesland en Overijssel. Het waren, 1e. de gewone of vrije koloniën Frederiksoord, Wilhelmina's oord en Willemsoord; 2e. twee gestichten voor wezen en verlaten kinderen te Veenhuizen; 3e. een gesticht voor opleiding tot de landbouw, het onderwijs en de dienst in de koloniën te Wateren; 4e. een bedelaarsgesticht te Veenhuizen en een dito te Ommerschans en 5e. een katoenspinnerij te Veenhuizen. De kolonisten werden geplaatst krachtens contracten met de Staat, gemeentebesturen, armbesturen en particulieren. Aan het hoofd van de gezamenlijke koloniën stond een directeur. Vanaf 1 januari 1826 kwamen de gewone of vrije koloniën onder een adjunct-directeur, bijgestaan door twee onderdirecteuren, een voor de huishouding en een voor de landbouw en buitenwoningen. Op 1 september 1829 werd dit veranderd; toen kregen de drie gewone koloniën elk een onderdirecteur. Veenhuizen stond onder een adjunct-directeur met een onderdirecteur voor de wezengestichten, een onderdirecteur voor de landbouw en de buitenwoningen en een officier, die de daar geplaatste militairen commandeerde. Laatstgenoemde voerde tot 1824 ook het bevel over de Ommerschans; vervolgens kwam daar een adjunct-directeur. Voor de industriële arbeid was er een adjunct-directeur der fabrieken tot 21 januari 1832, toen aan de onderdirecteur der fabriek in Willemsoord het beheer over het fabriekswezen in alle koloniën werd opgedragen. Voorts waren er onderwijzers, geestelijken en geneeskundigen. Op 1 juli 1829 stelde de Permanente Commissie een inspecteur der koloniën aan, die moest rapporteren over de gang van zaken en jaarlijks een begroting opstellen en die ook bevoegd was zelf reglementen voor de dienst te maken en andere maatregelen te nemen. III. Bestuur van West-Indië. Tot de komst van Van den Bosch waren de koloniën Suriname, Curaçao, Sint-Eustatius en Sint-Maarten afzonderlijke bestuursgebieden. Bonaire en Aruba waren gecombineerd met Curaçao, Saba met Sint-Maarten. In Suriname berustte het oppergezag bij de goeverneur, bijgestaan door een raad-Fiskaal, een raad-kontrarolleur der Financiën en een goevernementssecretaris. In belangrijke zaken was de goeverneur verplicht het Hof van Politie en Criminele Justitie bijeen te roepen, welk college hij zelf presideerde en waarvan hij de leden op voordracht van de ingezetenen benoemde. Voorts was er een Hof van Civiele Justitie en hadden twee Nederlanders zitting in een internationaal gerechtshof, opgericht tot vernietiging van de slavenhandel. De andere koloniën hadden eveneens goeverneurs en secretarissen, maar elk een Raad van Politie en een Raad van Civiele- en Criminele Justitie, Curaçao bovendien, evenals Suriname, een raad-fiscaal en een raad-kontrarolleur van Financiën. Van den Bosch, die bij Koninklijk Besluit van 12 oktober 1827 no. 96 tot commissaris-generaal werd benoemd, regelde het bestuur opnieuw bij het Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche Westindische Bezittingen en het Reglement op het beleid der regering, het justitiewezen, de handel en de scheepvaart voor de kolonie Suriname, die beide op 1 augustus 1828 in werking traden. Voortaan was er een goeverneur-generaal voor alle West-indische koloniën, die tevens goeverneur van Suriname was. Hem werden vier personen toegevoegd, die met hem de Hoge Raad uitmaakten. In Suriname werd het Hof van Politie en Criminele Justitie opgeheven en kwam voor het Hof van Civiele Justitie het Hof van Civiele en Criminele Justitie in de plaats. IV. Bestuur van Oost-Indië. In de tijd, toen Van den Bosch tot goeverneur-generaal werd benoemd, werd Nederlands-Indië bestuurd volgens een regeringsreglement, dat door de commissaris-generaal Du Bus de Ghisignies op 30 augustus 1827 voorlopig was ingevoerd. Dit was echter niet door de koning bekrachtigd en werd vrijwel onmiddellijk na de aankomst van Van den Bosch op Java vervangen dooreen in Nederland bij Koninklijk Besluit vastgesteld reglement, dat op 19 januari 1830 in Indië werd afgekondigd. De bedoeling van die wijziging was een rechtsbasis te verschaffen aan het cultuurstelsel. Krachtens beide reglementen werd de Hoge Regering gevormd door de goeverneur-generaal met vier Raden van Indië; de goeverneur-generaal moest alle zaken, waarover een besluit genomen diende te worden, ter overweging voorleggen aan deze Raden, maar was bevoegd ook te besluiten tegen de meerderheid in (besluiten "in" en "buiten Rade"). Daar in de praktijk de goeverneurs-generaal Van den Bosch en Baud van de Raden van Indië nogal wat tegenwerking ondervonden, werd op 26 september 1836 weer een nieuw regeringsreglement ingevoerd, waarbij de Raden slechts een louter adviserende bevoegdheid overhielden, terwijl de goeverneur-generaal zelf strikt afhankelijk werd van de minister van Koloniën. In paragraaf I is al vermeld, dat Van den Bosch vanaf 27 juni 1833 optrad inde kwaliteit van Commissaris-generaal. Bij afwezigheid van de goeverneur-generaal werd zijn funktie waargenomen door een luitenant-goeverneur-generaal en bij diens afwezigheid door een van de Raden van Indië. De Hoge Regering werd bijgestaan door een Algemeen Secretaris, aan wie nog een of meer adjunct-secretarissen waren toegevoegd. Voor de justitie in hoogste instantie was er een Hooggerechtshof; daaronder plaatselijke raden van Justitie. Aan het hoofd van de financiën stond een directeur-generaal, onder deze een directeur van 's lands middelen en domeinen en een directeur van 's lands produkten en civiele magazijnen. Voorts was er een Algemene Rekenkamer en uiteraard een belastingdienst. Een hoofdingenieur had het beheer over 's lands civiele gebouwen en waterstaatswerken. De burgerlijke en militaire geneeskundige dienst waren verenigd onder één chef. Voor het onderwijs, het natuurkundig onderzoek en de landbouw waren commissies ingesteld. De algemene leiding van de cultures werd aanvankelijk opgedragen aan een lid van de Raad van Indië, sinds 3 december 1833 aan een inspecteur, onder wie inspecteurs voor de indigo-, thee-, koffie en zijdecultures werkzaam waren. Het plaatselijke bestuur werd uitgeoefend door europese in samenwerking met inheemse ambtenaren. Laatstgenoemden heetten regenten; zij kwamen uit de bevolking voort en hun recht op erfopvolging werd, hoewel het niet in het regeringsreglement was vastgelegd, feitelijk erkend. De hoogste europese ambtenaren waren in het algemeen de residenten, boven wie in sommige Buitenbezittingen nog een goeverneur was geplaatst. Java was verdeeld in de residenties Bantam, Batavia, Preanger-regentschappen, Cheribon, Tegal, Pekalongan, Semarang, Soerakarta, Djokjakarta, Kedoe, Japara en Joana, Rembang, Soerabaja, Passaroean en Bezoekie en Banjoewangie, waaraan na de beeindiging van de Java-oorlog nog Banjoemas, Bagelen, Madioen en Kediri werden toegevoegd (zie paragraaf I). Na de onderwerping van Dipo Negoro werden resp. op 11 maart en 17 april 1830 drie commissarissen tot regeling der Vorstenlanden benoemd, voor welke commissie op 18 december van dat jaar één commissaris in de plaats kwam, terwijl toen tevens een commissaris aan de hoven van Soerakarta en Djokjakarta werd benoemd. De Molukken stonden onder een goeverneur, die op Ambon zetelde, alsmede residenten op Banda en Ternate; Nieuw-Guinea ressorteerde onder de residentie Ternate. Op Celebes was er te Makassar een goeverneur en te Menado een resident. Sumatra was verdeeld in de residenties Sumatra's Westkust (Padang) en Palembang. Borneo had twee residenten, één ter Westkust en één ter Zuid- en Oostkust. Tenslotte waren er nog de residenties Timor, Riouw en Banka en de factorij in Japan, welke laatstgenoemde vestiging onder een opperhoofd stond. Het opperbevel over het leger berustte bij een officier, die de rang van luitenant-generaal of generaal-majoor had. Tussen 26 mei 1830 en 1 september 1831 was er een vacature; het opperbevel werd toen tijdelijk waargenomen door de goeverneur-generaal zelf met onder hem een commandant van het leger te velde. Java was verdeeld in drie militaire afdelingen: Batavia, Semarang en Soerabaja. Naast de gewone militaire landmacht was er een politieleger, bestaande uit de (europese) schutterijen en de zgn. pradjoerits en djajang sekar, beide inheemse corpsen, waarvan het eerstgenoemde een infanterie- en het tweede een cavaleriecorps was. Nederlands-Indië had een (kleine) eigen marine, met twee scheepswerven, n.l. op het eiland Onrust en te Soerabaja. V. Het departement van Koloniën. Van den Bosch was de eerste minister, die aan het hoofd stond van een afzonderlijk departement van Koloniën. Van 1 april 1824 af was er een departement van Nationale Nijverheid en Koloniën, van 9 april 1825 af een van Marine en Koloniën, van 1 januari 1830 af een van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën en 1 oktober 1831 tot 1 januari 1834 een van Nationale Nijverheid en Koloniën. Na Van den Bosch' aftreden was van 10 augustus 1840 tot 1 januari 1842 Koloniën weer gecombineerd met Marine en vervolgens blijvend zelfstandig. Op 30 juli 1824 werd onder de minister van Nationale Nijverheid en Koloniën een directeur voor de zaken der Oost-Indische bezittingen benoemd, die in het departement van Marine en Koloniën overging als directeur voor de zaken der Koloniën. Baud bekleedde achtereenvolgens deze beide funkties tot zijn vertrek naar Indië in september 1832. Tussen 1 april 1824 en de ambtsaanvaarding van J. van den Bosch waren er de volgende ministers: 1824 maart 30-1829 oktober 1 1824 maart 30-1829 oktober 1 1829 oktober 1-1830 januari 1 1829 oktober 1-1830 januari 1 1830 januari 1-1830 oktober 4 1830 januari 1-1830 oktober 4 1830 oktober 4-1834 januari 1 1830 oktober 4-1834 januari 1 1834 januari 1-1834 mei 30 1834 januari 1-1834 mei 30 Van den Bosch werd als minister opgevolgd door J.C. Baud, die het bleef tot 1848. Sinds 10 mei 1825 had het departement een secretaris-generaal. Ook was er steeds een referendaris speciaal belast met de Westindische zaken. In 1837 werden J.D. Kruseman, oud-directeur van 's- lands middelen en domeinen in Nederlands-Indië, en de gepensioneerde officieren F.J. Timmermans en J.L. van der Smissen als bizondere inspecteurs aan het departement verbonden. VI. De familie Van den Bosch In de aanvulling op het archief Van den Bosch komen naast stukken van en betreffende Johannes van den Bosch ook stukken voor afkomstig van zijn verwanten. Johannes' eerste vrouw was Catharina Lucretia de Sandol Roy, dochter van Simon de Sandol Roy en Gertrude Cornelia van Schoor. Haar vader was officier in Poolse en Pruisische dienst en legercommandant in Nederlands-Indië, waar Johannes van den Bosch met haar kennismaakte. Catharina Lucretia schonk Johannes vijf kinderen: twee dochters en drie zoons. Zij overleed op 27-jarige leeftijd te Amsterdam. Uit hun huwelijk sproten: Gertrude Cornelie Adrienne (1805-1890); zij huwde met Henri Guillaume de Sandol Roy, familie van haar moeder. Henri Guillaume diende evenals Simon in het Pruisische leger. Johannes Hendrik (1807-1854); hij bekleedde in zijn korte leven-hij overleed aan een tropische ziekte-verschillende functies. Zo was hij resident van Buitenzorg, lid van het Hooggerechtshof en inspecteur van de chochenilleteelt. Hij was vader van tien kinderen. Over dat grote kindertal schreef zijn vader eens plagend aan hem en zijn vrouw: "Ik omhels u en uwe goede Jenny die haar best schijnt te doen om het aardrijk te bevolken". Adriana (1808-1831); voor haar had Johannes van den Bosch een speciaal plekje in zijn hart. Hij was dan ook zeer getroffen door haar overlijden op slechts 23-jarige leeftijd na een huwelijk van nog geen jaar met Justus van Schoor, Raad van Indië. Hendrik (1812-1882) trouwde, evenals zijn broer François, met een freule Junius van Hemert. Hendrik had uit zijn huwelijk zeven kinderen, waarvan twee zoons; van beiden, Johannes (1847-1918) en Willem Joannes Petrus (1848-1914), komen archivalia in het archief voor, waarbij de nadruk ligt op de jongste van de twee, omdat deze de archieven van zijn vader en van zijn grootvader bewaard heeft en zijn eigen archief daarbij heeft gevoegd. Willem Joannes Petrus maakte carrière in het leger; reeds op 17-jarige leeftijd ging hij in militaire dienst. Twaalf jaar later was hij ordonnansofficier in dienst van koning Willem III. Op 51-jarige leeftijd ging hij met pensioen. Tot zijn dood was hij lid, later secretaris van de Hofcommissie. Deze commissie adviseerde ondermeer over het verlenen van het predikaat Koninklijke en over het voeren van het koninklijk wapen. In zijn partikuliere leven was hij vooral op economisch gebied werkzaam. In Nederlands-Indië had hij belangen in een delfstof-ontginningsmaatschappij en in verschillende tramwegmaatschappijen. In Nederland was hij een aantal jaren commissaris van de N.V. Hotel des Indes te Den Haag en directeur van de N.V. Cultuurmaatschappij Pondok Gedeh. De aandelen van deze cultuurmaatschappij waren alle in handen van de familie Van den Bosch. Verder was Willem een fervent genealoog. Hij was van 1908 tot zijn dood lid van het heraldisch en genealogisch genootschap De Nederlandsche Leeuw. Van zijn hand is in het archief een getypte stamboom van de familie Junius van Hemert aanwezig. VII. De familie Van Hemert, later geheten Junius van Hemert De stamvader van de familie Van Hemert, Frans Janszoon, was molenaar te Dordrecht. Zijn kleinzoon Paulus was koopman te Amsterdam. In 1762 werd te Amsterdam Joannes Junius van Hemert geboren, het eerste lid van de familie, dat in het archief sporen heeft nagelaten. Hij studeerde rechten in Utrecht en promoveerde daar, nauwelijks twintig jaar oud. Kort daarop trouwde hij in Den Haag met Pieternella Tierens. In Utrecht was hij kannunnik van het kapittel van de Dom. Uit zijn huwelijk werd één zoon geboren: Willem Joannes (1790-1858). Hij studeerde rechten en werd procureur-generaal bij het Provinciaal Gerechtshof van Zuid-Holland. Hij was heer van Nieuwerkerk en Duiveland. Een aantal jaren was hij lid van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal. Op 22-jarige leeftijd huwde hij te Utrecht met Elisabeth Jacoba Lucia Reitz, geboren aldaar. Hij overleed in 1858 te De Bilt ten huize van zijn schoonzoon Hendrik van den Bosch. Uit zijn huwelijk sproten acht kinderen voort, waaronder twee dochters. Van deze kinderen hebben er zes sporen in het archief achtergelaten. De oudste, Johannes Pieter (1814-1881), koos voor een carrière in het leger. Hij werd luitenant-kolonel der artillerie. Van de dochters huwde Aletta Elisabeth Antonia Jacoba (1815-1888) op 30-jarige leeftijd met François van den Bosch (1813-1882). Hij was tweede luitenant in het tiende regiment lanciers. Aletta's jongere zuster, Elisabeth Jacoba Lucia (1820-1895), trouwde toen ze twintig jaar was met Hendrik van den Bosch (1812-1882), burgemeester van De Bilt. Hendriks huis, Jagtlust, is tegenwoordig het gemeentehuis van De Bilt. Willem Joannes (1821-1887) trad in het voetspoor van zijn vader; ook hij studeerde rechten. Hij werd officier van justitie aan de rechtbank te Almelo. Zijn jongere broers Gijsbert Christiaan (1822-1887) en Paulus Zeger (1827-1875) vervulden eveneens een functie in de provincie Overijssel. Gijsbert was lid van Provinciale Staten, terwijl zijn broer Paulus burgemeester van de gemeente Zalk en Veecaten was. VIII. De Cultuurmaatschappij Pondok Gedeh Het laatste gedeelte van het archief bevat stukken betreffende de Cultuurmaatschappij Pondok Gedeh. Deze maatschappij beheerde de landen genaamd Pondok Gedeh, Tjoetak Tjawie Tjoetak Tjiederoek, die Johannes van den Bosch in 1832 van Nicolaas Engelhard gekocht had. Na de dood van Johannes van den Bosch werden zij eigendom van al zijn kinderen en hun verdere nakomelingen. In de loop van de tijd werd dit aantal zo groot, dat men besloot de landen onder te brengen in een naamloze vennootschap, waarvan dan de familieleden aandeelhouders zouden zijn. In de in 1887 gevormde N.V. werd het beleid gevoerd door twee directeuren en een aantal commissarissen, die de hoofdadministrateur van Pondok Gedeh, die op de landen in Indië verbleef, controleerden en van instructies voorzagen. Elk voorjaar bracht de directie van de N.V. een jaarverslag uit over het afgelopen jaar. In een dan bij elkaar geroepen aandeelhoudersvergadering werd dit verslag besproken.
Schermerhorn kwam uit een familie, waarin aan de kerk 'niet werd gedaan' hoewel zijn moeder doopsgezind lidmaat was en hij catechisatie volgde bij de hervormde predikant te Grootschermer. Vooral na het vertrek uit het ouderlijk huis in 1913 kreeg een algemeen christelijk-protestantse levensovertuiging terdege betekenis voor zijn denken. De Vrijzinnig Christelijke Studenten Beweging heeft later hiervoor een blijvende grondslag gelegd. Hij volgde lager onderwijs te Grootschermer en bezocht vervolgens op aandringen van het schoolhoofd in 1908 de HBS te Alkmaar, omdat hij lichamelijk niet geschikt bleek voor de boerderij. In 1913 deed hij eindexamen en liet zich aan de TH te Delft voor de studie van civiel ingenieur inschrijven, waarvoor hij in 1918 het diploma behaalde. Tot 1926 was hij werkzaam als assistent voor landmeetkunde bij prof. J.H. Heuvelink, maar hij sloeg al spoedig met de wetenschappelijke toepassing een eigen weg in, die hem een internationale reputatie zou bezorgen. Hij stichtte een particulier adviesbureau voor landmeetkunde en cartografie, waarvan hij van 1921 tot 1931 de leiding had. De meeste invloed op zijn wetenschappelijke vorming had daarbij zijn 10 jaar oudere Duitse vriend prof. Otto von Gruber te Jena. In 1926 werd hij, nog geen 32 jaar oud, benoemd tot hoogleraar in de landmeet- en waterpaskunde en de geodesie te Delft; een functie, die hij tot 1945 zou blijven bekleden. In 1931 werd hem daarnaast de wetenschappelijke leiding van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat opgedragen. Zijn belangrijkste vernieuwing in die hoedanigheid was de introductie van de voordien in Nederland nog niet toegepaste fotogrammetrie, waardoor een veel doelmatiger kartering werd bereikt. Al vanaf 1929 had hij daarvoor samengewerkt met de KLM. Eén hoogtepunt van deze werkzaamheden als fotogrammeter vormde de luchtkartering van Nieuw-Guinea in 1936, waarbij hij de leiding had. Een steile en onproblematische loopbaan tot zover, waarbij een wetenschappelijke en praktischorganisatorisch gerichte belangstelling en activiteit elkaar gelukkig aanvulden en stimuleerden. Toch waren er al tekenen, dat Schermerhorn nooit volledig opging in deze op zichzelf niet geringe activiteiten van hoogleraar, Rijksadviseur en praktiserend luchtkarteerder. Hij was niet het type van een theoreticus, zoals zijn op de directe praktijk gerichte specialisatie trouwens al bewees en gaf in deze jaren steeds meer blijk van maatschappelijke belangstelling. Een kwestie, die hem daarbij met name aantrok was de verhouding tussen landbouw en moderne samenleving; concreter: de gevolgen, die de confrontatie met een technologische maatschappij voor het traditionalistische denk- en levenspatroon van het agrarische bevolkingsdeel moest hebben. Een vraag, die correspondeerde met Schermerhorns eigen ontwikkeling van landbouwerszoon tot wetenschapsman en cartograaf, met de spanning tussen zijn herkomst uit een agrarisch-traditionalistisch milieu en zijn technische gerichtheid. Een serie lezingen voor de VPRO, in 1934 gebundeld in De boeren in de volksgemeenschap, en een brochure De plaats van de boerenstand in de volkshuishouding, op grond van een lezing voor de Vrijzinnig-Democratische Bond te Leeuwarden in 1937 gehouden, zouden van deze belangstelling getuigen. Hij werd lid van de vereniging Landbouw en Maatschappij. Ook was hij tot 1933 lid van Kerk en Vrede, een interkerkelijke geloofsgemeenschap van sterk pacifistisch georiënteerde christenen. Daarnaast werkte hij van 1934-1935 als mederedacteur van De Smidse. Maandblad voor moderne religie en humanistische cultuur. Directe politieke activiteiten ontwikkelde hij echter nog niet, al sloot hij zich eerst bij de Liberale Staatspartij en later bij de Vrijzinnig-Democratische Bond aan. Zijn lidmaatschap van het bestuur van de VPRO (1924-1942) en zijn commissariaat van de N.V. Glasfabriek Leerdam (1934-1936) wijzen echter eveneens op zijn maatschappelijk gerichte belangstelling. Het was - deze kleine opsomming van activiteiten in de jaren dertig toont het aan - meer een algemene sociaal-ethische instelling, dan uitgesproken politieke ambitie, die hem dreef. In 1935 nam hij samen met een aantal overtuigde democraten het initiatief tot oprichting van de beweging Eenheid door Democratie, die zich bestrijding van de groeiende antidemocratische stromingen van rechts en links ten doel stelde en daarvoor een bovenpartijdig, buitenparlementair front wilde vormen. In 1938 nam hij op aandringen van ir. J. Goudriaan, president-directeur van de NS, de leiding op zich, die hij tot de ontbinding in mei 1940 behield. In mei 1942 werd hij, vermoedelijk op grond van zijn anti-fascistische reputatie, met andere prominenten door de bezetter in het klein-seminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel gegijzeld. Samen met W. Banning, W. Drees e.a. speelde hij een vooraanstaande rol in de discussies over de noodzakelijk geachte vernieuwing na de oorlog. Daarbij kregen de doorbraakgedachte en het plan van de Nederlandse Volksbeweging meer vorm, speciaal ook door toedoen van Schermerhorn. In december 1943 vrijgelaten, werd hij onmiddellijk mederedacteur van het illegale blad Je Maintiendrai, (JM) waarin de Gestelse groep zich o.a. verder met de partijvernieuwing bezighield. Deze enge samenwerking met SDAP'ers bezorgde Schermerhorn en de JM- groep de naam 'Oranje-socialisten'. Zijn conceptie kwam neer op een personalistisch getint socialisme, waarbij de klassenstrijd als verouderd werd verworpen en de Oranjemonarchie als symbool en garantie van de eenheid een rol kreeg toebedeeld. Ook fungeerde Schermerhorn als voorzitter van de Indische Commissie, die uit diverse verzetsgroepen gerekruteerd werd. Direct na de bevrijding tekende hij op 12 mei 1945 de oproep in naam van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), waarbij politieke vernieuwing in de geest van christendom en humanisme werd bepleit. Twee weken later volgde zijn benoeming tot voorzitter van de NVB maar nog in dezelfde maand werd hij, als één van de meest geprofileerde figuren van de nationale vernieuwingsgedachte, door koningin Wilhelmina samen met W. Drees tot kabinetsformateur benoemd. Op 23 juni presenteerden zij het nieuwe kabinet, waarvan de kern bestond uit mannen uit de NVB en SDAP. Schermerhorn zelf aanvaardde het voorzitterschap en de portefeuille van Algemene Zaken van deze eerste naoorlogse regering met de woorden: 'Majesteit, wie in deze put springt is een verloren man.' Het nationale kabinet-Schermerhorn-Drees trad in één van de meest beslissende perioden van de Nederlandse geschiedenis op en zag zich voor een kolossale opgave geplaatst: de wederopbouw, en het materieel en geestelijk herstel van een ontwricht land, na vijf zware oorlogsjaren. Een nadeel was stellig dat antirevolutionairen en communisten géén zitting in de regering hadden, zodat niet alle volksgroepen zich ermee konden identificeren. Op 27 juni verkondigde Schermerhorn over de zender Herrijzend Nederland het omvangrijke regeringsprogram, waarin hij, in de hem eigen klare eenvoudige taal, de bovengenoemde kwesties aan de orde stelde en voor politieke vernieuwing pleitte. Samen met de minister van Onderwijs G. van der Leeuw bleef hij in het kabinet de meest uitgesproken exponent van de doorbraak, die het voor de idealen van de NVB en voor een socialistisch personalisme opnam. De snelle terugkeer van de vooroorlogse partijverhoudingen - vooral van confessionele zijde, gedeeltelijk al vóór de bevrijding, met kracht en succes bevorderd - belette, dat er veel van terechtkwam. Een bundeling van vernieuwingsgroeperingen, met name uit SDAP, VDB en Christelijk Democratische Unie richtten daarom op 9 februari 1946 de Partij van de Arbeid op, als drager van die idealen. Doch de PvdA ontwikkelde zich steeds meer, gedeeltelijk gedwongen en zeker tegen Schermerhorns wens, tot opvolger van de vooroorlogse SDAP dan tot nationale doorbraakpartij. Schermerhorn behoorde tot de oprichters en bleef tot 1961 lid van het partijbestuur. Vanzelf speelde hij een voorname rol in alle belangrijke activiteiten van de regering: de beëindiging van het militair gezag, de reconstructie van de Staten-Generaal; de hele zuivering, de moeilijkheden rond de Eenheidsvak-centrale (EVC) en de grote Rotterdamse havenstakingen in de zomer 1945; de oprichting van het Centraal Planbureau en de Stichting van de Arbeid evenals de nationalisatie van de mijnen. Met zijn maandelijkse 'praatjes op de brug', waarin hij zich via de omroep direct tot de bevolking richtte, en ook in het kabinet zelf introduceerde hij een non-conformistische stijl: een mengsel van kordaat aanpakken en praktisch idealisme, zoals dat tijdens de bezetting in verzetskringen had kunnen ontstaan. Een vraagstuk van onverwachte overschaduwende betekenis, ook voor zijn persoonlijke loopbaan, werd echter al spoedig de Indonesische kwestie. Deze maakte hem tot één van de felst omstreden politici. Overtuigd van de absurditeit van een herstel van de vooroorlogse verhoudingen en open oog voor het fenomeen van een wereldwijd revolutionair dekolonisatieproces trachtte hij samen met de luitenant-GG dr. H.J. van Mook en de minister van Koloniën J.H.A. Logemann door een soepele politiek van onderhandelingen met de Indonesische nationalisten zowel een gewapend conflict als een volledige losscheuring van Indonesië te voorkomen. Zijn streven was tot een zelfstandig federatief Indonesië in Rijksverband volgens de conceptie van Van Mook te komen. Een tactiek, die door de rechtse oppositiepartijen heftig werd bestreden en die ook bij het merendeel van de bevolking op onbegrip en argwaan stuitte. De positie van het kabinet-Schermerhorn werd bemoeilijkt doordat het niet op een parlementaire meerderheid kon steunen. De verkiezingen in mei 1946 betekenden in feite een 'neen' jegens de doorbraakgedachte en de omstreden Indonesië-politiek en daarom nam Schermerhorn in het nieuwe kabinet-Beel geen zitting meer. Wel nam hij het voorzitterschap op zich van de Commissie-Generaal, die na langdurige onderhandelingen op 15 november 1946 de ontwerp-overeenkomst van Linggadjati met de Indonesische leiders parafeerde, waarbij men het eens werd over een zelfstandige Indonesische federatie, in Unie met Nederland verbonden. Maar nieuwe onlusten leidden tot de eerste militaire actie (21 juli - 4/ 5 augustus 1947), waarmee Schermerhorn tegen zijn geweten instemde, onder druk van partijvoorzitter J.J. Vorrink, die benauwd was voor de val van het katholiek-socialistische kabinet en een terugslag voor de PvdA. De verbitterde kritiek op de Commissie-Generaal en de animositeit jegens de persoon van Schermerhorn droegen er toe bij, dat hij, toen de Commissie ontbonden werd in de herfst 1947, meer op de politieke achtergrond raakte. In een uitvoerig dagboek heeft hij even openhartig als informatief zijn bevindingen als voorzitter van de Commissie-Generaal neergelegd. In juli 1948 behaalde hij een zetel in de Tweede Kamer voor de PvdA en in 1951 ging hij naar de Eerste Kamer, die hij in 1965 verliet. Vooral de buitenlandse politiek en onderwijszaken hadden in die jaren zijn belangstelling. Na zijn pensionering in 1965 mengde hij zich opnieuw in de tegenstellingen binnen de PvdA en koos de zijde van Nieuw-Links en van de jeugdige vernieuwingsvleugel. Zo betuigde hij ook adhesie aan het pamflet Tien over rood (1966). Op het partijcongres in 1967 hield hij een pleidooi voor meer democratisering binnen de partij. Inmiddels was hij zich na beëindiging van zijn regeringsfuncties ook weer met wetenschappelijk werk bezig gaan houden. Van 1951 tot 1965 (jaar van zijn emeritaat) was hij directeur van het Internationaal Instituut voor luchtkartering te Delft. Verschillende buitenlandse eredoctoraten (Gent, Zürich, Milaan, Glasgow en Hannover) en andere hoge binnen- en buitenlandse onderscheidingen vielen hem in die jaren ten deel. Zijn maatschappelijke belangstelling had hem al vlak voor de oorlog ook met het vraagstuk van de onderwijsvernieuwing in verbinding gebracht, met name met de Werkplaats van Kees Boeke te Bilthoven. Bij de oprichting van de stichting van die school in 1948, die mede door zijn toedoen tot stand was gekomen, bleek hij de aangewezen voorzitter; een functie, die hij tot 1969 bekleedde. In al die jaren toonde hij zich een krachtig voorvechter van Boekes ideeën. Schermerhorns betekenis als pionier in de luchtkartering is onbetwist, terwijl zijn politieke rol dat vanzelfsprekend allerminst is gebleven. Toch kan men hier van een pioniersrol spreken, ook al is die hem niet in onverdeelde dankbaarheid afgenomen: pionier als voorstander van de doorbraak, als criticus - voor 1940 al - van het verzuilde parlementaire bestel, maar bovenal als iemand die al spoedig in 1945 begreep, dat slechts erkenning van het Indonesische nationalisme een reële basis bood voor een politiek, die een geweldloze en soepele transformatie van het failliete koloniale bestel naar een vrij, doch met Nederland verbonden Indonesië tot doel had. Dat hij politieke visie had, is later ook door toenmalige opponenten erkend. De verguizing, die hem jarenlang ten deel is gevallen, hing gedeeltelijk stellig samen met het feit, dat de meerderheid ook van de Nederlandse politieke voormannen t.a.v. de Indonesische kwestie deze visie miste. Aan de andere kant was Schermerhorn geen tacticus, geen diplomaat bereid om met gevoeligheden rekening te houden, tenen of belangen te ontzien. Hij hield van een zeer onopgesmukte, doch in zijn openhartigheid ook vaak emotionele en provocatieve aanpak. Zijn democratisch bewustzijn was doortrokken van het besef, dat niet gevestigde instituties en regelingen doch de juiste mensen op de juiste plaats de doorslag geven, die dan ook recht op de nodige bewegingsvrijheid dienen te hebben. Beslissend voor zijn lot als politicus was echter de sterke restauratieve tegenstroom na 1945, die niet de uit het verzet opgekomen vernieuwers maar de tactici en partijmanagers onder de politieke elite begunstigde.
Met de dood van Othon Daniel van der Staal van Piershil in 1937 stierf een oude Hollandse regentenfamilie uit. Al in het begin van de vijftiende eeuw maakten leden van de familie Van der Staal deel uit van de magistraat van Schoonhoven. Door huwelijken in de zeventiende eeuw ontstonden banden met de regentenfamilies van Rotterdam. Dit had tot resultaat, dat de familie gedurende de achttiende eeuw onafgebroken zitting had in de vroedschap van deze stad. Na de bestuursomwenteling als gevolg van de Bataafse Revolutie keerde zij daar niet terug, vestigde zich te 's-Gravenhage maar leefde het grootste gedeelte van het jaar als landjonkers op hun buitenplaatsen. Tenslotte ontwikkelden zich nauwe relaties met hofkringen, waarin de laatste generatie Van der Staal ook is opgenomen. Het is de moeite waard om over deze familie, die meer dan 500 jaar onafgebroken deel heeft uitgemaakt van het regentenpatriciaat in Holland en daardoor mede de gang van zaken in deze provincie bepaalde, iets meer mede te delen. De oudste bekende voorvader van het uit Schoonhoven afkomstige geslacht is Klaas Egbertsz.. Hij werd in 1411 als schepen aangesteld en was bij zijn dood omstreeks 1434 burgemeester van Schoonhoven. Zijn zoon Egbert Klaasz., kleinzoon Klaas Egbertsz. en achterkleinzoon Dirk Klaas Egbertsz. zijn allen schepen en later burgemeester van Schoonhoven geweest. Nakomelingen van Dirk Klaas Egbertsz. zijn niet bekend. Het geslacht zet zich voort met de oudste zoon van Dirk Egbertsz., een broer van de in 1438 overleden Klaas Egbertsz., genaamd Egbert. Hij werd volgens de familietraditie achtereenvolgens schepen en burgemeester van Schoonhoven. Egbert Dirksz. had twee zonen, Jasper en Melchior. Beiden bekleedden vooraanstaande posities, wat onder meer tot uiting komt in de huwelijken van hun kinderen. Zoals uit het onderstaande blijkt, genoten Melchiors kinderen aanvankelijk een grotere bekendheid in de Nederlanden dan die van Jasper. Jasper Egbertsz., vermoedelijk apotheker of chirurgijn, werd evenals zijn voorouders aangesteld tot schepen, was lid van de vroedschap en later burgemeester. Zijn broer Melchior is, voor zover bekend geen schepen geweest of lid van de vroedschap, vermoedelijk omdat Jasper dit was en broers niet tegelijkertijd zitting mochten hebben in het stadsbestuur. Twee van Melchiors kinderen, Agnes en Egbert, hadden een vooraanstaande positie. Agnes Melchiorsdr. van der Staal als echtgenote van Dirk Jansz. Loncq, die niet alleen lid van de vroedschap, schepen en burgemeester van Gouda was, maar ook raadsheer van de Prins van Oranje, lid van de landraad van Delft en trezorier-generaal van Holland. Hun kleinzoon, Melchior van Beverningh, was de vader van de bekende staatsman Hieronymus van Beverningh. Egbert Melchiorsz. van der Staal was schepen, later burgemeester van Schoonhoven. In die kwaliteit werd hij met zijn zwager Van Couwenhoven afgevaardigd naar Middelburg om met de Prins van Oranje te onderhandelen. Hun drie neven waren Egbert, Bartholomeus en Cornelis Jaspersz. van der Staal. Egbert en Cornelis werden evenals hun voorouders en hun neef Egbert Melchiorsz. van der Staal schepen en lid van de vroedschap van Schoonhoven, terwijl Bartholomeus naar Amsterdam vertrok. Van Egbert Jaspersz. is tevens bekend, dat hij Heilige Geestmeester en trezorier was. Zijn broer Cornelis was olieslager te Schoonhoven. Met de vestiging van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal te Amsterdam ontstond de Amsterdamse tak van de familie. Welk beroep hij uitoefende is niet bekend. Uit akten van transport en verdelingen van nalatenschappen blijkt dat hij woonde in een huis, gelegen "in de Gansoort op de hoeck van de Halsteech daar Schoonhoven uithangt". In een transportakte van een gedeelte van een huis, tuin enz. door zijn zoon aan zijn schoonzoon heet het "eenderde deel van een houttuyn, staande ende gelegen in de Oude Syts Houttuynen, eertyts genaemt Schoonhoven". Kennelijk had hij het wapen van Schoonhoven buiten hangen en ook de houttuin naar zijn vaderstad genoemd. Van zijn vrouw is niets anders bekend dan haar patroniem, nl. Gerritsdr. Het valt op, dat de kinderen van Jasper en Melchior voor het eerst met de naam Van der Staal vermeld staan in akten, die opgemaakt zijn te Gouda, Amsterdam en Schoonhoven. Mogelijk werden zij al eerder zo genoemd maar werd het vertrek van familieleden naar andere steden, nl. Agnes Melchiorsdr. naar Gouda en Bartholomeus Jaspersz. naar Amsterdam, aanleiding om deze naam regelmatig te gaan gebruiken. Met de overgang van Schoonhoven naar Staatse zijde bleef de familie Van der Staal de Rooms-Katholieke Kerk trouw. De eerder genoemde Egbert Melchiorsz. noch zijn zoon Jan of een van diens nakomelingen keerden terug in de vroedschap van Schoonhoven. Voor het bekleden van overheidsambten werden door de Staten regels gesteld. Men moest onder andere meerdere jaren poorter zijn van een stad, daarnaast een bepaalde kennis en gegoedheid bezitten en lid zijn van de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Deze laatste eis kan van invloed zijn geweest op het vertrek van Govert Egbertsz. van der Staal naar Gouda, waar hij zich als brouwer vestigde. Zijn broer Lambert stichtte met zijn zwager Adam Jaspersz. twee studiebeurzen aan de Hoge School te Leuven. Daar deze Goudse tak van de familie niet overging naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk, bleef zij van stadsambten uitgesloten. Door het huwelijk van Cornelis Govertsz. van der Staal, die gelijk zijn vader brouwer te Gouda was, vertoont deze tak een genealogisch interessant aspect. Evenals de neef van zijn vader, Wolfert Cornelisz. van der Staal, die nog aan de orde komt, trouwde hij een dochter uit een bekende Rotterdamse regentenfamilie. In 1619 werd te Rotterdam het huwelijk gesloten tussen hem en Maria Cornelisdr. Elsewaal. Uit het huwelijk Van der Staal-Elsewaal werden twee dochters en een zoon geboren. Deze zoon had geen nakomelingen, waardoor de Goudse tak omstreeks 1658 in mannelijke lijn uitstierf. De Amsterdamse tak van de familie, die ontstond door het voornoemde vertrek van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal naar Amsterdam, trof enkele jaren later hetzelfde lot. Uit het huwelijk van Bartholomeus van der Staal en N. Gerritsdr. werden drie kinderen geboren: Gerritje, Jasper en Gerrit. Deze kinderen behoorden evenals hun vader tot de gegoede burgerij. Niet verzuimd mag worden te wijzen op de huwelijken van Gerritje en Gerrit. Gerritje was gehuwd met Frans Jansz. Sael. Hun dochter Annetje trouwde met Pieter Barentsz. Plemp, apotheker te Amsterdam, een broer van de vermaarde arts Vopiscus Fortunatus Plemp, terwijl ook hun kleinzoon arts was. Gerrit, die getrouwd was met een dochter van de secretaris van Amsterdam, was koopman en liet blijkens zijn testament kinderen na. Jasper Bartholomeusz. was tinnegieter van beroep. Hij woonde op de Nieuwezijds Voorburgwal in het huis De Akkerman, terwijl ook het huis van zijn vader op de hoek van de Halsteeg en het huis De Zon op de Kolk hem toebehoorde. Zijn nalatenschap was aanzienlijk. Daar zijn oudste zoon Bartholomeus voor hem kinderloos overleed, waren erfgenamen zijn zoon Cornelis, die als pater Felix van Amsterdam in Leuven tot de orde der Capucijnen was toegetreden, zijn zuster Gerritje en zijn broer Gerrit. Tegen het gedeelte, dat nagelaten werd aan Cornelis Jaspersz. van der Staal, alias pater Felix, is later door de familie bezwaar gemaakt. Met de dood van pater Felix in 1661 is de Amsterdamse tak in mannelijke lijn uitgestorven. De Schoonhovense tak van de familie zet zich voort met een kleinzoon van Cornelis Jaspersz. van der Staal en Aagje Wolfertsdr., Hendrik Wolfertsz. van der Staal. Zijn vader de al eerder genoemde Wolfert Cornelisz. van der Staal, was als apotheker werkzaam te Rotterdam, waar hij in 1607 trouwde met Emerentia Couwael, dochter van Hendrik Pietersz. Couwael en Anna Quirijnsdr. Verhaven. De families Couwael en Verhaven behoorden tot de regentenfamilies. Uit dit huwelijk werden twee dochters Anna en Agatha geboren en drie zoons: Cornelis, Hendrik en Pieter. Vermeldenswaard is het huwelijk van Anna. Zij trouwde met de koopman Cornelis Joppen Slingerlandt, zoon van de haringkoopman Job Cornelisz. Slingerlandt en Harmpje Quirijnsdr. Verhaven. Harmpje was een kleindochter van het vroedschapslid Quirijn Jansz. Verhaven en een nichtje van de bovengenoemde Anna Quirijnsdr. Verhaven. Agatha bleef ongehuwd. Van de drie zoons vestigde Cornelis zich in Rotterdam, Hendrik zoals vermeld in Schoonhoven terwijl Pieter naar Kaap de Goede Hoop vertrok en later naar Batavia. Evenals zijn vader was Cornelis Wolfertsz. van der Staal apotheker te Rotterdam. Door zijn huwelijk in 1647 met de Rotterdamse Sophia Gijsbrechtsdr. Elsewael, werden al bestaande banden met regentenfamilies nauwer aangehaald. Uit dit huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. De zoon, Wolfert Cornelisz. van der Staal, was koopman en trouwde in 1666 de protestantse Maria le Maire. Hun enig dochtertje overleed zeer jong voor haar vader. De jongste broer, Pieter Wolfertsz. van der Staal, was ziekenbezoeker in dienst van de V.O.C. aan Kaap de Goede Hoop en in Batavia. In 1649 trouwde hij te Schiedam met Geertruid van Riebeeck, dochter van Anthonie van Riebeeck en Elisabeth Govertsdr. Pieter overleed te Batavia tussen 1664 en 1670; Geertruid overleed in 1670 eveneens te Batavia. Voor zover bekend werden uit dit huwelijk alleen dochters geboren. Al werd de familie Van der Staal door maatregelen van de overheid inzake de godsdienst uit overheidsambten geweerd, zij heeft, zoals hierboven bleek het contact met de regentenfamilies vooral door huwelijken weten te bewaren. Lang heeft deze uitsluiting niet geduurd. De overgang naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk gaf hen weer toegang tot bestuurscolleges, zodat alleen de generatie van Wolfert Cornelisz. van der Staal, gehuwd met Emerentia Couwael, geen overheidsambten heeft bekleed. Hendrik Wolfertsz. van der Staal en zijn broer Pieter zijn de eersten geweest, die tot de nieuwe leer overgingen. Hendrik werd evenals zijn grootvader Cornelis Jaspersz. van der Staal lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven. Uit zijn huwelijk met Haasje de Graaff, dat in 1639 te Schoonhoven werd gesloten, werden een zoon en een dochter geboren. Zijn zoon Wolfert was de eerste van de familie Van der Staal, die een academische opleiding volgde. Aan de Universiteit van Leiden studeerde hij rechten, waarna hij in 1669 promoveerde. Tevens was hij de laatste Van der Staal, die lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven is geweest. In 1671 trouwde hij Elisabeth Botter. Van de zeven uit dit huwelijk geboren kinderen is alleen de oudste, Hendrik, in leven gebleven. Wolfert Hendriksz. van der Staal overleed in 1678, slechts 32 jaar oud. In de achttiende eeuw, die om verschillende redenen wel de eeuw van het verval wordt genoemd, vestigde de familie Van der Staal zich in Rotterdam. Het was een periode, die onder meer gekenmerkt werd door grote tegenstellingen tussen de regenten, soms ware geldmagnaten, en het gewone volk, waarvan het aantal, dat op de rand van de armoede leefde en door de minste verandering in de conjunctuur voor lange tijd tot pauperisme verviel, hand over hand toenam. Schuldig hieraan waren onder meer de eenzijdige ontwikkeling van de handel en de toenemende concurrentie van het buitenland. De stapelmarkt verviel, waardoor grote structurele werkloosheid ontstond, die mede door het verdwijnen van vele takken van nijverheid steeds moeilijker te bestrijden viel. Het was in deze eeuw vooral de geldhandel, die bloeide. Van grote handelsmogendheid werd de Republiek meer en meer een renteniersstaat. De familie Van der Staal was een ambtenarenfamilie, die in de eerste plaats haar inkomsten verwierf uit ambten en bezittingen. Met de geldhandel als zodanig had zij niets te maken. Door hulijken echter werd zij geparenteerd aan deze handelsfamilies en zoals hieronder blijkt verwierf zij, door het uitsterven van bepaalde staken of soms hele families, vermogens. De in 1671 te Schoonhoven geboren Hendrik Wolfertsz. van der Staal studeerde evenals zijn vader rechten aan de Universiteit van Leiden. In 1701 trouwde hij met de Rotterdamse Johanna Maria Hechtermans, dochter van de uit Dordrecht afkomstige mr. Cornelis Hechtermans en Margrieta van Yck. Door dit huwelijk werd hij opgenomen in de meest invloedrijke regentenfamilies van Rotterdam. Door zijn huwelijk en door voorspraak van zijn schoonvader Dirk Meesters werd hij in 1707 lid van de vroedschap van Rotterdam en tegelijkertijd lid van de gezaghebbendste Correspondentie in de vroedschap. De familie Van der Staal en alle aangetrouwde families maakten tot aan de Bataafse Revolutie deel uit van de Correspondentie. Genoemd kunnen worden de familie Bichon, de kunstverzamelaarsfamilie Lormier en de bekende familie Gevers met de daaraan verwante geslachten IJsbrands, Noorthey en Pelt. Voorts de familie Meerman, verwant aan de invloedrijke koopmans- en bankiersfamilie Van Schoonhoven, die via de koopmansfamilie Witheyn verwant was aan de Amsterdamse regentenfamilies Backer en De Mey van Streefkerk. Via de families Meerman en Gevers waren zij afstammelingen van Witte Cornelisz. de With, de bekende vice-admiraal van Holland en Westfriesland, die in 1658 sneuvelde tijdens de Noorse oorlog bij de slag in de Sont. Van de familie Van der Staal en aanverwante families behoorden velen tot de maecenaten van het Bataafs Genootschap, wat blijk gaf van een brede belangstelling. De zoon en kleinzoon van Hendrik van der Staal, Dirk Cornelis en Claudius, behoorden hiertoe evenals Johan Wilhem Lormier en Jean Bichon. Ook de schoonzoon van Dirk Cornelis van der Staal, Abraham Gevers en zijn kleinzoon Dirk Cornelis Gevers, heer van Endegeest gaven blijk van hun belangstelling voor dit genootschap. Vanaf het hierboven genoemde jaar 1707 tot aan de Bataafse Revolutie hebben leden van de familie Van der Staal onafgebroken zitting gehad in de vroedschap van Rotterdam. De aanstelling als lid van de vroedschap was er een voor het leven. In deze functie kwam men in aanmerking voor het vervullen van ambten, die direct te maken hadden met besturen van de stad zoals burgemeester of trezorier en ambten, waarin men de stad vertegenwoordigde in landelijke organen zoals afgevaardigde voor Rotterdam in de Staten van Holland en Westfriesland of ter Generaliteitsrekenkamer. Hendrik van der Staal, zijn zoon Dirk Cornelis en kleinzoon Claudius waren alle drie naast lid van de vroedschap gedeputeerde ter dagvaart, trezorier en burgemeester. Daarnaast vervulden zij een aantal stedelijke en provinciale ambten en hadden tevens zitting in verschillende generaliteitscolleges. Zo was Hendrik onder meer baljuw en gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer, Dirk Cornelis schepen en rekenmeester en Claudius gedeputeerde ter Admiraliteit op de Maas en lid van de Raad van State. Uit het huwelijk van Hendrik Wolfertsz. van der Staal en Johanna Maria Hechtermans werden dertien kinderen geboren, waarvan zes de volwassen leeftijd bereikten en drie zijn gehuwd, te weten Dirk Cornelis, Maria Johanna en Margaretha. In verband met de vererving van de goederen, afkomstig van de families Hechtermans en Braat, is het niet ondienstig te vermelden dat Maria Johanna trouwde met het vroedschapslid Pieter Baelde. Dankzij zijn schoonvader en evenals zijn zwager bekleedde hij in die functie diverse ambten. Na zijn dood in 1763 hertrouwde zijn weduwe in 1768 met de predikant Bartholomeus van Velzen. Margaretha van der Staal was in 1753 getrouwd met Adrianus Oudemans, predikant te Noordwijk aan Zee. Dirk Cornelis van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Utrecht. Hij trouwde in 1734 Catharina Elisabeth Lormier. Door dit huwelijk werd hij de zwager van de Haagse kunstverzamelaar Adriaan Leonard van Heteren, die getrouwd was met Wouterina Brigitta Lormier. Daar de zoons van Adriaan Leonard van Heteren al jong waren overleden en het huwelijk van zijn zwager Johan Wilhem Lormier en Sara Pelt kinderloos bleef, liet hij zijn vermogen na aan de kinderen van Dirk Cornelis van der Staal, genaamd Catharina Wilhelmina en Claudius. Catharina Wilhelmina, die in 1754 getrouwd was met Abraham Gevers, weduwnaar van Kenau Deynoot, erfde in 1788 van haar tante Sara Pelt de heerlijkheid van Kethel en Spaland. Claudius van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden. Hij trouwde in 1763 met Hillegonda Petronella Meerman. Zij was, met haar zuster Johanna Geertruida, erfgename van haar grootmoeder van vaders zijde Hillegonda Gevers en van haar vader Pieter Meerman, die in 1762 kort na elkaar waren overleden. Door het uitsterven van verschillende staken van het geslacht Gevers vererfden onder meer de ambachtsheerlijkheid van Piershil en de landen van Schakenbosch via Pieter Meerman aan zijn dochter Hillegonda Petronella, die van de ambachtsheerlijkheid afstand deed ten behoeve van haar moeder Jacoba Catharina van Schoonhoven. Deze Jacoba Catharina was een energieke vrouw, die na de dood van haar man de zaken zoveel mogelijk zelf regelde. Uit brieven aan haar zaakwaarnemer Pieter Leonard Stumphius komt dit duidelijk naar voren. Zij stond met hem op goede voet en hij werd door haar als lid van de familie beschouwd. Daar hij ook de zaken van haar vader Pieter en haar broer Thymon behartigde was hij met alle familieaangelegenheden op de hoogte. Hoewel zakelijk van opzet geven deze brieven toch een aardig beeld van de schrijfster en haar familie, de onderlinge relaties van de regentenfamilies en komen naast de voorrechten, die verbonden zijn aan het bezit van kapitaal en goederen, de zorgen tot uiting, die het beheer hiervan met zich meebracht. Uit deze brieven blijkt onder meer dat zij haar schoonzoons Claudius van der Staal en Daniel Pompejus du Tour het geld leende om de buitenplaatsen Voorlinden en Wiltrust onder Wassenaar te kopen en dat zij zich veel moeite getroostte om Claudius een plaats als raadsheer bij het Hof van Holland te bezorgen. Ook de heerlijkheid van Piershil komt ter sprake evenals de heerlijkheid van Oud-Beijerland, welke laatste zij in 1767 kocht. Door het uitsterven van het geslacht Van Schoonhoven in mannelijke lijn zijn verhoudingsgewijs veel stukken bewaard gebleven van Pieter van Schoonhoven. Hij was een van de rijkste mannen van Rotterdam wat blijkt uit het kohier van de Personele Quotisatie van 1742, waarin hij onder de hoogstaangeslagenen behoort. Deze rijkdom, zijn Franse geboorte, antistadhouderlijke gezindheid en doorgaande graanhandel op Frankrijk, ondanks het plakkaat hiertegen van de Staten-Generaal waren evenzovele oorzaken, om hem en andere regenten tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog te wantrouwen en van verraad te beschuldigen. Van de Orangisten kreeg hij de bijnaam van Franse Piet. Hoewel de burgers over het algemeen van mening waren, dat zij de regenten alle eer en achting waren verschuldigd, sloten zij Pieter van Schoonhoven, en onder andere ook Claudius Lormier, hiervan nadrukkelijk uit. Maar ook uit eigen kring kwam kritiek, onder andere op de beleggingen van kapitaal in het buitenland, waardoor de kredietwaardigheid van het land werd aangetast. In 1748 werd Pieter van Schoonhoven met vier andere regenten, "tot wegneming van diffidenten en murmuratie onder de ingesetenen", door Willem IV afgezet als lid van de vroedschap. Hierdoor kwam tegelijk een einde aan de Correspondentie, die pas na de dood van de prinses-gouvernante Anna in 1759, herleefde. Pieter van Schoonhoven was gehuwd met Maria Anna Witheyn. Haar nicht Johanna Maria Witheyn, enige dochter van de Amsterdamse reder en koopman Johan Witheyn, was gehuwd geweest met Abraham van Harencarspel en Vincent Maximiliaan baron van Lockhorst, heer van Ter Meer en Maarssen. Na de dood van haar tweede echtgenoot behield zij de beschikking over het huis Ter Meer terwijl zij tevens een huis bezat op de Herengracht te Amsterdam. De kinderen uit haar eerste huwelijk stierven jong waardoor Maria Anna Witheyn en haar neven Jean Gijsberto de Mey en Cornelis Jansz. Backer de enige erfgenamen waren van deze schatrijke weduwe. Door het kinderloos overlijden van de kleinzoons van Pieter van Schoonhoven, Pieter, Adriaan en Jacob, zoons van zijn enige zoon Thymon, bleef zijn dochter Jacoba Catharina van Schoonhoven, weduwe Meerman, als enige erfgename over. Zij erfde onder meer het buiten Haagvliet te Voorburg, dat met haar huis op het Tournooiveld, vererfde aan haar kleindochter Jacoba Catharina Geertruida du Tour, gehuwd met Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese. Als hun gasten hebben op Haagvliet tijdelijk koning Lodewijk Napoleon en zijn vrouw Hortense de Beauharnais geresideerd. Hillegonda Petronella Meerman stierf op Voorlinden in 1799, drie jaar na Claudius van der Staal. Haar nalatenschap bleef tot 1806 ongedeeld tussen haar drie zoons Abraham Willem, Daniel Pompejus Johannes en Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal. Abraham Willem erfde de heerlijkheid van Oud-Beijerland en noemde zich Van der Staal van Oud-Beijerland. Na zijn dood in 1821 ging de heerlijkheid over op zijn dochter Everdine Suzette, gehuwd met Samuel François Anne van Pallandt, waardoor de tak Van Pallandt van Oud-Beijerland ontstond. Na haar dood erfde haar zoon Jan Werner de heerlijkheid, die hij in 1907 naliet aan zijn neef Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken van Zuylen, de zoon van zijn zuster Henriëtte Charlotte Everdine. Het archief van de heerlijkheid van Oud-Beijerland vanaf 1767 tot 1900, berust thans op het Rijksarchief in de provincie Utrecht, waar het deel uitmaakt van het archief van het slot Zuylen. De landen van Schakenbosch gingen over op Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal en ook hij noemde zich naar zijn goederen nl. Van der Staal van Schakenbosch. Hij was lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij zitting had voor de eigenerfden. Daar hij reeds in 1818 overleed en zijn enige dochter Claudine Claire hem slechts tot 1826 overleefde, besloten de erven Van der Staal met instemming van haar echtgenoot Marie Ferdinand baron de Flotte in 1828 deze landen in het openbaar te verkopen. Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Naast ambachtsheer was Daniel Pompejus Johannes hoogheemraad van Rijnland en maire van Lisse. In Lisse woonde hij op het uitgestrekte landgoed Wassergeest, dat hij in 1804 kocht van Isaac van Buren. Hij vergrootte Wassergeest door aankoop van onder andere de boerderij van het in 1782 gesloopte huis Grotenhof, de bouwmanswoning Duinhof, de boerderijen de Phoenix en de Hoogewerf in de Laageveense polder, waardoor Wassergeest zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof. Na Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne Adriaan van Pallandt, die op Keukenhof woonden, was Daniel Pompejus Johannes van der Staal, met 110 hectaren, de grootste grondbezitter in Lisse. In 1852 werd dit prachtige buitengoed geveild in het logement De Zwaan te Lisse en gekocht door de erven Steengracht, waardoor het tien jaar later, door vererving aan de bovengenoemde bewoners van Keukenhof kwam. Zoals met zoveel buitenplaatsen in die tijd gebeurde, werd ook dit kapitale huis gesloopt en wel vlak na de verkoop, in 1853. Door vererving is Wassergeest thans in het bezit van de barones van Lynden. Wassergeest heeft, evenals het bovengenoemde buiten Haagvliet onder Voorburg, een rol gespeeld in de geschiedenis van ons land. Ten huize van Van der Staal van Piershil is door Adam François van der Duyn van Maasdam in bijzijn van Hendrik Collot d'Escury de door Gijsbert Karel van Hogendorp opgestelde proclamatie getekend, waarin deze met Van der Duyn van Maasdam het Algemeen Bestuur in handen nam tot de komst van de Prins van Oranje. Hieruit blijkt dat Van der Staal, hoewel maire van Lisse, niet uitgesproken Fransgezind was. In ieder geval wist de omgeving van Van Hogendorp, dat hij te vertrouwen was. Verwonderlijk was dit niet, daar allen, die bij de opstand tegen de Franse overheersing betrokken waren tot de familie behoorden. Door zijn huwelijk met Sophia Wilhelmina Charlotte Alexandrina van Bylandt was hij verwant aan Van der Duyn van Maasdam, een neef van zijn schoonmoeder Anna van der Duyn, een vurig Orangiste, terwijl Leopold van Limburg Stirum een oom was van zijn vrouw. Ook zijn zwager Jan Carel van Bylandt bood vanaf de eerste dag Gijsbert Karel van Hogendorp zijn diensten aan. Bovendien moet Van der Staal Van Hogendorp uit Rotterdam gekend hebben. Daniel Pompejus Johannes van der Staal was de enige van de drie broers, die door koning Willem I in de adelstand werd verheven. Zijn huwelijk met een gravin Van Bylandt zal hierin een rol hebben gespeeld en het feit, dat zijn zwager Jan Carel van Bylandt bijzonder bij de koning in de gunst stond. De heerlijkheid van Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, behoorde van oudsher tot het land van Putten. Voor de eerste bedijking in 1524 door Frederik van Renesse, heer van Oostmalle, sprak men van de Ommeloop van Groot- en Klein-Puttermoer. De heerlijkheid bestaat uit de polders Oud-, Nieuw- en Klein-Piershil. Het dorp ligt in de polder van Oud-Piershil en werd in de achttiende eeuw om haar bloei ook wel het klein Haagje genoemd. Dit kon echter niet verhinderen, dat het Hof van Piershil onder de slopershamer viel. In 1831 liet Daniel Pompejus Johannes van der Staal het ambachtsherenhuis slopen en het vrijgekomen terrein in bouwland veranderen. Na de dood van Daniel Pompejus Johannes van der Staal vererfde de heerlijkheid aan zijn drie dochters. Na hun overlijden gingen de heerlijke rechten over op de kinderen van hun in 1855 overleden broer Guillaume Charles, om tenslotte te vererven aan de kleindochter van Guillaume Charles van der Staal, Marie Alexandrine Otheline Caroline van Bylandt, dochter van Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil en Carel Jan Emilius van Bylandt. Het archief van de heerlijkheid van Piershil is daarom verspreid over twee archieven. Naast het archief, dat beschreven is in deze inventaris, bevindt een ander gedeelte zich in het archief van de graven van Bylandt, dat berust bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief. De enige zoon van Daniel Pompejus Johannes, Guillaume Charles van der Staal van Piershil woonde als rentenier in Breda en Princenhage. Hij en zijn vrouw zijn vlak na elkaar in 1855 overleden. Hun drie zeer jonge kinderen stonden onder voogdij van Eugène Jan Alexander van Bylandt en werden te 's-Gravenhage opgevoed in het huis van hun tante Otheline Agathe van der Staal. Zij vormden de laatste generatie van de familie Van der Staal, die zoals eerder vermeld in hofkringen werd opgenomen. Sophie Alexandrine was hofdame van prinses Amalia, de echtgenote van prins Hendrik, broer van koning Willem III, vaak beter bekend als prinses Hendrik. Uit haar huwelijk met Carel Jan Emilius van Bylandt werden twee dochters geboren, Marie Alexandrine Otheline Caroline en de jong overleden Charlotte Eugenie Roline. Marie van Bylandt, overleden in 1968, is de stichtster van de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting te 's-Gravenhage, die haar vermogen, waaronder de heerlijkheid van Piershil, beheert. De laatste afstammelingen in mannelijke lijn van het geslacht Van der Staal waren Othon Daniel en Jean Arthur Godert. Laatstgenoemde stierf in 1904 na een succesvolle loopbaan bij de Marine. Naast marine-officier was hij adjudant, kamerheer en particulier secretaris van koningin Wilhelmina. Zijn broer Othon Daniel bekleedde hoge ambten. Hij was onder meer gezant te Constantinopel en Sint Petersburg, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister aan de hoven van België en Luxemburg. Aan het hof was hij kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. In 1886 trouwde hij met Maria Elisabeth Margaretha van Zuylen van Nyevelt. Daar hun huwelijk kinderloos bleef stierf het geslacht Van der Staal met zijn dood in 1937 uit.
Algemene inleidingMilitair Gezag is de wettelijke benaming voor de militaire overheid die tijdens de staat van oorlog en de staat van beleg is toegerust met bijzondere bevoegdheden, noodzakelijk met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de veiligheid. Deze bijzondere bevoegdheden zijn in de eerste plaats vastgelegd in de Oorlogswet van 23 mei 1899, Stb. 128. Een in 1941 te Londen ingestelde commissie, die tot taak had na te gaan of deze Oorlogswet aanpassing behoefde, kwam tot de conclusie de wet buiten toepassing te laten en de bevoegdheden van het MG in een bijzonder wetsbesluit te regelen. Bij KB van 11 sep. 1943 (Wetsbesluit D 60 van 4 sep. 1944) werd door de regering in Londen de bijzondere staat van beleg geregeld, waarop het Militair Gezag (MG) in de jaren 1944-1946 werd gebaseerd. Bij de terugtrekking van de vijand werd het ontruimde gebied in bijzondere staat van beleg verklaard en kreeg het MG de taak orde op zaken te stellen. Dit hield voornamelijk in: de handhaving van de openbare orde, het onderhouden van contacten tussen de plaatselijke en (via de SHAEF-Mission) geallieerde militaire autoriteiten en het nemen van de noodzakelijke bestuursmaatregelen. Hierbij werd vooral rekening gehouden met de omstandigheid dat de centrale overheid zich nog in Londen bevond en een deel van de lagere burgerlijke overheid in Nederland ontbrak of niet betrouwbaar was door verzet, oorlogshandelingen, collaboratie en zuivering. Het MG bestond voor een groot deel uit niet-militairen die voor deze gelegenheid waren gemilitariseerd. Het MG functioneerde in Nederland van 14 sep. 1944 (toen Maastricht als eerste grote gemeente werd bevrijd) tot 4 mrt. 1946 (toen het MG werd opgeheven). Een belangrijke publicatie over het MG is het in 1947 door het Bureau Geschiedschrijving (o.l.v. H. Winkel) uitgebrachte 'Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag gedurende de bijzondere staat van beleg 14 september 1944 - 4 maart 1946'. Om een gezagsvacuüm na de bevrijding van Nederland te voorkomen, werd eind januari 1943 bij beschikking van de minister van Oorlog O.C.A. van Lidth de Jeude in Londen het bureau Militair Gezag ingericht. Tot hoofd van het bureau werd de majoor van de Generale Staf J.H. Kruls benoemd. Hij werd belast met de taak 'het verrichten van de voorbereidende arbeid met betrekking tot de uitoefening van het militair gezag in Nederland'. Kruls nam de opbouw voortvarend ter hand en hij benoemde officieren (Engelandvaarders), veelal burgers met een baan op de regeringskantoren of in het bedrijfsleven. Dezen werden vervolgens opgeleid in theorie en in de militaire praktijk en voorbereid op de taken die hun in bevrijd gebied zouden wachten. Eind 1943 ontstond wrijving tussen Kruls en enkele ministers en tussen ministers onderling over de bevoegdheden van het MG en over welke kwartiermakers na de bevrijding naar Nederland zouden afreizen. Bovendien was koningin Wilhelmina niet van plan om Kruls na de bevrijding in Nederland tot Chef-Staf MG te benoemen. Kruls dacht intussen dat die mening nog wel zou veranderen (pas in sep. 1944 zou Wilhelmina toestemmen) en ging onverdroten voort met het aanstellen van militair personeel. In april 1944 bestond dat uit 175 officieren en 565 onderofficieren en manschappen. Bij kb van 9 juli 1944 werd door de regering in Londen het MG officieel ingesteld. Men kende naast een Stafbureau en Secretariaat een Bureau Repatriëring, een Bureau Grensbewaking en maximaal 15 secties: I.Binnenlandse Zaken II.Juridische Zaken (en Kampen) III.Politie IV.Luchtbescherming en Brandweer V.Financiën VI.Economische Zaken VII.Transport VIII.Volksgezondheid IX.Openbare Werken X.Arbeidszaken XI.Voorlichting XII.PTT en Censuur XIII.Sociale Zaken (en Rode Kruis) XIV.nderwijs, Kunsten en Wetenschappen XV.Oost- en West-Indische Zaken. Toen in september 1944 de bevrijding nabij scheen, vormde de regering bij kb de militaire verzetsorganisatie Binnenlandse Strijdkrachten (BS), onder bevel van prins Bernhard, die deel uitmaakte van de koninklijke landmacht. De BS werd samengesteld uit leden van de Ordedienst (OD), Knokploegen (KP) en de Raad van Verzet (RVV). Bij de bevrijding van het zuiden, oosten en noorden van het land vocht de BS met de geallieerden mee. Uit hen werden de stoottroepen gevormd. Het MG was (voor een deel) al in Brussel gevestigd, toen Maastricht op 14 september 1944 werd bevrijd, en kon ternauwernood haar bevoegdheden veiligstellen tegenover leden van de OD, die het militair gezag aldaar wilden opeisen. In het algemeen kon het MG zich tijdens zijn onverwachts lange bestaan moeilijk profileren. Een verklaring daarvoor waren onder andere de competentiegeschillen met de regering, burgerlijke bestuursorganen, verzets- en andere (para)militaire organisaties op het gebied van openbare orde en bestuursvoorzieningen. Het MG eiste wekelijkse rapportage van zijn militaire commissarissen in provincies en districten. Met de regering was geen (regelmatige) rapportage afgesproken, waardoor misverstanden en conflicten met Londen niet konden uitblijven. Initiatieven en besluiten doorkruisten zodoende elkaar nogal eens. Een belangrijk geschilpunt van Kruls met de ministers (uitgezonderd Van Lidth) was zijn bezwaar tegen de te vroege komst van minister-kwartiermakers naar bevrijd gebied, die volgens hem weinig konden uitrichten en het MG voor de voeten liepen. 'Zeker, zodra de gehele regering zich in Nederland zou kunnen vestigen en daar de beschikking zou hebben over goed werkende departementen en diensten, zou de taak van het MG van karakter veranderen', volgens Kruls. Kruls schitterde door afwezigheid bij de aankomst van vijf 'kwartiermakers' (waaronder de minister-president) op 25 november 1944 op het vliegveld bij Eindhoven. Pas na het aantreden van het derde kabinet-Gerbrandy op 23 februari 1945 zou de samenwerking tussen MG en regering verbeteren. De felste critici van Kruls (Burger, Van Heuven Goedhart en Van den Tempel) waren, mede op aandringen van Wilhelmina, niet opgenomen in dit nieuwe kabinet. De regering bepaalde een meer uniforme en positieve houding ten aanzien van het MG. Men besefte ook beter dat het MG veel te maken had met en opereerde binnen de directieven van het Shaef, het geallieerd hoofdkwartier. En Kruls besefte zijn ondergeschiktheid aan en de noodzaak tot samenwerking met de regering beter. Gebrek aan communicatie speelde ook binnen het MG een rol. Zo bleek de afstand van de staf MG te Brussel en het uitvoerend personeel in bevrijd gebied een handicap. Provinciale (en districts) militaire commissarissen moesten soms een maand op antwoord wachten. Deze situatie verbeterde door de verplaatsing van de Staf MG, begin april 1945 naar Breda en in mei 1945 naar Den Haag. Aanleiding tot coördinatie van bevoegdheden met het MG gaven ook de activiteiten van het College van Vertrouwensmannen. Het college was door de regering ingesteld en diende in bezet gebied als een voorlopige regering allerlei maatregelen voor de overgangstijd (o.a. zuivering en benoemingen voor belangrijke bestuursposten) voor te bereiden ten behoeve van zijn hoofdtaak: 'het handhaven van orde en rust'. Dat het College lange tijd (aug. 1944 - feb. 1945) onkundig was van eerder door de regering genomen besluiten op voornoemd gebied en de aanvankelijk toebedeelde rol van het MG daarin, deed het College enigszins in het luchtledig werken en belastte de verstandhouding met het MG. Uiteindelijk bleef het College in zijn activiteit beperkt en breidde het MG zijn gezag over het bevrijde gebied uit. Op 23 mei 1945 werd het College door Gerbrandy opgeheven. Eenmaal gevestigd in Den Haag stelden de secties van het MG zich in verbinding met de ministeries om zich te beraden over de (gedeeltelijke) overdracht van hun werkzaamheden. Sectie VI (Economische Zaken) was de eerste sectie die opgeheven werd. In juli 1945 werd begonnen met de geleidelijke opheffing van de provinciale militaire commissariaten. Zij werden per 1 oktober 1945 opgevolgd door Afdelings Militaire Commissariaten (AMC's), zoals het AMC voor Zuid-Holland en Zeeland. Op 4 maart 1946 werd het MG geliquideerd. De afwikkeling van de werkzaamheden werd opgedragen aan het Afwikkelingsbureau Militair Gezag. Het MG heeft, zeker in vergelijking met België, de toestand in bevrijd Nederland vrij spoedig gestabiliseerd en er tal van stimulerende en corrigerende maatregelen genomen.
StudieLeonard de Gou werd op 22 december 1916 in Den Haag geboren. Zijn ouders waren Rooms-Katholiek en ook hij volgde hun sporen. Daarnaast toonde hij reeds in zijn gymnasiumtijd aan het Haganum belangstelling in archeologie door zelf opgravingen te verrichten in de voormalige Romeinse nederzetting in Ockenburg. In 1936 moest hij door ziekte zijn opleiding echter voltooien aan de Deutsche Ausland-Vollanstalt Fridericianum te Davos. Daarna studeerde hij Welthandel, rechten en wijsbegeerte aan de universiteiten van Wenen, Leuven, Leiden en Amsterdam, waar hij in 1941 zijn doctoraalexamen haalde. In 1943 promoveerde hij in Utrecht op een rechtshistorisch proefschrift over de Weeskamer van 's-Gravenhage. De geschiedenis van de Nederlandse instituties zou hem zijn leven lang bezig houden. In de oorlogHij vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij ook plaatsvervangend griffier aan de arrondissementsrechtbank werd en secretariaatswerkzaamheden verrichtte in verschillende (onder-)afdelingen van de "zelfstandige bedrijfsorganisatie" die in 1940 werd ingesteld tot regeling van het bedrijfsleven in Nederland (de zg. organisatie Woltersom). Gewaarschuwd door het verzet nam hij in 1943 afscheid van dat alles, omdat de Duitse bezettingsmacht voornemens was hem tot voorzitter van een op te richten Economische Raad aan te wijzen. Een bindende arbeidsovereenkomst werd voor hem noodzakelijk om de keuze tussen collaboratie of 'Arbeitseinsatz' te ontlopen; hij accepteerde een betrekking als referendaris aan de provinciale griffie in Drenthe. Daar werd hij actief in het culturele leven en had hij relaties met het verzet. Na de bevrijding publiceerde hij in het blad 'De vrije pers weekblad voor Drente van de voormalige illegalen'. Ook was hij betrokken bij de regionale geschiedenis, echter zonder in staat te zijn zijn studies te publiceren. Na de oorlogNa de oorlog werd hij actief in de partijpolitiek: hij geldt als een van de oprichters van de Katholieke Volkspartij, waar hij het initiatief nam tot een jongerenbeweging. In die kwaliteit had hij tot 1948 zitting in "de dagelijkse partijleiding", die periodiek in Den Haag vergaderde. Tot 1953 zat hij in het bestuur. Zijn verdere bijdrage tot de partij was de Nederlandse vertegenwoordiging in de Nouvelles Equipes Internationales, een gezamenlijke vergadering van partijen op Christelijke grondslag, die zich beschouwden als tegenhanger van de Socialistische Internationale. Ook was hij betrokken bij initiatieven voor de - mede door de Marshallhulp gestimuleerde - Europese samenwerking. Een voorbeeld hiervan is de door de KVP-er P.A. Kersten mede georganiseerde Europese conferentie in Den Haag. In 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van het Noord-Brabantse Steenbergen, waar hij tevens zitting nam in de besturen van de daar werkzame waterschappen en enkele belangrijke verenigingen. Zo was hij betrokken bij het overleg over de waterwegverbinding tussen de Schelde en de Rijn, een kwestie die reeds vóór de oorlog een geschilpunt was tussen Nederland en België. Hij knoopte nauwe banden aan met het Franse Sedan, dat Steenbergen adopteerde als slachtoffer van de watersnood van 1953. Zijn kennis van het administratief recht paste hij toe door voor de Vereniging van Gemeenten te publiceren over de gemeentelijke bestuursorganen; zijn partij maakte van zijn kennis gebruik door hem te benoemen tot redacteur van het partijorgaan De gemeenteraad. In 1954 werd hij wegens zijn behartiging van West-Brabantse belangen voor de KVP verkozen in de provinciale staten van Noord-Brabant. Dit werd voor hem de opstap voor de verkiezing tot lid van de Eerste Kamer een jaar later. Deze uitverkiezing betekende meteen het einde van zijn activiteiten voor het partijbestuur; dit lidmaatschap was onverenigbaar met zijn rol als volksvertegenwoordiger. Nu diende het partijbestuur nog als relatie voor zijn sollicitaties, vooral toen hij zich als burgemeester van Steenbergen beijverde een hogere post te bereiken. Lid van de Eerste KamerAls Eerste Kamerlid specialiseerde De Gou zich in het defensiebeleid. Hij was in 1958 de woordvoerder voor de KVP toen deze partij via de Eerste Kamer met een motie van wantrouwen het ontslag afdwong van staatssecretaris F.J. Kranenburg wegens de indertijd beruchte "Helmenaffaire". Ook nam hij het op voor de Schelde-Rijnverbinding tegen F.C. Gerretson, een verklaard tegenstander, die reeds in 1924 in een comité met Mussert daartegen actie had gevoerd. Als Kamerlid had hij zitting in allerlei internationale delegaties, waaronder organen van de Benelux en de Europese Gemeenschappen - parlementen van deze organen werden toen niet rechtstreeks gekozen, maar afgevaardigd uit parlementen van de lidstaten -, de Raad van Europa, de West-Europese Unie en de NAVO. In 1962 leverde hij een bijdrage aan de vredesbesprekingen tussen Nederland en Indonesië inzake Nieuw-Guinea door zijn contacten met Indonesische familierelaties. In 1963 stelde De Gou zich niet meer herkiesbaar. Burgemeesterschap Venlo en HaarlemHij was inmiddels vanaf 1957 burgemeester van Venlo, dat sterke banden aanhaalde met enkele steden in de Duitse Bondsrepubliek. Dat lag in de visie van Venlo als internationaal knooppunt in het Europa zonder grenzen. Hartelijke relaties had De Gou met het Oostenrijkse Klagenfurt, welke samenwerking uitliep op de toekenning van het kruis van verdienste te Oostenrijk. Door Gedeputeerde Staten van Limburg benoemd in de provinciale planologische commissie en andere organen kon de Gou invloed uitoefenen op de ruimtelijke ordening en de infrastructuur van Noord-Limburg. Verder legde hij de grondslag voor een plaatselijk museumbeleid door de oprichting van het Goltziusmuseum, dat thans tot het Limburgs Museum is uitgegroeid. In 1969 werd De Gou benoemd tot burgemeester van Haarlem. In de hoofdstad van Noord-Holland legde hij zich meer en meer toe op het cultuurbeleid. In de stad was de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen gevestigd; waarvan hij achtereenvolgens directeur, bestuurslid en van 1979 tot 1985 voorzitter van het bestuur was. Als burgemeester haalde hij herhaaldelijk de landelijke pers door zijn uitgesproken stellingname voor decorum. Berucht werden zijn weigeringen tot het bijwonen van galavoorstellingen uit protest: omdat het volkslied niet werd gespeeld of het koninklijk huis zou zijn gekwetst[1]. Hij trad terug als president-regent van het Elisabeth-gasthuis toen bleek dat de toen nog illegale abortus de gynaecologische afdeling tot de financieel sterkste afdeling van het ziekenhuis maakte. Aan strafbare feiten wilde hij niet meewerken; hij geloofde in democratie, maar niet in gedoogbeleid. In 1974 zegde hij - evenwel eerst nadat hij tot driemaal toe getracht had daarover met het bestuur der K.V.P in discussie te gaan - zijn partijlidmaatschap op wegens de steun van de fractie aan de Machtigingswet van het kabinet-Den Uyl, In 1976 was hij om gezondheidsredenen genoodzaakt af te treden als burgemeester van Haarlem; het jaar daarop nam hij afscheid. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken. Verdere loopbaanBehalve enkele vertrouwensposten bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en het kroonlidmaatschap van de Ziekenfondsraad vervulde De Gou daarna geen politieke functies meer. Wel werd hij in 1978 benoemd tot voorzitter van de Archiefraad, terwijl hij tevens bestuursfuncties vervulde in organen als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, het Prins Bernhardfonds, het Centraal Bureau voor Genealogie en het Nederlands Ikonografisch Bureau. Zelf beschouwde hij zich na 1985 als definitief gepensioneerd, toen hij door een ernstige ziekte genoodzaakt was een groot deel van deze functies neer te leggen. Hij verhuisde van Haarlem naar Lemiers, waar hij de rest van zijn leven uitsluitend aan geschiedschrijving wijdde. De Gou had zich dan al bijna twintig jaar bezig gehouden met een opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot bezorging van het bronnenmateriaal inzake de constitutionele geschiedenis van Nederland in de Bataafse en Franse tijd. Het was zijn promotor De Monté Verloren die hem op het bronnenmateriaal opmerkzaam maakte[1]. Zijn onderzoek in de archieven van het Algemeen Rijksarchief, diverse gemeentearchieven en universiteitsbibliotheken en de Archives Nationales en de Bibliothèque Nationale te Parijs resulteerde in de publicatie van acht banden "RGP-publicaties" in een serie, die in 1975 werd aangevangen - toen hij nog burgemeester van Haarlem was - en in 1998 werd afgesloten. De Gou ontwikkelde zich tot een gezaghebbend specialist over de wording van de Nederlandse eenheidsstaat en de Bataafse revolutie. Terwijl de laatste RGP-editie in zicht was, bereidde hij een editie van de diplomatieke correspondentie van mr. G. Brantsen voor. Hij liet over deze opmerkelijke onderhandelaar en diplomaat een voor publicatie gereed gemaakte selectie van afschriften na. De Gou was van 1939 tot 1970 gehuwd met Gerarda Wilhelmina Westerhout. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1971 met Maria Petronella Theresia Houba. Op 22 januari 2000 overleed hij in een ziekenhuis in Aken.
1. Jean Baptiste Dumonceau (1760-1821)Jean Baptiste Dumonceau, geboren 7 november 1760 in Brussel als zoon van Petrus Dumonceau en Catharina van der Meiren, was oorspronkelijk meestersteenhouwer van beroep. Als zodanig wordt hij vermeld in de overlijdensakte van zijn eerste vrouw, Anna Maria Apollonia Colinet, geboren in Macon bij Chimay op 25 december 1758, gehuwd op 5 mei 1782 en overleden op 14 juni 1793 in Brussel. Jean Baptiste hertrouwde op 22 mei 1796 in Groningen met Agnes Wilhelmina Cornelia Cremers, geboren aldaar op 27 maart 1777 als dochter van Jacobus Cremers en Maria Lucia Heerkens en overleden te Brussel op 7 januari 1850. Dumonceau voelde zich meer aangetrokken tot de krijgskunst dan tot het bouwvak. Vandaar dat hij op 17 december 1789 door de staten van Brabant een compagnie kreeg toegewezen. Als krijgsman was hij van nut voor de Belgische patriotten, die tijdens de Brabantse revolutie van Jean François Vonk en Henri van der Noot de overwinning behaalden. Deze patriotten hielden ook bijeenkomsten op Staatsgrondgebied, o.a. in Breda, Princenhage en Zundert, waar zij door raadpensionaris Van de Spiegel in dank voor de vrijheid, die door de Oostenrijkse Nederlanden aan Hollandse uitgewekenen werd geboden, werden geduld; zij moesten zich echter van wapenhandel onthouden. Tijdens de opstand voegde Dumonceau zich bij het vrijwilligersleger in Diest, dat zojuist na de verovering van Turnhout door generaal Van der Mersch was bezet, en ontving het commando over een corps lichte infanterie. Deze vrijwilligers kregen weldra, vanwege hun geel tenue, de bijnaam van "les Canaris"; de kanarie komt ook op het wapen van de Dumonceau's voor. Na de terugtrekking van de Oostenrijkse legers ging dit eerste Belgische leger, dat ontevreden was over het verloop van de opstand en bovendien door de groep van Van der Noot kwalijk werd geduld, uiteen: enkelen weken uit naar Rijssel en Dowaai, waaronder Dumonceau, en werden daar voor het Franse leger geworven. Hun aanvoerder, de ontstuimige prins de Béthune-Charost, zou weldra op 25-jarige leeftijd onder de guillotine sterven. In juni 1792 trekt Dumonceau met het leger van Dumouriez en Pichegru naar België en Holland. Daar werd hem op 7 maart 1795 door Pichegru, dan "général en chef van het Noordelijk leger", het commando over Den Haag overgedragen. In mei 1795 ging hij over in Bataafse dienst, waar hij op 11 juni 1795 tot luitenant-generaal werd benoemd. Bij de Engels-Russische inval van 1799 in Noord-Holland weet hij zich zodanig te onderscheiden, dat koning Lodewijk Napoleon hem in april 1810 zou vereren met de titel van graaf van Bergerduin. In het Frans-Bataafse leger neemt hij vervolgens onder maarschalk Pierre François Charles Augerau o.m. deel aan de veldslagen bij Hohenlinde en Würzburg. Daarna had hij het bevel over de Bataafse divisie in het kamp te Zeist, in 1804 door Auguste Frédéric Louis Marmont, hertog van Raguse, opgericht om het Bataafse en Franse leger in onder te brengen, dat bestemd was voor Napoleons voorgenomen invasie in Engeland. In 1805 vertrekt hij vanuit Zeist naar Oostenrijk, waar hij zich onder bevel van maarschalk Adolphe Edouard Mortier, hertog van Trévise, onderscheidt bij de overtocht van de Donau. Op 21 december 1806 benoemde Lodewijk Napoleon hem tot maarschalk van Holland; dit werd hem bericht bij brief van de Koning van 3 januari 1807 (zie inv. nr. 4, brief nr. 409). Tijdens de inval van de Engelsen op Walcheren in 1809 vocht hij onder Jean Baptiste Bernadotte. Ook maakte hij de tocht naar Rusland en de slagen bij Kulm, Lützen en Bautzen mee. Op 11 november 1813 capituleerde bij Dresden het corps van maarschalk de Gouvion-Saint Cyr, waaronder hij diende. Nadat aanvankelijk vrije ongewapende aftocht in etappes was toegezegd, werd op bevel van keizer Alexander bij monde van generaal Klenau het reeds oprukkende garnizoen krijgsgevangen verklaard. Dumonceau verbleef in deze situatie tot 14 juni 1814 in Bohemen, vanwaar hij naar zijn familie vertrok in Mézières. Twintig uur na zijn aankomst aldaar vertrok hij naar Parijs om daar zijn opwachting te maken bij Willem I; de souvereine vorst had echter deze stad weer verlaten. Hij bleef in Franse dienst, omdat hij inmiddels vernam, dat de directeur-generaal van oorlog, generaal Janssens, reeds diverse officieren had uitgenodigd om naar Holland terug te keren, waaruit hij de conclusie trok, dat men hem als vreemdeling beschouwde. Toen Napoleon in 1815 weer Frankrijk binnenviel, bood hij hem zijn diensten aan. Hij werd naar Parijs geroepen door Davout, prins van Eckmuhl, toen minister van Oorlog maar verkoos zijn commando van de 2e militaire divisie in Mézières boven een door Napoleon aangeboden post. Nadat de stad in juni 1815 door de geallieerde legers was ingenomen, vertrok hij naar Parijs om zijn ontslag aan te vragen. In 1816 verhuisde hij met zijn gezin naar Vorst (Forest) bij Brussel, waar hij zijn oorspronkelijke beroep van steenhouwer weer opnam. In 1820 werd hij afgevaardigde voor Zuid-Brabant in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. In datzelfde jaar werd hij bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1820 nr. 24 tot de Nederlandse adelstand toegelaten met de titel van graaf bij eerstgeboorte. Bij zijn verheffing tot "comte de l'Empire" door keizer Napoleon bij decreet van 2 mei 1811 was zijn titel graaf van Bergenduin reeds veranderd in graaf van Bergendal. Deze naam is echter alleen in de Belgische tak van de familie blijven voortbestaan. Jean Baptiste graaf Dumonceau overleed in Brussel op 29 december 1821. 2. Jean François Dumonceau (1790-1884)Jean François Dumonceau werd op 1 maart 1790 te Brussel geboren als zoon van Jean Baptiste Dumonceau en diens eerste vrouw Anna Maria Apollonia Colinet. Op 13 januari 1819 trouwde hij met Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé. Als kanonnier trad hij in Bataafse dienst bij het 4e bataljon artillerie. In 1805 werd hij - 15 jaar oud - benoemd tot 2e luitenant bij het regiment Bataafse dragonders. Na de inlijving van 1810 ging hij over in Franse dienst, zodat hij in 1812 als ritmeester de tocht naar Rusland meemaakte. Op 9 november 1813 werd hij eervol uit Franse dienst ontslagen; in Nederland teruggekeerd trad hij eerst op 19 februari 1815 weer in actieve dienst als majoor bij het 6e regiment huzaren. Hij bracht het tot adjudant van de prins van Oranje (10 augustus 1827) en tot luitenant-kolonel (25 maart 1831). Als zodanig nam hij deel aan de l0-daagse veldtocht. Op 25 mei 1854 volgde zijn benoeming tot chef van het Militaire Huis van de Koning in welke betrekking hij op 9 september 1854 werd gepensioneerd. Op 1 maart 1884 overleed hij in Den Haag. 3. Charles Henri Felix Dumonceau (1827-1918)Charles Henri Felix Dumonceau, zoon van Jean François Dumonceau en Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, werd op 16 november 1827 in Doornik geboren. Op 4 oktober 1854 trouwde hij in Parijs met Sophie Félice de Forestier. Na zijn benoeming tot page bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1843, nr. 51, werd hij op drie augustus van datzelfde jaar kadet bij de infanterie en in september 1843 leerling aan de K.M.A. te Breda. Via de rang van korporaal (30 september 1846), tweede luitenant (bij het 5e regiment infanterie, 7 juli 1847) klom hij op tot ordonnans-officier van Koning Willem III (9 oktober 1849). Daarna volgde zijn overplaatsing naar het bataljon grenadiers en jagers in 1852 en zijn benoeming tot eerste luitenant bij het 6 regiment infanterie in juli 1853. Bij Koninklijk Besluit van 4 november 1853, nr 7.7, werd hij wederom aangesteld als ordonnans-officier bij de Koning, welke post hij behield tot 1857, toen zijn benoeming volgde tot 's Konings adjudant bij de "Groote Staf" bij Koninklijk Besluit van 2 november 1857, nr. 19. Na diens dood diende hij in deze functie ook Koningin Wilhelmina, die hem in 1891 aanstelde tot chef van het Militaire Huis van de Koningin. Hij bekleedde deze functie tot zijn overlijden op 6 augustus 1918 in Den Haag. 4. Joseph Henri Felix Dumonceau (1859-1952)Diens zoon Joseph Henri Felix Dumonceau werd in Den Haag geboren op 22 augustus 1859. Op 31 juli 1900 trouwde hij aldaar met Idzardina Juliana Frederika de Constant Rebecque. Hij begon zijn loopbaan als vrijwilliger in het regiment grenadiers en jagers op 4 oktober 1877, waar hij een jaar later korporaal werd en in datzelfde jaar grenadier op eigen verzoek. Op 3 december 1884 klom hij op tot tweede luitenant bij het 8e regiment infanterie, in 1890 tot 1e luitenant. Bij Koninklijk Besluit van 2 mei 1890, nr. 56, benoemde Koning Willem III hem tot zijn ordonnans-officier en op 27 april 1891 trad hij in deze functie bij Koningin Wilhelmina in dienst. Op 16 december 1901 volgde na eervolle ontheffing uit de bestaande betrekking, zijn benoeming tot kapitein bij het 8e regiment infanterie. Bij Koninklijk Besluit van 31 december 1903, werd hij benoemd tot adjudant van de Koningin en in verband daarmee overgeplaatst naar de "Groote Staf". Hij overleed in Barneveld in 1952. 5. Aanverwante geslachtenVan het geslacht d' Aubremé, waarvan de stukken vermoedelijk via de echtgenote van Jean François Dumonceau, Thérèse Anne Ghislaine d' Aubremé, in het archief Dumonceau zijn gekomen, zijn van Alexander Charles Joseph Ghisbin d' Aubremé de meeste stukken bewaard. Deze werd op 17 juni 1773 in Brussel geboren als zoon van Charles François Joseph Laurent d' Aubremé en Anne Marie Léonard. Hij was gehuwd met Amélie Caroline Ballet, geadopteerde dochter van Pierre Jean François Dubois Dubais. In het wijnkopershuis van zijn ouders vonden soms geheime Belgische Patriottische bijeenkomsten plaats; het was dus geen wonder dat hij de ziel van deze beweging werd en a.h.w. een wapenbroeder was van Jean Baptiste Dumonceau. In 1792 treft men hem aan als 2e luitenant bij het regiment Infanterie in Franse dienst, achtereenvolgens onder de generaals Dumouriez, Custine, Houchard en Pichegru. Evenals Jean Baptiste Dumonceau trok hij met laatstgenoemde de Republiek der Vereenigde Nederlanden binnen, trad hij in 1795 in dienst van de Bataafse republiek en keerde na de inlijving van 1810 weer in Franse dienst terug. In 1813 nam hij deel aan de slag bij Lutzen. In oktober 1814 meldde hij zich aan voor Nederlandse dienst, waarna hij vocht in de slag bij Waterloo. Van 1819 tot 1826 was hij commissaris-generaal van Oorlog. In het jaar van zijn eervol ontslag werd hij in de adelstand verheven met de titel van graaf. (16 juni 1826). Op 13 februari 1835 overleed hij in Aken.
De Zuid-Afrikaanse Republiek Korte geschiedenis Kaap de Goede Hoop werd vanaf de 17e eeuw door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gebruikt als een stopplaats onderweg naar Azië. De schepen sloegen er vers water en voedsel in. In 1651 richtte de VOC er een vaste bevoorradingspost op. Het bezette gebied stond onder leiding van commandeurs, gouverneurs en commissarissen. Een aantal jaren later werd het inwoners van de Republiek toegestaan om zich aan de Kaap te vestigen als zogenaamde 'vrijburgers'. Velen maakten hier gebruik van en er ontstond een bloeiende landbouwkolonie. (Zuid-Afrika is echter nooit een officiële Nederlandse kolonie geweest.) Er werden slaven geïmporteerd om te dienen als goedkope arbeidskrachten. Aan het eind van de 17e eeuw vestigden ook Duitsers en Fransen zich in het gebied. Samen zouden deze Europeanen het 'Afrikanervolk' gaan vormen. Al snel ontstonden er conflicten. De Afrikaners (ook wel Boeren genoemd) eisten zelfbestuur, maar zowel de VOC als de Staten-Generaal waren hier op tegen. Uiteindelijk kwamen de Boeren in opstand. In 1795 namen zij in een aantal districten het gezag over en verenigden zij zich met een eigen constitutie direct onder de Nederlandse Republiek. De bezetting van de Kaap door Groot-Brittannië in datzelfde jaar maakte echter al weer snel een einde aan het zelfbestuur. De Vrede van Amiens zorgde er in 1803 voor dat het gebied tijdelijk terugkeerde onder het gezag van de opvolger van de Republiek: de Bataafse Republiek. Maar drie jaar later veroverden de Britten de Kaap wederom en in 1814 kregen zij het definitief in bezit. Toen de Britten aan het einde van de 18e eeuw arriveerden telde Zuid-Afrika zo'n 14.000 Boeren. De nieuwe machthebbers van de Kaapkolonie (of Cape Colony) zorgden ervoor dat de wijnbouw en de wolexport flink toenamen. Maar tegelijkertijd verzetten de Boeren zich tegen de nieuwe, strakke regelgeving, die de Britten hen wilden opleggen. Zo werd het Engels bijvoorbeeld de enige officiële taal. Ook de afschaffing van de slavernij en de vestiging van 5.000 Britse emigranten in de Kaapkolonie zette kwaad bloed. Bij de Boeren ontstond steeds meer behoefte om een nieuwe, onafhankelijke republiek op te richten. Oprichting van de Boerenrepublieken Na de zesde Kafferoorlog in 1834 trokken de Boeren naar het noorden. Dit wordt de 'Grote Trek' genoemd. Hierdoor kwamen zij in conflict met verschillende autochtone stammen (de Ndebele en de Zoeloes). De Boeren kwamen als overwinnaars uit de strijd (de Slag bij de Bloedrivier) en zij annexeerden gedeeltes van Natal. Vervolgens richtten zij een eigen republiek op: Natalia. Vanaf 1842 begon Groot-Brittannië de Boerenrepubliek te veroveren. Zes jaar later, in 1848, probeerden de Boeren tevergeefs het verloren gebied te herwinnen. Daarop stichtten zij twee nieuwe republieken, namelijk Transvaal (de officiële naam luidde: de Zuid-Afrikaanse Republiek) in 1852 en Oranje Vrijstaat in 1854. Beide staten wisten overeenstemming te bereiken met de Britten. Hun onafhankelijkheid werd door Londen erkend in twee traktaten, respectievelijk de Conventie van Zandrivier en de Conventie van Bloemfontein. Natal werd in 1856 een officiële Britse kolonie. De gesloten verdragen hielden niet lang stand. Groot-Brittannië bleek niet bereid zich te houden aan de vastgelegde bepalingen en annexeerde grondgebied van beide republieken (Basoetoland in 1868 en de Transvaalse en Vrijstaatse diamantvelden in 1871). Na de ontdekking van goudvelden werd in 1877 uiteindelijk de gehele Zuid-Afrikaanse Republiek bezet. De Boerenoorlogen De Britten probeerden nu wederom hun wetgeving aan de Boeren op te leggen. Zij wilden hierdoor onder andere de positie van de zwarte bevolking verbeteren. Hiertegen kwamen de Boeren in 1880 in opstand. Zij stonden onder leiding van Paul Krüger. In de Slag om Majuba Hill werden de Britten verslagen en het gevolg was dat de Boeren in 1881 Transvaal terugkregen. Zij hadden de Eerste Boerenoorlog gewonnen. Krüger werd staatspresident van een autonome Zuid-Afrikaanse Republiek. Om zijn staat verder te ontwikkelen reisde hij naar Nederland om daar jonge, hoogopgeleide arbeidskrachten te vinden. Ondertussen hadden de Duitsers zich gevestigd in Zuidwest Afrika (het tegenwoordige Namibië). Londen was bevreesd voor een anti-Brits verbond tussen hen en de Boeren. Daarom werd in 1885 het protectoraat Bechuanaland (het tegenwoordige Botswana) tot stand gebracht. Aan het hoofd stond Cecil Rhodes, die ook het bewind voerde over Cape Colony. Hij probeerde een Britse corridor te realiseren vanaf Kaap de Goede Hoop tot aan Caïro in Egypte. Zelfstandige Boerenrepublieken pasten niet in dit plan. Bovendien werd er in 1886 goud ontdekt in Witwatersrand. Hierdoor groeide Johannesburg zo snel, dat het groter werd dan Kaapstad, dat in Britse handen was. Gelukzoekers, waaronder vele Britten, trokken in grote getale naar de Tranvaal. De economische groei van Witwatersrand maakte Rhodes duidelijk dat hij de Boerenrepublieken moest annexeren. Als aanleiding gebruikte hij hiervoor de grieven van de 'Uitlanders'. Deze groep blanke niet-Afrikanen waren verbolgen over het feit, dat Krüger de termijn, die zij in de republiek moesten wonen alvorens zij mochten stemmen, had verlengd van vijf naar veertien jaar. Een groep Britten probeerde in 1895 de 'Uitlanders' aan te zetten tot een opstand: de zogenaamde Jameson' Raid. Deze actie mislukte echter volkomen. De spanningen tussen de Boerenrepublieken en Groot-Brittannië liepen mede hierdoor echter op tot het kookpunt. Het aftreden van Rhodes veranderde daar niets aan. De Zuid-Afrikaanse Republiek en Oranje Vrijstaat (onder leiding van president Steyn) sloten daarom in 1897 een verbond. Hierdoor zouden zij in een komende - en haast onvermijdelijk lijkende - oorlog één front vormen. Twee jaar later, in 1899, was de Tweede Boerenoorlog inderdaad een feit. De optimistische Britten noemden de oorlog de 'Tea-Time War', terwijl de Boeren spraken over de 'Tweede Vrijheidsoorlog'. Aanvankelijk behaalden de Boeren onder generaals als Botha, Joubert en Hertzog successen. Tegenover de guerrillaoorlog van de Boeren stelden de Engelsen echter de tactiek van 'farm burning'. Ook werden vrouwen en kinderen opgesloten in concentratiekampen. Krüger zocht ondertussen steun in Europa. Uiteindelijk zagen de Boeren zich echter door voedselgebrek en uitblijvende hulp gedwongen om de strijd op te geven. Op 31 mei 1902 werd de oorlog beëindigd. Beide kampen sloten het Verdrag van Vereeniging. Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaanse Republiek kwamen onder Brits gezag, maar behielden een grote mate van zelfbestuur. Paul Krüger keerde niet terug en bleef als balling achter in Europa. Hij werd opgevolgd door kolonel Jan Smuts. In 1910 verenigden de Zuid-Afrikaanse Republiek, Kaapkolonie, Oranje Vrijstaat en Natal zich in de Unie van Zuid-Afrika. Louis Botha werd de eerste premier. Om zowel de Boeren als de Britten tevreden te stellen werd besloten om het parlement in Kaapstad te vestigen, de regering in Pretoria en het hooggerechtshof in Bloemfontein. De unie bleef onderdeel van het Britse rijk, maar besliste zelf over binnenlandse aangelegenheden. Staatsinrichting Wetgevende macht Aan de basis van de staatsinrichting van de Zuid-Afrikaanse Republiek lag de Grondwet van 1858. Hierin was bepaald dat de wetgevende macht bij de Volksraad lag. Tot 1889 bestond deze uit twaalf leden, daarna werd dit aantal uitgebreid tot 28. Burgers die gekozen wilden worden in deze raad, dienden aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo moesten zij bijvoorbeeld van onbesproken gedrag zijn, tussen de 30 en 60 jaar oud en lid van de protestantse kerk zijn. Eén keer per jaar vergaderde de Volksraad in Pretoria. In de grondwet werd de Volksraad bestempeld als het hoogste gezag van het land. De president diende bij de raad wetsvoorstellen (van hemzelf, van een Volksraadlid of vanuit het volk) in. Als een voorstel werd aangenomen kreeg dit vervolgens de kracht van wet. Wel hadden de burgers de gelegenheid om hier - gedurende een periode van drie maanden - bezwaar tegen aan te tekenen, voordat de nieuwe wet uiteindelijk in het wetboek werd vastgelegd. Om te voorzien in de behoeftes van het groeiende aantal Uitlanders werd in 1890 de Tweede Volksraad opgericht. De oude Volksraad werd omgedoopt tot Eerste Volksraad. Tegelijkertijd volgden er aanzienlijke wijzigingen in het kiesrecht. Deze waren bedoeld om de vertegenwoordiging van 'Uitlanders' in de Tweede Volksraad te vergemakkelijken en in de Eerste Volksraad te bemoeilijken. De Tweede Volksraad kon onder andere wetten maken voor het mijnwezen, de posterijen, het octrooi- en auteursrecht, de bestrijding van besmettelijke ziektes, de civiele en criminele rechtsprocedures en andere zaken die door de Eerste Volksraad werden doorverwezen. De besluiten van de Tweede Volksraad waren wel onderworpen aan de goedkeuring van de Eerste. De Tweede Volksraad was beslast met de behartiging van technische en stoffelijke belangen, terwijl de Eerste Volksraad het algemene beleid en de hogere volksbelangen voor haar rekening nam. Uitvoerende macht De uitvoerende macht lag in handen van de president (Officieel luidde de titel 'President van den Uitvoerenden Raad'.) en de Uitvoerende Raad. Deze raad telde eerst zes - later zeven - leden. De Zuid-Afrikaanse Republiek kende geen regering op partijpolitieke basis. Naast de president (die als voorzitter optrad) bestond de Uitvoerende Raad nog uit de commandant-generaal ( De commandant-generaal was de hoogste militair van de republiek. Hij werd door het volk gekozen, eerst voor onbepaalde tijd, later voor een periode van tien jaar.), de staatssecretaris, twee burgers ( De twee burgers werden door de Volksraad gekozen, maar niet vanuit hun midden. Het was namelijk verboden dat de twee burgers, die zitting namen in de Uitvoerende Raad, ook lid waren van de Volksraad.), de notulist ( De notulist was ambtshalve lid van de raad en had ook stemrecht.) en (vanaf 1884) de superintendent van 'naturellesake' ( Voor de superintendent gold dezelfde regeling.). Als de stemmen staakten had de president de beslissende stem. Ook stond het hem vrij om hoofdambtenaren voor de zitting uit te nodigen als het over zaken ging die onder hun departement vielen. In zo'n geval hadden ook zij een stem en waren zij medeverantwoordelijk voor het genomen besluit. Na de grondwetswijziging van 1889 werd de titel president vervangen door staatspresident. De uitvoerende macht was nu alleen nog aan hem opgedragen. Ondanks deze machtsuitbreiding bleef hij nog altijd de hoogste ambtenaar, waardoor hij verantwoording schuldig bleef aan de Volksraad. De president werd uit en door de burgers gekozen, die stemgerechtigd waren voor het kiezen van de Eerste Volksraad. Zijn ambtstermijn duurde vijf jaar, daarna mocht hij zich herkiesbaar stellen. De president was belast met de uitvoering van wetten en besluiten genomen door de Volksraad. Ook was hij verantwoordelijk voor het landsbestuur. Eenmaal per jaar diende hij daarom samen met een lid van de Uitvoerende Raad alle dorpen en steden te bezoeken en de regeringskantoren te inspecteren. Tijdens de jaarlijkse vergadering van de Volksraad moest hij verslag doen van zijn verrichtingen. Met toestemming van de Volksraad kon hij ook oorlog verklaren en vrede sluiten. Vredesverdragen moesten - evenals andere verdragen - wel door de Volksraad worden goedgekeurd. Alle ambtenaren (met uitzondering van de rechterlijke) waren aan hem ondergeschikt. Ook stelde hij alle ambtenaren aan met uitzondering van degenen die door verkiezing werden gekozen. Levensloop van dr. W.J. Leyds Willem Johannes Leyds werd op 1 mei 1859 geboren te Magelang in Nederlands-Indië. Op zesjarige leeftijd overleed zijn vader, W.J. Leyds, die tot op dat moment gouvernements-onderwijzer was. Zijn moeder, Trijntje van Beuningen, besloot daarop met haar vijf kinderen (naast Willem waren dit Johannes, Jacobus, Reinier en Marie) terug te keren naar Nederland. Het gezin vestigde zich vervolgens in Amsterdam. Dankzij een studiebeurs was het voor Leyds mogelijk om in 1874 naar de Rijkskweekschool te gaan. Vier jaar later had hij de opleiding afgerond en ging hij werken in het onderwijs. In 1880 schreef hij zich in voor de studie rechten aan de Universiteit van Amsterdam, nadat hij eerst een toelatingsexamen had gedaan. Zijn studie bekostigde hij met het geven van lessen. Leyds bleek een uitmuntend student. Al zijn examens en zijn proefschrift (getiteld De rechtsgrond der schadevergoeding voor preventieve hechtenis (1884)) waren cum laude. Door toedoen van zijn hoogleraren kwam Leyds in contact met staatspresident S.J.P. Krüger van de Zuid-Afrikaanse Republiek, die op dat moment een rondreis door Europa maakte. De jonge jurist kreeg het ambt van staatsprocureur aangeboden. Leyds nam het aanbod aan en vanaf 6 oktober 1884 was hij in deze functie hoofd van het Openbaar Ministerie, de politie en het gevangeniswezen in de Zuid-Afrikaanse Republiek. Ook nam hij deel aan de beraadslaging over justitiële zaken en was hij regeringsadviseur in juridische zaken. In feite fungeerde hij als een soort minister van Justitie. Kort voor zijn vertrek was Leyds getrouwd met Louise Wilhelmina Susanna Roeff. Na enige tijd volgde zij hem naar Zuid-Afrika. Samen kregen zij twee zonen (waarvan de oudste jong overleed) en een dochter. Op 26 juni 1888 werd Leyds aangesteld als staatssecretaris. Pas vanaf 1 mei 1889 kon hij in deze hoedanigheid optreden, omdat hij toen de voorgeschreven leeftijd bereikte van 30 jaar. Het staatssecretariaat met aan het hoofd de staatssecretaris vormde het administratieve centrum van de Zuid-Afrikaanse Republiek. Het was de verbindende schakel tussen wetgevende en uitvoerende macht. Ook fungeerde het als een soort gecombineerd Ministerie van Binnen- en Buitenlandse Zaken. Als staatssecretaris had Leyds zitting in de Uitvoerende Raad en was hij tot 1892 griffier van de Volksraad. Samen met de staatspresident vormde hij de kern van de regering. De staatssecretaris werd gekozen door de Volksraad voor een periode van vier jaar. Tot tweemaal toe werd Leyds herkozen in deze functie. Uiteindelijk dwong een keelaandoening hem om de zware functie in mei 1898 neer te leggen. Tijdens zijn periode als staatssecretaris werd hij geëerd met diverse onderscheidingen, waaronder de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Duitse Orde van de Rooden Adelaar en de Franse 'Ordre National de la Légion d ' Honneur'. Leyds keerde daarop terug naar Europa, waar hij gezant werd voor de Zuid-Afrikaanse Republiek. Hij werd bij verschillende Europese regeringen en hoven geaccrediteerd en zijn standplaats werd Brussel. Nadat de Tweede Boerenoorlog was uitgebroken (1899) zette hij zich vooral in om de zaak van de Boeren in Europa te promoten. Hij probeerde de hulpverlening te coördineren. Ook beheerde hij fondsen, waarmee onder andere de aankoop en het transport van wapens en munitie betaald werden. Met het einde van de oorlog kwam er ook een eind aan de loopbaan van Leyds. Hoewel hij nog maar 43 jaar oud was, besloot hij geen nieuwe functie te zoeken. Hij vestigde zich vanaf 1905 in Den Haag. Een jaar eerder had hij het stoffelijk overschot van Paul Krüger begeleid vanuit Europa tot aan Kaapstad. Pas in 1909 zou hij zelf weer terugkeren in Zuid-Afrika voor een kort bezoek. Inmiddels was hij toen weduwnaar geworden. Zijn vrouw was in 1907 overleden. Leyds hertrouwde in augustus 1910 met Anna (Carina) Castens. Zij kregen geen kinderen. In 1930 schonk hij het nog altijd door hem beheerde gezantschaparchief aan het Staatsarchief van Zuid-Afrika. Ook publiceerde hij verschillende brochures, artikelen en boeken over zijn ervaringen in zijn tweede vaderland. In 1934 werd hij nog benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw in 1934. Dr. Willem Johannes Leyds overleed kort na de Duitse inval in Nederland op 14 mei 1940.
Het geslacht Mackay (van Ophemert). Evenals andere vorsten van hun tijd hoopten in de vroege Middeleeuwen ook de koningen van Schotland hun macht te verstevigen door het leenstelsel in te voeren. In de Hooglanden echter hadden de pogingen, die in die richting ondernomen werden, een averechtse uitwerking, daar de bevolking zeer gehecht bleek aan de traditionele, van oorsprong keltische, gezagsverhoudingen. Tot dusver had men zelf zijn stamhoofden gekozen en was de grond het eigendom van de stamgemeenschappen geweest. Door de feodalisering werden deze stamverbanden verbroken en heersers van buitenaf opgedrongen. Uit reactie daartegen groepeerde men zich nu in kleinere aantallen om vertrouwde inheemse aanzienlijken. Zo ontstond de samenlevingsvorm, die kenmerkend voor die streken zou worden: de "clan". Wat zulke clans bijeenhield, was een sterk gevoel van onderlinge solidariteit en vooral ook de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van allen aan de "chief". Deze werd door de clangenoten erkend als wetgever en opperste rechter, hief belastingen en verdeelde de terreinen, benodigd voor het levensonderhoud. Hij werd, in overeenstemming met het oude keltische gebruik, aangewezen door verkiezing, weliswaar in de praktijk steeds uit het geslacht van zijn voorganger, dus in feite toch wel door erfopvolging. Door de trouw van hun aanhang waren de clanhoofden vaak nagenoeg onafhankelijk van de koning. In later tijd ging men de verbondenheid met de chief ook tot uitdrukking brengen door de clan als geheel naar zijn geslacht te noemen. In het verzet tegen de pogingen van de schotse koningen om het gezag te centraliseren weerde zich met name de clan Morgan, aangevoerd door leden van het grafelijk huis van Moray, een prominent geslacht, verwant aan de koninklijke dynastie. Omstreeks 1160 werd deze clan tengevolge van een nederlaag in die strijd van het zuiden van het land verdreven naar het aan de zee grenzende Strathnaver, in het uiterste noordwesten, waar ze sedertdien gevestigd is gebleven. Chief was in de eerste helft van de dertiende eeuw Iye MacEth; naar hem en zijn nakomelingen heet de clan sedert het begin van de veertiende eeuw Mackay of Strathnaver. "Mackay" is de engelse vorm van de naam, die in het gaelic "Mac Aoidh" luidde, en "Mac Eth"is een van de oudere schotse varianten daarvan. Het is niet de bedoeling in deze inleiding een volledig overzicht van de geschiedenis van het geslacht Mackay te geven, maar slechts om de inventaris van het archief van Ophemert toe te lichten. Daarom is het hier niet nodig de verdere lotgevallen van de Mackays gedurende de Middeleeuwen gedetailleerd te beschrijven. We volstaan met te vermelden, dat zij hun goederenbezit zowel in Strathnaver als in de aangrenzende gebieden Sutherland en Caithness aanmerkelijk wisten uit te breiden, zodat dit omstreeks 1500 ongeveer 2500 km2 bedroeg. Dat bezit bleef overigens niet onbedreigd; toen en later zijn er ook grote verliezen geleden, merendeels tengevolge van strijd met rivaliserende geslachten. Na 1600 verminderde gaandeweg de maatschappelijke en politieke betekenis van het clanverband om in de achttiende eeuw vrijwel geheel te niet te gaan. Voortaan traden de Mackays meer als afzonderlijke individuen naar voren. Lye Du Mackay († 1572) ging over tot het calvinisme; zijn nazaten zijn deze confessie tot in onze tijd toe over het algemeen trouw gebleven. Zijn kleinzoon Donald Mackay (1590-1649) onderscheidde zich als een dapper en bekwaam militair. Hij bood tijdens de Dertigjarige Oorlog aan om Christiaan IV van Denemarken, die de "Winterkoning" van Bohemen steunde tegen de duitse Keizer, te helpen met een eigen regiment. Aan het hoofd van 3600 Schotten vocht hij onder de graaf van Mansfeld in Noord-Duitsland. Ter beloning van de daarbij bewezen diensten verhief koning Karel I hem op 20 juni 1628 tot peer van Schotland met de erfelijke titel van baron Reay of Reay. Het lijkt ietwat verwonderlijk, dat hij niet lord Strathnaver werd, maar die titel was al vergeven en wel in 1588 aan de toenmalige graaf van Sutherland, lord Gordon. De baronie van Reay was krachtens een koninklijke oorkonde van 19 januari 1862 gevormd uit een achttal landgoederen, deels in Strathnaver, deels in Caithness gelegen, die voordien hadden toebehoord aan lord Forbes en van deze waren aangekocht. De eerste lord Reay streed daarna nog onder Gustaaf Adolf in Pommeren; hij had in het bizonder een belangrijk aandeel in de verovering van Kolberg, ten oosten van Stettin. Op het einde van zijn leven werd hij betrokken in de britse burgeroorlog, waarin hij, ondanks zijn protestant-zijn, de zijde van de koning koos. Ook zijn zoon John Mackay (1612-1680), de tweede lord Reay, keerde zich tegen Cromwell en bleef deze nog lang na de onthoofding van Karel I bestrijden. Hij zat daardoor enige tijd gevangen en raakte een groot deel van zijn goederen kwijt. Zijn residentie, Tongue House, werd geheel verwoest. Onder Karel II werd hij weer in zijn macht en bezit hersteld. John Mackay trouwde tweemaal. Uit zijn tweede huwelijk, met zijn achternicht Barbara Mackay of Scoury, had hij o.a. drie zoons, van wie de oudste, Donald, de vader werd van George, derde lord Reay. Van de tweede, Aeneas, stamt de tak af, die nu nog in Nederland voortbestaat. Deze Aeneas ging op vijftienjarige leeftijd naar de Republiek om daar door zijn neef Hugh Mackay of Scoury - over wie nader in paragraaf II - te worden opgeleid tot officier. Sinds 1573 maakten schotse troepen deel uit van het leger van de Staten-Generaal en van 1628 tot 1782 waren hier te lande steeds drie regimenten, die tezamen bekend zijn gebleven als de schotse brigade. De hoofdofficieren van dat corps behoorden merendeels tot vooraanstaande schotse families. Velen trouwden met nederlandse vrouwen en werden zo in onze samenleving opgenomen, maar zij bewaarden daarbij toch wel de relaties met hun land van herkomst; zij bleven trouwens door een eed aan de koning van Groot-Brittannië verbonden. Het was niet ongewoon, dat uit één en dezelfde familie verscheidene officieren voor de brigade voortkwamen, soms generaties achtereen. Dit was ook bij de Mackays het geval. Aeneas werd op 28 november 1684 kapitein in het regiment, waarover zijn neef het bevel voerde. In 1688 riep Jacobus II uit vrees voor de plannen van zijn schoonzoon Willem III de brigade terug. De overgrote meerderheid van de officieren, waaronder Hugh en Aeneas Mackay, stond echter aan de kant van de prins van Oranje en weigerde aan de oproep gevolg te geven. Een bezoek, dat Aeneas in dat jaar aan zijn zuster in Schotland bracht, werd - te recht of ten onrechte - aanleiding om hem ervan te verdenken, dat hij een geheime opdracht van de stadhouder had; hij werd gevangen genomen en kon prins Willems invasie niet meemaken. Wel nam hij naderhand o.m. deel aan de veldslagen bij Killiecrankie (27 juli 1689), Cromdale (april 1690) en Athlone (2 juli 1691). Toen zijn neef gesneuveld was in augustus 1692 volgde hij hem op als commandant van zijn regiment. Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler is uit Tirol of Stiermarken afkomstig. Bij de verovering van Namen op 1 september 1695 werd Aeneas, die inmiddels tot brigadier-generaal was benoemd, zo ernstig gewond, dat hij zijn militaire loopbaan moest afbreken. Te Bath, waar hij herstel van gezondheid zocht, is hij in 1697 gestorven. Zijn weduwe bleef te Tiel wonen. Van hun drie kinderen trouwde Françoise Jacoba op 26 augustus 1727 met Jan Vijgh, heer van de Snor en de Appelenburg, raadsheer en later president van het Hof van Gelderland. Barbara overleed ongehuwd. De enige zoon, Daniël, vond zijn echtgenote, Arnolda Margaretha, in de Tielse regentenfamilie Van den Steen van Ommeren, waaraan hij al geparenteerd was. Ook hij werd officier in de schotse brigade. Hij bereikte de rang van kolonel en commandeerde als zodanig hetzelfde regiment, dat zijn vader en oudoom hadden gehad. Toen hij trouwde lag hij in garnizoen te 's-Hertogenbosch; in 1737 werd het regiment verplaatst naar Doornik en vandaar in 1741 naar Meenen. Zijn gezin voegde zich daar bij hem en heeft hem ook bij zijn verdere verhuizingen, naar Ath en Bergen, vergezeld. Hij sneuvelde in de Oostenrijkse Successieoorlog bij de verdediging van Doornik op 18 mei 1745. Na zijn dood keerde Arnolda Margaretha terug naar Tiel. Er waren uit haar huwelijk acht kinderen geboren, waarvan echter Arend Jacob, Geertruida Cornelia, Jacoba en Jan op jeugdige leeftijd stierven. Margaretha (1733-1815) - de enige, die tussen de omzwervingen van haar ouders door in Tiel was geboren - werd de vrouw van Friedrich Otto, Freiherr von Dörnberg-Heiden, die uit Wezel afkomstig was, maar de havezate Terborg bij Eelde kocht, in de ridderschap van Drenthe werd beschreven en zelfs lid van het hoogste rechtcollege in dat gewest, de Etstoel werd. Waarom hun nakomelingen, ofschoon zij in het Koninkrijk der Nederlanden recht zouden hebben gehad op de titel van baron, geen verzoek tot inlijving in de nederlandse adel hebben gedaan, is onbekend. De oudste zoon van Daniël en Arnolda Margaretha Mackay heette weer Aeneas. Hij heeft tot 1780 in Tiel gewoond. Aeneas zowel als zijn zoon Daniël en Frans, en ook zijn broer Daniël, zetten de traditie van dienst bij de schotse brigade voort, maar als laatsten, want juist in hun tijd kwam er een eind aan het bestaan van het corps. Onder de invloed van de aktie van de patriot Joan Derk van der Capellen ging een deel van de publieke opinie in de Republiek zich verzetten tegen het feit, dat de Staten-Generaal troepen in dienst hadden, die tevens in de eed van een vreemde vorst stonden. Dit werd acuut door het uitbreken van de vierde engelse oorlog en leidde er in 1782 toe, dat de schotse officieren voor de keus gesteld werden òf de loyaliteit aan de koning van Groot-Brittannië te verbreken òf ontslag te nemen. Aeneas diende in het regiment van zijn vader, dat na diens dood achtereenvolgens gecommandeerd werd door Alexander Marjoribanks (tot december 1773), Hugh Mackay (tot januari 1775) en John Houstoun. Toen de brigade werd ontbonden was hij sedert twee en een half jaar luitenant-kolonel. Met zijn zoons vertrok hij in 1783 naar Schotland, maar keerde na het sluiten van de vrede terug en vestigde zich in Nijmegen. Hij is nog tot kolonel bevorderd, heeft echter niet meer aktief als zodanig gediend en ook geen burgerlijke funkties van belang bekleed. Hij was trouwens een welgesteld man; de familie had sedert de vestiging in de Republiek een grote hoeveelheid landerijen in het kwartier van Nijmegen verworven. Het oude en al vroeg aanzienlijke geslacht, waaruit zijn echtgenote, Ursulina Philippina van Haeften stamde, zal in de volgende paragraaf uitvoerig ter sprake komen. Zijn broer Frans Mackay was ook officier, maar niet bij de schotse brigade. Hij vocht van 1793 tot januari 1795 tegen de Fransen. In de zomer van 1794 werd hij belast met het dekken van de aftocht van de troepen van de prins van Nassau-Weilburg uit Staats-Vlaanderen, nadat Moreau de vesting IJzendijke had veroverd. Al spoedig na de bezetting van de Republiek is hij uit het leger gegaan. Hij is vier jaar na de herkrijging van de onafhankelijkheid te Zutphen gestorven. Zijn vrouw was Maria Adelheid Elisabeth van Heeckeren tot Enghuizen. Zij hadden geen kinderen. De vijfde zoon van Daniël Mackay en Arnolda Margaretha van den Steen heette naar zijn vader. Hij werd in 1770 kapitein in het al genoemde regiment Marjoribanks en in 1780 majoor. Hij trouwde in 1772 Isabella Constantia de Geer, eerder weduwe van W.K.H. graaf van Quadt tot Wickradt, en overleed in 1782 te Jutphaas, vermoedelijk op Rijnhuizen, het huis van de familie De Geer. Uit zijn leven verdient vooral vermelding, dat hij bevriend was met de bekende Utrechtse hoogleraar Rijklof Michael van Goens, die van zich heeft doen spreken als bestrijder van de eerste patriottenbeweging. Daniël Mackay steunde Van Goens daarbij door het schrijven van pamfletten, waarvan de concepten voor een groot deel nog in het archief aanwezig zijn. De twee zoons van Daniël en Isabella Constantia hebben het grootste deel van hun leven in het buitenland doorgebracht en zijn ook beiden daar overleden: Daniël Alexander te San Domingo, Jean Louis te Doornik. Noch de een noch de ander heeft nakomelingen gehad. In Nederland zette Aeneas het geslacht voort. Uit zijn huwelijk met Ursulina Philippina van Haeften werden tien kinderen geboren, waarvan er drie kort na de geboorte stierven. Zoals al is aangestipt gingen twee zoons als officieren met hun vader in 1783 naar Schotland. Daniël, de oudste, bleef daar en stierf ongehuwd te Edinburgh in 1784. Frans, de derde zoon, keerde terug en overleed, eveneens ongehuwd in 1787. Margaretha Bartholda trouwde met Jan Willem van Imbyze van Batenburg, generaal-majoor der artillerie en groot-majoor van Oudewater, Theodora Anna Johanna Jacoba met Bernhardus Deodatus van Verschuer, kolonel der artillerie, en Arnolda Margaretha met haar neef Barthold de Cock van Haeften, heer van Blitterswijk en Wanssum, majoor der cavalerie bij de gardes. Cornelis Anne, Aeneas' vierde zoon, schijnt zich aanvankelijk ook voorgesteld te hebben een carrière bij het landleger te maken. In 1784 vinden we hem als kadet bij het regiment Houstoun. Merkwaardig genoeg, want, zoals we al gezien hebben, bestond de schotse brigade als afzonderlijk corps in feite toen al niet meer. Voor een aanhanger van de stadhouder lag het voor de hand naar de marine over te gaan. In 1799 werd de luitenant ter zee Mackay geplaatst op een vande schepen, waarvan de bemanning bij de Vlieter niet onder de patriotse admiraal Story had willen vechten, toen de Engelsen de vloot hadden opgeëist. In 1800 kreeg hij een aanstelling als kapitein-luitenant ter zee en bevel van Willem V vanuit Londen om in die kwaliteit te dienen op het schip Ambassade. In 1814 is hij uit de zeedienst gegaan; vervolgens was hij onder meer kantonrechter en wethouder te Zutphen en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Jacoba Alexandrina Helena Beata van Heeckeren en, na haar overlijden, met Sophia Constantia van der Muelen. In 1841 is hij kinderloos gestorven. De jongste uit het gezin van Aeneas en Ursulina Philippina was Barthold Johan Christiaan Mackay. Ook hij is in zijn jeugd zeeofficier geweest, maar heeft de marine al in 1795 vaarwel gezegd. De burgerlijke funkties, die hij daarna bekleed heeft, zijn vele, evenals de kerkelijke. In de bataafs-franse tijd woonde hij te Nijmegen, maar omdat hij land bezat te Bergharen had hij o.a. ook bemoeienis met het waterschapsbestuur van Maas en Waal. Behalve voor deze ambtelijke werkzaamheden vond hij nog tijd voor het drijven van een zeepziederij in compagnieschap met zijn achterneef D.R J. van Lynden, en bovendien voor het beheren van particuliere vermogens en nalatenschappen, wat hij deed in samenwerking met W.B. de Salve de Bruneton. Na in 1814 deel te hebben uitgemaakt van het provisioneel bestuur der stad Nijmegen en van het college van notabelen, dat zich moest uitspreken over de grondwet van dat jaar, werd Barthold Mackay in 1815 kassier-generaal der posterijen, en, toen die funktie werd opgeheven, in 1820 directeur van het postkantoor te Rotterdam. Hij is in die stad ook lange tijd lid van de raad en voorts lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland geweest. Van zijn talrijke nevenbetrekkingen noem ik hier alleen zijn lidmaatschap van de staatscommissie voor het dijkwezen.Ook aan kerkelijke bestuurszaken is hij zich blijven wijden. In het bizonder had de zending zijn belangstelling. Barthold huwde in 1802 Anna Magdalena Frederica Henriëtte van Renesse van Wilp. Zij kregen twee kinderen: Aeneas en Johan François Hendrik Jacob Ernestus, die beide te Nijmegen werden geboren. Hun moeder is in 1839 overleden, hun vader in 1954, hij op het kasteel Ophemert in de Tielerwaard, dat zijn nicht Margaretha Anna van Haeften hem in 1844 had gelegateerd. Op grond van het feit, dat zij van britse peers afstamden, hebben Cornelis Anne en Barthold verzocht om inlijving in de nederlandse adel. De Hoge Raad van Adel maakte daar bezwaar tegen, onder meer uit de overweging, dat in Groot-Brittannië geen wederkerigheid voor nederlandse edellieden verwacht mocht worden. Zij werden dus niet ingelijfd, maar verheven, en wel met het praedicaat jonkheer, hoewel zij in de kringen waarin zij zich bewogen in de praktijk als baron werden aangesproken. Bij Koninklijk Besluit van 4 juni 1822 nr. 73 verkregen zij die titel alsnog met recht van overgang bij eerstgeboorte. Bartholds oudste zoon, Aeneas baron Mackay van Ophemert, die evenals zijn vader aktief aan het openbare leven heeft deelgenomen, was een tijdgenoot van Thorbecke en Groen van Prinsterer. Hij was niet van het formaat van deze twee, maar heeft toch als staatsman wel iets meer betekend dan de gangbare litteratuur over onze negentiende eeuw doet vermoeden. Zijn loopbaan begon hij, na te Utrecht volbrachte studie in de rechten, als advocaat in Den Haag. Hij onderbrak zijn praktijk in 1831 om als tweede luitenant met de zuidhollandse schutterij uit te trekken tegen de Belgen. Belangrijker was, dat hij in 1835 werd verbonden aan het hof, eerst als kamerheer van de prins en de prinses van Oranje tezamen, en na de troonsbestijging van Willem II in dezelfde funktie bij koningin Anna Pawlowna alleen. Tot 1846 was hij kamerheer in gewone, sedertdien in buitengewone dienst. Daarnaast was hij van 1840 tot 1850 ambtenaar bij de Raad van State en vanaf 1843 gecommitteerde van de regering bij de Maatschappij van Weldadigheid. In 1843 ook werd hij beschreven in de ridderschap van Zuid-Holland; daardoor kreeg hij in 1846 zitting in de Provinciale Staten, en dat college koos hem in 1848 tot lid van de Tweede Kamer. Na de Kamerontbinding, die de consequentie was van de grote grondwetswijziging van dat jaar, werd Mackay weliswaar niet aanstonds herkozen. Gedurende de periode van 14 februari 1849-5 november 1850 bleef hij buiten de Kamer; hij nam toen zijn zetel in de Staten van Zuid-Holland weer in en werd daar al spoedig tot Gedeputeerde aangewezen. Maar na de invoering van de kieswet vaardigde Arnhem hem af en is hij voor dat district Kamerlid gebleven tot 1862. Hij behoorde tot de Réveilkring en vertegenwoordigde in de Kamer de antirevolutionaire richting. Hoewel het aantal van zijn "politieke vrienden" toen in het parlement niet heel groot was werd er toch meer rekening met deze groep gehouden dan men wellicht geneigd is te denken. In 1859 werd hij aangezocht voor het gouverneurschap van Suriname, wat hij om persoonlijke redenen afwees. Toen Thorbecke in 1862 de opdracht ontving om een kabinet te vormen overwoog hij aanvankelijk een samengaan van liberalen en antirevolutionairen. Mackay was daarbij de portefeuille van Financiën toegedacht. Dat plan is niet tot uitvoering gekomen, maar in hetzelfde jaar werd de Raad van State gereorganiseerd en Mackay op voordracht van Thorbecke tot vice-president benoemd. Hij heeft dit ambt vervuld tot zijn overlijden in 1876. Tweemaal kort achtereen is hij nog, zonder succes overigens, kabinetsformateur geweest, n.l, tijdens de crisis van 1868 na de val van het ministerie Heemskerk-Van Zuylen. Het vertrouwen, dat hij bij het Koninklijk Huis genoot, maakte hem bij uitstek geschikt om betrokken te worden bij de afwikkeling van de nalatenschappen van koning Willem II en diens gemalin. Zeer in het bizonder werd hij gewaardeerd door prinses Sophie, die hij ook nadat zij groothertogin van Saksen Weimar geworden was meermalen van advies diende. Niet alleen in de politieke strijd getuigde Mackay van zijn beginselen, maar ook op andere gebieden. Zowel charitatief als theologisch-polemisch en organisatorisch is hij werkzaam geweest. Zijn zorgvuldig bijgehouden dagboeken en zijn omvangrijke correspondentie met A.J. van Beeck Calkoen, J.J.L. van der Brugghen, de Capadoses, A.W. Bronsveld, O.G. Heldring H.C. Voorhoeve en vele anderen geven daar overvloedig blijk van. Met Groen van Prinsterer en P. Elout van Soeterwoude onderhield hij een intensief contact. Zij, die vóór Barthold Mackay het huis Ophemert hadden bezeten, hadden daarbij ook steeds de dagelijkse heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen gehad. Dat de heerlijke rechten afgeschaft waren zelfs al voordat zijn vader het huis erfde heeft Aeneas er niet van weerhouden zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken in de beide dorpen. Uiteraard moest hij wonen in Den Haag, maar hij was gewoon een groot deel van zijn niet-ambtelijke tijd op het kasteel door te brengen en leefde ook wanneer hij niet persoonlijk in hun midden kon zijn voortdurend met de dorpsbewoners mee. Het spreekt wel vanzelf, dat ook hierbij de kerkelijke aangelegenheden zijn speciale aandacht hadden. Aeneas trouwde met Maria C.A.J. Fagel, een dochter van de diplomaat Jacob Fagel. Zij hebben tot tweemaal toe een kind op jeugdige leeftijd moeten missen. Hun eerste, Anna Agneta, stierf vier maanden na de geboorte, hun derde, Johan Jacob als zeventienjarige, juist aan het begin van zijn opleiding op Willemsoord. Het moet voor de ouders een grote troost zijn geweest, dat de enige overgeblevene van de drie zich ontwikkelde tot een briljante persoonlijkheid, die in bekwaamheid voor zijn vader niet onderdeed en hem in veelzijdigheid zelfs overtrof. Donald Jacob Mackay studeerde niet als zijn vader te Utrecht, maar te Leiden. Hij promoveerde bij prof. I.E. Goudsmit in de rechten op een proefschrift over het bestuur van Daendels op Java. Enige tijd was hij attaché bij het nederlandse gezantschap te Londen en daarna kommies aan het departement van Koloniën. Daartussendoor maakte hij in 1866 een reis door de Verenigde Staten. Al vroeg heeft hij grote belangstelling getoond voor sociaal-economische vraagstukken. Hij werd een aktief en op de voorgrond tredend lid van de Vereniging ter bevordering van Fabrieksnijverheid in Nederland en heeft zich o.a. veel moeite gegeven voor het organiseren van de internationale nijverheidstentoonstelling, die in 1869 te Amsterdam werd gehouden. Na tijdens de frans-duitse oorlog het Nederlandse Rode Kruis in Zwitserland vertegenwoordigd te hebben ging hij in de politiek. Deze Mackay schaarde zich onder de liberalen, wat niet wil zeggen, dat hij voor het overige de protestants-christelijke traditie van zijn geslacht ontrouw werd. Zij die hem gekend hebben verzekeren, dat hij zijn leven lang een strenggelovig man gebleven is. Maar bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1871 stelde hij zich kandidaat tegenover een antirevolutionair. Mackay werd gekozen en bleef lid van ons parlement tot 21 maart 1877. Hij heeft zich daar vooral met koloniale, sociale en onderwijszaken bezig gehouden. Men kan hem, in de verhoudingen van die tijd, min of meer "links" noemen. Zo pleitte hij voor erkenning van het stakingsrecht en was hij ook de man, die, naar het getuigenis van Van Houten zelf, het eigenlijke initiatief tot de wet op de kinderarbeid heeft genomen. In 1875 overleed Eric Mackay, negende lord Reay, zonder nakomelingen. Zijn titel ging daardoor over op Aeneas Mackay, die hem echter maar korte tijd heeft gedragen en er ook niet toe gekomen is tot "chief of the clan" te worden uitgeroepen. Door de dood van zijn vader in het jaar daarop werd Donald Jacob de elfde lord Reay. Al eerder had hij in Groot-Brittannië de oude familiebanden hernieuwd en daar ook verscheidene andere relaties aangeknoopt. In 1877 trouwde hij meteen engelse - Francis Hasler, weduwe van A. Mitchell - en liet hij zich bovendien zelf naturaliseren tot brits onderdaan. Aan zijn leiderschap van de clan Mackay gaf hij enige tijd daarna een nieuwe inhoud door de Clan Mackay Society op te richten. Dit genootschap bedoelt leden van de clan financieel te steunen en datgene wat voor de clan van historische waarde is in één verzameling bijeen te brengen. Zijn vertrek uit Nederland hield niet in, dat Reay zijn politieke ambities opgaf. Hij koos, zoals trouwens geheel in zijn lijn lag, de partij van William E. Gladstone. Toen deze in 1880 voor de tweede maal premier was geworden zorgde hij ervoor, dat Reay benoemd werd tot peer van het Verenigd Koninkrijk, zodat hij de liberale groep in het Hogerhuis kon versterken. De titel, die hij geërfd had, gaf hem slechts recht op een peerschap in Schotland; daarom ontving hij nu die van baron Reay of Durness erbij. Zijn taak als lid van het Hogerhuis heeft hij consciëntieus vervuld, maar meer bekendheid heeft hij toch verworven, doordat hij van 1885 tot 1890 het district Bombay bestuurde. Hij heeft die opdracht opgevat in de zin, die Kipling bedoelde toen hij van "the white mans burden" sprak. Om het welzijn van de inheemse bevolking te bevorderen zocht hij samenwerking met de plaatselijke vorsten. Vooral voor het algemeen lager en technisch onderwijs heeft hij veel gedaan. In het laatste ministerie-Gladstone (1894-1895) was hij undersecretary of State voor India en heeft zich toen met name voor de aanleg van spoorwegen geinteresseerd. Na zijn terugkeer uit India aanvaardde hij het voorzitterschap van de Royal Asiatic Society. Tot 1916, toen hij als gevolg van een ongeval invalide werd, heeft lord Reay aan de zittingen van het Hogerhuis deelgenomen. Na 1895 evenwel heeft hij als politicus in eigenlijke zin niet meer van zich doen horen. Wel is hij aktief gebleven op andere terreinen. Zo heeft hij belangrijk werk verricht als lid van de Council of University te Londen, waar hij de studie van de oosterse talen invoerde, als rector van de universiteit van St. Andrews en als voorzitter van de London School Board. Hij werkte mee aan de stichting van de British Academy, het instituut, dat aan de beoefening van de historische en filosofische wetenschappen werd gewijd als complement van de reeds lang bestaande Royal Society, die zich uitsluitend met de natuurwetenschappen bezig houdt. Hij was gedurende twee bestuursperioden voorzitter van deze Academy. Naast de koloniale en educatieve problemen gingen ook die van het internationale recht hem zeer ter harte. Het institut de Droit International telde hem onder zijn ijverigste leden en in 1907 maakte hij deel uit van de britse delegatie naar de Vredesconferentie in Den Haag. Zijn leven lang heeft Mackay vele connecties in zijn oude vaderland in stand gehouden. Bevriend was hij o.a. met W.H. de Beaufort, W.K. van Dedem, J. Kappeyne van de Coppello, A.E.I. Modderman en Victor de Stuers. Zijn briefwisseling is een rijke bron voor de kennis van het laat-negentiende-eeuwse liberalisme ook in ons land. Donalds huwelijk bleef kinderloos. Dientengevolge kwamen bij zijn overlijden in 1921 èn de titel van lord Reay èn het huis Ophemert aan zijn achterneef Eric Mackay, een kleinzoon van Johan F.H.J.E. Mackay, de jongere broer van zijn vader. Jan Mackay is minder op de voorgrond getreden dan Aeneas, maar heeft toch ook een eervolle carrière gemaakt. Hij was achtereenvolgens burgemeester van de gemeente Wisch (Terborg), vrederechter en kantonrechter te Nijmegen en lid van de Provinciale en Gedeputeerde Staten van Gelderland. Uit zijn huwelijk met Margaretha Clara Françoise van Lynden had hij zeven kinderen, van wie hier in het bizonder Aeneas (1838-1909) vermeld dient te worden, omdat Eric op het kasteel ook stukken van zijn vader heeft bewaard, hoewel deze zelf daar nooit heeft gewoond. In tegenstelling tot zijn neef Donald - met wie hij overigens op zeer goede voet stond en wiens belangen in Nederland hij behartigde - was Aeneas weer antirevolutionair georiënteerd. In onze parlementaire geschiedenis heeft hij een niet onbelangrijke rol gespeeld, vooral in de strijd om de school en het kiesrecht. Hij was van 1875 tot 1905 lid van de Tweede Kamer en gedurende de zitting 1884-1885 en van 1901 tot 1905 zelfs - als eerste antirevolutionair - voorzitter daarvan. Met De Savornin Lohman, Schaepman en anderen bestreed hij in 1886 Heemskerks ontwerpen van grondwetsherziening, wat het ministerie ertoe bracht zijn ontslag aan te bieden. Mackay werd nu tot formateur aangewezen, maar weigerde, omdat hem de voorwaarde werd gesteld, dat de door de vorige regering gedane voorstellen niet zouden worden ingetrokken. Toen in 1888 de nieuwe grondwet tot stand was gekomen leverden de eerstvolgende verkiezingen een duidelijke overwinning voor de confessionele partijen op en verwachtte men, dat dr. Abraham Kuyper met de vorming van het kabinet zou worden belast. In plaats daarvan ontving Mackay de opdracht, hij stelde een ministerie samen, bestaande uit drie antirevolutionairen, twee katholieken en twee conservatieven. Zelf beheerde hij eerst de portefeuille van Binnenlandse Zaken en na het aftreden van Keuchenius in 1889 die van Koloniën. Het opmerkelijkste resultaat van zijn ministerschap is de wet op het lager onderwijs van 1889. Het kabinet-Mackay viel door de tegenstand, ook bij de coalitiegenoten, tegen de voorgenomen afschaffing van de plaatsvervanging bij de vervulling van de militaire dienstplicht. Al in de tijd van de formatie moet in de kiem de controverse zijn ontstaan tussen Kuyper en De Savornin Lohman, die tenslotte heeft geleid tot de splitsing in de antirevolutionairen en christelijk-historischen. Mackay heeft zich in dit conflict niet willen mengen, al was zijn sympathie wel aan de kant van Lohman. Van 1905 tot 1907 was hij nog lid van de Eerste Kamer en van 1907 tot zijn dood in 1909 lid van de Raad van State. Hij was gehuwd met Elisabeth Wilhelmina van Lynden Eric Mackay (1870-1921) was hun enige zoon. Hij is werkzaam geweest op de provinciale griffie van Gelderland en getrouwd met Maria B.J.Ch. van Dedem. Van hun vier kinderen zijn Maria Christina Elisabeth en Alexander Willem Rijnhard (laatstgenoemde thans onderdirecteur van de Nederlandse Bank) thans nog in leven. Aeneas Alexander, die zijn vader opvolgde als lord Reay en eigenaar van het huis Ophemert, begon als reserve-luitenant bij het corps rijdende artillerie te Arnhem, maar is in 1938 Brit geworden, nadat hij in 1936 gehuwd was met Charlotte Mary Younger. Hij heeft gewerkt op het Foreign Office en heeft voorts vanaf 1955 als "representative peer" voor Schotland zitting gehad in het Hogerhuis. De belangstellenden in de oudheidkunde heeft hij aan zich verplicht door zorg te dragen, dat het kasteel Ophemert en de daar bijeengebrachte verzameling familieportretten werden gerestaureerd. Op 13 maart 1963 is hij overleden te Nairobi in Kenya. Van zijn zoon Hugh William Mackay, de tegenwoordige lord Reay, bevinden zich geen stukken in het archief, voorzover dit op het Algemeen Rijksarchief berust. II. Aanverwante geslachten. Doordat de Mackays van Ophemert tenslotte naar hun stamland terugkeerden kwam ook het archief van de in Schotland gebleven hoofdtak in hun bezit. Een klein gedeelte van deze "Reay papers" werd vermengd met de stukken, die op het huis Ophemert aanwezig waren. Daarom volgen nu allereerst nog enkele mededelingen over de personen, van wie deze afgedwaalde archivalia afkomstig zijn. George Mackay, derde lord Reay, geboren in 1678, heeft enige tijd in Nederland vertoefd en wel bij zijn oom Aeneas. Hij is te Zaltbommel in 1702 in het huwelijk getreden met Margareta Mackay of Scoury. Zijn sterfjaar is niet bekend. Eric Mackay, zevende lord Reay (1773-1847) is ongehuwd overleden. Hij had twee broers, Alexander en Donald Hugh Mackay, en een zuster Anne Mackay. Eric heeft het "Reay estate" in 1829 moeten verkopen aan de markies van Stafford; het bracht £ 300.000.- op. Alexander erfde slechts de titel. Hij was militair - onder andere barrackmaster op Malta - en is getrouwd met Marion, dochter van kolonel Gall. Van hun twee zoons stierf George Alexander zeer jong en volgde Eric (1813-1875) hem op als negende lord Reay. Ook waren er nog zes dochters, t.w. Anne Marion Erskine, Sophia, Mary, Clara, Elisabeth Granville en Charlotte. Sophia trouwde met Charles Arthur Aylmer en Charlotte met John Drewer. Eric was aanvankelijk evenals zijn vader officier maar is naderhand zakenman geworden. Hiervoor is al vermeld, dat hij geen kinderen had en dat daardoor de titel aan Aeneas Mackay van Ophemert is gekomen. Bij de levensschets van de eerste nederlandse Mackay is terloops gesproken over zijn neef Hugh Mackay of Scoury. De Scoury-Mackays stammen af van lye Du Mackay, de grootvader van de eerste lord Reay. Lye Du had n.l. twee zoons, waarvan de oudste, Donald, zich Mackay of Scoury, naar een dorp in Strathnaver, is gaan noemen. Hugh Mackay of Scoury is een kleinzoon van deze Donald. Hij behoorde tot het regiment Dumbarton, dat Karel II aan Lodewijk XIV had uitgeleend, en was in het rampjaar 1672 bij het leger, dat de Betuwe binnenviel. Zijn inkwartiering bij Margareta de Bie, de weduwe van Arent de Bie, die burgemeester van Zaltbommel geweest was, leidde tot een huwelijk met Clara de Bie, haar dochter. Hugh Mackay nam nu ontslag uit hef franse leger en trad in de schotse brigade in de rang van kapitein (1673). In 1680 werd hij kolonel en weldra commandant van de gehele brigade. Van 1685 tot 1686 diende het corps tijdelijk in Groot-Brittannië; Hugh Mackay werd in die tijd bevorderd tot generaal-majoor en tevens benoemd tot "privy counsellor" van de koning in Schotland. Hoewel hij dus blijkbaar in aanzien stond bij Jacobus II werd hij desniettemin al spoedig een medestander van Willem III en zelfs een van diens voornaamste vertrouwelingen bij de voorbereidingen tot de "glorious revolution". Al voordat deze plaats vond was hij bevriend geraakt met John Churchill, de latere hertog van Marlborough; ook genoot hij de bizondere achting van bisschop Burnet. In de veldtochten van de koning-stadhouder, die hij voor het merendeel meemaakte, deed hij zich kennen als een zeer bekwaam hoofdofficier; zijn sneuvelen bij Steenkerken in 1692 werd dan ook ervaren als een gevoelig verlies. Hugh Mackay of Scoury had een zoon en een dochter. Hugh jr. werd eveneens officier; hij is overigens slechts achtentwintig jaar oud geworden. Anna Barbara huwde met de predikant Albertus Royaards. De zoon van Hugh jr., die weer dezelfde voornaam had, werd in 1745 luitenant-kolonel en in 1772 bevelhebber, met de rang van luitenant-generaal, van het regiment, dat Daniël Mackay indertijd gecommandeerd had. Met hem stierf in 1775 in Nederland het geslacht Mackay of Scoury uit. Niet over alle aan de Mackays verwante geslachten, die sporen in het archief-Ophemert hebben achtergelaten, behoeft hier te worden uitgeweid. Van de geslachten Puchler, Vijgh, Van der Steen, De Geer, Van Imbyze van Batenburg, Van Verschuer en Fagel en Van Lynden zijn er maar weinig stukken, die bovendien wel voor zichzelf spreken. Daarentegen is er vrij veel bewaard van de Van Haeftens en de Van Renesses, met daarbij nog heel wat van families, welke weer aan deze geparenteerd zijn. De tak van het geslacht Van Haeften waarmee we hier te maken hebben begint met Allard van Haeften, in de eerste helft van de veertiende eeuw. Mogen we aannemen, dat deze Allard de tweede zoon was van Johan de Cock van Waardenburg en Geertruid van Arkel, wier nakomelingen zich noemden naar de heerlijkheid Haaften, die Geertruid in haar huwelijk had ingebracht, dan gaat het geslacht terug op Rudolf de Cock of Cock, die in 1265 van graaf Otto II van Gelre vergunning kreeg om te Hiern in de Tielerwaard het kasteel Waardenburg te bouwen. Deze Rudolf werd de stamvader van een hele groep betuwse families (o.a. De Cock van Opijnen, De Cock van Neerijnen en De Cock van Delwijnen), die alle het wapen van de heren van Blois de Châtillonsur-Marne hebben gevoerd en dus, als is dit nog steeds niet volkomen bewezen, wel van deze franse dynasten zullen afstammen. De naam De Cock duidt mogelijk op de kwaliteit van ministerialis, d.w.z. van een oorspronkelijk onvrije dienstman. Dr. J.M. van Winter heeft de aandacht gevestigd op het feit, dat verscheidene ministerialen van de duitse keizer en van de aartsbisschop van Keulen bij de overdracht van de gebieden, waar zij gevestigd waren, in dienst van de graaf van Gelre zijn getreden en dat zij, vanwege de hogere rang van hun vroegere heer, terstond hetzelfde aanzien als de vrije edelen van het graafschap genoten. Dit zou ook voor Rudolf van Waardenburg hebben gegolden. Van Allard van Haeften, zijn zoon Otto (geboren omstreeks 1340) en zijn kleinzoon Allard (vermeld tussen 1424 en 1433) valt niet meer mee te delen dan dat zij goederen en rechten in de Tielerwaard hebben bezeten. De heerlijkheid Haaften zelf hebben zij nooit gehad; die behoorde aan de hoofdtak en kwam in de zestiende eeuw aan het geslacht Brederode. De achterkleinzoon van de eerste Allard, Otto van Haeften, verwierf in 1444 "de oude hoftad" te Herwijnen, ook genoemd Wayenstein, en verder nog, door zijn huwelijk met Jutta Pieck, de heerlijkheid Gameren. Zijn zoon Allard van Haeften erfde deze beide lenen; hij huwde met Aleid van Waardenburg. Op hen volgde Derk van Haeften, vanaf 1495 eveneens heer van Gameren en bezitter van het huis Wayenstein. Derk was de eerste van zijn familie die de funktie van ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard bekleedde. In Gelderland werd de rechtspraak namens het centrale gezag tot 1795 uitgeoefend door funktionarissen, die op de Veluwe en in het graafschap Zutphen drosten en in de streek van de grote rivieren ambtlieden heetten. Er waren ambtlieden van Maas en Waal, van Over- en Nederbetuwe en van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. De drie laatstgenoemde gebieden waren al vroeg tot één ambt samengegroeid. De ambtman hield er als rechter zitting te Zaltbommel, Tuil, Deil, Driel en Zuilichem. Oorspronkelijk werd hij daarin bijgestaan door burengerechten, maar al vóór 1327 door schepenbanken, hij kon zich doen vervangen door aan hem ondergeschikte richters. Verder vergaderde hij als vertegenwoordiger van de landsheer (later van de Staten) met de ridderschap van het ambt over bestuurszaken en was zijn funktie doorgaans gecombineerd met die van dijkgraaf. In de praktijk was de ambtmannie soms geruime tijd erfelijk in één familie. Zo zijn van 1421 tot 1494 continu leden van het geslacht Pieck ambtman geweest; na Derk van Haeften hebben wij nog verscheidene van zijn nakomelingen deze funktie vervuld. Derk voegde aan zijn bezit in 1525 nog het huis te Vuren toe; hij trouwde met Agnes van Broeckhuysen, eerder weduwe van Johan, heer van Voorst en Keppel, en overleed in 1538. Frederik van Haeften, zijn kleinzoon, verkreeg op zeer jeugdige leeftijd door koop in 1552 het huis Ophemert en de heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen; hij stierf echter reeds in 1558, en wel nog tijdens het leven van zijn vader Allard van Haeften, die toen daarmee werd beleend. Deze Allard verkocht in hetzelfde jaar Wayenstein. Hij had behalve de genoemde Frederik uit zijn huwelijk met Cunegonda van Keppel nog twee zoons, waarvan de oudste, Dirk van Haeften, Gameren en Herwijnen, en de jongste, Reinier, Ophemert erfde. Wat er na Allards overlijden in 1564 met het huis Vuren gebeurde blijkt niet duidelijk uit de leenregisters; in ieder geval behoorde het in 1735 niet meer aan de Van Haeftens. Welk lid van deze tak van het geslacht Van Haeften als eerste tot de hervormde godsdienst is overgegaan heb ik niet kunnen vaststellen. Te beginnen met Allard zijn ze, met slechts een enkele uitzondering, steeds beschreven in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen en daardoor was althans vanaf 1621 het lidmaatschap van de publieke kerk vereist. Reinier van Haeften, die in 1565 met Ophemert en Zennewijnen werd beleend, was schepen van de bank van Tuil; hij stierf in 1604. Hij heeft nooit gecompareerd op de landdagen van zijn gewest, hoewel hij daarvoor als aanzienlijk lid van de ridderschap toch zeker wel in aanmerking zou zijn gekomen, als niet de Tieler- en Bommelerwaard na 1572 door Holland op de vijand waren veroverd en tot respectievelijk 1593 en 1602 onder het bestuur van die provincie waren gebleven. Reiniers zoon daarentegen, Johan van Haeften, geboren uit zijn huwelijk met Anna Pieck, woonde de kwartiers- en landschapsvergaderingen, althans vanaf 1620, regelmatig bij. Johan was derhalve van Ophemert ook heer van Wolfswaard, een adellijk huis op het gebied van de tegenwoordige gemeente Beesd, dat overigens na zijn dood weer in handen van anderen is geraakt. Hij trouwde met Henrica van Haeften, een dochter van Walraven van Haeften en Sandrina (Zander) Pieck. Hun zoon, die naar zijn grootvader van moederszijde Walraven werd genoemd, is slechts van 1653 tot zijn overlijden in 1657 heer van Ophemert geweest, Hij was kapitein in het Staatse leger en heeft aan het bestuur van het nijmeegse kwartier niet deelgenomen. Hij was de eerste Van Haeften, van wie stukken in het archief- Ophemert bewaard zijn. Walraven trouwde met Fransina van Cockengen. Nu volgde weer een Reinier van Haeften (1646-1733), heer van Ophemert sedert 1659 en niet alleen afgevaardigde van de ridderschap naar de kwartiersdagen, maar ook gedeputeerde. De gedeputeerden hadden in de kwartieren van Gelderland dezelfde funktie als gecommitteerde raden in Holland. Door het huwelijk van deze Reinier met Adriana Maria de Cock van Delwijnen kwamen in dit archief stukken terecht van de geslachten De Cock van Delwijnen en Van Gent, die verderop ter sprake zullen komen. Reiniers oudste zoon, Walraven van Haeften, erfde aanvankelijk Ophemert; hij was dijkgraaf en ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Daar hij in 1746 kinderloos overleed ging Ophemert toen over op zijn jongere broer Barthold, die sinds 1725 reeds heer was van Wadenoyen, een bezitting afkomstig van zijn oom Johan de Cock van Delwijnen. Barthold was eveneens ambtman en bovendien gecommitteerde van Gelderland ter Staten-Generaal. Hij huwde met Margriet van Lynden. Behalve zijn dochter Ursulina Philippina, die de vrouw van Aeneas Mackay werd, had Barthold van Haeften twee zoons. De oudste, Johan Walraven, voeg de bij zijn geslachtsnaam die van De Cock, daarmee te kennen gevend, dat hij geloofde inderdaad van de heren van Waardenburg af te stammen. Ook hij was ambtman van Bommel, Tieler en Bommelerwaard en vertegenwoordigde Gelderland in de Generaliteit. Hij trouwde tweemaal, en wel eerst met Anna Ursulina van Lynden, waardoor zijn zoon Barthold de Cock van Haeften, majoor der cavalerie bij de gardes, de heerlijkheden Blitterswijk en Wanssum in Limburg erfde. Dit werd nu de voornaamste bezitting van de tak De Cock van Haeften; voortaan woonde deze op het kasteel Blitterswijk. Wadenoyen is in 1787 uit de familie geraakt. Bij zijn eerste echtgenote, Carolina Justina Huydecoper, had Barthold de Cock van Haeften geen kinderen. Twee jaar na haar overlijden, in 1790, hertrouwde hij, en wel, zoals reeds in paragraaf I is meegedeeld, met zijn nicht Arnolda Margareta Mackay. Zij kregen vier dochters. Anna Ursulina Margareta, de oudste, en Margareta Bartholda, de derde, bleven ongehuwd; Ursulina Philippina, de tweede, trouwde met G.H.F.S. von Hamelberg, overste in Hannoveraanse dienst, en Constantia Louisa Arnoldina, de vierde, met A.A. Quarles de Quarles, officier bij de nederlandse infanterie. De freules De Cock van Haeften werden bij het beheer van hun zaken meermalen bijgestaan door hun neven Mackay. Zelfs werd het archief van de heerlijkheden Blitterswijk en Wanssum in 1886 door Donald Jacob op Ophemert in bewaring genomen. Dit archief heeft enige tijd op het Rijksarchief te Arnhem berust en bevindt zich thans op het Rijksarchief te Maastricht. Reinier, de jongere broer van Johan Walraven, wordt nu eens De Cock van Haeften dan weer Van Haeften zonder bijvoeging genoemd. Hij was de laatste ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Die funktie moet hij echter wel gedurende het grootste deel van de tijd door een ander hebben laten waarnemen, daar hij jarenlang in het buitenland heeft vertoefd als gezant van de Staten-Generaal. Hij was achtereenvolgens geaccrediteerd te Stockholm, Lissabon, Constantinopel en Wenen. Tijdens zijn gezantschap bij de Keizer werd hem in augustus 1791, met voorbijgaan van de toenmalige gezant bij de Porte, opgedragen de Republiek te vertegenwoordigen bij onderhandelingen met de sultan van Turkije te Szisstow. In de patriottentijd toonde hij zich "staatsgezind", hij is na 1795 niet teruggeroepen. In 1800 is hij te Wenen overleden. Reinier van Haeften trouwde in 1778 te Marseille met Jeanne Cénie Kick, van wier afkomst niets naders bekend is. Hun vier dochters zijn geen van allen getrouwd. Zij heetten Anna Margareta, Elisabeth Cénie, Henriëtte Margareta Charlotte Ursuline en Victoire Sophie. Anna Margareta erfde Ophemert; door haar overlijden in 1844 kwam dit aan Barthold Mackay. We moeten nu iets zeggen over het geslacht De Cock van Delwijnen. Over de oorsprong daarvan is al opgemerkt, dat deze eveneens hoogstwaarschijnlijk gezocht moet worden in de stam De Cock van Waardenburg uit de dynastie van Blois. Overigens is niet met zekerheid uit te maken, hoe precies tot aan het begin van de vijftiende eeuw de genealogische samenhang is geweest; de pogingen, die daartoe wel gedaan zijn, hebben tot nu toe geen betrouwbaar resultaat opgeleverd. In ieder geval telden de heren De Cock van Delwijnen al vroeg mee onder de edelen van het hertogdom Gelre. Zo komt Arnt de Cock van Delwijnen voor onder de heren, die op 2 november 1376 de oorkonde zegelden, waarbij hertogin Mechteld en haar gemaal Jan van Blois zich verzoenden met degenen, die hun aanspraak op de opvolging hadden betwist na de dood van hertog Eduard. Ook bij het sluiten van de landvrede, die op 6 januari 1377 volgde, was deze Arnt betrokken. Of hij de heerlijkheid, waarnaar zijn geslacht zich noemde, zelf nog bezat, heb ik niet kunnen ontdekken. Uit het repertorium op de leenregisters van Vianen, waarvan de dagelijkse heerlijkheid van Delwijnen een leen was, viel dit niet op te maken, daar de in aanmerking komende plaatsen vrijwel onleesbaar zijn. Van Spaen zegt, dat de De Cocks maar korte tijd heren van Delwijnen zijn geweest. Van Arnts oudste zoon, ook een Arnt, weten we, dat hij in 1403 als minderjarige beleend werd met een tiend te Kerkwijk. Zijn zoon, die weer Arnt heette, wordt in 1458 genoemd als schepen van Zuilichem. Deze derde Arnt trouwde driemaal en had dertig kinderen. De oudste zoon uit zijn eerste huwelijk, Arnt de jonge, werd in 1492 door hertog Karel aangesteld tot schatmeester over Zaltbommel, Tieler- en Bommelerwaard, Beesd en Renooi. De vierde zoon, Johan, kocht van Johan van Balveren in 1468 het hoge huis te Delwijnen. Dit was niet een leen van Vianen, maar van de hertog. Volgens aantekeningen in het archief-Ophemert zouden zijn vader in 1462 en zijn broer Arnt in 1482 al met dit huis beleend zijn, maar deze bron, die ook later gedateerd is, zal wel minder betrouwbaar zijn dan het hertogelijk leenregister. Misschien hebben de heren De Cock de bijgedachte gehad naast de hofstad ook de jurisdictie over het dorp terug te krijgen. Dat is dan evenwel niet gelukt; sedert het midden van de zestiende eeuw vinden we met de heerlijkheid van Delwijnen de Turcks van Nederhemert en in later tijd o.m. leden van het geslacht Quadt beleend. Na de dood van Johan de Cock van Delwijnen vererfde het huis te Delwijnen op zijn stiefbroer uit het tweede huwelijk; Adriaen. Deze was schepen van Zuilichem en gehuwd met Hildegond van Auwrijn. Hij zal in of even voor 1553 gestorven zijn, omdat zijn zoon Johan in dat jaar het huis te Delwijnen in leen ontving. Johan was dijkgraaf van Bommelerwaard; hij stierf in 1550. Adriaen de Cock van Delwijnen, Johans zoon, werd lid van de ridderschap kort voor het uitbreken van de Opstand. Tweemaal werd hem door de gelderse landdag een zending opgedragen: in 1571 naar Brussel, in 1579 naar de aartshertog Matthias te Antwerpen. In datzelfde jaar 1579 schreef de spaansgezinde goeverneur van Tiel aan de Rekenkamer van de koning in Gelderland, dat hij de heer De Cock geschikt achtte en bereid had gevonden om in de plaats van de heer Vijgh als ambtman van Nederbetuwe op te treden, wat toen o.m. inhield, dat hij de verbeurd verklaarde goederen zou administreren. Adriaen stond dus toen wel aan de kant van Philips II; desniettemin bleef hij tot zijn dood in 1605 lid van de ridderschap. Hij trouwde eerst met Maria van Brakel, weduwe van Joachim van Giessen, en vervolgens in 1567 of 1568 met Maria van Hemert. Door zijn tweede huwelijk kreeg hij het vruchtgebruik van de heerlijkheid Wadenoyen, die Maria van haar vader, Frederik van Hemert, had geërfd. Uit zijn eerste huwelijk had Adriaen een zoon Joachim de Cock van Delwijnen, die niet door de ridderschap, maar door de stad Tiel naar de landschapsvergaderingen werd afgevaardigd. Hij liet twee dochters na: Maria, die huwde met Jan Willem Drummond (of Dromond) en Theodora, die ongehuwd bleef. Het huis te Delwijnen en het "dagelijks gericht" van Wadenoyen kwamen aan een zoon uit zijn huwelijk met Maria van Hemert: Johan. Deze Johan de Cock van Delwijnen was van 1606 tot 1620 lid van de ridderschap en woonde als zodanig in die jaren de kwartiers- en landdagen bij. Bij zijn tweede vrouw, Adriana van Beynhem, kreeg hij een zoon, Adriaen, die trouwde met Anna van Gent, dochter van Barthold van Gent, waardoor stukken van het geslacht Van Gent in het archief-Ophemert belandden. Adriaen de Cock van Delwijnen heeft wel in de Tielerwaard enige funkties bekleed - hij was o.a. schepen in de bank van Deil - maar hij heeft geen deel gehad aan het centrale bestuur van het kwartiet van Nijmegen. Zijn zoon Johan daarentegen mogen we wel beschouwen als een van de meest vooraanstaande regenten in het Gelderland van zijn tijd. Sedert 8 maart 1672 beschreven in de ridderschap van Nijmegen compareerde hij van 1679 tot 1724 op de kwartier- en landdagen. Weldra werd hij tot gedeputeerde van het kwartier verkozen. In 1702 werd hij als buitengewoon lid toegevoegd aan het Hof van Gelderland om uitspraak te doen in de geschillen, die op verscheidene plaatsen in het gewest waren ontstaan na de dood van de koning-stadhouder, de zgn. "plooierijen". Ook speelde hij een rol van enig belang in de Tweede Grote Vergadering van 1716 en 1717, waarin deputaties uit de zeven provinciën poogden - zij het tevergeefs - hervormingen in het bestuursstelsel van de Unie aan te brengen. Inmiddels was hij, in 1703, benoemd tot ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. De neerslag van zijn diverse ambtelijke aktiviteiten treft men voor een groot deel in het archief-Ophemert aan. Daar hij niet getrouwd was vermaakte hij de hofstad te Delwijnen aan zijn neef Walraven van Haeften en de heerlijkheid Wadenoyen aan diens broer. Johan en zijn zuster Adriana Maria van Haeften hadden nog een broer, Barthold de Cock van Delwijnen, van wie we niets meer weten dan dat hij omstreeks 1690 kapitein in het Staatse leger geweest is. Richten we nu onze aandacht op de familie van hun moeder: Van Gent. Cornelis van Gent, heer van Meinerswijk en naderhand ook van Loenen (in de Overbetuwe) was burggraaf en richter van Nijmegen, gedeputeerde van het kwartier en afgevaardigde ter Staten-Generaal. Hij stierf in 1614. Zijn oudste zoon, Godefroy van Gent, die huwde met Maria van Giessen, erfde Loenen, maar had geen nakomelingen. Barthold, Cornelis' tweede zoon, werd heer van Meinerswijk en, na het overlijden van zijn broer, ook van Loenen. Barthold van Gent heeft nog aanzienlijker betrekkingen vervuld dan zijn vader. Hij was successievelijk lid van de gelderse Rekenkamer, ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard en van 1644 tot 1648 een van de ambassadeurs van de Republiek bij de vredesonderhandelingen te Munster. Hij huwde met Elisabeth van Giessen en had, behalve zijn dochter Anna, die de vrouw van Adriaen de Cock van Delwijnen werd, drie zoons, t.w. Cornelis, Joost en Joachim van Gent. Cornelis van Gent, heer van Loenen en Neerijnen, werd in 1637 "waldgraaf", d.i. houtvester van het Nederrijkswald bij Nijmegen en was van 1654 tot 1682 ambtman van Bommel, Tieler-en Bommelerwaard, en tevens vanaf 1655 lid van de kwartiersvergadering. Joost van Gent was heer van Opijnen, gedeputeerde van het kwartier en schepen in de bank van Tuil; hij huwde met Lucia Brummer. Joachim van Gent, gehuwd met Helena Maria Drummond, erfde Meinerswijk en voerde omstreeks 1680 het bevel over een regiment infanterie. Tot zover over het geslacht Van Gent; in het archief-Ophemert komt verder nog voor de grootvader van moederszijde van de laatstgenoemde drie broers; Joost van Giessen, ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard en afgevaardigde van Gelderland in de Staten-Generaal in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt. Deze Joost van Giessen maakte o.m. deel uit van de commissie, die in 1610 naar Utrecht gezonden werd naar aanleiding van het daar toen uigebroken oproer. Hebben de lotgevallen van de geslachten Van Haeften, De Cock van Delwijnen en van Gent zich voornamelijk afgespeeld in de streken tussen Nederrijn en Maas, de personen, die we nu nog moeten behandelen, hebben bijna allen gewoond in het kwartier van de Veluwe. Het zijn de verwanten van Anna van Renesse van Wilp, de echtgenote van Barthold Mackay. De Van Renesses zijn zoals de naam aanduidt, uit Zeeland afkomstig, maar hebben zich al in de Middeleeuwen ook uitbuiten dat gewest verspreid; er bestaan nu nog takken in België en Duitsland. Door het huwelijk van Jan van Renesse in 1338 met Aleid van Lichtenberg kwam zijn tak in Utrecht; in 1505 verwierf die tak de heerlijkheid Wilp, tussen Apeldoorn en Voorst. Jan van Renesse, heer van Wulven en Wilp (1560-1609) was de eerste die in de ridderschap van de Veluwe werd beschreven. Zijn achterkleinzoon Johan Pieter van Renesse van Wilp, ambtsjonker van Rheden sedert 1730, trouwde met Judith, dochter van Coenraad van Wijnbergen. Ambtsjonkers van Rheden waren ook hun zoon Wijnand Maximiliaan Jacob en diens zoon Jan Pieter Hendrik Eleonard; beiden waren bovendien burgemeesters van Elburg. Wijnand was voorts gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe en gecommitteerde ter Generaliteit; het ambt van hoofdschout van Hattem, dat hij daarnaast nog had, liet hij door een substituut waarnemen. Hij trouwde eerst Sara Maria de Beyer, uit een nijmeegse regentenfamilie, en daarna Ernestina Lucretia van Reede van de Parkeler. Jan Pieter Hendrik Eleonard en Susanna Françoise van den Steen werden de ouders van Antje Mackay en van haar zusters Jacoba Maria, die huwde met J.D.L. Sweerts de Landas, en Wijnanda Maximiliana Susanna Jacoba, die niet trouwde. Van de aan de Van Renesses verwante geslachten komen nu alleen nog de Van Wijnbergens in aanmerking om nader besproken te worden. Zij hebben hun naam ontleend aan het goed Wimborch bij Doetinchem, dat zij vanaf 1402 bezaten. Maar al in 1460 treffen we hen aan op de noordelijke Veluwe, aanvankelijk te Harderwijk en sinds het begin van de zestiende eeuw te Elburg. De stamvader van de hier bedoelde tak is Johan van Wijnbergen, burgemeester van Elburg, in 1540 gehuwd met Alijt Dullinck. Zijn zoon Wichman van Wijnbergen, gehuwd met Wendela Ter Bruggen, was ook burgemeester van Elburg. Diens kleinzoon Johan van Wijnbergen tot het Zandt kwam in de ridderschap van de Veluwe en bracht het tot lid van de Raad van State en raadsheer in het Hof van Gelderland; hij trouwde met Geertruid van Dedem. De zoon van Johan en Geertruid, Coenraad van Wijnbergen tot de Glinthorst werd tot de ridderschap toegelaten in 1675 en was gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe van 1690 tot 1709. Coenraad huwde eveneens een freule Van Dedem en had zes kinderen, t.w. Johan, Wichman Joost, Geertruid, Judith, Henriëtte Josina en Johanna Wendelina. Johan was burgemeester van Arnhem, gecommitteerde ter Staten-Generaal, gedeputeerde van het kwartier van de Veluwe, en, op het einde van zijn leven, richter van Wageningen, Zijn zuster Judith is hiervoor al genoemd als de echtgenote van Johan Pieter van Renesse. Rechten en goederen. De "dagelijkse heerlijkheid", d.w.z. de lagere jurisdictie over het dorp Ophemert was vanaf de vroegste tijden, waarover we gegevens hebben, steeds gecombineerd met die over het aangrenzende dorp Zennewijnen. Volgens Van Spaen ontving Rudolf de Cock van Waardenburg deze heerlijkheden in 1265 van de graaf van Gelre in leen. Ofschoon Van Spaen zijn bron niet nader opgeeft zal hij wel bedoelen, dat Ophemert en Zennewijnen begrepen zijn geweest in de lenen, waarvoor Rudolf op 5 augustus van dat jaar zijn bezittingen tussen Lek en Linge in ruil aan de graaf afstond; deze worden in de desbetreffende oorkonde omschreven als de hoven Hiern, Neer- en Opijnen en Meteren. De heren van Waardenburg gaven Ophemert en Zennewijnen naderhand als achterleen uit aan een jongere tak van hun eigen familie. De eerste achterleenman moet Zweder van Waardenburg geweest zijn, de tweede zoon van Johan de Cock, vierde heer van Waardenburg. Deze Zweder wordt vermeld in 1368 en is gestorven in 1404. In 1521 bracht zijn afstammelinge Johanna van Waardenburg de heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen in bij haar huwelijk met Johan Schenk van Nydeggen. Johanna's broer Dirk van Waardenburg kocht ze van hen in 1548, maar verkocht ze op zijn beurt in 1552 aan Frederik van Haeften, in wiens geslacht ze, zoals in paragraaf I is meegedeeld, zijn gebleven tot 1844, toen Barthold Mackay ze erfde. Het enige bijkomende heerlijke recht, dat de heren van Ophemert van het huis Waardenburg in leen hielden, was dat van de rosmolen. Het veer tussen Zennewijnen en Dreumel over de Waal behoorde niet bij dit leen; het werd pas in 1707 verworven door aankoop van Zeger van den Steenhuys en was een leen van de Staten van Gelderland. Het aantal bewaard gebleven stukken, dat betrekking heeft op de heerlijke rechten en de uitoefening daarvan is niet heel groot. Nog minder archivalia zijn hier aanwezig van de heerlijkheid Wadenoyen. Dit "dagelijks gericht" wordt als leen van Gelre voor het eerst vermeld in 1380; het komt dan in het bezit van een vrouwe van Langerak. In 1469 worden de Van Hemerts heren van Wadenoyen en blijven dat, totdat Johan de Cock van Delwijnen het leen erft van zijn moeder Maria van Hemert in 1605. In 1725 gaat Wadenoyen over aan de Van Haeftens, maar na de dood van Johan Walraven de Cock van Haeften verkopen diens erfgenamen het op 30 december 1786 aan Evert Jan van Nykerken en Nyvenheim. Het veer over de Linge bij Avezaath werd in 1698 door Johan de Cock van Delwijnen afzonderlijk aangekocht van de erfgenamen van Adriana van Maren en door de erfgenamen van Johan Walraven de Cock van Haeften in 1792 weer verkocht aan Gerrit van Goor. Ook dit veer was een leen van de Staten geweest. In vele plaatsen was de dagelijkse heer vanouds tevens patroon van de parochiekerk. Te Ophemert evenwel is hij dat pas in later tijd geworden. De eigenlijke kerspelkerk, die gewijd was aan Sint Lambertus, werd in 1028 door de bisschop van Utrecht geschonken aan het klooster Hohorst, de latere Sint-Paulusabdij. Deze abdij verkreeg na 1328 ook het patronaatsrecht van de Sint-Maartenskerk. Dit was oorspronkelijk de kerk van de commanderij der Duitse Orde, welke tot 1315 te Ophemert was gevestigd en vervolgens naar Tiel werd overgeplaatst. Terwijl de parochie als zodanig waarschijnlijk niet gesplitst werd zijn beide kerkgebouwen tot aan de reformatie door de parochianen gebruikt. Daarna is de Sint-Maartenskerk voor de hervormde eredienst bestemd en de Sint-Lambertuskerk in verval geraakt. De bezittingen van de abdij van Sint Paulus werden voortaan beheerd door de Staten van Utrecht en deze verkochten op 31 juli 1720 alle landen, tienden en tinsen van de abdij onder Ophemert en Driel aan Reinier van Haeften. In de akte van overdracht wordt het collatierecht weliswaar niet uitdrukkelijk genoemd, maar waar de verkoop ook de tienden omvatte zullen beide partijen stilzwijgend hebben aangenomen, dat dit recht mee overging. Van 1725 af althans begaven de heren van Ophemert de predikantsplaats zonder dat dit ooit aangevochten werd. Aeneas Mackay heeft omstreeks 1870 formeel afstand gedaan van dit collatierecht, nadat hij al enige tijd daarvóór van de feitelijke uitoefening ervan uit eigen beweging had afgezien. Anders was het gesteld met de collatie van de vicarieën, welke in de twee kerken van Ophemert hebben bestaan. Het waren er zes: die van Sint-Barbara, het Heilig Kruis, Sint Catharina en Onze Lieve Vrouwe in de Sint-Maartenskerk, nog een van O.L. Vrouwe in de Sint-Lambertuskerk en een Sint-Pietersvicarie, waarvan we niet weten in welke kerk ze gefundeerd was. Zijn de heren van Waardenburg de stichters van deze vicarieën geweest? In ieder geval beschouwden zij zich al vóór de reformatie als eigenaars en beleenden zij de dagelijkse heren van Ophemert ermee. De aanwezigheid van vicariegoederen kreeg in de zeventiende eeuw opnieuw betekenis, omdat de pastoriegoederen op verre na niet meer toereikend waren en de tractementen van predikant en schoolmeester en de middelen tot onderhoud van het kerkgebouw uit deze bronnen konden worden aangevuld. Op den duur verdween de herinnering aan de afzonderlijke stichtingen, zodat men sedert de tweede helft van de achttiende eeuw ging spreken van "de vicarie" van Ophemert in het enkelvoud. Ook werd gaandeweg het beheer van de vicariegoederen met die van de pastorie vermengd. Het voornaamste onroerend goed van de families, die het archief Ophemert gevormd hebben, is het kasteel van die naam. Dit was niet zoals de heerlijkheid een achterleen van Waardenburg; de hertogen en later de Staten van Gelderland beschikten er rechtstreeks over. Wel waren zij, die het huis in leen hielden, steeds dezelfde personen als de dagelijkse heren. Bij de belening van het huis behoorden de maalplicht van de windmolen en een aantal landerijen. Wanneer het huis gebouwd is is niet precies bekend, maar op grond van de oorspronkelijke vorm - die van een rechthoekige woontoren - mag men denken aan het einde van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw. Het aanvankelijk uiteraard kleine slot werd in de latere Middeleeuwen vergroot, maar die vergroting werd gedeeltelijk weer ongedaan gemaakt door een ingrijpende verbouwing, die in het laatste kwart van de zeventiende eeuw, waarschijnlijk wegens beschadiging tengevolge van de franse inval van 1672, werd ondernomen. Het kasteel kreeg toen de gedaante, welke het thans nog heeft. Het verkeert, na enige tijd minder goed bewoonbaar te zijn geweest, tegenwoordig weer in uitstekende staat, dank zij de grondige herstellingen, die in de jaren 1954-1957 met medewerking van de rijksdienst voor de Monumentenzorg werden uitgevoerd. Dat de Van Haeftens en de Mackays goederen en rechten bezaten te Ophemert en in de omgeving van die plaats ligt voor de hand. Daarnaast hebben zij, evenals de De Cocks van Delwijnen en de van Gents ook buiten de Tielerwaard vrijwat hofsteden, landerijen, tienden enz. verworven. Dit bezit lag verspreid in Gelderland, voornamelijk in de Bommelerwaard, het Land van Maas en Waal, en Over- en Nederbetuwe en het Rijk van Nijmegen, voor een kleiner deel ook in de graafschap Zutphen en voorts nog hier en daar in Zuid-Holland, Utrecht, Limburg en Noord-Brabant. De Van Renesses en de Van Wijnbergens waren gegoed op de Veluwe. Voor de meeste van die bezittingen zijn genoeg toelichtingen in de inventaris zelf te vinden; hier willen wij daarom alleen nog met een enkel woord spreken over twee goederen, die door hun bizondere aard op vallen, n.l. de havezate Merwijck te Bergharen (inv. nrs. 1243, 1247 en het tijnsland onder Randwijk (inv. nr. 1460, reg. nr. 17). Zie voor vervolg de website van het Nationaal Archief (www.gahetna.nl).
De oudste geschiedenis van de familie Veegens is op een levendige manier beschreven in de "Herinneringen uit het begin dezer eeuw" door de negentiende-eeuwse historicus Daniel Veegens. Te zijner nagedachtenis werd zij, fragmentarisch als zij was, opgenomen in een bundel Historische Studiën, die kort na zijn overlijden in 1884 werd uitgegeven. In 1979 voltooide zijn kleinzoon mr D.J. Veegens een handgeschreven genealogie onder de titel Vier eeuwen Veegens, waarin van de voornaamste personen levensbeschrijvingen zijn opgenomen. De eerste Veegens waarvan papieren bewaard zijn gebleven, is Dirk (1723-1797), gereformeerd predikant in Ilpendam, Vlissingen en Haarlem, die naast zijn herderlijk ambt ook letterkundige arbeid verrichtte. Zijn zoon Dirk (1762-1801) vestigde zich als arts in Haarlem en zou daar een gezagvolle notabele zijn geworden, als hij niet vroegtijdig aan een tyfus-epidemie was bezweken. Zijn echtgenote, Johanna Wilhelmina Vijgh (1772-1806), hertrouwde kort daarop met Pieter Hamminck Schepel, adjudant van Daendels. In 1806 stierf zij in het kraambed. Haar man kwam in 1812 om tijdens de veldtocht van Napoleon naar Rusland. Haar vroeg verweesde kinderen kwamen nu onder de zorg van haar moeder, Maria Vriends, weduwe van de boekdrukker Daniël Vijgh (1748-1793). Daniël was afkomstig van een oorspronkelijk doopsgezinde familie, waarvan de nakomelingen in de achttiende eeuw zich toelegden op de letterkunde en zich aansloten bij de patriotten. De eruditie van deze familie was van grote invloed op de opvoeding van de kinderen Veegens. De oudste, Dirk Jacob Veegens (1798-1861), kandidaat in de letteren, brak zijn studie af om praeceptor te worden aan de Latijnse school in Haarlem. In 1846 werd hij rector aan de Latijnse school van Amsterdam. Hij beschikte over een brede kennis op allerlei gebied, promoveerde in 1839 op een klassiek onderwerp, maar had dat evengoed in de rechten kunnen doen. Van belang van de kennis van zijn leven en zijn opvattingen zijn vooral de brieven aan zijn broer Daniel. 2. Daniel Veegens Reeds vroeg verweesd werd Daniel Veegens vanaf 1806 door zijn grootouders van moederszijde, de boekdrukkersfamilie Vijgh, opgevoed. Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1813 begon hij zijn loopbaan als notarisklerk. In 1820 trad hij echter in dienst als klerk bij de hoofdinspectie van het lager en middelbaar onderwijs. Sedertdien reisde hij vaak met schoolinspecteur A. van den Ende mee naar de Zuidelijke Nederlanden. Op 1 januari 1828 werd hij op proef aangenomen in de redactie van de Nederlandsche Staatscourant; officiële aanstelling volgde bij beschikking van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 9 februari 1828, nr. 1, geheim. Doordat zijn benoeming eerst bij Koninklijk Besluit van 14 september 1836, nr. 28, bekrachtigd werd, was dit lange tijd een functie met een onzekere rechtspositie. In maart 1847 benoemde de Tweede Kamer hem tot griffier. In deze functie vergrijsde hij, tot hij zich op 81-jarige leeftijd om gezondheidsredenen terugtrok. Hij werd in de Kamer een alom geachte en vertrouwde persoonlijkheid, op wie men achter de schermen vaak een beroep deed. In het jaar van zijn ontslagname, 1881, werd hem door de Utrechtse universiteit het eredoctoraat in de rechten toegekend. Veegens had zich namelijk, geïnspireerd door de eruditie van de boekhandelsfamilie Vijgh en door de wetenschappelijke loopbaan van zijn broer Dirk Jacob, in zijn vrije tijd aan de geschiedschrijving gewijd. In tal van tijdschriften publiceerde hij artikelen over historische persoonlijkheden, voornamelijk uit de tijd van Frederik Hendrik en Johan de Witt. Verder beoefende hij op dusdanige wijze de historische topografie, dat hem in 1879 door het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid werd opgedragen een officiële beschrijving van de Hofkapel in het Haagse Binnenhof samen te stellen. Op 28 april 1884 overleed Veegens, waardoor hij tal van geschiedkundige werken onafgeschreven moest laten. 3. Jacob Dirk Veegens Op 22 januari 1845 werd Jacob Dirk Veegens in Den Haag geboren als zoon van Daniël en Anna Maria van Baalen. Na een schoolopleiding aan het Gymnasium Haganum schreef hij zich in 1863 in aan de faculteit der rechten aan de Leidse universiteit. Daar bleek hij, door zijn redacteurschap van de studentenalmanak en zijn bemoeienis met het novitiaat in het Corps, een actief student met essayistische begaafdheden te zijn. In debatingclubs toonde hij zich een enthousiaste leerling van de econoom S. Vissering, bij wie hij in 1868/69 promoveerde over "De banken van leening in Noord-Nederland". Na zijn studie was hij correspondent in de Tweede Kamer voor het Haagse dagblad Het Vaderland, dat toen onder redactie stond van zijn geestverwant H. Goeman Borgesius. Hij beëindigde zijn werkzaamheden bij dit blad in 1872, omdat hij zich toen als advocaat en procureur in Brielle vestigde. Niettemin bleef hij de plaatselijke kranten van parlementair commentaar voorzien, waarbij hij vooral van leer trok tegen de conservatieve regeringspartij. In 1874 vestigde hij zich wederom in Den Haag, waar hij naam begon te maken als politiek essayist en rechtsgeleerde: hij publiceerde enkele kleine monografieën over het auteursrecht en het faillissementsrecht, en artikelen over de Franse Revolutie, waarin hij de personen en politieke opvattingen van de Jacobijnen besprak. In 1873 publiceerde hij een soort program in De Gids onder de titel Politieke Gedachten van een Leek. Hij schaarde zich hiermee onder de prominente jong-liberalen, die vanaf 1874 een eigen spreekbuis hadden in het maandblad Vragen des Tijds. De scherpe literaire criticus Busken Huet oordeelde hierover "Onder de redacteuren ... is de heer Veegens de enige die talent van schrijven heeft". In die periode verkeerde het constitutionele stelsel door de buitenparlementaire oppositie tegen de Schoolwet van het kabinet Kappeyne van de Coppello in een crisis. Veegens zag de oplossing in de oprichting van een Comité voor Algemeen Stemrecht, dat ijverde voor kiesrecht voor vrouwen. Volgens Veegens moest de volksvertegenwoordiging "de photographie der natie" zijn. Omdat toekenning van alle burgerrechten de oplegging van alle burgerplichten impliceerde, toonde Veegens zich eveneens voorstander van de algemene dienstplicht. Tevens pleitte hij voor staats-inmenging ter oplossing van het arbeidsvraagstuk en sociale wetgeving: zijn opvattingen kwamen sterk overeen met de Owenistische initiatieven van de Delftse fabrikant J.C. van Marken, voor wie hij grote bewondering had. Necrologieën in liberale bladen beschreven hem dan ook als "een onzer kathedersocialisten" en "min of meer staatssocialistisch". In 1881 volgde hij zijn vader op als griffier van de Tweede Kamer: alom beschouwde men hem als "een verjongde uitgave van zijn vader", wiens voorkomen en optreden in de loop der decennia karakteristiek was geworden! Bij invloedrijk parlementair werk achter de schermen bleef het echter niet: in 1888 werd hij als kandidaat voor de unieliberalen gekozen door het district Groningen. Als kamerlid schaarde hij zich ter linkerzijde. Hij liet zich kennen als een gedegen, zijn teksten tot in de puntjes voorlezende docent die van elke redenaarskunst was verstoken, doch die om zijn inhoudelijke bijdragen respect inboezemde. Hij steunde de kieswet-Tak van 1893 en stemde in 1896 tegen de hem te beperkte kieswet-Van Houten. Zelfs voerde hij oppositie tegen de hem te behoudende ongevallenwet van het geestverwante kabinet-Pierson in 1899. Van 1899 tot 1901 was hij tweede vice-voorzitter van de Kamer. Voorbereidende arbeid bij de wetgeving leverde hij bovendien in de belangrijke Staatscommissie van enquête naar de arbeidstoestanden in 1890 en in de Staatscommissie voor de droogmaking van de Zuiderzee in 1892. In 1901 stelde hij zich voor de Vrijzinnig Democratische Bond verkiesbaar als kandidaat in Hoogezand. Deze partij had zich in datzelfde jaar van de Liberale Unie afgesplitst en zou, mede onder invloed van Veegens, tenderen om op enkele parlementaire vraagstukken met de aan invloed winnende sociaaldemocraten samen te werken. Veegens verloor de verkiezingen; in zijn plaats werd een sociaaldemocraat gekozen. Opnieuw kon hij zich daardoor aan juridische studie wijden; in hetzelfde jaar verscheen zijn monografie Het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Hij werd in 1903 weer in de staatspolitiek betrokken als voorzitter van de Staatscommissie van enquête omtrent het spoor- en tramwegpersoneel, om het sociale antwoord van de regering te vinden op de spoorwegstakingen, die tot een revolutionaire beweging dreigden uit te groeien. In 1904 werd hij tot lid van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten benoemd. Toen er na de val van het coalitie-kabinet-Kuyper in 1905 een "uit onvoorzichtigheid geboren" ministerie van liberale signatuur aan het bewind kwam, vertegenwoordigde Veegens met E. van Raalte de vrijzinnig-democratische stroming. Veegens beheerde het nieuw opgerichte departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, waar hij weldra een eigen stempel op drukte door het organisatorisch uit te bouwen. Een aparte Afdeling Handel werd opgericht en Veegens wist op doortastende wijze kredieten voor scheepvaartverbindingen naar Latijns Amerika gevoteerd te krijgen. Nog intensiever was zijn bemoeienis met de sociale wetgeving: hij diende naast vele kleine ontwerp-wetten een ontwerp-wet op de ziektever-zekering, de ongevallenverzekering en de ouderdomsverzekering in. Zij kwamen echter niet in behandeling in de Tweede Kamer als gevolg van de val van het kabinet-De Meester in 1908 door de zwakte van de coalitie. Zijn opvolger, de antirevolutionaire A.S. Talma, trok de ontwerpen in. Indrukwekkend was zijn optreden in de waarneming van het departement van Waterstaat als vervanger van dr ir J. Kraus, toen in februari 1906 door een stormramp de polders bij Rilland Bath verloren dreigden te gaan. Met het argument "men stopt geen dijken met papier, maar met cement" wist hij een versneld krediet voor de redding van deze polders te bewerkstelligen. Veegens bleef actief op staatkundig terrein: in 1909 stelde hij zich opnieuw kandidaat voor de Tweede Kamer, maar vergeefs; hij werd voorzitter van de Tiendcommissie, die de gevolgen moest regelen van de door hemzelf tot stand gebrachte wet op de afschaffing der tienden. Op 27 december 1910 werd hij door de dood uit het politieke leven weggerukt. 4. Dirk Jacob Veegens De kwaliteiten van Jacob Dirk Veegens "als toegewijde en opgewekte man en vader kwamen" eerst na diens tweede huwelijk in 1895 "tot volle ontplooiing". Op 8 augustus 1899 werd Dirk Jacob Veegens geboren. Deze promoveerde in 1924 in de rechten en vestigde toen een advocatenpraktijk. Vanaf 1927 was hij werkzaam als plaatsvervangend Rijksadvocaat, later werd hij ook Rijksadvocaat. In 1940 werd hij benoemd tot auditeur-militair bij de Krijgsraad in 's-Gravenhage en als zodanig was hij betrokken bij de afdoening van krijgstuchtelijke feiten, bedreven tijdens krijgshandelingen van Nederlandse militairen na de Duitse inval op 10 mei. Ook werd hij in 1943 als krijgsgevangene naar Duitsland weggevoerd. Veegens stelde zijn ervaringen te boek en na zijn pensionering als rijksadvocaat en raadsheer bij de Raad van Cassatie legde hij ook enkele belevenissen tijdens zijn werkzaamheden voor de krijgsraad voor de geschiedenis vast. Zijn historische belangstelling kwam ook tot uiting in enkele levendig opgestelde genealogische 'beschrijvingen.
* Deze biografische schets verscheen eerder in Liber amicorum H.J.L. Vonhoff. Opstellen over politiek, bestuur en management (Den Haag 1996), maar is voor de periode 1996-2004 geactualiseerd. 'Een gigant. Niet alleen door zijn verstand, zijn werkkracht, zijn kennis en zijn geheugen, maar bovenal door zijn persoonlijkheid. ... Daar heeft hij zijn werk verricht met de volle overgave van een gegrepene. Gegrepen vooral door zijn concrete taken die hij rondom zich ziet. ...Het vinden van organisatievormen waardoor de mens zich vrij kan ontplooien en tezelfdertijd de maatschappij daardoor het best in stand houdt, dat is het doel dat hij zich bij zijn arbeid voor ogen stelt.' Zinsneden met een biografische lading, die op de persoon van Vonhoff van toepassing zijn. Maar in oorsprong hadden zij een ander tot subject. Sterker nog, ze zijn niet geschreven voor Vonhoff, maar door hem! Zijn adoratie betrof de staatsman prof. mr. P.J. Oud, burgemeester van Rotterdam en leider van de VVD. Zijn bewondering voor Oud dateert al van kort na de oorlog en is in de twintig jaren nadien geworden tot een relatie wijze, oude leermeester en jonge, ambitieuze leerling. Oud noemt Vonhoff in 1965 'mijn jonge vriend', een epitheton waar de laatste nog steeds trots op is. Hun beider carrières vertonen opvallende gelijkenissen: voortgekomen uit een vrijzinnig en sociaal bewogen milieu, dezelfde middelbare school in Amsterdam bezocht, uitblinkers in het vak geschiedenis, met een links-liberale signatuur, jong in de actieve politiek werkzaam, Kamerlid, burgemeester van een grote stad, bijzonder hoogleraar. Wat hen onderscheidt is dat Oud gedurende anderhalf decennium invloedrijk was in de landspolitiek en Vonhoff eenzelfde periode het ambt van commissaris van de Koningin in de provincie Groningen bekleedde. Een geboren Amsterdammer Hendrik Johan Lubert Vonhoff werd op 22 juni 1931 geboren in Amsterdam als zoon van Lubert Vonhoff en Wilhelmina E.J. Schober. Zijn vader werkte op dat moment bij een accountantskantoor in Amsterdam. Zijn geboortehuis stond aan de Hoofdweg, maar daar woonde het gezin Vonhoff slechts kort. Op zoek naar werk verhuisde het in korte tijd naar Driehuis-Westerveld, Haarlem en weer terug naar Amsterdam. Op zijn vierde jaar kwam Vonhoff in de Pieter van der Doesstraat in Amsterdam-West, een nette etagewoning zoals er zovele waren in Amsterdam: een stoep met vier deuren naast elkaar, een trap, een portaal en twee woningen boven elkaar. Lager onderwijs genoot hij aan de Coppelstokschool, waarna hij naar de Eerste Vijfjarige HBS aan de Keizersgracht ging. De Tweede Wereldoorlog maakte Henk Vonhoff dus mee als schoolkind en hbs-er. De herinneringen aan deze tijd staan hem nog voor de geest: in de eerste oorlogsjaren vreemde uniformen op straat, verduistering van de ramen, veel beweging en lawaai in de lucht. Vader Vonhoff, van huis uit socialist, werd actief voor de Nederlandsche Unie, hetgeen de jonge Vonhoff regelmatig tot slachtoffer van NSB-jongetjes maakte. Nog steeds is hij van mening dat de Unie in de geschiedschrijving te negatief behandeld is. De Unie was voor veel mensen de eerste stap naar verzet tegen de overheerser. Korte tijd heeft de familie een joodse onderduiker in huis gehad. Als schokkend herinnert hij zich het gedwongen ontslag van een joodse onderwijzeres op zijn school. Precies op zijn tiende verjaardag viel Hitler Rusland binnen. Of deze samenloop zijn interesse in het wereldgebeuren stimuleerde is onduidelijk. Zeker is dat hij sindsdien samen met zijn zeven jaar oudere broer Jan krantenknipsels verzamelde over de oorlogsontwikkelingen; een collectie die hij nog steeds met zorg bewaart. Als jong HBS-er werd hij lid van de Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie, een van de weinige organisaties die niet door de bezetter verboden was. Hoewel de doelstelling van de bond zonder meer gericht was op de flora en fauna, kreeg de club toch door het karakter van zijn leden een andere lading. Doordat radicale jongeren als de latere communist Wim Klinkenberg, de latere commissaris van de Koningin Roelof de Wit en de bioloog Dick Hillenius lid waren, kon men gerust van een broeinest van verzet spreken. Vonhoff werd op voorspraak van De Wit ('hij is politiek betrouwbaar') toegelaten tot de vogelwerkgroep. Hij behaalde zijn HBS-A-diploma aan de Eerste Openbare Handelsschool aan het Raamplein in 1949. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde hij enkele jaren sociografie, een vak dat volgens de progressieve Amsterdamse school sociale geografie was, maar neigde naar de sociologie. Ontevreden over dit vak maakte hij in 1952 de overstap naar de studie geschiedenis. Aangezien de militaire dienstplicht hem onder de wapenen riep, trachtte hij zich het vak geschiedenis door eigen studie meester te maken. Dat lukte niet, zodat hij zich inschreef bij de Vrije Leergangen van de Vrije Universiteit. In 1958 behaalde hij de MO-akte, waarmee hij de bevoegdheid kreeg algemene geschiedenis te doceren, het jaar daarop ook de vaderlandse geschiedenis. In feite deed hij dat al sinds 1957, toen hij als onbevoegd leraar aan de 2e Driejarige HBS in De Zocherstraat in Amsterdam was gaan werken. Inmiddels was Vonhoff al gehuwd man en vader. In 1953 was hij in het huwelijk getreden met Louise Luyendijk. Het gezin Luyendijk woonde in Limburg, omdat vader werkzaam was bij de Staatsmijn Maurits, maar het was van oorsprong afkomstig uit Holland en niet katholiek. Loes Luyendijk was in 1926 in Heerlen geboren. Haar vorming kreeg zij ook in Heerlen: eerst de middelbare school, daarna de opleiding tot huishoudkundige. In 1949 werd zij studente aan de sociale academie in Sittard, waar zij zich specialiseerde in het bedrijfsmaatschappelijk werk. Juist voor zij voor haar beroep -maatschappelijk werkster -naar Amsterdam zou gaan, ontmoette zij een studiegenoot van haar broer, Henk Vonhoff. Deze zorgde voor onderdak voor haar in Amsterdam. De meest praktische oplossing was: in het ouderlijk huis Vonhoff. Na haar opleiding functioneerde zij in verschillende bedrijven als maatschappelijk werkster. Het huwelijk van Henk Vonhoff en Loes Luyendijk bracht drie kinderen voort: de dochters Yolande (1957) en Caroline (1958) en zoon Lubert-Jan (1961). Het gezin woonde eerst aan de Admiraal de Ruyterweg, verhuisde toen naar Amsterdam-Nieuwendam (Nibbixwoudstraat) en kreeg toen een woning aan de Willem Mollhof, een straat in Amsterdam-Slotervaart. Daarna woonden de Vonhoffs nog een klein jaar aan de Stadionkade in Zuid. Te links voor de VVD De politiek trok Vonhoff al vroeg. Gedurende de oorlogsjaren interesseerde hij zich oprecht voor de wereldgebeurtenissen. Zijn oudere broer Jan maakte hem enthousiast voor de politiek. Als jong HBS-er nam hij kennis van het plan-Bolkestein, een al uit 1939 daterend wetsontwerp van minister G. Bolkestein om het voortgezet onderwijs te herstructureren. Hij had hiertegen bezwaren en meldde zich in 1946 bij het secretariaat van de juist opgerichte Partij van de Arbeid. Daar werd hij de straat weer op gestuurd. Als vijftienjarige jongen -'mager, maar wel met die luide stem' -ging hij vervolgens naar de eveneens net opgerichte Partij van de Vrijheid. Het Kamerlid mevrouw A. Fortanier-De Wit zag wel wat in de jongeling en nodigde hem uit in haar huis in Amsterdam-Zuid. Het politieke vuur werd hem na aan de jonge schenen gelegd, maar mevrouw Fortanier nam hem serieus, hetgeen Vonhoff deed besluiten lid te worden van de Partij van de Vrijheid. Prehistorie van de VVD Voor een goed begrip van de naoorlogse situatie is enige kennis van de partijpolitieke verhoudingen in die tijd vereist. Vóór de Tweede Wereldoorlog waren twee partijen actief die hun kiezers zochten onder de niet-confessionelen en de niet-socialisten en die de vrijzinnigheid koesterden: de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) en de Liberale Staatspartij (LSP). De VDB was wat linkser georiënteerd dan de LSP. Al gedurende de oorlog waren in het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel door de daar geïnterneerde politici (zoals dr. W. Banning -SDAP -, prof. mr. P. Lieftinck - CHU -, prof. dr, ir. W. Schermerhorn en mr. dr. A.M. Joekes -VDB - en de Nederlandsche Unie-leden prof. dr. J.E. de Quay en mr. L. Einthoven) ideeën ontwikkeld om na de herwonnen vrijheid te komen tot een doorbraak in de verzuilde politieke structuren. De gedachte was zelfs één nationale volksbeweging op te zetten, maar dit initiatief kreeg onvoldoende bijval. Zowel de LSP als de VDB herstelden zich na de oorlog. De eerstgenoemde bleef een zeer behoudende koers varen, terwijl de VDB zich als progressief profileerde. De belangrijke voorman was de burgemeester van Rotterdam, mr. P.J. Oud. Na uitgebreide discussies besloot de VDB in 1946 met de SDAP een brede volkspartij te formeren, die de naam Partij van de Arbeid kreeg. De LSP kwam aldus enigszins in een isolement, tot verdriet van met name de jongeren, verzameld in de jongerenorganisatie Bond van Jonge Liberalen (BJL). Op instigatie van vooral drs. H.A. Korthals werd mr. D.U. Stikker, directeur van de Heineken Brouwerij, benaderd om als vlag op een nieuw partij-schip te dienen: de Partij van de Vrijheid (PvdV). De LSP stemde in met de oprichting van deze nieuwe partij, die in maart 1946 zijn beslag kreeg. De oude liberalen hieven zich vervolgens zelf als partij op. Bij de eerste naoorlogse verkiezingen in mei 1946 verwierf de nieuwe partij ruim 6% van de stemmen, ofwel zes (van de honderd) zetels in de Tweede Kamer. De eveneens nieuwe Partij van de Arbeid kreeg 29 zetels. Van deze PvdV werd Vonhoff dus als zeer jong broekje lid. Al in 1947 werd hij op kadercursus gestuurd in het chique Americain-hotel. In het najaar van 1947 stapte Oud uit de Partij van de Arbeid, die hem niet bracht wat hij ervan verwacht had. Hij zocht toenadering tot de PvdV, waar hij met open armen werd ontvangen. Een Comité tot voorbereiding van de oprichting van een Democratische Volkspartij, het Comité-Oud genoemd, en de PvdV gingen in onderhandeling, hetgeen op 24 januari 1948 resulteerde in de totstandkoming van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Voorzitter werd na enkele maanden Oud. De jonge Vonhoff ondersteunde deze ontwikkeling door zijn lidmaatschap van de VVD, evenals van de in 1949 opgerichte Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie (JOVD). Eerste bestuursactiviteiten In 1952, op zijn 21e jaar, werd hij verkozen tot bestuurslid van de afdeling Amsterdam van de VVD. Bij die gelegenheid ontmoette Vonhoff ook de VVD-voorman Oud voor het eerst. Oud kwam in Amsterdam enkele dagen vóór de verkiezingen speechen. Het verslag van zijn rede in Het Parool was echter zo slecht dat het de VVD eerder kwaad dan goed zou doen. In allerijl regelde Vonhoff, in overleg met Oud, een rectificatie, die nog juist op tijd gepubliceerd werd. Vanaf die tijd onderhielden beiden de contacten. Het ging de VVD in de jaren vijftig voor de wind. Het ledental groeide van ruim 22.000 in 1948 tot ongeveer 35.000 in 1959 en het aantal zetels in de Tweede Kamer nam toe van 8 tot 19 (waarbij er rekening mee gehouden moet worden dat in 1956 er 150 in plaats van 100 zetels te vergeven waren). Ook de Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie (JOVD) groeide van 350 bij de oprichting tot zo 'n 2000 in 1960. De bezielende en straffe leiding van Oud heeft deze gunstige ontwikkeling zeker gestimuleerd. Aan het einde van het decennium traden er echter krimpscheuren in de partij op, die al spoedig tot grote beroering leidden. Aanleiding was de diepe kloof tussen de voorzitter van de Eerste Kamerfractie en ondervoorzitter van de VVD, mr. Harm van Riel, en de voorzitter van de Tweede Kamerfractie en partijvoorzitter Oud. Van Riel wilde na de verkiezingen van 1959 wel minister worden, eventueel ook wel partijvoorzitter, maar Oud achtte dat een bijzonder ongewenste zaak. De tegenstelling tussen beide voormannen, gevoed door het verlies bij de Provinciale Statenverkiezing van 1962 en actuele politieke zaken als de Nieuw-Guinea-kwestie in 1962, deden de roep om verandering in de partij steeds luider klinken. Vernieuwingsgezinde partijleden (oud-leden van de JOVD en mensen rond Liberaal Reveil) onder aanvoering van dr. H.J. Roethof verenigden zich in het Liberaal-Democratisch Centrum. Ook de kamercentrales en afdelingen gingen zich met de gang van zaken bemoeien. Uit deze geledingen kwamen ook de vooruitstrevende nieuwlichters, zoals Vonhoff uit Amsterdam en mr. Frits Korthals Altes, die in Rotterdam werkzaam was. Beide ambitieuze jonge mannen werden in die tijd beschreven als 'rebels' en 'links'. Vonhoffs thuisbasis, de afdeling Amsterdam, stond bekend als een conservatief bolwerk. Toen hij er in 1959 afdelingssecretaris werd, sprak men van een omslag naar 'links' die in Den Haag met argusogen werd bekeken. De controverse Oud-Van Riel ging gaandeweg over in een tegenstelling tussen partijbestuur en kamercentrales, in welke laatste rebellen als Vonhoff en Korthals van zich lieten horen. De kamercentrales eigenden zich bij de opvolging van Oud meer macht toe dan waarop ze in wezen recht hadden. De cumulatie van functies die in het conflict tussen Oud en Van Riel zo bepalend was geweest, werd aangepakt en een reorganisatie van de partijstructuur werd in 1962 vastgelegd. De kamercentrales kregen een vaste vertegenwoordiging in het hoofdbestuur van de partij. Voorzitterschap van partij en kamerfracties werd onverenigbaar verklaard. Als opvolgers van Oud werd een beroep gedaan op mr. E.H. Toxopeus, die bereid bleek als lijsttrekker van de VVD in de verkiezingen van 1963 te willen optreden. Prof. dr. H.J. Witteveen werd genoemd als nieuwe partijvoorzitter, maar zover kwam het niet: zowel Toxopeus als Witteveen werden minister. Ir. K. van der Pols werd partijvoorzitter. De jongeren uit de kamercentrales, Vonhoff en Korthals Altes, kregen als assessor in het dagelijks bestuur de kans om hun kritiek in daden om te zetten. Sommige leden als mr. H.P. Talsma en de oud-minister S.J. van den Bergh vonden vooral Vonhoff te links. Oud wilde echter ook de afdeling Amsterdam, in een paar jaren van conservatief tot roerig geworden, in het bestuur vertegenwoordigd hebben. In de jaren 1963-1971 was Vonhoff lid van het dagelijks bestuur van de VVD. Het bestuur was vrijwel geheel vernieuwd. Lid waren onder anderen de partijvoorzitter Van der Pols, de burgemeesters jhr. mr. W.H.D. Quarles van Ufford en drs. J.A.F. Roelen, en mr. F. Korthals Altes. Vonhoff en Korthals Altes kregen de handen vrij om de organisatie van de partij te verbeteren. Een enquête onder de leden had in 1965 duidelijk gemaakt dat dat gewenst was. Ledenwerving en propaganda werden dan ook meer gecentraliseerd en gemoderniseerd onder leiding van Vonhoff. Hij was ook secretaris voorlichting van de VVD. Direct in 1963 en 1964 richtte het bestuur een radio- en televisiecommissie en een landelijke propagandacommissie op, waarvan Vonhoff ook de leiding kreeg. Dat een verjonging nodig was, bleek wel uit het feit dat een in 1966 opgerichte partij van jonge democraten veel leden van de VVD wegtrok. Misschien was de kritische generatie net te laat opgekomen om het succes van D66 te verhinderen. Dat het de partij wakker schudde, is duidelijk. Op voorstel van Vonhoff in 1967 werd in 1969 besloten tot centralisatie van ledenadministratie en contributie-inning. Daarmee, en met contributieverhoging, trachtte het bestuur een eind te maken aan de moeilijke financiële situatie, waarin de partij verkeerde. Daarnaast probeerde men het partijkader meer te activeren. Door regionale kadercursussen en een grotere doorstroming in landelijke commissies en plaatselijke besturen moest er meer leven in de brouwerij komen. Lastig element bleef voortdurend dat liberalen zich per definitie niet graag laten organiseren, In 1969 werd de VVD de eerste politieke partij in Nederland met een vrouwelijke voorzitter. Als opvolgster van Van der Pols werd mevrouw Haya van Someren-Downer gekozen, een ervaren politica. Auteur Zijn (actieve) politieke belangstelling wist Vonhoff ondertussen te koppelen aan wat men van een in de geschiedbeoefening opgeleide verwacht: onderzoek en publicatie. Weliswaar was Vonhoff tot leraar geschiedenis gevormd en niet tot wetenschapper, toch beschouwde hij het als een uitdaging om van zijn belangstelling en zijn kunnen op schrift gewag te doen. In 1965 verscheen zijn boek De zindelijke burgerheren. Een halve eeuw Liberalisme bij uitgeverij Hollandia in Baarn. In deze studie verdiepte Vonhoff zich in het liberalisme in de eerste helft van de twintigste eeuw, de tijd dat de liberalen nog 'zindelijke burgerheren' waren, zoals de dichter Jan Greshoff ze beschreef. Burgerheren 'die geen flauwe notie hebben van wat werkelijk leeft bij "de mindere man"', aldus Vonhoff. Een tijd ook van schijnzekerheid, 'omdat de wezenlijke ontmoeting met de andersdenkende werd vermeden'. Daarmee toonde Vonhoff zijn links-liberale gezicht. Een tweede boek verscheen in 1969: Bewegend verleden. Een biografische visie op prof. mr. P.J. Oud. Uitgever Samsom in Alphen aan den Rijn had Vonhoff na het overlijden van Oud in 1968 benaderd voor het schrijven van een biografie over deze liberale staatsman. In feite had Vonhoff al een basis hiervoor gelegd in een reeks gesprekken, die hij in 1967 en 1968 met prof. Oud had gevoerd. Oud was toen erevoorzitter van de VVD en Vonhoff lid van het dagelijks bestuur. Zoals te verwachten stak hij zijn bewondering voor Oud niet onder stoelen of banken. Toch vindt hij zijn boek geen hagiografie (de beschrijving van een heiligenleven), zoals hem wel eens verweten is. Oud was een persoon van onvergelijkbare statuur. Alleen al de periode waarin hij Kamerlid was (1918-1963, zij het niet onafgebroken) is niet geëvenaard. Het gelijk der ketters De voorspoedige ontwikkeling van de ambtelijke carrière van Vonhoff maakte dat zijn activiteiten voor de VVD een ander karakter kregen. Vanuit zijn persoonlijke belangstelling bleef hij eerst lid en werd hij in 1975 voorzitter van de Landelijke Onderwijscommissie in de partij. De opzet was de kamerfracties en het hoofdbestuur te adviseren over onderwijsproblemen. Vonhoffs werk bestond vooral uit de organisatie van de landelijke discussie. De LOC werd gevormd door een aantal secties voor de verschillende soorten onderwijs. Vertegenwoordigers van deze secties vormden met deskundigen en Kamerleden de plenaire commissie. In 1976 bracht de LOC de nota Om de vrijheid uit, een discussienota over het voortgezet onderwijs. Diezelfde belangstelling was er voor het jeugd- en jongerenwerk. Van de in 1974 opgezette Commissie Jeugd- en Jongerenwerk werd Vonhoff eveneens voorzitter. De commissie moest vooral het VVD-standpunt op dit terrein formuleren. Het links-liberalisme is Vonhoff steeds blijven propageren binnen zijn partij. In 1975 voegde hij zich in de rij VVD-coryfeeën die toenadering tot de PvdA bepleitten. In de jaren zeventig waren dat vooruitstrevende liberalen als Keja, Jacobse, de jonge Nijpels en mevrouw Kappeyne van de Coppello. Deze progressieven uit de VVD kwamen in Hotel Des Indes geregeld bijeen met leden van PvdA en D66 om over actuele politieke zaken te spreken. Sinds Oud echter in 1959 verklaard had niet in één kabinet met de PvdA te willen zitten, zat de deur naar de socialisten hermetisch dicht. Het zou tot 1994 duren voordat VVD en PvdA elkaar in een kabinet vonden, hetgeen Vonhoff van harte toejuichte en in een 'paars' jubileumboek nog eens kracht bijzette onder de titel 'Het gelijk der ketters'. Van leraar tot Commissaris Ook al was Vonhoff in 1957 van beroep leraar geworden, de samenleving bood veel meer uitdagingen dan alleen jonge Amsterdammers inzicht in de geschiedenis te geven. De organisatie van het onderwijs bijvoorbeeld, waarmee hij zich als vijftienjarige al beziggehouden had, was zo'n uitdaging. Gedreven door zijn politieke belangstelling bemoeide hij zich nadrukkelijk met de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs. Zo was hij in 1965 betrokken bij de eerste experimentele HAVO in Amsterdam. De in 1963 in het Staatsblad verschenen 'Mammoetwet' bracht grote veranderingen in structuur en inhoud van het onderwijs. Tot 1968 was er de tijd om hiermee ervaring op te doen. Vonhoffs -naar zou blijken -laatste middelbare school was de Osdorper Scholengemeenschap in de nieuwe woonwijk Amsterdam-Osdorp. Een slecht georganiseerde school, in zijn herinnering, die hij in 1967 zonder spijt verliet om zich volledig toe te leggen op het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Vonhoffs echtgenote was overigens politiek minstens even actief. Begaan, als maatschappelijk werkster, met verschillende misstanden werd haar al snel duidelijk dat veranderingen in de politiek gerealiseerd moesten worden. Haar werk, alsmede lidmaatschappen van Humanitas en het Humanistisch Verbond, waren uitstekende entrees in het gemeentebestuur. In 1966 werd zij voor de VVD gekozen in de gemeenteraad van Amsterdam. Haar engagement en het feit dat een moeder van drie kleine kinderen zich politiek wilde inzetten, zijn van doorslaggevende betekenis voor haar verkiezing geweest. In de gemeenteraad maakte zij hectische tijden mee (zoals het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus in 1966, de bezetting van de universiteit, de grote onrust die er in die jaren in de samenleving was) en boeiende mensen als burgemeester Van Hall, kabouter Roel van Duyn en (toen) VVD-voorman Hans Gruyters. Tweede-Kamerlid In 1967 werd Vonhoff in de Tweede Kamer der Staten-Generaal verkozen. Hij maakte deel uit van een groep nieuwelingen als mr. A. Geurtsen, mr. J.G. Rietkerk, mw. mr. E. Veder-Smit en H. Wiegel. Vonhoff kreeg de beleidsterreinen defensie, cultuur, recreatie en maatschappelijk werk alsmede onderwijs en de koninkrijkszaken in de portefeuille (zij het deels met andere Kamerleden). Het waren niet de gemakkelijkste terreinen voor een volksvertegenwoordiger. Immers, in zijn termijn van vier jaren deden zich belangrijke ontwikkelingen voor in een toch al roerige tijd. Zo kreeg hij te maken met een onrustig Europa, met als dieptepunt de invasie van de Russen in Tsjechoslowakije in 1968. De slechte economische situatie op Curaçao leidde in 1969 tot heftige onlusten, die de Nederlandse regering slechts kon onderdrukken door de zending van mariniers. De dienstplichtige soldaten gingen mee in de revolutionaire stromen van die jaren en wensten hun superieuren niet te groeten en hun haren niet te laten knippen. De Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM) werd in die jaren een geduchte tegenstander. Zijn debuut maakte hij met de behandeling van de Woonwagenwet in de Tweede Kamer. Later was hij ook woordvoerder in het omroepdebat met minister Klompé. Vanouds al hadden de media zijn belangstelling en in de VVD had hij baanbrekend werk verricht. Samen met mw. Van Someren-Downer en mr. H. van Riel had Vonhoff een belangwekkend rapport over de media geschreven: Radio en televisie. Uitdaging en hulpmiddel. Internationale ervaring deed hij op als lid van het NATO-parlement en op een 45-daagse studiereis in 1968 door Noord- en Midden-Amerika. Met zijn 1atere ambtsgebied Groningen kreeg hij te maken doordat hij zich sterk maakte voor de reconstructie van de vesting Bourtange en doordat CHU-Kamerlid H. Kikkert in Oost-Groningen een militair oefenterrein wilde vestigen. Hoewel de jaren 1967-1971 in de geschiedenis als bijzonder roerig bekend staan, slaagden regering (het kabinet-De Jong) en parlement erin de gevolgen van deze periode soepel op te vangen. Openheid en democratisering deden alom hun intrede in de samenleving en de permissive society werd voltooid. Zijn eerste periode als Kamerlid maakte Vonhoff duidelijk dat de volksvertegenwoordiging een zware baan is. De vele politieke vergaderingen vragen tijd en energie, maar ook de contacten met de individuele burgers en met de stands- en belangenorganisaties. De burger tracht zijn gelijk te halen door een Kamerlid voor zijn karretje te spannen, al was het maar om onder de dienstplicht uit te komen. De organisaties willen de door hen verdedigde en voorgestane belangen zo goed mogelijk gerealiseerd zien en volgen het daarvoor meest geschikt geachte Kamerlid bij wijze van spreken dag en nacht. De maandagen en vrijdagen waren de dagen waarop de spreekbeurten in het land gehouden werden. Met mw. Van Someren-Downer was Vonhoff de meest gevraagde spreker. Was het bovendien verkiezingstijd, dan waren 48 spreekbeurten in vier weken geen uitzondering. Zijn populariteit werd vergroot door de column, die hij twee jaar lang (1968-1970) in het Algemeen Handelsblad schreef en waarin hij de kans kreeg zijn politieke mening uit te dragen. Zijn privéleven moest hij echter afschermen met een antwoordapparaat op de telefoon. Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk Bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1971 kwam er een VVD-lijst tot stand met onder anderen De Koster, Vonhoff en Wiegel. In de coalitie van ARP, CHU, KVP en VVD bleken na de verkiezingen twee zetels tekort voor een meerderheid in de Kamer. DS '70 kreeg een sleutelpositie en trad toe tot het kabinet met harde eisen ten aanzien van sanering van overheidsuitgaven, loonbeleid en bestrijding van de inflatie. Het lukte formateur Biesheuvel op 6 juli 1971 een vijfpartijenkabinet tot stand te brengen, waarvan hij zelf de leiding zou nemen. Vonhoff werd, onder minister P.J. Engels, staatssecretaris op het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Zijn portefeuille omvatte Jeugdzaken, volksontwikkeling en sport; Natuurbehoud en openluchtrecreatie en Musea, monumenten en archieven. Op 28 juli 1971 werd hij benoemd. Zijn collega-staatssecretaris mw. S. van Veenendaal-Van Meggelen had vooral het maatschappelijk werk tot taak. In de Tweede Kamer werd H. Wiegel fractievoorzitter. Gedreven ging Vonhoff aan de slag. In zijn ambtsperiode werd een nieuwe Bibliotheekwet ingediend bij de Kamer en kwam de Wet op de Bibliotheekraad tot stand. Hij gaf een eerste aanzet tot een concrete monumentenbescherming door de instelling van een nationale contactcommissie. Hij installeerde de Commissie Nationale parken en landschapsparken, die de regering moest adviseren over een natuurbeschermingsbeleid dat rekening hield met landbouw- en landschapsbelangen. Voor het eerst in de geschiedenis maakte Vonhoff, samen met de interim-minister van Landbouw J. Boersma, gebruik van het kapverbod door de gemeente Neede te verbieden bomen te rooien langs een bochtige verkeersweg. Gedurende zijn periode werden de zo dramatisch verlopen Olympische Spelen van 1972 in München gehouden. Dramatisch was ook de samenwerking in het kabinet-Biesheuvel. In de zomer van 1972 stapten de DS'70 ministers Drees en De Brauw uit de regering, omdat zij zich niet in het beleid konden vinden. Achter de schermen bleken de controverses tussen de verschillende ministers (met als dieptepunt die van Boersma-De Brauw), de onervarenheid van de DS'70-bewindslieden en het weinig succesvolle leiderschap van Biesheuvel de ware redenen voor deze flop. Voor Vonhoff was de val van het kabinet - voor het bericht waarvan hij 's nachts uit bed gebeld werd - een enorme kater. Weliswaar bleef de regering vooralsnog zitten en werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven, maar de aanpak van een daadkrachtig beleid werd hem als het ware uit de handen geslagen. Formeel tot 11 mei 1973 bleef hij in functie, waarna de uitslag van de verkiezingen de VVD in de oppositiebanken dwong en Vonhoff zich in deze situatie voegde. Een troost was zijn onderscheiding in dat jaar tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Burgemeester van Utrecht De burgemeester is voorzitter van de gemeenteraad en voorzitter van het College van Burgemeester en Wethouders, aldus de wet. In de raad heeft de burgemeester slechts een raadgevende stem, in het college stemt hij wel gewoon mee. De burgemeester wordt nog steeds benoemd door de Kroon. Achter deze schijnbaar eenvoudige regels schuilt bijna een bibliotheek aan staatsrecht. De opzet van de wet was namelijk ervoor te zorgen dat de burgemeester enerzijds - als lid van het college -verantwoording schuldig is aan de raad, maar anderzijds - als voorzitter van de raad en door de Kroon benoemd - boven de partijen staat. Vonhoff is het steeds van harte met deze opzet eens geweest en heeft zich altijd zeer legistisch opgesteld. Hij was een fervent tegenstander van de gekozen burgemeester. Toch ging er aan zijn benoeming tot burgemeester van Utrecht in 1974 een nieuwigheid vooraf. Voor het eerst kreeg de gemeenteraad de mogelijkheid 'zijn gevoelens kenbaar te maken met betrekking tot de aan de te benoemen burgemeester te stellen eisen van bekwaamheid en geschiktheid', de profielschets dus. Bovendien werd voor de eerste keer de gelegenheid gegeven te solliciteren, hetgeen voor het ambt in een grote stad tot dan toe nooit gebeurde. Uit de belangstellenden voor de functie, zoals de toenmalige burgemeester van Zwolle Drijber, secretaris-generaal Nord en Eerste-Kamerlid Vergeer, kwam Vonhoff als eerste keus om burgemeester H.G.I. baron van Tuyll van Serooskerken op te volgen. De reacties waren niet direct enthousiast. Niet zozeer om de persoon van Vonhoff als wel om de partij waartoe hij behoorde, de VVD. Vonhoff had daar begrip voor, maar stelde de bevolking gerust met de woorden: 'ik zie het niet als mijn taak om de politieke signatuur van het stadsbestuur om te buigen in de richting van mijn inzichten'. Boven de partijen staan, objectieve leiding, begrip zijn de kenmerken die Vonhoff als burgemeester ten toon gespreid heeft. Zelfs de enige communist in de raad, B.J. Schreuders, waardeerde hem als 'een vriendelijke man, die met de nodige objectiviteit leiding geeft aan de raad en het college' en 'nooit onderscheid maakt, wat zijn aandacht betreft, tussen grote en kleine fracties '. Een geobjectiveerde subjectiviteit, noemde Vonhoff het zelf in zijn installatierede op 19 augustus 1974. Hij werd voor de Utrechtenaren een burgervader. De man die, toen een adjudant van politie door een RAF-terrorist werd doodgeschoten, zelf de zwangere echtgenote van de politieman ging meedelen dat de baby nooit een vader zou hebben. De man ook die persoonlijk een kraker uit het Utrechtse muziekcentrum verwijderde. De zes jaren dat hij burgemeester van Utrecht was, waren voor de stad belangrijke jaren. Utrecht werd daadwerkelijk de vierde stad van Nederland, met alle lusten en lasten van dien. 'Utrecht is een grote stad en de Utrechters zullen aan die gedachte moeten wennen', zei hij meermalen. Utrecht ging deelnemen aan het vier-grote-steden-overleg, waarin gemeenschappelijke zaken als stadsvernieuwing, werkloosheid, minderhedenproblematiek, verslaving en vandalisme werden besproken en aan de regering voorgelegd. De uitbreiding en vernieuwing van de stad kreeg voor een belangrijk deel zijn beslag in Vonhoffs periode. Het winkel- en kantorencentrum Hoog-Catharijne werd voltooid, de gemeentegrens werd verlegd ten behoeve van het universitaire centrum 'De Uithof' en er werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Lunetten. Het Muziekcentrum Vredenburg wordt gebouwd en het Domplein wordt autovrij. De raillijn naar Nieuwegein werd aangepakt. Binnen het gemeentelijk apparaat vinden grote reorganisaties plaats. Per 1 januari 1977 werden het Gemeentelijk Energie Bedrijf en het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Utrecht ingesteld als twee afzonderlijke bedrijven. Een jaar later begon men aan de samenvoeging van de Gemeentelijke Dienst Openbare Werken en de Bouw- en Woningdienst tot de Dienstenstructuur ROVU. Ook in 1978 gaf de minister van Onderwijs toestemming tot de bouw van een nieuw Academisch Ziekenhuis. Wat was nu de rol van de burgemeester in al deze zaken? Niet een individuele in elk geval, maar wel een aandeel in de gemeenschappelijke taak. Als initiator en coördinator was Vonhoff van belang om projecten op gang te krijgen of een extra zetje te geven. De weg naar Den Haag was voor Vonhoff geen onbekende en dat heeft Utrecht geen windeieren gelegd. Zoals voor elke burgemeester gold voor Vonhoff de representatie als betekenisvolle 'eigen' taak, in al zijn variëteiten. Van het bezoeken van honderdjarigen tot het bijwonen in 1975 van het huwelijk van prinses Christina en Jorge Guillermo in de Dom. En natuurlijk de herdenking in 1979 van de Unie van Utrecht, een groots opgezet feest met een landelijke betekenis. Op 12 december 1980 nam Vonhoff afscheid van de Utrechtse gemeenteraad, waarbij hij uit handen van wethouder Pot de zilveren stadsmedaille ontving. Mevrouw Vonhoff was overigens ook niet stil blijven zitten. Na haar, door de verhuizing gedwongen, afscheid van de Amsterdamse gemeentepolitiek in 1974 kwam zij spoedig op de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer. Bij de verkiezingen in 1978 veroverde zij een zetel in de senaat, die zij tot 1991 niet meer afstond. Weliswaar scheelde dat in 1987 maar een haartje, maar voorkeursstemmen van met name vrouwelijke Statenleden hielden haar op het pluche. Commissaris van de Koningin in de provincie Groningen De stap van Utrecht naar Groningen was voor Vonhoff niet gemakkelijk. Niet zozeer om Groningen als wel om Utrecht: hij en zijn familie hadden het er naar de zin en hij voelde er weinig voor de Utrechters al na zes jaren in de steek te laten. Maar toen de zittende Groninger commissaris Toxopeus per 1 november 1980 naar de Raad van State ging, werd een VVD-er van formaat gezocht om hem op te volgen. Toxopeus: 'Ik heb de minister geadviseerd: er moet hier een vent komen, die niet gemakkelijk van zijn stuk te brengen is.' De Friese commissaris Rijpstra en de Groninger burgemeester Buiter vonden dat Vonhoff de geschikte man was. Ook minister van Binnenlandse Zaken en partijgenoot Wiegel vond dat. Onder zware druk zwichtte hij tenslotte, mede gesteund door de bemoedigende woorden van de Utrechtse oud-commissaris Verdam: 'een burgemeester houdt zich bezig met kleine zaken, een commissaris met grote'. Met ingang van 15 december 1980 werd Vonhoff commissaris van de Koningin in de provincie Groningen. Het gezin verhuisde van de fraaie Utrechtse Koningslaan naar de stijve en wat verwaarloosde ambtswoning aan de Marktstraat in Groningen. De positie van de commissaris van de Koningin in de provincie is vergelijkbaar met die van burgemeester in de gemeente. In die zin was de overstap die Vonhoff in 1980 maakte van Utrecht naar Groningen, niet zo'n grote. In feite is het een dubbelfunctie: rijksambtenaar en provinciaal bestuurder. 'Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn ambtseed, waarin hij belooft dat hij het belang van de provincie met al zijn vermogens zal voorstaan en bevorderen', aldus Vonhoff zelf. Voorzitter van provinciale staten met raadgevende stem, voorzitter van gedeputeerde staten met stemrecht. Een bijzondere taak gaf zijn instructie hem in geval van (dreigende) rampen. Verder moest hij de samenwerking tussen de in de provincie werkzame rijksambtenaren bevorderen, de gemeenten in de provincie regelmatig bezoeken en aanbevelingen doen bij burgemeestersbenoemingen. Maar misschien nog wel meer dan binnen de provincie lag het belang van de commissaris buiten de provincie: hij had de contacten in Den Haag, hij kreeg door zijn gewicht en reputatie deuren open die voor een gewone gedeputeerde gesloten bleven, hij had een nationaal en internationaal netwerk dat van pas kwam. De wezenlijke taak van de commissaris is dus eigenlijk de coördinatie van werkzaamheden en de bevordering van samenwerking en een goede werksfeer. Dat dit geen loze kreten waren, merkte Vonhoff direct bij zijn aantreden al. De Staten hadden een hectische periode achter de rug, waarin in drie jaar drie verschillende colleges van gedeputeerde staten waren geformeerd. In 1978 was er een scheuring opgetreden in de PvdA en waren drie verontruste PvdA-Socialisten zelfstandig verder gegaan. De laatsten, met gedeputeerde mw. I. Martens, wilden wel het PvdA-programma uitvoeren, maar geen PvdA zijn. De PvdA-gedeputeerden weigerden in het college te stappen. De situatie werd uiteindelijk volstrekt onwerkbaar: 'toestanden die deden denken aan bananenrepublieken', aldus een Statenlid later. In september 1980 kwam een eind aan de CDA- VVD-VPS-coalitie. Spoedig waren CDA, VVD en PvdA het eens over een nieuw college, vlak voordat de nieuwe commissaris aan zijn taak kon beginnen. Gegeven de moeilijke politieke verhoudingen probeerde Vonhoff een sfeer te creëren, waarin de persoonlijke relaties tussen de leden van gedeputeerde staten goed waren. Daarmee werd in elk geval een werkbare situatie bereikt waarin het college besluiten kon nemen. De ontvangst in Groningen was hartelijk en -letterlijk -kleurig. Direct na zijn installatie werd Vonhoff vanaf de publieke tribune van de Statenzaal bekogeld met een verfbom van een verwarde actievoerder. Politiek Groningen verwachtte veel van de nieuwe commissaris. De sociaal-economische situatie in de provincie gaf ook alle aanleiding tot actie: grote werkloosheid, afnemende industriële bedrijvigheid, weinig structurele hulp uit Den Haag. De zestien jaren van Vonhoff in Groningen hebben inderdaad een verbetering gebracht, zij het wellicht niet het rendement dat men verwacht had. De achteruitgang van de industrie is tot staan gebracht: de Avebe herstelde zich, ondanks het ongezuiverde afvalwater dat zich een weg door de Groninger kanalen zocht. Als 'dank' werd een grote waterzuivering tot stand gebracht. De sanering in de scheepsbouw werd voltooid. De industrie in Delfzijl (AKZO, Aldel) herstelde zich, Philips bleef in Groningen, nieuwe overheidsdiensten kwamen naar Groningen. Na de Rijksdienst voor het Wegverkeer in Veendam, de Centrale Archiefselectiedienst in Winschoten, de Informatiseringsbank in Groningen, zou de PTT de grootste vis worden die Groningen moest vangen. Voor de verhuizing van (een groot deel van) de PTT in het kader van de spreiding van rijksdiensten heeft Vonhoff in de eerste jaren van zijn commissarisschap zijn nek uitgestoken. Toen partijgenote minister mw. Smit-Kroes in 1984 openlijk vraagtekens zette bij de wenselijkheid van deze operatie, aarzelde hij niet de bewindsvrouwe 'illoyaliteit en onbetrouwbaarheid' te verwijten. In de Tweede Kamer zei de minister zich beledigd te voelen en de uitspraken van Vonhoff niet te accepteren. Bemiddeling van de partijtop was nodig om beide VVD-ers weer tot elkaar te brengen. De verplaatsing van de PTT is doorgegaan mede dankzij het gewicht van de Groninger commissaris. 'Ik geloof dat de volhardendheid van Groningse kant in deze zaak een breder belang heeft gediend dan alleen het Groningse. Dat mag best eens gememoreerd worden. Je moest wel volhouden, al was het maar om aan te tonen dat bestuur - gecontroleerd bestuur - in Nederland nog altijd de dienst uitmaakt.' Het belang dat Vonhoff eraan hechtte was zelfs een van de redenen waarom hij in 1986 niet inging op de uitnodiging om minister van Defensie te worden in het kabinet-Lubbers. Toch vond hij een minstens zo groot resultaat de vergoeding die Groningen zou krijgen voor de bodemdaling ten gevolge van de aardgaswinning: 'dat is van een gigantische omvang'. Behoud van werkgelegenheid was het thema dat de Groninger commissaris steeds bezighield. Ook het 'Herenakkoord' van 1989 past in dat kader. Bezuinigingen, vanuit 'Den Haag' opgelegd, maakten ingrepen in de noordelijke onderwijs- en cultuurwereld noodzakelijk. De uitkomst van veel gepuzzel en overleg was dat het landbouwonderwijs en de lerarenopleiding in Leeuwarden geconcentreerd zouden worden en culturele organisaties als het Noordelijk Filharmonisch Orkest in Groningen. Ook de colleges van GS waren hiermee akkoord, de commissarissen Vonhoff en Wiegel zouden het akkoord bekrachtigen. Ondanks vele protesten werden de afspraken in de eerste helft van de jaren negentig uitgevoerd. Reorganisatie omwille van bezuiniging en vergroting van de effectiviteit kan men de gemeentelijke herindeling noemen, die in 1989 werd voltooid. De herindeling leidde in elk geval tot vermindering van het aantal burgemeesters, voor welke functionarissen de commissaris toch een speciale verantwoordelijkheid draagt. Het aantal gemeenten werd teruggebracht van 50 tot 25, de burgemeesters voor wie geen stoel meer was, kregen mede dankzij Vonhoffs inzet een nieuwe functie. Zoals Vonhoff in Utrecht een historische manifestatie opzette ter herdenking van de Unie van Utrecht, zo wilde hij dat ook in Groningen ter gelegenheid van '400 jaar Reductie van Groningen '. Aangezien Stad en Lande van Groningen in 1594 als gewest werden toegevoegd aan de Republiek der Verenigde Nederlanden, was een 'provinciale viering met landelijke uitstraling' op zijn plaats. Een reprise van 1979 in Utrecht werd het niet, onder andere door tegenwerking van 'Den Haag' waar men de landelijke betekenis van de Reductie niet kon inzien. De komst van de koningin bij de opening van de festiviteiten in mei 1994 maakte echter veel goed. Heeft Vonhoff waar gemaakt wat de provincie van hem verwachtte? Latere geschiedschrijvers zullen het oordeel vellen. Zelf relativeert hij zijn rol: 'Een commissaris van de Koningin, en dat geldt ook voor mij, werkt meer op de achtergrond. Hij initieert meer. Zet langere lijnen uit. En als iets goed afloopt, als er iets rondkomt, dan geeft dat een geweldige arbeidsvreugde. Dat kan de vestiging van een nieuw bedrijf zijn, een financieringsregeling, of om een concreet voorbeeld te geven het bezoek aan Groningen van de West-Duitse president Von Weizsäcker. Zou Thorbecke tevreden zijn? De carrière van Vonhoff vertoont, achteraf gezien en tot dit moment, een ordelijk verloop: leraar, Kamerlid, staatssecretaris, burgemeester, commissaris van de Koningin. Niet bepaald 'van 9 tot 5'-functies, eerder tijd- en energievretende ambten. Toch had Vonhoff daar niet genoeg aan. Al van jongs af werd hij 'gehinderd' door een grote nieuwsgierigheid en een brede belangstelling, die hij niet geheel kon bevredigen in zijn werk. Al in de jaren vijftig combineerde hij (de opleiding tot) het leraarschap met activiteiten in de Amsterdamse VVD en onder andere de voetbalsport. In 1961 werd hij bestuurslid, in 1963 vice-voorzitter van de Consumentenbond, een sterk in opkomst zijnde organisatie die de belangen van de consument wilde behartigen. Daarnaast was hij ook bestuurslid van de Stichting Humanistisch Thuisfront en de Militaire Tehuizen. Zijn behoefte om 'schoolmeester' te zijn leefde hij tussen 1965 en 1970 uit bij de prof. Idenburgstichting (voor schooldifferentiatie en beroepskeuze-adviezen), bij de oprichting van de stichting Burgerschapskunde (bevordering van cursussen op het gebied van burgerschapskunde) en bij het Nutsseminarium van de Universiteit van Amsterdam (her- en bijscholing van leraren). Maar ook het Zuid-Afrika-comité, onder leiding van mede-Kamerlid Voogd, mocht op zijn actieve inzet rekenen. Tijdens zijn staatssecretarisschap had Vonhoff museum en park De Hoge Veluwe van een faillissement gered door een meer zakelijke aanpak aan te bevelen. Deze redding werd nadien 'beloond' met de functie van voorzitter van de stichting Nationaal Park De Hoge Veluwe. Tegelijkertijd zocht de Vereniging Nederlandse Frisdrankenindustrie, waarin de concurrentie toen hevig was, een onafhankelijk voorzitter. Vonhoff liet zich paaien. Onder zijn voorzitterschap viel een enorme ledenterugval te constateren; niet uit onvrede, maar omdat de bedrijfstak van zo'n 300 fabrikanten vrij geruisloos inkromp tot ongeveer 20. Zijn belangstelling voor de rijksoverheid kon hij uitleven in de Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst, waarvan hij in 1978 voorzitter werd. Deze commissie kreeg de opdracht wegen aan te geven om de overheidsbemoeienis terug te dringen. In een aantal rapporten werd het functioneren van de rijksoverheid geanalyseerd, reacties hierop verwerkt en aanbevelingen gedaan om de departementale organisatie te verbeteren. Begrippen als kerndepartementen en scheiding van beleid en uitvoering dateren uit deze tijd. De rapporten zelf (1979-1981) kregen elk een van belezenheid getuigende titel en voorwoord van de commissievoorzitter: Zou Thorbecke tevreden te zijn?, Weinigen denken dat het goed gaat, Elk kent de laan die derwaarts gaat en Voordat de lade klikt. Min of meer als vervolg hierop zat Vonhoff ook een Adviescommissie Sanering Planprocedures voor, die heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het rapport Carnavalstocht der planprocedures (1985). De zaak van de rijksambtenaren had Vonhoffs belangstelling in de Advies- en Arbitragecommissie, de commissie-Albeda, waarvan Vonhoff vice-voorzitter is. Deze commissie trad op bij grote arbeidsrechtelijke geschillen, zoals in 1995 over de arbeidsvoorwaarden van het politiepersoneel. Ook is Vonhoff voorzitter van de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel. Zijn inzet en ervaring op dit terrein leidden ertoe dat hij in 1995 de Albeda-leerstoel aan de Erasmusuniversiteit ging bekleden als bijzonder hoogleraar 'Arbeidsvoorwaardenvorming bij de overheid'. De titel van zijn oratie, uitgesproken op 12 april 1996, getuigt weer van de vervlechting van historische en ambtelijke belangstelling: 'Goddank dat ze weg zijn! Wat hadden we met ze moeten beginnen?' Het waren de woorden van secretaris-generaal dr. H.M. Hirschfeld na het vertrek naar Londen in 1940 van het kabinet. Met zijn bijzonder hoogleraarschap werd de fraaie lijn in Vonhoffs carrière bij de nadering van de pensioengerechtigde leeftijd niet afgebroken, maar voortgezet; of misschien wel teruggebogen naar zijn begin. Van leraar tot hoogleraar... Ook na zijn 65e bleef hij actief voor de rijksoverheid. Zo was hij voorzitter van het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek en voorzitter van de Raad voor het Landelijk Gebied. Ook in de sportwereld bewoog hij zich graag: in zijn jonge jaren actief, als voetballer bij het Amsterdamse ZSGO (Zonder Samenspel Geen Overwinning) en scheidsrechter, later wat rustiger als trimmende burgemeester en fietsende commissaris. In 1985 werd hij voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité. In die hoedanigheid zette hij zich in om de Olympische Spelen weer eens, sinds 1928, in Nederland te organiseren. De buitenlandse overmacht was echter te groot. Ook de strijd met oud-judoka Anton Geesink verloor hij, namelijk om het lidmaatschap van het Internationaal Olympisch Comité. De Nederlandse schaakwereld bewees hij echter goede diensten door grote internationale toernooien naar Groningen te halen. In 1997 werd hij lid van de Raad van Commissarissen van de Eredivisie N.V. De persoon Vonhoff Het is niet eenvoudig - als besluit van deze biografische schets, die overigens meer schets dan biografie pretendeert te zijn - de persoon Vonhoff kernachtig neer te zetten. In vele interviews en artikelen is hij gekarakteriseerd als flamboyant, onstuitbaar, bloemrijk, Bourgondisch. Maar ook als ijdel, eigenzinnig, onbescheiden. Misschien heeft hij al deze eigenschappen, misschien ook ligt de waarheid in het midden. Mijn conclusie is dat Vonhoff een geboren en van jongs af getogen politicus en bestuurder is, die op grond van zijn liberale overtuiging ieders individuele vrijheid propageert. Een man ook, die een grote nieuwsgierigheid koppelt aan een ijzeren geheugen en een grote belezenheid. Moeiteloos weet hij zijn gehoor - a prima vista - te boeien met herinneringen, verhalen en gedichten. Zijn brede belangstelling en grote nieuwsgierigheid maken het mogelijk om ervaringen in de ene discipline opgedaan, toe te passen in de andere. Een 'associatief denker', zoals hij zichzelf kenschetste. Maar ook een 'ordelijk voorzitter', een rol die hij van jongs af speelde. Het aantal besturen, commissies, raden en andere gremia die hij geleid heeft, is vrijwel ontelbaar. Was hij in zijn jonge jaren 'rebels', op gevorderde leeftijd mag men hem eerder aristocratisch en regentesk noemen. Zoals hij in de jaren vijftig en zestig de gevestigde liberale orde wakker schudde, zo is hij - door de vervulling van de ambten van burgemeester en commissaris - een man geworden die gesteld is op decorum en traditie, én op een goede maaltijd met een glas wijn.
Frederik Nicolaas Nieuwenhuijzen werd op 22 oktober 1819 in Amsterdam geboren als zoon van Otto Hendrik Nieuwenhuijzen en Margaretha Cornelia Wilhelmina Lutjens. Zijn vader was tabakskoper en commissionair in koloniale waren. Op 15-jarige leeftijd reisde hij alleen naar Batavia, waar hij vermoedelijk onderdak vond bij zijn oom Hendrik Jacob Lutjens, die als kolonel van het Oost-Indisch Leger en later als direkteur van Financiën een vooraanstaande positie in de Indische samenleving innam. Zijn bijzondere capaciteiten tezamen met het milieu, waarin hij verkeerde hebben gezorgd voor een uiterst opmerkelijke carrière, die zou voeren van onbezoldigd klerk tot vice-president van de Raad van Nederlands-Indië. Begin december 1834 aangekomen wist Nieuwenhuijzen binnen 14 dagen een baan te krijgen als onbezoldigd klerk bij de Algemene Secretarie, waar hij in dermate gunstige zin opviel, dat promoties tot bezoldigd klerk (1835), 1e klerk (1838), 2e commies (1838) en 1e commies (1840) spoedig bereikt werden. De Algemene Secretarie is voor Nieuwenhuijzen een uitstekende leerschool geweest. De centralistische opzet van de Indische administratie deed vrijwel iedere te nemen beslissing van enige importantie belanden ten burele van de gouverneur-generaal en zijn secretarie. Zodoende kon hij kennis nemen van alle voorkomende bestuurlijke en politieke kwesties. Naar analogie zijn er diverse voorbeelden van Indische ambtenaren, die via een leerperiode bij de secretarie het tot hoge posten hebben weten te brengen. Hoewel Nieuwenhuijzen de opleiding aan de Delftse Academie miste, werd hem bij Koninklijk Besluit van 22 april 1842 nummer 95 desondanks het radikaal van Indisch ambtenaar verleend, waardoor een benoeming bij het binnenlands bestuurscorps mogelijk werd. In 1843 werd hij aangesteld tot residentie-secretaris in Banjoemas. Hij bleef hier slechts twaalf maanden en werd in gelijke betrekking verplaatst naar de residentie Bagelen, waar hij het onbeperkte vertrouwen genoot van resident Von Schmidt auf Altenstadt. In 1847 werd hij bevorderd tot assistent-resident van de Noorderdistrikten van Makassar met standplaats Maros. Het was een moeilijke post in het landschap Gowa met de naburige leenroerige landschappen Boni en Tanette, waar gedurende de 19e eeuw diverse expedities naar ondernomen werden. De gouverneur van Celebes (en latere vice-president van de Raad van Nederlands-Indië), De Perez, leerde daar zijn verdiensten waarderen en zou hem protegeren sindsdien. Toen De Perez in 1849 met het bestuur over Soerabaja werd belast volgde Nieuwenhuijzen zijn vorige chef als assistent-resident van politie, waar hij o.a. bijdroeg tot het ontslag van de regent van Soerabaja vanwege "knevelarij". In februari 1853 volgde zijn plaatsing in de toendertijd aan Soerabaja onderhorige assistent-residentie Madoera, waar hij de Nederlandse vertegenwoordiger was aan het Hof van de Panembahan. Anderhalf jaar later werd hij benoemd tot assistent-resident van Probolinggo in de residentie Besoeki. Vanaf zijn benoeming tot resident van Riouw (1855) zou hij regelmatig gebruikt worden als trouble-shooter in de verhouding van het gouvernement tot diverse inlandse vorstendommen. Toen Engeland en Nederland in 1824 bij het Traktaat van Londen alle geschillen regelden, die uit de koloniale overdracht van 1816 waren voortgekomen, had Engeland afgezien van alle aanspraken op Sumatra. De ongebreidelde Engelse expansie vanuit Singapore maakte het noodzakelijk de zaken te regelen ten aanzien van de nabij gelegen sultanaten Lingga Riouw en Siak Sri Indrapoera. Bovendien diende een Engelse versterking, met goedvinden van Siak op Bengkalis gevestigd, ontmanteld te worden. Nieuwenhuijzen werd bij geheim gouvernementsbesluit met beide taken belast. Na het onttronen van de sultan van Riouw, Machmoed Shah, en de benoeming van een gouvernementsgezinde opvolger kon een nieuw traktaat met dit landschap gesloten worden. Tevens konden de Engelse invloeden worden teruggedrongen na het sluiten van een nieuw traktaat met de vorsten van Siak. Het leverde hem een koninklijke onderscheiding en diverse tevredenheidsbetuigen van het gouvernement op. In 1857 werd Nieuwenhuijzen als resident verplaatst naar Pekalongan, doch spoedig hierna (1858) volgde zijn benoeming tot resident van Soerakarta. Een uitermate delicate plaatsing vanwege de nog altijd slepende opvolgingskwestie van de na de Java-oorlog verbannen Soesoehoenan. Na een voorlopige voorziening in 1858 wist Nieuwenhuijzen de zaak in 1861 te regelen met de benoeming van de zoon van de verbannen vorst. Dat ook het gouvernement zijn houding tegenover de inlandse vorstenhuizen goedkeurde, bleek uit zijn benoeming in 1859 tot gouvernements-commissaris in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. Hierbij werd het opstandige vorstenhuis van Bandjermasin onttroond en het gebied ingelijfd bij de direkt bestuurde gebieden. In 1863 werd Nieuwenhuijzen naast zijn funktie van resident van Soerakarta benoemd tot waarnemend resident van Djokjakarta. Aanleiding hiertoe was de geestesziekte van resident Brest van Kempen en het vermoeden, dat de sultan Djokja misbruik van deze omstandigheid had gemaakt. Na zijn onderzoek en rapportage hierover aan de gouverneur-generaal kon hij van het waarnemerschap worden ontheven en werd hij in juni 1863 opgevolgd door resident Arriëns. In 1864 werd Nieuwenhuijzen een tweejarig ziekteverlof naar Nederland toegekend, een periode die hij niet zou volmaken vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van Nederlands-Indië in 1865. Na het onverwacht overlijden van de vice-president van de Raad, mr. A. Loudon, werd hij in 1868 met de waarneming van deze funktie belast. Bij K.B. van 25 juli 1869 nr. 20 volgde zijn definitieve benoeming tot hoogste ambtenaar naast de gouverneur-generaal. Uit zijn verlofdagen in Nederland stamt zijn vriendschap met de liberale staatsman Fransen van de Putte. Een vriendschap, die hem later direkt zou betrekken bij het ontstaan van de Atjeh-oorlog. Op voordracht van minister Fransen van de Putte benoemde de gouverneur-generaal, mr. James Loudon, Nieuwenhuijzen in februari 1873 tot gouvernements-commissaris voor Atjeh. Hij werd meegezonden met het expeditionaire leger, dat de sultan van Atjeh tot inkeer moest brengen. Toen de commissaris tijdens de onderhandelingen met de vorst geen genoegdoening kreeg, reikte hij op 26 maart 1873 de door Loudon ondertekende oorlogsverklaring uit, waarmee de Atjeh-oorlog een feit geworden was. De verantwoording voor de mislukking, waarop de expeditie uitliep, kwam op de schouders van Loudon terecht, die op zijn beurt de commissaris beschuldigde door hem misleid te zijn ten aanzien van het terugtrekken van de troepen. De gouverneur-generaal stelde een commissie in, die het gehele verloop van de expeditie moest onderzoeken. Nieuwenhuijzen weigerde zijn medewerking aan het onderzoek. Het rapport van 1500 pagina's zou in 1874 verschijnen. Loudon wilde niet zover gaan een eervol ontslag voor Nieuwenhuijzen aan de minister voor te stellen. De vriendschap tussen Nieuwenhuijzen en Fransen van de Putte stond echter garant voor een veilige aftocht, die in een onderhandse telegramwisseling werd geregeld. Hij kreeg eervol ontslag en werd per 1 oktober 1873 gepensioneerd. Door de ruchtbaarheid, die aan de Atjeh-kwestie werd gegeven zouden publiekelijke verwijten hem nog jaren blijven achtervolgen. Nieuwenhuijzen overleed op 7 november 1892 in Den Haag. Als nevenfunkties van Nieuwenhuijzen kunnen genoemd worden: vendumeester in Banjoemas (1843-1844), Bagelen (1843-1847) en Probolinggo (1854-1855), lid van de Sub-Commissie van Onderwijs te Soerabaja (1851-1854), lid van de Commissie voor het afnemen van Indische Ambtenaarsexamens (1864-1873), voorzitter van het watersnoodfonds op Java (1869-1873).
De familienaam Vosmaer komt reeds in de vijftiende eeuw in het graafschap Holland voor. Simon van Leeuwen vermeldt in zijn Batavia Illustrata dat een zekere Jan Muysz. van de Velde, lid van een ridderlijk geslacht uit Maasland, zich ook Vosmaer noemde. Hij was in 1401 schepen in Delft. Ook in de regeringen van 's -Gravenhage en Leiden bekleedden leden van de familie Vosmaer in die zelfde tijd ambten. Of zij in een rechtstreekse familierelatie stonden met de personen, wier archiefstukken in deze inventaris zijn beschreven, valt door gebrek aan bronnen uit deze periode niet te bewijzen. Sinds het midden van de zestiende eeuw leefden in Delft verschillende personen met de achternaam Vosmaer of Vosmeer van wie wij evenmin kunnen vaststellen of zij onderling verwant waren: de magistraat Michiel Corneliszoon Vosmeer, wiens zoons Tielman, Michiel en Sasbout bekendheid genoten als geleerden; een familie Vosmaer die goud- en zilversmeden voortbracht, en sinds het midden van de zeventiende eeuw de kunstschilders Christiaan, Daniël, Jacob en Nicolaas Vosmaer. De patroniemen doen vermoeden dat de schilders en de goud- en zilversmeden tot één familie behoorden. Van hen is de goudsmid Wouter Arentsz. Vosmaer te beschouwen als de stamvader van de leden van de familie Vosmaer, die onderwerp van deze inventaris zijn. Zijn nakomelingen behoorden tot het midden van de achttiende eeuw tot de gegoede middenstand. Jacob Vosmaer (1717-1781) was de eerste van de familie die openbare functies bekleedde. Door zijn vrouw, Louisa Maria Mosburger, wier familie een goede relatie onderhield met stadhouder Willem IV, kwam ook hij in contact met de stadhouderlijke familie. Deze goede verstandhouding werd na hem door verschillende familieleden onderhouden. Zo werd zijn broer Arnout (1720-1799) - vermaard verzamelaar van munten, penningen, prenten en voorwerpen van natuurlijke historie - in 1752 aangesteld als directeur van de stadhouderlijke Kabinetten van Natuurlijke Historie en in 1770 bovendien belast met het beheer van de stadhouderlijke menagerie op het Kleine Loo te Voorburg. Ook deze Willem Carel (1749-1818)[zoon van Jacob Vosmaer, broer van Wouter Arentsz.] was vurig aanhanger van de Oranjepartij. Als advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij het Hof van Holland kreeg hij te maken met aantijgingen tegen onder meer prinses Wilhelmina. Zijn orangistische houding in dezen werd hem noodlottig: hij werd in 1795 uit zijn ambten gezet. Dit zelfde lot trof ook de vader van zijn tweede vrouw, Isaac Scheltus; deze werd in dat jaar ontslagen als 's lands drukker. Isaac was het zevende lid van een geslacht, waarvan de leden van 1669 tot 1795 onafgebroken deze functie hadden vervuld. Dit hield in dat de particuliere drukkerij Scheltus de Staten van Holland ten dienste stond voor verzorging van publikaties. Aanvankelijk dreef Willem Carel de drukkerij "Vosmaer en Zoonen" met de twee zeer jeugdige jongste zoons uit zijn eerste huwelijk, Gualterus en Willem Carel jr. Toen hij tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon weer openbare functies mocht uitoefenen, droeg hij in 1809 de drukkerij over aan Gualterus, die haar zelfstandig voortzette. In de lijn van de familietraditie volbracht Gualterus in 1813 de riskante onderneming de befaamde proclamatie van Gijsbert Karel van Hogendorp te drukken. Was het deze uiting van trouw aan het huis van Oranje, die in 1814 werd beloond met zijn benoeming tot directeur van de in dat jaar opgerichte Algemeene Landsdrukkerij, of zou het feit dat hij de erfgenaam van de laatste landsdrukker was (het enigszins verwarde interregnum van de Franse tijd niet meegerekend) een rol hebben gespeeld bij zijn benoeming? Vaststaat dat Gualterus een solide man was, die een groot vertrouwen genoot, zowel in zijn ambtelijke betrekking als bij zijn familie. Dit laatste is, zoals wij zullen zien, van groot belang geweest voor de vorming van het familiearchief. Gualterus was in 1813 getrouwd met een dochter uit een vooraanstaand en gefortuneerd Zeeuws geslacht, Wilhelmina Dana Radermacher. Zij had, toen zij trouwde, vijf zusters en twee broers; niets deed toen vermoeden dat het geslacht spoedig in mannelijke lijn zou uitsterven. Ook voor zijn beide broers en zijn halfbroers en -zusters vervulde Gualterus [een] vertrouwensfunctie. Het voert in dit bestek te ver hen één voor één de revue te laten passeren. Enkelen genoten in hun eigen tijd een zekere faam; de neerslag van hun handelen rechtvaardigt daarom een nadere bespreking. Gualterus' al eerder genoemde oudste broer Jacob (1783-1824) ging na het verlaten van de Latijnse school medicijnen studeren. Hij was enige tijd als geneesheer werkzaam in Zutphen en Haarlem. In 1815 werd hij hoogleraar in de kruid-, schei- en artsenijkunde aan de Hogeschool te Harderwijk, in 1818 buitengewoon hoogleraar in dezelfde vakken aan de universiteit te Utrecht en in 1820 hoogleraar in de scheikunde, leer der geneesmiddelen en artsenijmengkunde aan de pas opgerichte Veeartsenijschool aldaar. Naast publikaties op zijn vakterrein heeft hij zich door zijn letterkundige geschriften een plaats verworven in de Nederlandse literatuur; zijn "mr. Maarten Vroeg" beleefde nog in 1978 een herdruk. Twee van Gualterus' halfbroers, Jan Henrik Gabriel en Jaques Nicolas trokken op betrekkelijk jonge leeftijd naar Nederlands-Indië en vervulden functies in het binnenlands bestuur. De eerste trouwde daar en werd de stichter van de Indische tak van de familie. De avontuurlijk ingestelde Jaques - zijn brieven aan de familie in Nederland getuigen daar van - nam spoedig na zijn aankomst in Indië deel aan acties van het gouvernement tegen inlandse vorsten; zijn verdienste ligt vooral in de door hem ondernomen ontdekkingstochten van de wateren om Celebes. Deze ontdekkingen, waarvan hij schriftelijk verslag deed, droegen mede bij tot de ontplooiing van de handel in dit gebied. Behalve in het familiearchief berust ook in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een dergelijk verslag. Carel Vosmaer (1826-1888), zoon van Willem Carel Vosmaer en Wilhelmina Dana Radermacher Over Carels leven en werk zij - daar het in dit bestek onmogelijk is daarvan een volledig overzicht te geven het volgende kortheidshalve vermeld: na zijn school tijd in Den Haag, waar hij een klassieke opvoeding genoot aan het Stedelijk Gymnasium, studeerde hij rechten in Leiden. De in hem aanwezige literaire en artistieke talenten kwamen in zijn studententijd al tot uiting. Aanvankelijk koos hij zich, na de afronding van zijn studie, een loopbaan in de rechterlijke macht: hij werd in 1853 griffier bij het kantongerecht in Oud-Beijerland. In datzelfde jaar trad hij in het huwelijk met Abrahamina Cornelia Charlotte Georgette Clant; uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie er één op jonge leeftijd overleed. De periode in Oud-Beijerland, waar het ambtelijk leven hem niet al te zeer in beslag nam, gebruikte hij ter verdere ontwikkeling en ontplooiing en ter voorbereiding van enkele essays die in de jaren daarna verschenen. Hij keerde in 1856 terug in Den Haag, waar hij benoemd was tot substituut-griffier bij het Gerechtshof van Zuid-Holland. Het culturele leven in Den Haag werd grotendeels bepaald door het letterkundig genootschap "Oefening kweekt kennis" en het schilderkundig genootschap "Pulchri Studio"; hun leden hadden een grote onderlinge band. Enkele van hen waren redacteur van de in Den Haag geredigeerde tijdschriften. Ook Carel Vosmaer was van beide genootschappen lid en leverde spoedig letterkundige en essayistische bijdragen aan die tijdschriften, zoals de Algemeene Konst- en Letterbode en het door hem met anderen in 1858 opgerichte De Tijdstroom. De redacties van deze tijdschriften verenigden zich in 1860 met de toen vier jaar oude De Nederlandsche Spectator. Ook van de redactie van dit progressief-liberale weekblad maakte Carel Vosmaer deel uit. In de eerste jaren van het bestaan ervan drukte vooral Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink zijn stempel op de Spectator. Na diens overlijden in 1865 werd Carel Vosmaer de toonaangevende figuur. De redactie gaf haar opinie over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals letterkundige, maatschappelijke, politieke, godsdienstige zaken, over kunsten en wetenschappen. Dat deed ze vooral in de rubrieken "Vlugmaren", "Pluksel" en de wekelijkse prent. Aanvankelijk werden de Vlugmaren door Gerard Keiler onder het pseudoniem "Flanor" geschreven. Na diens vertrek in 1864 nam Carel Vosmaer deze taak over en werd de nieuwe Flanor. Hij bleef redacteur tot zijn overlijden in 1888. Daarnaast redigeerde hij "De Schilderschool" (vanaf 1868) en de "Kunstkronijk" (1875-1876) en schreef hij talloze bijdragen voor andere periodieken, merendeels op het gebied van kunst, kunstgeschiedenis, archeologie en letterkunde. Kenmerkend voor Vosmaers liberale houding is dat hij anderen de ruimte gaf. Zo brak hij een lans voor Multatuli - met wie hij zeer bevriend was - in zijn artikelen in Het Vaderland, getiteld 'Een en ander' (later gebundeld onder de titel Een zaaier). Hij was een vaderlijke vriend voor de jonge generaties, inclusief de tachtigers, die hij desgevraagd van advies diende en aan wie hij bovendien de gelegenheid gaf in De Spectator te publiceren. Aanvankelijk combineerde hij het schrijven met het vervullen van zijn ambt; in 1866 had hij het griffierschap van het Gerechtshof verruild voor dat van de Hoge Raad. In 1873 nam hij evenwel ontslag om zich geheel in te kunnen zetten voor zijn publicistisch werk. Hij zette zich aan het vertalen in metrische verzen van Homerus; de Ilias verscheen in 1878, de Odyssee postuum in 1888. Hij maakte reizen naar Londen en Italië; de daarin opgedane indrukken - vastgelegd in reisdagboeken en schetsboeken - vormden stof voor zijn letterkundig werk als Londinias, Amazone, Nanno en Inwijding. Hij overleed vrij plotseling in Territet bij Montreux in 1888. Uit zijn papieren nalatenschap blijkt hoe groot zijn aanzien was in het culturele en wetenschappelijke leven van zijn tijd, waarin hij een sleutelpositie bekleedde. Hij onderhield een briefwisseling met vele vooraanstaande kunstenaars, met personen die zich bewogen op het gebied van kunst en kunstgeschiedenis, met letterkundigen, classici en verzamelaars. Carels weduwe bleef nog een aantal jaren wonen in het huis in de De Ruyterstraat in Den Haag, waar het gezin zich in 1866 had gevestigd. [Oudste zoon] Gualtherus woonde en werkte in die tijd als zoöloog aan de Nederlandse werktafel van het Zoölogisch Station in Napels. Deze had in Den Haag op de Hoogere Burgerschool zijn opleiding gekregen en had daarna in Leiden en Graz plant- en dierkunde gestudeerd. Toen hij met zijn studie begon, maakte vooral de dierkunde een grote ontwikkeling door. Tot het midden van de 19e eeuw hielden voornamelijk medici zich met de zoölogie bezig (Gualtherus zou zich later als hoogleraar beijveren voor het bestuderen van zijn vak door medici, zie inv. nr. 693). De evolutietheorie van Charles Darwin luidde een nieuwe tijd in. De wetenschap werd een specialisme; zij richtte zich op afstammingsonderzoek waarin vooral de morfologie belangrijk was. Bovendien stond de biologie van de zee volop in de belangstelling; onderzoek werd mogelijk gemaakt door uitrusting van expedities op zee en in zoölogische stations, die aan de kustplaatsen werden gevestigd. Het aantal diersoorten dat door deze onderzoeksmogelijkheden bekend werd, steeg enorm. Als typische exponent van zijn tijd bekwaamde Gualtherus zich tijdens zijn studie in kennis van sponzen. Na zijn studietijd in Leiden studeerde hij bij de spongioloog Franz Eilhard Schulze in Graz en rondde hij zijn studie af met het verdedigen van een Leidse dissertatie over sponzen. In 1880 werd hij door de Nederlandse regering uitgezonden naar Napels, waar hij, met een korte onderbreking in 1881, tot 1889 in het Zoölogisch Station van Anton Dohrn werkzaam was als onderzoeker van sponzen in de Baai van Napels. Dit onderwerp heeft hem zijn gehele leven bezig gehouden. Daarnaast bedreef hij - zijn opvoeding verloochende zich niet! - de geschiedenis van zijn vak. Hoewel hij niet op het gymnasium was geweest, evenaarde hij zijn vader later in kennis van de klassieke oudheid; hij beheerste Latijn en Grieks. Evenals zijn vader was hij zeer bedreven in het hanteren van potlood en tekenpen, hetgeen hem in de uitoefening van zijn vak van groot nut was. Zijn vader stimuleerde hem tot publiceren, waartoe hij hem ruimte in De Nederlandsche Spectator beschikbaar stelde. Daarnaast namen vele binnen- en buitenlandse tijdschriften artikelen van zijn hand op, veelal door hem zelf geillustreerd. Al in 1880 kondigde hij aan dat hij een spongiologische bibliografie had samengesteld, waarvan het oudste werk uit 1551 dateerde. Spoedig na het overlijden van zijn vader keerde hij naar Nederland terug en werd privaat-docent aan de universiteit van Utrecht. In 1904 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Leiden als opvolger van zijn leermeester C.K. Hoffmann. Eén van zijn studenten, Catalina Suzanna Röell, werd in 1906 zijn vrouw. Zij bewoonden het pand Rapenburg 83 in Leiden.
De familie Snouckaert van Schauburg en de aanverwante geslachten Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Zomergem Er wordt voor het eerst melding gemaakt van het geslacht Snouckaert in een op 7 februari 1165 te Sens uitgegeven bul van paus Alexander III. In deze bul neemt Alexander III de abdij te Dunes in bescherming en wordt Walter Snocart genoemd als een van de eigenaren van de aan dit klooster toebehorende vaste goederen te Erembalde Capelle (ofwel Aernouts-Capelle) dat een halve mijl ten westen van St. Winoxbergen, in Vlaanderen, gelegen was. De geregelde stamreeks van het geslacht begint met Henri Snocart die in 1380 te Lyesele in de omgeving van Hontschote leefde. Sinds de 15e eeuw worden meer en meer leden van het geslacht Snouckaert te Brugge aangetroffen waar zij regelmatig hoge functies binnen het stadsbestuur vervullen. Aan het einde van de 16e eeuw splitste het geslacht Snouckaert zich in drie grote takken, namelijk de takken Schauburg, Binckhorst en Zomergem. De heren van Binckhorst en Zomergem bleven katholiek terwijl de tak Snouckaert van Schauburg overging tot de gereformeerde religie. De beide eerstgenoemde takken stierven in de loop van de 18e eeuw uit. De namen van de diverse takken werden ontleend aan de bezittingen van de verschillende heren van het geslacht Snouckaert. Zo werd de naam Schauburg afgeleid van de heerlijkheid van die naam waarmee Martin Snouckaert (nr. 3a) in 1523, tegelijk met Zomergem, werd beleend. De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad Binckhorst die in Delfland, in de omgeving van 's-Gravenhage, was gelegen. Deze ridderhofstad bleef nadien tot 1690 in het bezit van respectievelijk de tak Snouckaert van Binckhorst en Snouckaert van Schauburg. De Vlaamse tak van de familie stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. Deze naam werd ontleend aan de heerlijkheid Zomergem die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel en met alle hieraan verbonden rechten in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. De heerlijkheid was leenroerig aan de Burcht van Gent (de Oudburch) en werd in 1523 uit handen van de graaf van Vlaanderen, keizer Karel V, verkregen. In 1562 kocht Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) de heerlijkheid, met alle hieraan verbonden rechten, van koning Philips II. In 1706 werd de heerlijkheid Zomergem, door de sinds 1589 in het bezit van Zomergem gestelde Vlaamse tak van de familie, verkocht. A. De Familie Snouckaert van Schauburg De wortels van het geslacht Snouckaert lagen oorspronkelijk in de omgeving van Leysele en Hontschote, in de loop van de 16e eeuw echter treft men de naam van de familie in Brugge aan waar de familie zich een plaats wist te verschaffen in de plaatselijke stedelijke aristocratie. Met een zekere regelmaat waren leden van de familie vertegenwoordigd in de bestuurlijke functies die in Brugge te vergeven waren. Maar ook boven het lokale niveau wist de familie zich aanzien te verschaffen. Dit was voor een niet onaanzienlijk deel te danken aan de functies die Martin Snouckaert (nr. 1) wist te verwerven. Als particulier secretaris van keizer Karel V en 1e raadpensionaris en hoofd-griffier van de regering van de stad Brugge wist hij Schauburg en de heerlijkheden Zomergem, Waerschot, Hansbeke en Lovendegem in leen te krijgen (1523). Hiermee legde hij de grondslag voor het latere grondbezit van de familie. Elf jaar later kwam de familie, waarschijnlijk eveneens dankzij de bijzondere inspanningen van de hiervoor genoemde Martin Snouckaert, voor het eerst in het bezit van een adellijke titel. Op 8 november 1544 werden zijn zoons Michiel, Willem, Jacob en Jean Snouckaert door keizer Karel V erkend in hun "oude adel" en verheven tot Erfelijke Ridders van het Heilige Roomse Rijk. In 1562 kwam Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) door koop in het bezit van het kasteel Schauburg en de lage, middelbare en hoge heerlijkheid Zomergem. Dit grondbezit werd door Martin nog uitgebreid toen hij op 30 mei 1565 het in de Noordelijke Nederlanden gelegen goed De Binckhorst erfde van zijn broer Willem Snouckaert van Schauburg. (nr. 5). Op 10 september 1569 schonk hij de Binckhorst aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze ridderhofstede bij diens kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Onder Nicolas Snouckaert van Schauburg (nr. 10) werden door de tak Snouckaert van Schauburg nog gebieden in Duitsland verworven. Hij verliet Vlaanderen in 1568 en vertrok naar Wenen waar hij werd benoemd tot edelman van het huis van keizer Rudolf II. Hij stond bij de keizer in hoog aanzien en werd als diens zaakgelastigde te Praag gestationeerd. Hij vestigde zich te Halle in Saksen en op 21 februari 1620 kocht hij van de graaf van Mansfeldt de Duitse ambten Dornstadt, Amstorff, Stettin, Wansleben, Stenden en Hochstedt. Naast de nauwe banden die hij met het Duitse Rijk onderhield haalde hij echter ook de banden met de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden strakker aan. Dit blijkt uit de aankoop, eveneens in 1620, van een huis aan het Voorhout te Den Haag. Ook in een ander belangrijk opzicht onderscheidde hij zich van zijn voorgeslacht, als eerste van de familie ging hij, hoogstwaarschijnlijk al in Duitsland, over tot het protestantisme. De relaties met de Republiek der Verenigde Nederlanden werden door de zoon van Nicolaas, Maerten Snouckaert van Schauburg (nr. 13a), nog inniger aangehaald. Nadat hij aanvankelijk in Praag was opgegroeid liet hij zich als student inschrijven aan de Hogeschool van Leiden, waar hij wijsbegeerte en staatswetenschappen studeerde. Hij vestigde zich in het huis aan het Voorhout en huwde met Martina Joachimi. Zij was de dochter van de Zeeuwse diplomaat Albert Joachimi. In het gevolg van zijn schoonvader, en in het gezelschap van zijn vrouw, reisde hij naar Engeland. Onsuccesvol was hij daar niet en hij werd benoemd tot ridder en edelman van de Privékamer van Koning Karel I. Maertens zoon Albert Snouckaert van Schauburg (nr. 15a) verwierf in de Republiek de baronie Heeze en Leende en Zes Gehuchten (1659), maar verloor de heerlijkheden en "amten" Dornstadt, Amstorff, Stettin en Schraplau in het Duitse. De laatste belangrijke aanvulling van het familiebezit werd door Willem Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) gerealiseerd toen hij in 1776 de heerlijkheid de Duckenburg, in de omgeving van Nijmegen, aankocht. Met het overlijden van Maerten Snouckaert van Schauburg (nr 13a) verdween ook de traditie van de diplomatie uit de familie. In de plaats hiervoor kwam een militaire traditie die tot ca. 1795 dominant bleef. Nieuwe carrièremogelijkheden voor het geslacht Snouckaert van Schauburg werden geopend door Albert Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 25a) die als zoon van luitenant-generaal Willem Carel Snouckaert van Schauburg (nr. 19a), allereerst in de voetsporen van zijn vader trad. Zijn militaire carrière vond echter een vroegtijdig einde door de politieke en militaire gebeurtenissen in 1795. In dat jaar werd hij op 18 januari ontslagen uit zijn functie van luitenant-kolonel bij de cavalerie, maar slaagde erin zijn carrière onder de Bataafse Republiek, het Franse Keizerrijk en het Koninkrijk der Nederlanden voort te zetten. Na een reeks andere benoemingen verkreeg hij de functie van intendant van de koninklijke paleizen te Utrecht (1808) en Amsterdam (1810). Na afloop van de Franse periode slaagde hij erin opnieuw voor hoffuncties in aanmerking te komen, zo werd hij in 1814 door koning Willem I tot kamerheer benoemd. Vrijwel gelijktijdig werd hij aangesteld in een aantal andere belangrijke commissies en colleges waaronder de Commissie tot samenstelling van een Kamer van Heraldiek, de Commissie tot Organisatie der Landmilitie en de Hoge Raad van Adel. Op grond van zijn verdiensten werden hij en zijn nakomelingen, bij Koninklijk Besluit van 27 augustus 1814, erkend te behoren tot de Nederlandse Adel met titel van baron. Met deze reeks van benoemingen waaraan in 1815 en 1832 nog die van kamerheer-ceremoniemeester en opperschenker werden toegevoegd zette Albert Carel de toon voor een geheel nieuwe traditie in het carrièreverloop van de familie Snouckaert van Schauburg; namelijk het vervullen van hoffuncties bij leden van het Nederlandse Koninklijk Huis. Zo dienden bijvoorbeeld drie opeenvolgende Albert Carels Snouckaert van Schauburg (nrs. 25a, 37a en 40) in diverse hoffuncties onder de koningen Willem I, Willem II en Willem III en onder koningin Wilhelmina. Deze werkzaamheden combineerden zij bovendien alledrie met het lidmaatschap van de Hoge Raad van Adel. Zij waren echter niet de enigen van de familie die aanzienlijke hoffuncties vervulden bij leden van het Koninklijk Huis. De desbetreffende archiefbestanddelen bevatten dan ook interessante bronnen voor diegenen die zich een goed beeld van het hofleven in de 19e eeuw willen verschaffen. B. De familie Snouckaert van Binckhorst. De eerste Snouckaert die in het bezit van het goed De Binckhorst kwam was Willem Snouckaert van Schauburg (nr.5). Door zijn huwelijk met Johanna Poes van Binckhorst verkreeg hij de ridderhofstad De Binckhorst die in Delfland in de omgeving van 's-Gravenhage was gelegen. Het huis was zeer oud en werd reeds in de 11e eeuw genoemd. Oorspronkelijk was het huis in bezit van het reeds lang uitgestorven geslacht Van Binckhorst. Het huis De Binckhorst dat in deze vroege periode een vrij eigendom schijnt te zijn geweest werd in het jaar 1308, met alle hiertoe behorende goederen, door de toenmalige bezitter Simon van Benthem opgedragen aan Willem III, graaf van Holland, van wie hij het weer in leen ontving. Sindsdien is dit adellijke huis altijd een leen van Holland gebleven waarbij ook verschillende achterlenen behoorden. Het is onduidelijk wie het huis na Simon van Benthem in bezit heeft gehad. Het is waarschijnlijk dat het in jaar 1350, toen het huis door graaf Willem V werd belegerd, aan Jacob van Binckhorst behoorde. Deze Jacob van Binckhorst behoorde vrijwel zeker tot het oud riddermatig geslacht Van Binckhorst dat in 1576, met Simon van Binckhorst, uitgestorven is. In 1389 werd, door Jan van Arkel, Johan van Leyenburgh met De Binckhorst beleend. Van hem ging het over naar Aart van Leyenburgh die het in 1409 verkocht aan Dirk Ploeg die het op zijn beurt overdroeg aan Dirk van Zwieten. Via zijn zoon Aart van Zwieten en diens broers' zoon Jan van Zwieten kwam het in het jaar 1464 aan Dirk Poes, die in het jaar 1467 werd benoemd tot griffier van het Hof van Holland. Het geslacht Poes voegde de naam Van Binckhorst aan de familienaam toe. De opvolger van Dirk Poes, Lodewijk Poes van Binckhorst werd, bij sententie van 7 mei 1568, door Alva verbannen terwijl zijn goederen verbeurd werden verklaard. In de tussentijd was het huis echter, wegens het overlijden van Johanna Poes van Binckhorst in 1563, bij testamentaire dispositie, aan haar echtgenoot Willem Snouckaert van Schauburg vervallen (nr. 5). Na zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Schauburg (nr 3a) op 30 mei 1565 in het bezit van De Binckhorst gesteld. Op 10 september 1569 schonk hij de ridderhofstad aan zijn broer Jacob Snouckaert (nr. 6a) onder de clausule dat deze bij zijn kinderloos overlijden weer aan hem of zijn nazaten zou terugvallen. Met deze Jacob Snouckaert begint dan de tak Snouckaert van Binckhorst. Hij was eerste auditeur en, later, rentmeester van Holland. In het jaar 1572 nam hij, gedwongen door de troebelen in de Nederlanden, de wijk naar Utrecht waar hij overleed. Hierdoor verviel De Binckhorst aan zoon Jacob Snouckaert van Binckhorst (nr. 63) en vervolgens aan nog twee elkaar opeenvolgende Jacobs uit dezelfde tak (1575-1678). Bij het overlijden van deze laatste telg werd de ridderhofstede op 29 juli 1678 opgedragen aan Willem de Nobelaer die met Wilhelmina Snouckaert was gehuwd. Zij ontving het goed bij het overlijden van haar man op 13 januari 1685 en verkocht het op 22 augustus 1690 aan Henry Du Vernet, ridder, heer van Lavalle. C. De familie Snouckaert van Zomergem Deze Vlaamse tak stond sinds 1589 bekend onder de naam Snouckaert van Zomergem. De naam Zomergem werd ontleend aan de heerlijkheid van die naam die sinds 1523 gedeeltelijk en sinds 1562 geheel, en met alle hieraan verbonden rechten, in het bezit van Martin Snouckaert van Schauburg (nr. 3a) was gekomen. Tot de heerlijkheid Zomergem behoorden een groot aantal lenen te Hansbeke, Oostwinkel, Wachtebeke, Winkel, Saffelare, Ertvelde, Kluizen en Landegem. De voornaamste hiervan waren Briarde, Schipdonk of Berendale, Laatschap, Herzele, Rivish, Hoetsel of Breusleen, het Prootsche of St. Pieters, Overdam, Schauburg of Schaubroek, Beke, Van den Rudder, Ten Broeke, Kruisstrate, de Platte Gaverij, Immetuin, Leischoot, Twaalf Bunder, Staaktevijvere en het goed ter Meersch. De oudst bekende bezitter van de heerlijkheid Zomergem was Herman van Zomergem die in 1085 met graaf Robert de Fries ter kruisvaart ging. Het is onbekend hoe lang de leden van het geslacht Zomergem de heerlijkheid in bezit hebben gehad. Zeker is in ieder geval dat de heerlijkheid in het jaar 1235 aan Boudewijn van der Meersch (of Van der Weiden) toebehoorde. In hetzelfde jaar begiftigde Lodewijk van Nevers, ter gelegenheid van haar huwelijk met Simoen van Mirabelle, zijn bastaarddochter Elisabeth met de heerlijkheid. Na de dood van Van Mirabello werden de goederen van Elisabeth door de graaf van Vlaanderen aangeslagen uit hoofde van achterstallige afdrachten van gelden die Simoen, als rewaard en ontvanger van de graaf van Vlaanderen had gelicht. Er werd een overeenkomst gesloten waarbij de graaf en zijn opvolgers in het bezit kwamen van Het Hof ten Walle te Gent (later de Prinsenhof genaamd), en van de weiden tussen dit hof en de Lieve. Elisabeth en haar tweede echtgenoot, Arnout van Heule, heer van Rumene, bleven in het bezit van de heerlijkheid Zomergem maar verloren alle rechten op de heerlijkheden van Eeklo, Kaprijke en Lembeke. Korte tijd later kocht de graaf de heerlijkheid opnieuw en kwam deze, door het huwelijk van Beatrix van Blaesvelt, de natuurlijke dochter van de graaf van Vlaanderen, met Philips van Massemen, gouverneur van Dendermonde, aan het huis van Massemen te Gent. Bij zijn overlijden werd Martin Snouckaert van Zomergem (nr. 64a) met de heerlijkheden beleend (28 maart 1589) welke tot 1706 aan deze Vlaamse tak van de familie bleven toebehoren. De laatste heer van Zomergem was Martin Pierre Ignase Snouckaert van Zomergem (nr. 75) die sinds 4 maart 1654 in het bezit van de heerlijkheid was gesteld; hij sneuvelde op 29 juli 1693, als majoor der cavalerie, te Neerwinden. Na zijn dood werd de heerlijkheid Zomergen op 11 december 1706, voor f 70.600, - aan Jan Theodoor de Jonge verkocht. In de loop van de 18e eeuw werd het oorspronkelijk door Maerten Snouckaert te Zomergem gebouwde kasteel door De Montmorency's afgebroken en naar Bellem overgebracht.
Het Kabinet der Koningin is opgericht bij Koninklijk besluit van 22 december 1840 no. 44. Dat besluit bepaalde in artikel 1 de vervanging van de Secretarie van Staat en het toen bestaande Kabinet des Konings per 1 januari 1841 door een nieuwe instelling onder de naam Kabinet des Konings. Het tweede artikel bepaalde de formatie: een directeur, drie referendarissen, twee commiezen, drie adjunct-commiezen, enige vaste klerken en het nodige getal bedienden. Het derde artikel bevat de benoeming van de griffier ter Secretarie van Staat A.G.A. ridder van Rappard tot directeur van het nieuwe Kabinet des Konings. Het eigenlijke oprichtingsbesluit bevat dus geen taakomschrijving van het Kabinet. De considerans van dit besluit bevat wel enige toelichting. Na de opheffing van de Secretarie van Staat zouden de "overblijvende werkzaamheden echter van dien aard en van dien omvang zijn, dat zij noodwendig het aanhouden van eene afzonderlijke instelling, vooral ook voor het behoorlijk aantekenen, rangschikken en bewaren der wetten en besluiten en andere regeringsacten vereischen: maar tevens dat daarbij gevoeglijk de werkzaamheden, welke bij het oude Kabinet des Konings alsnog worden verrigt, kunnen plaats hebben". De formele samenvoeging van het oude kabinet des Konings en de Srecretarie van Staat betekende dus ook een samenvoeging van taken. Niet alle taken van beide instellingen zouden op het nieuwe Kabinet des Konings overgaan. Het concipiëren van de ontwerp-besluiten en het plaatsen van het contraseign waren aan de verantwoordelijke ministers opgedragen. Volgens de considerans van het instellingsbesluit behoorden dus in elk geval tot het takenpakket van het Kabinet des Konings: registratie der wetten, besluiten en andere staatsstukken; Van 1798 tot eind 1988 werden de stukken chronologisch geregistreerd en voorzien van een iedere dag opnieuw beginnende doorlopende nummering. Daarmee stemt overeen de "agenda" der dagelijks ingekomen stukken, met een korte opgave van de inhoud, alsmede de datum en nummer van het besluit van afdoening. Overigens maakte men geen onderscheid tussen belangrijke en minder belagrijke stukken. Alles, rijp en groen, werd geregistreerd, wetten en algemene maatregelen van bestuur, maar ook de toezending van een jaarverslag of de uitbetaling van een vergoeding aan een personeelslid. bewaring der wetten, besluiten en andere staatstukken; Na te zijn afgehandeld werden de stukken in het archief van het Kabinet opgeborgen. Ze liggen chronologisch, op datum en nummer van het besluit. Om nu stukken te kunnen terugvinden, waarvan de datum en het nummer niet bekend zijn, maar het onderwerp wel, werden zeer uitgebreide en omvangrijke registers aangelegd: een onderwerpsgewijze index en een alfabetische namen- en zakenklapper. Evenmin als bij de registratie werd bij de opberging onderscheid gemaakt naar de aard van het stuk. Wel is er naast het zgn. "publieke" archief een klein "geheim" archief, waarin stukken zijn opgeborgen, waarvan de inhoud voor het eigen personeel een tijd geheim moet blijven. Naast deze twee in de considerans van het instellingsbeluit genoemde taken, gingen dus nog enkele andere taken naar het nieuwe Kabinet des Konings over. Dat waren: het voorleggen van en behandelen met de Koning van alle ingekomen stukken; Dit hield in het maken van een samenvatting of een commentaar, de controle op volledigheid van de bijlagen en juistheid der stukken, en het gevraagd en ongevraagd verzamelen van informatie. Tijdens de latere jaren van het koningschap van Koning Willem III liet deze zich de stukken vaak voorlezen door een medewerker van het Kabinet. het voeren van de correspondentie namens de Koning met de ministers en de Hoge Colleges van Staat; De Koning(in) schrijft in principe zelf geen brieven. Het overgrote deel van het contact tussen de Koning(in) en de ministers en de Hoge Colleges van Staat verloopt schriftelijk en via het Kabinet. De uitgaande brieven en beschikkingen (niet de Koninklijke besluiten) worden door ambtenaren van het Kabinet geconcipieerd en door de directeur ondertekend. Slechts brieven van de Koningin aan buitenlandse staatshoofden worden door haarzelf ondertekend, evenals de geloofsbrieven van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers in het buitenland. het vervaardigen en verzenden van afschriften van Koninklijke besluiten aan de ministers en de Hoge Colleges van Staat, ter uitvoering of ter kennisneming; Indien in de tekst van een Koninklijk besluit staat vermeld dat afschriften van het besluit moet worden verzonden aan een of meer met name genoemde personen of instellingen, dan werden die afschriften door personeel van het Kabinet vervaardigd en verzonden. De minister, die met de uitvoering van het besluit was belast, liet door zijn ambtenaren afschriften vervaardigen voor andere, niet met name in het besluit genoemde belanghebbenden. het registreren, behandelen en doorzenden der aan de Koning gerichte verzoekschriften aan de ministers, ter afdoening of om bericht en raad; Verzoekschriften aan de Koningin gericht werden nooit door de Koningin zelf afgedaan, maar altijd door de minister, op wiens terrein het verzoekschrift betrekking had. De verzoekschriften werden bijna altijd ter afdoening aan de ministers gestuurd. Daarom zijn in het archief van het Kabinet ook nauwelijks afschriften te vinden. Als de Koningin geïnformeerd wilde worden over een bepaalde kwestie, in een verzoekschrift genoemd, liet ze het eerst om 'consideratie en advies' of om 'bericht en raad' aan een minister sturen. Deze rapporteerde dan aan de Koningin, waarna de minister gemachtigd werd om overeenkomstig zijn rapport te handelen. Deze taken worden nog steeds door het personeel van het Kabinet der Koningin verricht. Enkele andere taken die in 1841 overgingen naar het nieuwe Kabinet des Konings verdwenen in de loop der tijd: de uitgifte van het Staatsblad; Van 1841 tot 1864. Krachtens Koninklijk besluit van 22 december 1863 S.149 is de uitgifte van het Staatsblad opgedragen aan de Minister van Justitie. de behandeling van aangelegenheden van het Koninklijk Huis; Tussen 1841 en 1898 gingen geleidelijk een aantal bemoeiingen van het Kabinet over op de hofhouding, nl.: a) behandeling van verzoeken om financiële ondersteuning, voor zover die niet uit 's rijks schatkist kon geschieden; b) behandeling van verzoeken om het predicaat koninklijk en hofleverancier; c) behandeling van verzoeken om boekwerken aan de Koning(in) te mogen opdragen; d) bemiddeling bij het aanbieden van boekwerken; e) registratie van verlening van onderscheidingen in de Orde van de Eikenkroon en van de Gouden Leeuw van Nassau. het secretariaat van de Kabinetsraad. Onder Koning Willem II kwamen de ministers geregeld samen en vergaderden onder voorzitterschap van de koning. Deze vergaderingen werden Kabinetsraad genoemd. De invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid verschoof het zwaartepunt van de besluitvorming naar de Ministerraad, waardoor de noodzaak tot het houden van een Kabinetsraad minder opprtuun werd. Onder Koning Willem III zijn dan ook een beperkt aantal vergaderingen van de Kabinetsraad gehouden. Ook Koningin Wilhelmina heeft nog tweemaal een Kabinetsraad voorgezeten, en wel in 1904 en 1906, welke, voor zover bekend, de laatste zijn geweest. Er is niet alleen een aantal taakonderdelen verdwenen, maar er zijn er ook enkele bijgekomen, zoals: het secretariaat van de Ministerraad; Van 1823 tot 1842 was het secretariaat van de Ministerraad opgedragen een referendaris bij de Raad van State. Bij art. 4 van het Koninklijk besluit van 31 maart 1842 houdende het Reglement van orde voor de Raad van Ministers werd de directeur van het Kabinet des Konings belast met het secretariaat van die raad. Formeel, want feitelijk vervulde de toenmalige directeur Van Rappard het secretariaat reeds sinds 1839 in zijn functie van griffier ter Staatssecretarie. In 1850 wilde de Koning afschriften ontvangen van de notulen, welke sindsdien steeds aan de Koning(in) zijn voorgelegd. Mede als gevolg hiervan zijn de notulen verworden totlouter lijsten van formele besluiten: men kan er niet meer in lezen waarover de ministers beraadslaagd hebben. Bij Koninklijk besluit van 31 januari 1862 nr 47 verkreeg jhr F.L.W. de Kock, directeur van het Kabinet, ontslag op eigen verzoek als secretariaat van de Ministerraad. Krachtens ket Koninklijk besluit van 3 augustus 1862 nr. 21, houdende een nieuw Reglement van orde, treedt een der ministers op als tijdelijk secretaris van de Ministerraad. de ambtelijke ondersteuning bij het representatief optreden van de Koningin; Als de koningin als staatshoofd ambassadeurs ontving of zelf op staatsbezoek ging, zorge het Kabinet voor de voorbereiding, samen met de betrokken ministeries. de voorlichting over het optreden van het staatshoofd. Met name bij kabinetsformaties verzorgde de directeur van het Kabinet de communiqués over de stand van de kabinetsformatie.
Militair Gezag Al in een vroeg stadium had de Nederlandse regering in ballingschap plannen gemaakt met het oog op de overgangsperiode - na de Duitse nederlaag - tussen het wegtrekken van de Duitse bezettingstroepen en de terugkeer van het wettig Nederlands gezag. Het instrument om het verwachte gezagsvacuüm op te vullen werd het Militair Gezag dat in 1943 in Londen in het leven werd geroepen. Hoofd daarvan werd niet, zoals koningin Wilhelmina had gewenst, de voormalige hoofdcommissaris van politie in Rotterdam mr. L. Einthoven - die zat tot september 1944 als gijzelaar gevangen in Sint Michielsgestel - maar de kapitein van de generale staf mr. H.J. Kruls. Het Militair Gezag zou in de genoemde overgangsperiode verantwoordelijk zijn voor alle facetten van overheidszorg, waarvan de zorg voor orde en rust niet de minst belangrijke was. De speciale verantwoordelijkheid daarvoor was opgedragen aan de Sectie III onder leiding van mr. R.P.J. Derksema. Deze sectie had een tweeledige taak: voorkomen dat in het in veler ogen te verwachten machtsvacuüm de communisten de macht zouden grijpen, èn het zuiveren van het overheidsapparaat van collaborerende ambtenaren. Eén specifiek onderdeel van die taak was in Londen niet voorzien: het identificeren, opsporen en arresteren van medewerkers en V-Männer van Duitse diensten als Gestapo, Abwehr en Sicherheitsdienst (SD). Zolang er nog gevochten werd was dat laatste de taak van de Field Security-eenheden van de geallieerde legers geweest, zoveel mogelijk ondersteund door met de lokale omstandigheden bekende deskundigen. Met het oog daarop had al in mei 1944 de Counter Intelligence Staff van het geallieerd opperbevel een legal agreement gesloten met de enige Nederlandse instantie die op dat moment als partner in aanmerking kwam: de Sectie III van het Militair Gezag. In het legal agreement waren afspraken vastgelegd over de verantwoordelijkheden van de geallieerde, respectievelijk de Nederlandse counter intelligence-organisaties. Naarmate de militaire operaties op Nederlands grondgebied vorderingen zouden maken, zouden de verantwoordelijkheden en bevoegdheden op dit terrein overgaan naar de Nederlandse kant. De geallieerde opmars na de landing in Normandië maakte het mogelijk dat de kwartiermakers van het Militair Gezag zich al op 10 september 1944 in Brussel vestigden, een maand later gevolgd door Derksema en een deel van zijn Sectie III. In de loop van de volgende maanden bleek deze niet voldoende gezag te hebben om zijn positie van exclusieve counterpart van de geallieerde Field Security te handhaven. Buiten hem om werkten verzetsorganisaties met de geallieerde diensten samen, waardoor van enige coördinatie geen sprake was, een coördinatie die ook en juist van geallieerde zijde werd gewenst. Om dit probleem op te lossen vond op 23 mei 1945 in Den Haag een vergadering plaats waaraan behalve de chef-staf van het Militair Gezag, de inmiddels tot generaal-majoor opgeklommen mr. H.J. Kruls, ook de bewindslieden minister-president mr. P.S. Gerbrandy en minister van Oorlog dr. J.E. de Quay deelnamen. Aan deze bijeenkomst in hotel "Des Indes" te Den Haag werd bovendien deelgenomen door de juridisch adviseur van prins Bernhard mr. J.M. van Bemmelen, de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie mr. J.R.M. van Angeren, het hoofd van het Bureau Inlichtingen (Het Bureau Inlichtingen der Nederlandsche Regeering was in Londen opgericht bij KB van 28 november 1942, nadat een eerder opgerichte Centrale Inlichtingendienst aan competentieproblemen ten onder was gegaan.) dr. J.M. Somer en diens plaatsvervanger mr. C.L.W. Fock; tenslotte was ook mr. R.P.J. Derksema aanwezig, die nog steeds hoofd van Sectie III van het Militair Gezag was. Onder voorzitterschap van minister-president Gerbrandy kwam de vergadering in ruime meerderheid tot de conclusie dat Derksema en zijn organisatie niet beschikten over de vereiste kwaliteiten. Men zocht iemand van zwaar kaliber, in welk verband de naam viel van generaal H. Koot, tijdens de oorlog commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in bezet gebied. Toen deze weigerde, werd men het erover eens dat in diens plaats mr. L. Einthoven gevraagd zou worden, dezelfde die door koningin Wilhelmina twee jaar eerder was voorgesteld als hoofd van het Militair Gezag. Ook hij weigerde aanvankelijk, maar uiteindelijk wist zijn oude vriend De Quay hem over te halen. Daardoor kon Kruls op 29 mei 1945 een beschikking tekenen waarbij een Bureau voor Nationale Veiligheid (BNV) werd opgericht en waarbij tegelijkertijd Einthoven benoemd werd tot tijdelijk reserve-kolonel en hoofd van het BNV. Bureau voor Nationale Veiligheid Aan de basis van Kruls' beschikking lag de overweging "dat het wenschelijk is, de werkzaamheden betreffende de handhaving van de in- en uitwendige veiligheid van den Staat gecoördineerd te doen verrichten" - een duidelijke verwijzing naar de zowel bij het Militair Gezag als bij de geallieerden levende wens op dat gebied. De uiterst summiere taakomschrijving viel in twee delen uiteen: het BNV zou "alle werkzaamheden [moeten] verrichten de in- en uitwendige veiligheid van den Staat betreffende"; daarbij zou het bureau over die werkzaamheden "contacten [moeten] opnemen en onderhouden met de Geallieerden" - en dat alles "met uitsluiting van alle andere instanties". In de formulering van de beschikking is de problematiek terug te vinden waarvoor het BNV een oplossing zou moeten bieden, en ook de haast die men had om die oplossing tot stand te brengen. Die haast is ook terug te vinden in de manier waarop Einthoven het Bureau voor Nationale Veiligheid vorm gaf, of, in zijn eigen woorden, "uit de grond stampte". In beginsel stonden hem daartoe twee wegen open: hij kon uit door hem te selecteren mensen from scratch een nieuwe en kleine organisatie vormen, of hij kon alle in aanmerking komende groepen en diensten in één grote organisatie samenbrengen en daaruit de ongeschikte en/of onbetrouwbare personen geleidelijk verwijderen. Met name vanwege de tijdsdruk - er zaten duizenden mensen in cellen en kampen die nog verhoord moesten worden - koos Einthoven, daarin gesteund door zijn formele chef Kruls en door de minister van Oorlog De Quay, voor de tweede optie. Alleen op die manier zouden de activiteiten van de verschillende groepen gecoördineerd worden en bovendien daardoor een legale basis krijgen, namelijk in de instellingsbeschikking van het BNV. Alleen door die groepen onder het dak van het BNV te brengen was te voorkomen, aldus Einthoven, dat illegale activiteiten als arrestaties en verhoren door onbevoegden zouden worden voortgezet. Bovendien - en dat was in de gegeven omstandigheden minstens zo belangrijk - leek de gekozen opzet de enige manier om de bij die groepen berustende gegevens in handen te krijgen en samen te voegen. En juist die gegevens waren essentieel voor de uitvoering van de meest urgente van de taken van het BNV, het oprollen van de Duitse spionage-, sabotage- en stay behind-organisaties (Men was bang dat de Duitsers, na het terugtrekken van hun reguliere troepen, 'Weerwolf'-groepen (verzets- en sabotagegroepen) zouden achterlaten om de geallieerden in de rug aan te vallen.). Concreter gezegd: het identificeren, opsporen, arresteren en verhoren van de tot die organisaties (Abwehr, Gestapo, Sicherheitsdienst) behorende Duitsers en Nederlanders, de onschuldigen op vrije voeten stellen en de rest overdragen aan de Politieke Opsporingsdiensten (P.O.D.'s) van het Militair Gezag, na 1 januari 1946 aan het onder Justitie ressorterende Directoraat Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging ( Het DGBR was opgericht bij KB van 1 november 1945; het begon zijn werkzaamheden op 1 januari 1946.). Toen het Bureau Nationale Veiligheid op 29 mei 1945 officieel in het leven werd geroepen door de Chef Staf van het Militair Gezag (MG) bestond er nog geen complete organisatie die de volgende dag meteen aan de slag kon gaan. In de weken na de instelling werd in een hoog tempo een grote organisatie bestaande uit diverse afdelingen 'uit de grond gestampt' door verschillende organisaties samen te voegen. Een en ander was bedoeld als een poging om de krachten te bundelen van die diverse Nederlandse organisaties die in de periode na de bezetting op het terrein van de opsporing actief waren. Het ging daarbij zowel om verzetsorganisaties als reguliere overheidsorganen. Door deze bundeling trachtte het MG meer greep te krijgen op de diverse organisaties, met name de nogal vrijgevochten verzetsorganisaties, en zo een betere opsporing tot stand te brengen. Het BNV was in de eerste plaats een voortzetting van de Sectie IIIa van het MG. Deze sectie vormde tot mei 1945 samen met IIIb de gehele Sectie III. Deze Sectie III was in oorsprong het orgaan dat zich bezig zou moeten gaan houden met de zuivering van de politie, bovendien zou MG III onderzoeken verrichten naar politieke betrouwbaarheid van personen ook buiten de politiesector. Eerstgenoemde taak werd ondergebracht in de Sectie IIIb en andere in IIIa. Overigens noemde deze sectie zich in de laatste weken van zijn bestaan (mei 1945) al de 'Inlichtingen- en Veiligheidsdienst' (IVD). Naast de sectie IIIa van het MG werden nog de navolgende organisaties geheel of grotendeels in het BNV opgenomen: de securityafdeling van de Bevelhebber Nederlandse Strijdkrachten (BNS) onder leiding van de majoor Engelberts; de sectie Centrale Inlichtingen (sectie III, tot 15 januari 1945 sectie IV) van het Commando Stoottroepen, samen met de Chef Staf van de Stoottroepen J. Gerritsen; de Groep Sanders van de Centrale Inlichtingendienst (CID); de Groep Albrecht (een militaire inlichtingengroep die tijdens de bezetting werkte voor het Londense Bureau Inlichtingen) en twee buitenlandse posten in Brussel en Parijs van de voormalige Sectie III. Buiten de hoofdtaken (opsporing en extremisme) werden aan het BNV gedurende korte of langere tijd werkzaamheden toevertrouwd die alle op het terrein van beveiliging lagen. Die werkzaamheden zijn op een zeker moment overgegaan naar andere organisaties. Einthovens eerste zorg was dus al die groepen ook daadwerkelijk in het BNV te integreren, die zich tot 29 mei op eigen houtje, al dan niet in samenwerking met de geallieerden, met dit werk hadden bezig gehouden. Daartoe behoorden onder meer de sectie Centrale Inlichtingen van de Stoottroepen, de sectie III van het Militair Gezag en de Centrale Inlichtingendienst (CID). Deze laatstgenoemde dienst moet niet verward worden met de Centrale Inlichtingendienst die in de jaren twintig en dertig had bestaan, en evenmin met de Centrale Inlichtingendienst die in Londen enkele jaren een weinig succesvol bestaan had geleid als voorloper van het Bureau Inlichtingen. De CID die hier wordt bedoeld had tijdens de bezetting onder leiding van de inspecteur van politie W.E. Sanders systematisch inlichtingen verzameld over verraders en 'foute' figuren. In de zomer van 1944 beschikte de CID over een cartotheek met 6000 namen, reden waarom Sanders zich na de oorlog beschouwde als leider van een belangrijk politioneel informatiecentrum. Het is dan ook niet toevallig dat Sanders op verzoek van Einthoven de leiding op zich nam van wat de grootste afdeling van het BNV zou worden, de Opsporingsdienst. De opbouw van het BNV nam enkele maanden in beslag. Regionale vertegenwoordigers van het bureau, de District Liaison Officers (DLO's) speelden daarbij een belangrijke rol. Zij hadden enerzijds tot taak - conform de instellingsbeschikking - het BNV te vertegenwoordigen bij de geallieerde en plaatselijke Nederlandse gezagsdragers, anderzijds moesten zij de documentatie overnemen van de Engelse en Canadese Field Security sections en van de plaatselijke of regionale verzetsgroepen. Dit laatste desnoods met inbegrip van de personen die de desbetreffende documentatie hadden opgezet en bijgehouden. Zo groeide het BNV in snel tempo. In november 1945, toen de aanname van personeel werd stopgezet, telde het bureau 1356 personeelsleden. De gekozen werkwijze had het BNV een maximum aan gegevens opgeleverd, maar bijna onvermijdelijk ook een groot aantal onbekwame of onbetrouwbare personeelsleden. Omdat de tijd had ontbroken de aspirant-BNV'ers vóór indiensttreding te screenen, gebeurde dat in veel gevallen achteraf door de Dienst Officieren Toegevoegd (DOT), een soort personeelsrecherche die rechtstreeks onder Einthoven ressorteerde. Op die manier werden ongewenste elementen uit het BNV verwijderd, maar de bestaande onderlinge tegenstellingen en conflicten waren daarmee niet verdwenen. Die bestonden vooral binnen de Opsporingsdienst, verreweg het grootste onderdeel van het bureau en samengesteld uit verschillende elkaar wantrouwende voormalige verzetsgroepen. Het meest ingrijpende conflict evenwel was dat tussen het hoofd van de Opsporingsdienst, Sanders, en diens chef Einthoven. Wat als de 'affaire-Sanders' bekend is geworden was in de eerste plaats een conflict tussen twee autoritaire persoonlijkheden die totaal verschillende opvattingen hadden over de manier waarop het BNV en met name de Opsporingsdienst zijn taak diende uit te voeren, maar het was tegelijkertijd ook onderdeel van de strijd van Justitie tegen het BNV. De voormalige recherchechef Sanders was gewend te denken in termen van het Wetboek van Strafvordering en hij verweet Einthoven dat deze verdachten zonder degelijk onderzoek overgaf aan het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging (DGBR). Einthoven van zijn kant had bezwaar tegen de naar zijn mening tijdverslindende manier waarop Sanders zijn zaken 'rond' maakte. In zijn visie moest het BNV, in casu de Opsporingsdienst, niet minder maar ook niet meer doen dan medewerkers van Abwehr, Gestapo en SD, al dan niet georganiseerd in stay behind-groepen, opsporen en identificeren, om hen na verhoor over te dragen aan de Politieke Opsporingsdiensten, later Politieke Recherche Afdelingen, van het DGBR. Die zouden de zaken dan verder politieel en justitieel afwikkelen. Het BNV zou immers maar een beperkte levensduur hebben. Sanders bleef echter zijn eigen werkwijze volgen, waardoor hij rechtstreeks in conflict kwam met Einthoven. Daarbij kwam dat in januari 1946 het kabinet-Schermerhorn tot liquidatie van het BNV had besloten, enkele maanden later zelfs tot versnelde liquidatie. Van de Opsporingsdienst, die honderden personeelsleden telde, zouden dan de laatste vijftien man overgaan naar de PRA 's-Gravenhage, evenals de andere PRA's ressorterend onder het DGBR. In die situatie met voor hem weinig opwekkende vooruitzichten zocht Sanders steun bij de ambtelijke top van Justitie. In de zomer van 1946 had hij een bespreking met de secretaris-generaal van dat departement, mr. J.C. Tenkink en de Amsterdamse procureur-generaal mr. J.A. van Thiel. Evenmin als Sanders waren zij vrienden van Einthoven. Als hoofd van het BNV beschikte deze laatste over bevoegdheden als arrestatie, detentie en verhoor, bevoegdheden die als bij uitstek justitieel aangemerkt kunnen worden. In de ogen van Justitie was Einthovens BNV dan ook een anomalie die zo spoedig mogelijk diende te verdwijnen. Vandaar dat Tenkink en Van Thiel positief reageerden op Sanders' voorstel, dat hij zijn werk tegen de Duitse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zou voortzetten onder de aegis van Justitie. Sanders zag een continuïteit tussen de vooroorlogse justitiële aanpak van de Duitse spionage in Nederland, en het werk dat hij op dat moment in BNV-verband verrichtte. Het was voor hem dan ook volkomen logisch dat 'zijn' dossiers betreffende de Duitse spionage de vooroorlogse dossiers van Justitie over dat onderwerp zouden completeren. Tenkink en Van Thiel deelden Sanders' zienswijze. Diens voorstel paste bovendien in het oude streven van Justitie om de opsporing van bepaalde delicten, zoals handel in verdovende middelen, het drukken van vals geld en ook spionage, te concentreren bij gespecialiseerde justitiële informatiecentrales. Sanders kreeg de raad contact op te nemen met de Directie Politie van het Ministerie van Justitie. Van Thiel raadde hem bovendien aan, te solliciteren naar een functie bij dat departementsonderdeel. Moreel gesteund door de ambtelijke top van Justitie en rekenend op een functie bij de directie Politie ging Sanders er toe over, geselecteerde BNV-dossiers te kopiëren om die ter beschikking van zijn toekomstige werkgevers te stellen. Aan deze in de ambtelijke en interdepartementale verhoudingen toch wat merkwaardige gang van zaken gaf Justitie een schijn van legitimiteit door Sanders te beloven dat minister-president Beel, die begin juli Schermerhorn was opgevolgd, op de hoogte zou worden gebracht. Daardoor in zijn voornemen gesterkt zocht Sanders ook zelf contact met Beel en zette hij hem zijn plan uiteen. Zeer waarschijnlijk heeft Beel als politiek verantwoordelijke voor het BNV Einthoven van Sanders' plannen op de hoogte gebracht. Zo Beel al niet zelf op de gedachte zou zijn gekomen dat Justitie Sanders gebruikte - en dat Sanders zich bewust liet gebruiken - tegen het BNV, dan zal Einthoven hem dat ongetwijfeld hebben duidelijk gemaakt. Hoe het zij, de manier waarop de 'affaire-Sanders' zijn climax bereikte doet in elk geval de regie van Einthoven vermoeden. Sanders werd bij Beel ontboden en hem werd gesommeerd alle gekopieerde BNV-dossiers mee te brengen. Daar, in de kamer van de minister-president, vond zijn aanhouding plaats, waarna hij voor verhoor werd overgebracht naar het Haagse politiebureau. Tegenover de met de zaak belaste officier van justitie noemde hij als motief voor zijn handelwijze vooral zijn gebrek aan vertrouwen in Einthoven. Hij ontkende niet dat hij over de desbetreffende BNV-dossiers overleg had gevoerd met Justitie, maar hij weigerde de namen te noemen van de twee 'hoge ambtenaren' Tenkink en Van Thiel. Na twee jaar werd de zaak-Sanders afgesloten. In zijn rapport aan de procureur-generaal bij het Gerechtshof in Den Haag concludeerde de officier van justitie dat voor strafvervolging tegen Sanders niet voldoende termen aanwezig waren. Overigens was de 'affaire-Sanders' eerder een gevolg dan de oorzaak van het verdwijnen van het BNV. Al eind januari 1946 had het kabinet-Schermerhorn besloten het BNV op termijn te liquideren. Na 4 maart van dat jaar zou de Bijzondere Staat van Beleg worden beëindigd, waardoor tevens het Militair Gezag zou verdwijnen. Het BNV zou vanaf dat moment gaan ressorteren onder de minister-president. Deze laatste zette al in februari druk op het proces van liquidatie waartoe was besloten. Namens minister van Oorlog J. Meynen drong Schermerhorn er bij Einthoven op aan, zoveel mogelijk de bij het BNV werkzame militairen, zo'n 250 man, vrij te maken voor inzet in Nederlands-Indië. Dat moest, zo redeneerde hij, gemakkelijk kunnen omdat al was afgesproken dat het BNV - dat in februari nog ongeveer duizend man telde - vóór september teruggebracht zou zijn tot 400 personeelsleden. Schermerhorn voerde de druk op. Hij liet weten dat hij had besloten tot versnelde liquidatie "in verband met de zorgwekkende toestand van 's Lands financiën en de dringende behoefte aan militairen voor de opbouw van ons leger". Vanaf 1 augustus 1946 zou het BNV nog slechts een afwikkelingsbureau zijn en hoogstens nog 300 personeelsleden mogen tellen. Een kleine kern van de Opsporingsdienst zou volgens plan overgaan naar de PRA 's-Gravenhage van het DGBR om de nog resterende werkzaamheden af te ronden. Dat gebeurde inderdaad per 1 december 1946, onder de naam 'Dienst K'. Na opheffing van het DGBR maakte 'Dienst K' nog enige tijd als 'Sectie K' deel uit van het Kabinet van de Directie Politie van het Ministerie van Justitie, tot 'Sectie K' per 17 augustus 1949 definitief werd opgeheven. Het Bureau voor Nationale Veiligheid was toen allang opgeheven, namelijk per 31 december 1946. Taak, organisatie en werkwijze In de beschikking van 29 mei 1945 waarbij het BNV werd ingesteld, werd de taak van het bureau omschreven als het verrichten van "alle werkzaamheden de in- en uitwendige veiligheid van den Staat betreffende" en bovendien "daarover contacten op te nemen en te onderhouden met de geallieerden". Deze wel zeer ruime formulering werd tijdens het anderhalf jaar durende bestaan van het bureau op de volgende manier geconcretiseerd. Voor het contact met de geallieerden werd een District Liaison Office (DLO) in het leven geroepen onder leiding van kapitein P.R. Gerbrands. Deze had zijn kantoor in Utrecht en rapporteerde aan Einthoven persoonlijk. Daarnaast waren er in hetzelfde kader officieren die contacten onderhielden met geallieerde eenheden buiten Nederland, bijvoorbeeld met het British Army on the Rhine (BAOR). Het BNV had bovendien buitenposten, verbonden aan de Nederlandse vertegenwoordigingen in Brussel en Parijs. Het doel van het onderhouden van deze contacten was het in handen krijgen van gegevens en zo mogelijk documentatie met betrekking tot de Duitse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsook van personen (van Duitse, Nederlandse of andere nationaliteit) die tot deze diensten in relatie hadden gestaan. Deze personen, zeker als het belangrijke inlichtingenmensen betrof, werden dan van de geallieerden 'geleend'. Zo werden Schreieder en Giskes, de verantwoordelijken voor de Duitse kant van het 'Englandspiel', voor verhoor naar Nederland overgebracht. De Opsporingsdienst is al enige keren aan de orde geweest. Anders dan de naam zou doen vermoeden was dit geen zelfstandig orgaan, maar een - belangrijk - onderdeel van het BNV. Evenals het DLO had dit onderdeel een per definitie beperkte levensduur: het opsporen van medewerkers en agenten van de Duitse inlichtingen- en veiligheidsdiensten eindigde met het overgeven van deze personen aan het DGBR. Daartoe was het overigens wel noodzakelijk dat de medewerkers die met die taak waren belast, de case officers, een goed inzicht hadden in de organisatie en werkwijze van genoemde Duitse diensten. Dat inzicht kregen zij in de eerste plaats van de Canadese Field Security die vóór het vertrek uit Nederland aan Einthoven een samenvattend rapport aanbood betreffende de Duitse diensten en hun taken en werkwijze. Dit rapport werd door case officers van de Opsporingsdienst vertaald en waar mogelijk aangevuld met zelf verworven kennis. Het beschikbaar hebben van dit Canadese rapport maakte het naar de mening van Einthoven mogelijk, nog vóór Kerstmis 1945 uit de duizenden nog gevangen zittende verdachten de echte 'CI-gevallen' (personen die op een of andere manier met de Duitse inlichtingendiensten te maken hadden gehad) te selecteren en de rest op vrije voeten te stellen. Een wat oneigenlijk onderdeel van het BNV was het Bureau C dat de antecedenten en de geschiktheid onderzocht van vrijwilligers die zich hadden gemeld voor de bevrijding van Nederlands-Indië. Het had met de eigenlijke taken van het BNV niet zo heel veel van doen en ging per 1 maart 1946 dan ook over naar de militaire inlichtingendienst. De interne personeelsrecherche, de Dienst Officieren Toegevoegd, is al genoemd. Dit BNV-onderdeel ressorteerde direct onder Einthoven en had tot taak het screenen van personeel, meestal - gezien de haast - achteraf. Toen het BNV op zijn eind liep heeft dit onderdeel een taak gehad in het elders (bij de politie bijvoorbeeld) geplaatst krijgen van overtollig geworden BNV-personeel. Een onderdeel dat wel degelijk rechtstreeks te maken had met "de in- en uitwendige veiligheid van den Staat" was het Bureau B dat enkele tientallen medewerkers telde. Einthoven omschreef de taak van dit bureau als "het volgen van politieke stromingen die revolutionaire bewegingen kunnen veroorzaken". Het werk van Bureau B was, met andere woorden, een voortzetting van hetgeen in het Interbellum was gedaan door de Centrale Inlichtingendienst (CI) die toen ressorteerde onder Binnenlandse Zaken en tegelijkertijd, als GS IIIB, onder de chef van de Generale Staf. In die periode had de CI, steunend op de lokale politie, de ontwikkelingen bijgehouden, en daarover gerapporteerd, in de Nederlandse links- en rechts-extremistische politieke groeperingen. Deze door de Tweede Wereldoorlog afgebroken draad werd ook in de personele sfeer weer opgepakt. Met ingang van 1 juli 1945 werd hoofdinspecteur van politie J.G. Crabbendam hoofd van het Bureau B. Bij de Haagse politie, waar hij vandaan kwam, had hij zich al voor de oorlog met politiek inlichtingenwerk bezig gehouden; tijdens de bevrijding was onder zijn leiding NSB-leider Mussert gearresteerd. Al snel ging Crabbendam ertoe over om - overigens met toestemming van Justitie - via de procureurs-generaal bij de Gerechtshoven de gemeentelijke politiekorpsen in te schakelen bij het politieke inlichtingenwerk. Ook in dit opzicht werd de vooroorlogse praktijk hersteld. Bureau B besteedde uiteraard ruim aandacht aan personen en groeperingen die streefden - of leken te streven - naar het levend houden van nationaal-socialisme of fascisme. Zo speelde het bureau een rol bij de opsporing van Arnold Meijer, de leider van het fascistische Zwart Front (later Nationaal Front), die in augustus 1945 het interneringskamp in Vught was ontvlucht. Ook de kort na de bevrijding circulerende geruchten en berichten over de betrokkenheid van de zogenaamde 'Weerwolf-organisatie' bij de ontsnapping van Duitse en Nederlandse politieke delinquenten waren voor het bureau aanleiding in actie te komen. Ook al bleek achteraf de jacht op de 'Weerwolf' een jacht op spoken te zijn geweest, dat neemt niet weg dat in de verwarde situatie direct na de bevrijding het BNV zich niet kon veroorloven dergelijke geruchten niet te verifiëren. Meer nog dan door het verslagen nazisme zag Bureau B de democratische rechtsorde bedreigd door het communisme. Zoals gezegd knoopte Crabbendam ook in dit opzicht aan bij de vooroorlogse praktijk van de CI. Hij verzocht de inlichtingendiensten van de plaatselijke politie hem op de hoogte te houden van "die stroomingen (partijen, groepen, bewegingen of personen) welke door hun aard bij voorkomende gelegenheden gevaarlijk zouden kunnen worden voor de rust, orde of veiligheid van den Staat". Daarmee doelde hij op kleine trotskistische en anarchistische groeperingen, maar toch vooral op de communistische organisaties in Nederland: de CPN, de communistisch gedomineerde Eenheids Vakcentrale (EVC) en de communistische nevenorganisaties van jongeren en vrouwen. In de loop van januari 1946 begonnen de eerste berichten over activiteiten van lokale communistische partijafdelingen bij Bureau B binnen te komen. Deze berichten waren gebaseerd op open bronnen, zoals het communistische dagblad De Waarheid, en op het bezoeken van openbare vergaderingen. Wellicht dat een enkele politie-inlichtingendienst over informanten in bijvoorbeeld de CPN beschikte, maar uit de rapportage van Bureau B blijkt dat niet. Voor de volledigheid zij hier nog vermeld, dat het BNV beschikte over een afdeling A (beheer), bij dit gemilitariseerd onderdeel van het Militair Gezag Intendance genoemd. In en door deze afdeling werden alle zaken gedaan op facilitair en beheersgebied. Hier werden bijvoorbeeld de aanschaffingen gedaan voor kantoorbenodigdheden, voertuigen, brandstof en voedsel. Naar later bleek is vooral bij dit onderdeel van het BNV op flinke schaal gefraudeerd en gestolen. Rapportage Het enige onderdeel van het BNV dat externe rapportage verzorgde was het Bureau B. Vanaf oktober 1945 stuurde het weekoverzichten aan de politieverbindingen. In januari 1946 bracht het zijn eerste Maandoverzicht uit, in eerste instantie eveneens bestemd voor de inlichtingendiensten van de lokale politiekorpsen. Ook in dit opzicht knoopte het Bureau B aan bij de vooroorlogse praktijk van de Centrale Inlichtingendienst, die tweemaandelijkse overzichten en later jaaroverzichten had gemaakt voor de plaatselijke politie. In de Maandoverzichten van het Bureau B kwam de brede belangstelling van het bureau tot uiting. Aan de orde kwamen voort- of herlevend nationaal-socialisme, ontwikkelingen in het Nederlandse communisme, maar - zeker aanvankelijk - ook onverdacht democratische partijen als de SDAP en de Nederlandse Volksbeweging (NVB) waartoe minister-president Schermerhorn behoorde en die mede was opgericht door Einthoven. Overigens was dat niet omdat laatstgenoemde partijen in de ogen van Crabbendam gevaarlijk waren, maar omdat alle politieke groeperingen voor het houden van vergaderingen gebonden waren (overigens niet lang) aan door het Militair Gezag af te geven vergunningen. Van de andere BNV-onderdelen zou men alleen van de Opsporingsdienst kunnen zeggen dat hij extern rapporteerde in de vorm van de processen-verbaal van verhoor die aan het DGBR werden overgedragen. De andere onderdelen rapporteerden uitsluitend intern aan het hoofd van het BNV. Relaties (nationaal) In de instellingsbeschikking waarbij het BNV was opgericht was met zoveel woorden gestipuleerd dat het BNV zijn werk zou uitvoeren "met uitsluiting van alle andere instanties". Dat betekende dat het BNV, met name op het terrein waarop de Opsporingsdienst werkzaam was, in grote mate autonoom kon optreden. Zo kon van de politie geëist worden dat bepaalde gevangenen voor verhoor aan het BNV werden overgedragen. Dat gebeurde niet altijd met overdreven veel égards, hetgeen de populariteit van het BNV bij de desbetreffende politie-instanties niet verhoogde. Aan de andere kant werden de door het BNV gehoorde verdachten ofwel zo snel mogelijk - dat was althans de uitdrukkelijke bedoeling van Einthoven - aan het DGBR overgedragen, ofwel op vrije voeten gesteld. Anders lag de zaak waar het de activiteiten van Crabbendams Bureau B betrof. Zoals al uiteengezet was Crabbendam begonnen de politierelaties van de vooroorlogse Centrale Inlichtingendienst weer op te pakken. Dat betekende dat in de loop van 1946 het bureau zijn relatienetwerk met zowel de gemeentepolitie als met de onder Justitie vallende Rijkspolitie begon op te bouwen en geleidelijk uit te breiden. De problemen die daarbij optraden in met name de relatie met de Rijkspolitie komen aan de orde in het hoofdstuk over de Centrale Veiligheidsdienst. In de laatste fase van het bestaan van het BNV onderhielden officieren van de Dienst Officieren Toegevoegd relaties met andere overheidsinstanties, daaronder in de eerste plaats de politie, om - indien nodig - afvloeiend BNV-personeel elders een werkkring te bezorgen. Relaties (internationaal) De instellingbeschikking droeg het BNV op "contacten op te nemen en te onderhouden met de Geallieerden" op het terrein van de in- en uitwendige veiligheid. Met name de District Liaison Officers namen dit onderdeel van de BNV-taak voor hun rekening. Zij onderhielden de relaties met de Canadese en de Britse Field Security-eenheden zowel in Nederland als, in voorkomende gevallen, in Duitsland. In dat kader werd ook contact onderhouden met de Nederlandse Militaire Missie in Duitsland, waarvoor een speciale verbindingsofficier was aangewezen. De BNV-buitenposten in Brussel en Parijs onderhielden contacten met de overeenkomstige veiligheidsdiensten in België en Frankrijk. Al deze contacten hadden te maken met de werkzaamheden van de Opsporingsdienst. Bureau B was als onderdeel van het BNV nog niet aan internationale relaties toe. Politieke sturing Het Bureau voor Nationale Veiligheid ressorteerde in eerste instantie onder de chef-staf van het Militair Gezag, generaal-majoor mr. H.J. Kruls. Het lijkt erop dat Kruls Einthoven in grote mate zijn gang liet gaan. Van instructies aan het hoofd BNV lijkt geen sprake te zijn geweest, evenmin als van schriftelijke verantwoordingsrapportage aan Kruls. Wel is het natuurlijk mogelijk dat Einthoven Kruls mondeling op de hoogte hield van de gang van zaken, maar een schriftelijke neerslag daarvan is niet aangetroffen. Na de opheffing op 4 maart 1946 van de Bijzondere Staat van Beleg en daarmee van het Militair Gezag ging Kruls zich volledig wijden aan zijn taak van chef van de Generale Staf. Einthoven ging met het BNV over naar de minister-president, aanvankelijk tevens minister van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk, ir. W. Schermerhorn. Ook deze lijkt zich in de vier maanden dat hij het BNV onder zich had met de feitelijke gang van zaken weinig te hebben bemoeid. Zijn voornaamste bemoeienis met het bureau was het bevorderen van een zo snel mogelijke liquidatie. Overigens bemoeide Schermerhorn zich wel met de totstandkoming van de Centrale Veiligheidsdienst - daarover later meer. Na de eerste naoorlogse verkiezingen in mei 1946 werd dr. L.J.M. Beel, die in het kabinet-Schermerhorn minister van Binnenlandse Zaken was geweest, minister-president. Tegelijkertijd bleef hij minister van Binnenlandse Zaken. Meer dan zijn voorgangers was hij persoonlijk betrokken bij de gang van zaken bij het BNV, zoals in de zaak-Sanders was gebleken. Ook bij de nasleep van deze affaire speelde hij een rol. Terwijl in de laatste maanden van 1946 de liquidatie van het BNV in hoog tempo werd afgerond, had Sanders zijn visie op de 'zaak-Sanders' laten optekenen door de journalist J.W. Matthijsen. Diens brochure Naar aanleiding van de liquidatie van het Bureau Nationale Veiligheid kwam neer op een aanval op Einthoven en, niet verwonderlijk, een verdediging van Sanders. De brochure werd begin november 1946 aan de pers toegezonden. Dit was voor Einthoven aanleiding Beel te verzoeken een commissie in te stellen om de beschuldigingen aan zijn adres te onderzoeken. Binnen een maand voldeed Beel aan Einthovens verzoek en installeerde hij de commissie-Wijnveldt, zo genoemd naar haar voorzitter, de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. J. Wijnveldt. De commissie, geïnstalleerd op 3 december 1946, zou het beleid bij het BNV moeten onderzoeken, meer in het bijzonder in hoeverre de kritiek op de leiding (Einthoven dus) gerechtvaardigd was en welke rol Sanders in het geheel had gespeeld. Bovendien kreeg de commissie de opdracht te bezien onder welk departement de inmiddels opgerichte Centrale Veiligheidsdienst zou moeten ressorteren. Hoewel de commissie zo te zien een blanco volmacht kreeg om met aanbevelingen te komen, bleek nog voordat de commissie was geïnstalleerd, hoezeer opdrachtgever Beel zelf partij was geworden in deze kwestie. Naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer over de 'affaire-Sanders' had hij eind november de instelling van de commissie-Wijnveldt aangekondigd en melding gemaakt van de aan deze commissie te verstrekken opdrachten. Tegelijkertijd had hij de Kamer èn de nog te installeren commissie-Wijnveldt een schot voor de boeg gegeven door onderbrenging van de CVD bij Justitie sterk af te raden. Dat zou bij de bevolking de vrees voor een geheime politie oproepen - naar zijn mening een terechte vrees. Tegenover Einthoven drukte Beel zich nog duidelijker uit toen hij hem toevertrouwde dat hij, Beel, de huidige toestand wilde bestendigen: de Centrale Veiligheidsdienst onder de minister-president. Parlementaire controle Van parlementaire controle op het BNV kan eigenlijk niet worden gesproken. Het eerste naoorlogse 'normale' parlement werd pas in mei 1946 via algemene verkiezingen gekozen - een jaar na de bevrijding en een jaar na de instelling van het BNV. Bij de behandeling van de Rijksbegroting voor 1946, in november 1946, werden naar aanleiding van de brochure over de 'zaak-Sanders' voor het eerst vragen gesteld over de gang van zaken bij het BNV. In zijn antwoord kon minister-president Beel (trouwens ook minister van Justitie mr. J.H. van Maarseveen) volstaan met te verwijzen naar de spoedig in te stellen commissie-Wijnveldt die de gang van zaken bij het in zijn laatste fase van liquidatie verkerende BNV zou onderzoeken. Beel zegde de Kamer toe, te zijner tijd het rapport met de bevindingen van de commissie ter visie te zullen leggen.
1813(1913)-1937 Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw hadden de Nederlands-Britse betrekkingen zich voornamelijk beperkt tot de handel, een ontwikkeling die in de eerste decennia van de 20e eeuw versterkt voortgezet werd, in de vorm van een toenemende economische vervlechting. De Nederlands-Britse handel kwam vanaf het midden van de 19e eeuw steeds meer in het teken van de vrijhandel te staan, met als mijlpalen de afschaffing van de Britse Acte van Navigatie in 1849, de liberalisering van de Nederlandse scheepvaartwetgeving, inclusief de beëindiging van de bevoorrechting van de Nederlandse vlag in Indië in 1850, de opheffing van de Britse protectionistische graanrechten, en de totstandkoming van de Nederlandse Tariefwet van 1862, die een periode van wederzijdse tariefverlagingen afsloot. Overigens werkte de vrijhandel lange tijd vooral in het voordeel van Groot-Brittannië: in de 19e eeuw bleef de Nederlandse export naar Groot-Brittannië belangrijk achter bij de Nederlandse import uit dat land, waardoor de bilaterale handelsbalans voor ons land dus negatief was. Pas na de Eerste Wereldoorlog veranderde de bilaterale handelsbalans in het voordeel van Nederland. Maar wat goederen en producten betrof, bleef de samenstelling van het wederzijdse handelspakket tot 1940 in grote lijnen gelijk aan de situatie in de 19e eeuw: Nederland exporteerde ook in de 20e eeuw nog vooral zuivelproducten, vlees en groenten naar het Verenigd Koninkrijk, en importeerde voornamelijk nog altijd steenkool, ijzer en staal, machines, en wol. Na 1870 nam de aanwezigheid van grote Nederlandse ondernemingen in Groot-Brittannië geleidelijk toe, een ontwikkeling die o.a. leidde tot de oprichting in 1873 van de Hollandse Club in Londen. In 1890 gebruikte de Nederlandse consul-generaal te Londen, H.S.J. Maas, dit forum om felle kritiek te leveren op de Nederlandse exporteurs van boter, kaas en groenten, die als gevolg van hun gemakzucht en de gebrekkige kwaliteit van hun producten hun marktaandeel in Groot-Brittannië dreigden te verliezen aan buitenlandse concurrenten. Het optreden van Maas leidde in 1891 tot de oprichting van de Nederlandse Kamer van Koophandel in Londen, die in de volgende jaren veel heeft bijgedragen aan het herstel van de goede naam van Nederlandse producten op de Britse markt. Een actieve rol ter bevordering van de Nederlandse economische belangen werd daarbij vervuld door F.C. Stoop, die tot ver na de Eerste Wereldoorlog in Londen zowel president van de Hollandse Club als voorzitter van de Nederlandse Kamer van Koophandel was. In de 20e eeuw uitte de toenemende vervlechting van Nederlandse en Britse economische belangen zich in de vorming via fusies van grote gezamenlijke multinationale ondernemingen, met als belangrijkste voorbeelden de Koninklijke Shell (1907) en Unilever (1929). In hun wederzijdse economische betrekkingen bleven Nederland en Groot-Brittannië tot de grote wereldcrisis van de jaren dertig vasthouden aan het vrijhandelsprincipe. Toen de Nederlandse exporteurs echter grote problemen kregen door de devaluatie van het Britse pond, ging de Nederlandse regering uiteindelijk over tot het instellen van invoerbeperkingen. Inmiddels was de omvang van de Nederlandse export naar Groot-Brittannië teruggelopen van 382 miljoen gulden in 1930 tot 142 miljoen in 1935, terwijl de import uit dat land in dezelfde periode daalde van 227 miljoen gulden tot 87 miljoen. Maar na de devaluatie van de gulden in 1936, herstelde de Nederlands-Britse handel zich weer krachtig. In tegenstelling tot de economische relaties, waren de politieke betrekkingen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk lange tijd veel minder intensief. Dit ondanks de functie van belangrijk internationaal politiek centrum, die Londen in de 19e en het begin van de 20e eeuw vervulde. Zo werd bijvoorbeeld het scheidingsverdrag tussen Nederland en de nieuwe Belgische staat in 1839 in de Britse hoofdstad getekend, terwijl daar in de daarop volgende eeuw nog vele internationale conferenties, diplomatieke bijeenkomsten en verdragen zouden volgen. Wel waren er soms bilaterale contacten tussen Nederland en Groot-Brittannië, beide immers zeevarende en koloniale mogendheden, over de koloniën. Zo droeg Nederland in 1872 zijn laatste bezittingen aan de West-Afrikaanse Goudkust, met als belangrijkste vestiging het fort Elmina, aan de Britten over. Daarvoor was een jaar eerder de zogenoemde Sumatra-overeenkomst gesloten, een drievoudig verdrag, waarbij Engeland de Nederlandse Goudkust-bezittingen over nam, terwijl Nederland de vrije hand kreeg in Atjeh, en bovendien de beschikking kreeg over contractarbeiders uit Brits-Indië voor de plantages in Suriname. Naar aanleiding van de ontwikkelingen in Zuid-Afrika ontstond overigens in de Nederlandse publieke opinie gedurende lange tijd een sterke anti-Britse gezindheid. Zo wekte de eerste strijd van Transvaal en Oranje-Vrijstaat tegen de Engelsen in 1877 veel Nederlandse sympathie voor de Zuid-Afrikaanse Boeren op, hoewel de Nederlandse regering toen geen stappen of bemiddelingspogingen ondernam. Tijdens het volgende conflict, de grote Boerenoorlog van 1899-1901, nam Nederland wel enkele initiatieven. Zo werd in 1900 een kruiser naar Laurenço Marques gestuurd om president Krüger uit Transvaal op te halen, en werd er enige diplomatieke hulp verleend ter beëindiging van de strijd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de oude anti-Engelse gezindheid in het neutrale Nederland al snel plaats voor een meer anti-Duitse gezindheid, als gevolg van de Duitse inval in België in 1914. Tijdens de oorlogsjaren had vooral de Nederlandse scheepvaart veel te lijden van het optreden van beide oorlogvoerende partijen: in totaal gingen 121 Nederlandse koopvaardijschepen en 96 vissersschepen verloren door torpedo's en mijnen, waarbij bijna 1200 opvarenden omkwamen. In juni 1916 brachten de Britten de volledige Nederlandse vissersvloot op de Noordzee op, omdat er teveel vis aan de Duitsers zou worden verkocht. Pas nadat Nederland zich verplicht had voortaan nog maar een klein deel van de visvangst te zullen exporteren, werden de schepen weer vrijgegeven. In maart 1918 werden bovendien alle Nederlandse koopvaardijschepen in Britse en Amerikaanse havens, tegen een schadevergoeding, in beslag genomen, hetgeen grote opwinding in Nederland veroorzaakte. In de periode van het Interbellum (1918-1939) was er daarentegen sprake van goede bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Groot-Brittannië.Toen bijvoorbeeld België na de Eerste Wereldoorlog de annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg nastreefde, ondervond het Nederlandse standpunt meer begrip in Londen dan in Parijs. In 1913, het jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, stond de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Groot-Brittannië en Ierland al jaren lang onder leiding van buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister mr. K.W.P.F. baron Gericke van Herwijnen (sinds 18 november 1899). Het adres van de Nederlandse legatie was: Londen SW, 8 Grosvenor Gardens. Per 1 oktober 1913 werd als nieuwe Nederlandse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister benoemd, jhr. mr. R. de Marees van Swinderen. Direct voor zijn benoeming tot Nederlands gezant in Londen, "aan het Hof van St.-James", zoals de officiële benaming luidde, was De Marees van Swinderen minister van buitenlandse zaken geweest (1908-1913). Van Swinderen, geboren in 1860 te Groningen, had voor zijn ministerschap al carrière gemaakt in de diplomatieke dienst, met als laatste standplaats Washington, waar hij van 1904 tot 1908 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister was. De positie van Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Londen, die in de jaren daarvoor van steeds minder belang was geworden, kreeg door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor het neutrale Nederland plotseling groot gewicht. Tijdens zijn lange periode als gezant in Londen (1913-1937), kreeg De Marees van Swinderen al snel de reputatie sterk pro-Brits te zijn. Zo was hij tijdens die oorlog erg kritisch over de Nederlandse neutraliteitsverklaring van 30 juli 1914. En in augustus 1916 werd Van Swinderen zelfs door minister Loudon van buitenlandse zaken terechtgewezen, omdat de gezant de verontwaardiging in ons land over de inbeslagneming van de Nederlandse vissersvloot door de Engelsen ongerechtvaardigd had genoemd. Na de Eerste Wereldoorlog, toen er sprake was van mogelijke Belgische territoriale eisen ten koste van Nederland, speelde Van Swinderen echter, dankzij zijn goede contacten met Britse en Franse staatslieden en diplomaten, een belangrijke rol bij de voor Nederland gunstige uitkomst van het internationale overleg over de herziening van de verdragen van 1839 met België (Zie voor een overzicht van gesloten verdragen, bijlage 2). Ook daarna bleef Van Swinderen tijdens de jaren twintig en dertig zijn stempel drukken op de, toen goede, Nederlands-Britse bilaterale betrekkingen. Na zijn pensionering in 1937 bleef de oud-gezant aanvankelijk in Londen wonen: aan Eaton Square, naast de voormalige Britse premier Baldwin. Later verhuisde Van Swinderen naar Washington, maar na de Tweede Wereldoorlog keerde hij weer naar Londen terug. Pas begin 1955 zou De Marees van Swinderen, op 94-jarige leeftijd, overlijden. Veel Nederlandse diplomaten bleven overigens hoogstens maar enkele jaren op het gezantschap in Londen werkzaam. Enkele andere diplomaten daarentegen bleven vele jaren aan het gezantschap verbonden. Zo was H.N. Brouwer tot 1929 (sinds 1914) directeur van de kanselarij, terwijl gezant De Marees van Swinderen (sinds 1913) en handelsattaché s'Jacob (sinds 1918) zelfs in 1937 nog in Londen in functie waren. Overigens trad dat jaar, met ingang van 16 juli, een nieuwe Nederlandse buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen aan: mr. J.P. graaf van Limburg Stirum (Zie ook bijlage 1). In die jaren van het Interbellum verhuisde het Nederlandse gezantschap diverse malen in Londen: van Grosvenor Gardens naar 32 Greenstreet Mayfair (1922), naar 42 Seymourstreet W.I. (1923), naar 21 Portman Square (1928), weer terug naar 42 Seymourstreet W.I (1929), en weer naar 21-A Portman Square W.I. (1931). Tot het zeer uitgebreide ressort van het Nederlandse gezantschap te Londen behoorden in de periode 1913-1937, naast het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en (Noord-)Ierland (Na de oprichting van de Ierse Vrijstaat op 6 december 1921 had Ierland de status van dominion onder een Britse gouverneur-generaal, Noord-Ierland bleef deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, terwijl pas in 1949 de laatste banden met het Britse Gemenebest verbroken werden, toen Ierland een onafhankelijke republiek werd), ook de Nederlandse consulaten in de vele Britse autonome gebiedsdelen of dominions, koloniën, protectoraten en mandaatgebieden in Europa, Amerika, Afrika, Azië en Australië. Voor een overzicht van de vele tientallen Nederlandse consulaire vestigingen in die gebieden, kan verwezen worden naar de inventaris van het archief van het gezantschap te Londen, en naar de Staatsalmanakken voor het Koninkrijk der Nederlanden uit de betreffende periode. Ook met de Ierse Vrijstaat werden, als Brits dominion, door Nederland betrekkingen op consulair niveau onderhouden. Dat gold in de periode voor 1937 eveneens voor de Nederlandse betrekkingen met Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en Brits-Indië. Wel vervulden de Nederlandse consulaten-generaal in de Britse koloniale gebieden in Azië, evenals in Australië en Nieuw-Zeeland, ook zonder officiële diplomatieke status, in de praktijk diplomatieke taken. Behalve met consulaire werkzaamheden en economische berichtgeving, hielden deze consulaire vestigingen zich namelijk ook bezig met het rapporteren over binnenlandse ontwikkelingen, en het namens de Nederlandse regering ondernemen van demarches bij de koloniale gouvernementen. Verder had Nederland alleen in het Britse dominion Zuid-Afrika, en in het onder sterke Britse invloed staande Egypte (Brits protectoraat van 1882 tot 1922, daarna in naam een onafhankelijke staat, hoewel Londen de controle hield over de Egyptische defensie, het Suezkanaal, de bescherming van minderheden en buitenlandse belangen, alsmede het bestuur van Soedan) diplomatieke vertegenwoordigers. In Egypte en Zuid-Afrika waren respectievelijk sinds 1922 en 1927 Nederlandse buitengewoon gezanten en gevolmachtigd ministers. 1937-1945 In vergelijking met de lange periode van, oud-minister van buitenlandse zaken, De Marees van Swinderen als chef de poste in Londen (1913-1937), vervulde zijn opvolger de functie van Nederlands buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Groot-Brittannië slechts korte tijd. Mr. J.P. graaf van Limburg Stirum, voormalig Nederlands gezant in Berlijn, werd benoemd op 16 juli 1937, maar twee jaar later, op 16 september 1939, volgde al de benoeming van een nieuwe buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen: jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen. Na de Duitse bezetting van het neutrale Nederland in mei 1940, ontstond een nieuwe situatie. Nederland werd een bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk in de oorlog tegen Nazi-Duitsland. Groot-Brittannië werd een toevluchtsoord voor de Nederlandse koninklijke familie, de Nederlandse regering, en in eerste instantie ongeveer 3000 andere Nederlandse vluchtelingen, onder wie zo'n 1400 militairen. Later voegden zich vanuit het bezette Nederland, vaak via lange omwegen, nog eens ongeveer 2600 "Engelandvaarders" bij hun landgenoten in het Verenigd Koninkrijk. Verder fungeerden in de loop van de Tweede Wereldoorlog de Britse havens als thuishavens voor een belangrijk deel van de Nederlandse koopvaardijvloot, en volgden enkele duizenden Nederlanders een militaire opleiding in Engeland, om daarna bij de geallieerde strijdkrachten te worden ingedeeld. Zo werd in 1943 de Nederlandse Irene-brigade in Engeland toegevoegd aan de, voornamelijk uit Britten en Canadezen bestaande, 21ste Army Group. In mei 1940 woonden er in en rond Londen 6000 Nederlanders, die veel hebben gedaan voor de opvang van hun nieuw aangekomen landgenoten. Tot degenen die zich verdienstelijk hebben gemaakt, behoorde bijvoorbeeld de president-directeur van Unilever, Paul Rijkens. Ook kon de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, bij de noodzakelijke opbouw van nieuwe departementen, putten uit het arbeidsreservoir van de al aanwezige Nederlandse kolonie, vooral voor administratieve krachten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren Nederland en Noorwegen de enige door Duitsland bezette landen, waarvan zowel de regering als het staatshoofd naar Engeland waren uitgeweken. Dat versterkte de Nederlandse positie in Londen aanzienlijk, evenals het feit dat de Nederlandse regering in ballingschap over een sterke marine kon beschikken. Na het verlies van Nederlands-Indië aan Japan in maart 1942 nam het belang van de Nederlandse bijdrage aan de geallieerde oorlogsinspanningen overigens af, waarmee ook de invloed van de Nederlandse regering op de Britse verminderde. Hoe belangrijk de nauwe relaties met de Britse regering voor het Nederlandse oorlogskabinet echter waren en bleven, bleek bijvoorbeeld uit de benoeming van de Nederlandse gezant in Londen, Michiels van Verduynen, tot minister zonder portefeuille, met ingang van januari 1942. Michiels van Verduynen, die tot 16 mei 1945 deel uitmaakte van het Nederlandse kabinet, bleef ook na de oorlog, tot zijn dood in 1952, de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het Verenigd Koninkrijk leiden. Overigens was er bij de aankomst van de Nederlandse regering in Londen aanvankelijk gevreesd voor het ontstaan van ernstige competentiegeschillen, omdat de regering in het algemeen en minister van buitenlandse zaken Van Kleffens in het bijzonder nu de mogelijkheid kregen, om direct met de Britse autoriteiten in contact te treden, en desgewenst de Nederlandse gezant te passeren. Deze vrees bleek echter ongegrond. Van Kleffens bleef in de praktijk zoveel mogelijk vasthouden aan de bestaande procedures: Michiels van Verduynen en zijn medewerkers bleven verantwoordelijk voor alle politieke contacten met de Britse regering, terwijl de verschillende Nederlandse vakdepartementen zich richtten op het overleg met de Britten over de technische aspecten van onderwerpen als scheepvaart, economische oorlogsvoering, financiën, en militaire en marinezaken. Mede om de positie van zijn gezant ook formeel te versterken, stelde minister-president Gerbrandy op 30 december 1941 voor Michiels van Verduynen te benoemen tot minister zonder portefeuille, hetgeen na de goedkeuring door kabinet en koningin op 1 januari 1942 gebeurde. Daardoor kon Michiels van Verduynen tijdens de oorlogsjaren, bij afwezigheid van de minister van buitenlandse zaken, automatisch als diens plaatsvervanger optreden. Vervolgens werden in mei 1942 de wederzijdse Nederlandse en Britse gezantschappen tot ambassade verheven. Daaraan was overigens een hele geschiedenis voorafgegaan. Al vanaf 1928 werd er door het Nederlandse parlement op aangedrongen om de diplomatieke betrekkingen met de grote mogendheden op het niveau van ambassadeurs te brengen. In 1815 was op het Congres van Wenen afgesproken, dat alleen tussen grote mogendheden onderling ambassadeurs werden uitgewisseld. Andere landen dienden zich te beperken tot ten hoogste het niveau van gezanten. Na de Eerste Wereldoorlog waren Groot-Brittannië en Frankrijk echter in enkele gevallen van deze diplomatieke regel afgeweken, waar het vroegere bondgenoten betrof. Verschillende leden van de Eerste en Tweede Kamer vonden daarom, dat Nederland nu niet langer kon achterblijven. Na allerlei binnenlands-politieke verwikkelingen (Zo verzette koningin Wilhelmina zich aanvankelijk tegen de oprichting van ambassades, uit vrees dat de Heilige Stoel dan een nuntius in Den Haag zou benoemen, die vervolgens doyen van het corps diplomatique zou worden), stelde minister van buitenlandse zaken De Graeff in 1935 eerst in Londen voor om de wederzijdse diplomatieke betrekkingen op ambassadeursniveau te brengen. Later zouden dan, wat Nederland betrof, Parijs, Washington, Berlijn, Rome en Tokio dit voorbeeld moeten volgen. Op 21 juni 1935 wees de Britse regering het Nederlandse voorstel echter af, terwijl ook de pogingen van gezant De Marees van Swinderen in de volgende jaren geen succes hadden. Zelfs nadat Nederland en Groot-Brittannië door de Duitse inval van mei 1940 bondgenoten waren geworden, bleef de Britse regering vasthouden aan haar besluit om geen nieuwe ambassades op te richten. Maar juist de deelname aan de oorlog vormde voor Nederland en andere kleine mogendheden een extra reden om opnieuw op de uitwisseling van ambassadeurs aan te dringen. De Nederlandse diplomatie richtte haar streven, in wat nu de "ambassadekwestie" werd genoemd, vervolgens op Washington. Deze strategie slaagde uiteindelijk: op 7 mei 1942 overhandigde Loudon als eerste Nederlandse ambassadeur in Washington zijn geloofsbrieven aan president Roosevelt. De Britse regering kon nu niet achterblijven, en maakte daarom al een dag later het besluit bekend ook de wederzijdse Britse en Nederlandse gezantschappen tot ambassades te verheffen. Daarna bood Michiels van Verduynen op 28 mei 1942 zijn geloofsbrieven als buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur aan koning George VI aan, terwijl de Britse ambassadeur, Sir Nevile Bland, op 2 september van dat jaar hetzelfde deed aan koningin Wilhelmina. Deze laatste ceremonie had enige vertraging opgelopen, door eerst ziekte en later een reis van de Nederlandse koningin naar de VS en Canada. Tijdens de oorlogsjaren concentreerde Michiels van Verduynen zich als Nederlands chef de poste in Londen op de algemene diplomatieke leiding, en op de behandeling van belangrijke politieke onderwerpen. Andere werkzaamheden, zoals de behandeling van economisch-politieke kwesties, liet hij veelal over aan zijn medewerkers. Veel van die, meer praktische en economische, taken werden uitgevoerd door gezantschapsraad (sinds 1943 buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, ambassaderaad), jhr. mr. P.D.E. Teixeira de Mattos, en gezantschapssecretaris der eerste klasse (sinds 1943 eerste ambassadesecretaris), jhr. mr. A.P.C. van Karnebeek. Beide laatste diplomaten waren ook verantwoordelijk voor de Nederlandse vertegenwoordiging bij enkele andere regeringen in ballingschap in Londen. In 1940 en 1941 waren, als gevolg van de oorlogshandelingen, de diplomatieke betrekkingen tussen de Nederlandse regering in Londen en een groot aantal landen namelijk officieel of de facto verbroken. Weliswaar accrediteerde de Nederlandse regering in die jaren bij de andere Europese regeringen in ballingschap in Londen tijdelijk zaakgelastigden, maar aan de missie van de Nederlandse gezanten werd niet in al deze gevallen tegelijkertijd formeel een einde gemaakt. Afgezien van de Nederlandse missies bij de buitenlandse regeringen in ballingschap in Londen echter, waren er van de 21 Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in Europa van mei 1940, in juli 1941 nog maar vijf overgebleven. Evenals in de jaren dertig, was de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de oorlogsjaren gevestigd op het adres: 21-A Portman Square. Inmiddels was in 1939 in het Britse dominion Canada, evenals al eerder in Zuid-Afrika, een apart Nederlands gezantschap opgericht, hetgeen in april 1942 ook in Australië gebeurde. Hoewel aanvankelijk eveneens voor Nieuw-Zeeland het aangaan van diplomatieke betrekkingen was overwogen, beperkte men zich uiteindelijk tot de instelling van een zelfstandig Nederlands consulair ressort voor dat land, waarvoor Nieuw-Zeeland losgemaakt werd van het Nederlandse consulaat-generaal in het Australische Sydney. 1945-1954 In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werden de Nederlands-Britse betrekkingen sterk beïnvloed door de herinnering aan de gezamenlijke strijd tegen Duitsland, terwijl in Nederland veel dankbaarheid bestond voor de Britse hulp tijdens en direct na de oorlog. Zo liggen er op Nederlands grondgebied ruim 18.000, bij de bevrijding van ons land omgekomen, militairen uit het Britse Gemenebest begraven. De bilaterale betrekkingen waren daardoor in 1945 uitstekend, maar deze goede verstandhouding werd al snel op de proef gesteld door de Indonesische kwestie. Aan het einde van de oorlog werden de geallieerde militaire operaties in Nederlands-Indië aan de Britse strijdkrachten toegewezen. Na de Japanse capitulatie duurde het echter nog enkele weken, voordat de eerste Britse troepen daar aankwamen. Inmiddels hadden de Indonesische nationalisten op Java de onafhankelijkheid uitgeroepen, en de Britse militaire commandant nam tot ontsteltenis van Nederland na zijn aankomst in Batavia contact op met de nationalistische republikeinen. Naar haar mening vond de Nederlandse regering in Londen onvoldoende begrip voor haar aanvankelijke standpunt, dat er geen sprake van enige samenwerking kon zijn met Soekarno en de overige Indonesische revolutionaire leiders. In het najaar van 1945 oefende de Britse regering juist sterke druk op Den Haag uit, om dat standpunt te wijzigen, en weigerde zelfs tijdelijk de toelating van Nederlandse troepen op Java. Nadat de Nederlandse regering eind 1945 echter instemde met overleg tussen alle bij de toekomstige status van Nederlands-Indië betrokken partijen, wees de Britse regering een bemiddelaar aan voor de besprekingen met de republikeinse leiders, terwijl de Britse strijdkrachten in Nederlands-Indië nu geleidelijk vervangen werden door Nederlandse troepen. De laatste Britse militairen vertrokken overigens pas, nadat de besprekingen onder Brits voorzitterschap in november 1946 hadden geleid tot het Akkoord van Linggadjati. Toen er in juli 1947 toch een Nederlandse politionele actie tegen de Republik Indonesia plaats vond, sprak de Britse regering direct haar hevige teleurstelling uit, en stelde bovendien een embargo in op wapenleveranties aan de Nederlandse strijdkrachten in Indië. Maar Londen onthield zich wel van steun aan een Australische resolutie in de Veiligheidsraad van de VN, waarin het Nederlandse optreden werd veroordeeld. Overigens speelde Londen na de beëindiging van de eerste politionele actie geen belangrijke rol meer in de Indonesische kwestie. Inmiddels was de Koude Oorlog begonnen, waardoor de westerse landen gedwongen werden tot een nauwere samenwerking. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, Marshall, riep de Europese staten op zich te verenigen ter bestrijding van hun economische problemen, en lanceerde ter ondersteuning in 1947 zijn Marshall-plan. Daardoor werden vanaf 1948 ook de Nederlands-Britse betrekkingen sterk beheerst door de opbouw van, en samenwerking binnen, westerse en Europese organisaties. In die jaren werden door Frankrijk en Groot-Brittannië diverse initiatieven genomen voor meer samenwerking tussen alle niet-communistische Europese landen, niet alleen op economisch, maar ook op politiek en defensiegebied. In 1945 was immers het oude Europese veilgheidssysteem, dat was gebaseerd op de autonomie van de nationale staat, definitief ingestort, om te worden vervangen door de allesoverheersende tegenstelling tussen de beide supermogendheden, de VS en de Sovjet-Unie. In de volgende decennia beperkte de Koude Oorlog in hoge mate de manoeuvreerruimte van de Europese regeringen op het gebied van veiligheid en defensie. Na de Tweede Wereldoorlog al snel duidelijk geworden, dat de West-Europese landen elk voor zich niet in staat waren om tegelijkertijd hun economieën weer op te bouwen, en de door de beginnende Koude Oorlog noodzakelijke herbewapening te financieren. Een ander probleem vormde de toekomst van het na-oorlogse, democratische Duitsland: de kwestie van de heropname van de Duitse Bondsrepubliek in de Europese orde, en haar herbewapening, werd acuut. Eind 1947 was in Londen een conferentie van de Grote Vier (VS, Sovjet-Unie,Verenigd Koninkrijk en Frankrijk) over Duitsland mislukt. Tegen deze achtergrond reageerde Nederland positief op de Britse uitnodiging aan de Benelux-landen, geformuleerd door minister Bevin van buitenlandse zaken in een redevoering op 22 januari 1948 in het Lagerhuis, om samen met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk een militair pact te sluiten. Daarmee brak Nederland met zijn, voor de Tweede Wereldoorlog zo lang gevoerde, politiek van neutraliteit en zelfstandigheid. Daardoor kon op 17 maart 1948 bij het Verdrag van Brussel de Westelijke Unie (WU) door België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk worden opgericht. Dit multilaterale verdrag voorzag in samenwerking op economisch, militair en politiek gebied. In ruil voor hun steun voor de Westelijke Unie werden de Benelux-landen toegelaten tot het overleg van de drie grote westerse mogendheden over de toekomst van Duitsland. Dat gebeurde in de vorm van een gemeenschappelijke Benelux-delegatie, onder leiding van de Nederlandse ambassadeur in Londen. Op de van 26 februari tot 7 maart en 20 april tot 2 juni 1948 in Londen gehouden Zeslandenconferentie stond de politieke en economische opbouw van West-Duitsland centraal. Daarmee werd ook de deling van Duitsland, en van Europa, bezegeld: in 1949 werden de Bondsrepubliek en de DDR opgericht. De, aanvankelijk door Nederland nagestreefde, uitgebreide territoriale claims en economische compensaties ten koste van West-Duitsland (zoals die in januari 1947 bij de Grote Vier in Londen waren ingediend), pasten echter niet in het nieuwe internationale klimaat van de Koude Oorlog. Nederland moest zich daarom tevreden stellen met enkele kleine grenscorrecties (Elten en Tudderen), die in 1949 uitgevoerd werden, en in 1963 weer ongedaan werden gemaakt. Op de Nederlandse ambassade in Londen had chef de poste Michiels van Verduynen in 1947-1948 ambassadesecretaris Joseph Luns belast met de behandeling van het Duitse dossier. De latere minister van buitenlandse zaken werkte sinds november 1943 voor de Nederlandse overheid in Londen: eerst op de consulaire afdeling van het ministerie van buitenlandse zaken in ballingschap, en sinds 1944 op de ambassade. In 1949 zou Luns worden overgeplaatst naar de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties in New York. In 1949 werd vervolgens de NAVO opgericht, waarvoor de Westelijke Unie de eerste stap was geweest, en in 1950 brak de Koreaanse Oorlog uit. Door die oorlog ontstond voor het eerst (maar niet voor het laatst) het schrikbeeld van een mogelijke Amerikaanse militaire terugtrekking uit Europa, terwijl de Koude Oorlog bovendien de opbouw van een eigen defensiecapaciteit in West-Europa nog dringender maakte. Op 24 oktober 1950 stelde de Franse regering daarom, als volgende stap in het Europese samenwerkingsproces, de oprichting voor, van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG). Het ontwerpverdrag voor de EDG werd in 1952 ondertekend, om daarna aan de betreffende landen ter ratificatie te worden voorgelegd. Maar juist in Frankrijk bleek het verzet er tegen het sterkst, en op 30 augustus 1954 verwierp de Franse Nationale Vergadering dan ook de voorgestelde EDG. In plaats daarvan werd toen door de samenwerkende Europese landen besloten de, al bestaande, Westelijke Unie nieuw leven in te blazen, door deze organisatie op 23 oktober 1954 om te vormen tot de West-Europese Unie (WEU). Naast de vijf WU-landen traden nu ook West-Duitsland en Italië tot de nieuwe WEU toe. In die jaren bestonden in Nederland hoge verwachtingen over de Europese Beweging. Zo werd van 7 tot 10 mei 1948 in de Ridderzaal in Den Haag het Europees Congres gehouden, waar o.a. de Britse oppositieleider Winston Churchill een pleidooi hield voor een verenigd Europa. Dit congres, waar ook een Duitse delegatie aanwezig was, is van groot belang geweest voor de latere samenwerking in Europa op politiek, sociaal-economisch en cultureel gebied. Organisaties en initiatieven als de Raad van Europa, de EGKS, de EEG, het Europees Sociaal Handvest, het Europa College, en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zijn mede mogelijk geworden door het idealisme van 1948. Maar voorlopig bleken de Britten in de praktijk niet verder te willen gaan dan intergouvernementele samenwerking, terwijl in Nederland de bereidheid tot economische integratie bestond. Toen de Britse regering in juni 1950 het plan-Schuman, tot de vorming van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), afwees, wekte dat in Nederland grote teleurstelling. Nederland, dat de deelname van het Verenigd Koninkrijk onmisbaar achtte, heeft zich daarna krachtig ingespannen om de ontstane kloof te overbruggen. Zo begroette koningin Juliana tijdens haar eerste staatsbezoek aan Groot-Brittannië in november 1950 dit land als een essentieel lid van de Europese Gemeenschap. Maar de Britse regering bleek slechts bereid tot de vestiging van een permanente vertegenwoordiging bij de, in 1951 opgerichte, EGKS. Ook de latere Nederlandse pogingen om de banden tussen het Verenigd Koninkrijk en de zes EGKS-partners te verstevigen, zouden in de volgende jaren niet tot het gewenste resultaat leiden. Na de bevrijding van Nederland op 5 mei 1945 bleef jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen ons land nog tot zijn overlijden op 13 mei 1952 als buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur in Londen vertegenwoordigen. Als nieuwe ambassadeur trad daarna aan, mr. D.U. Stikker, die in de jaren daarvoor (1948-1952) minister van buitenlandse zaken was geweest. Op 29 oktober 1952 bood hij zijn geloofsbrieven aan. Al eerder in het jaar 1952, op 21 januari, had ook de nieuw benoemde Britse ambassadeur in Nederland, Sir Neville Butler zijn geloofsbrieven aan koningin Juliana aangeboden. Op 2 juni 1953 werd de kroning van de nieuwe Britse koningin, Elisabeth II, bijgewoond door een Nederlandse ambassade in bijzondere zending, onder leiding van prins Berhard. Als nieuwe Britse ambassadeur in Den Haag bood op 8 september 1954 Sir Paul Mason zijn geloofsbrieven aan. In 1945 was de Nederlandse ambassade verhuisd naar een nieuw adres: Hereford House, 117 Park Street, London W.1. In 1954 verhuisde de ambassade opnieuw, toen naar: 38 Hyde Park Gate, London S.W.7. Een belangrijk onderwerp van bilateraal overleg vormde in de eerste helft van de jaren vijftig de liberalisering van het Nederlands-Britse handelsverkeer. Al vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog werden daar regelmatig besprekingen over gevoerd, en na 1950 ontstonden enkele malen bilaterale problemen van economisch-politieke aard. Zo protesteerde de Nederlandse regering tegen de in november 1951 door Groot-Brittannië, wegens betalingsproblemen, ingestelde invoerbeperkingen. Op 20 mei 1954 kon echter in Londen een overeenkomst over de liberalisering van de handel worden ondertekend. Op 11 augustus 1954 volgde in Den Haag de ondertekening van een Nederlands-Brits verdrag over de sociale zekerheid. Hoewel in de periode 1945-1954, als gevolg van de eerste fase van het dekolonialisatieproces diverse Britse koloniën onafhankelijk werden (zoals India en Pakistan in 1947, waar aparte Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers kwamen), waardoor met het inkrimpen van het Britse wereldrijk ook het ressort van de Nederlandse ambassade in Londen kleiner werd, bleef er toch nog een zeer aanzienlijk aantal Britse gebiedsdelen en koloniën in Europa, Afrika, Azië, Oceanië en Amerika over. De vele Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in die gebieden ressorteerden in veel gevallen onder de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in onafhankelijke buurlanden in de betreffende regio's (zoals Egypte, Ethiopië, Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië, India, Australië, Nieuw-Zeeland, de VS, Venezuela), of rechtstreeks onder het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken, maar vielen in andere gevallen onder de Nederlandse ambassade in Londen. Voor een volledig overzicht van al deze Nederlandse consulaire posten, met hun vele wisselingen, ontbreekt hier de ruimte. Daarvoor kan verwezen worden naar de "Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden" en de "Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het Buitenland" (sinds 1951). Wel nam in het begin van de jaren vijftig het aantal, nog rechtstreeks onder de Nederlandse ambassade in Londen ressorterende Nederlandse consulaire vertegenwoordigingen in de Britse overzeese gebiedsdelen, snel af. Zo vielen in 1948 de volgende gebieden onder de Nederlandse buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Londen: Gibraltar, Malta, IJsland, Gambia, Sierra- Leone, de Goudkust, Nigeria, Liberia, St.-Helena, Ascension, Gough-eiland, en Tristan da Cunha; terwijl het in 1954 alleen nog maar ging om Nigeria, en het onder Brits mandaat gestelde gebied van Kameroen.
Algemeen Voor de inleiding is gebruik gemaakt van de inv.nrs. 357 en 488: Het dagboek van dr. G.H.C. Hart, Londen mei 1940-mei 1941, uitgegeven door A.E. Kersten, Den Haag 1976 en van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog door dr. L. de Jong, deel 9 en 11. Op 10 mei 1940 vertrok de minister van Koloniën, Ch.J.I.M. Welter, samen met zijn ambtsgenoot van Buitenlandse Zaken naar Engeland om met de Britse en Franse regering besprekingen te houden over de situatie die ontstaan was na de Duitse inval. Na het vertrek op 13-14 mei van de Nederlandse regering naar Engeland trof Welter de nodige maatregelen om het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen vanuit Londen mogelijk te maken. De chefs van de ministeriële afdelingen I (Juridische Zaken, W.G. Peekema), II (Financiën en begroting, J. Hardeman), IV (West-Indische Zaken, A. Muhlenfeld) en VIII (Economische Zaken, G.H.C. Hart) werden met spoed naar Londen gedirigeerd. Bij deze groep voegde zich een aantal KNIL-officieren onder leiding van kolonel Verniers van der Loeff. Deze officier en lnt.kol. De Blieck zouden aan het hoofd gesteld worden van de koloniale militaire afdeling in Londen. De overige KNIL-officieren werden naar New York gezonden, waar zij deel gingen uitmaken van de Aankoop Commissie voor het KNIL. Voorts werden nog enige hoge ambtenaren in Londen bij het ministerie gedetacheerd, die zich min of meer toevallig in het buitenland bevonden tijdens de Duitse inval: J.H. Delgorge en P.H. Westermann (Delgorge bevond zich als Nederlands adviseur bij de conferentie voor internationale opiumzaken in Genève; Westermann als secretaris van de Internationale Rubbercommissie te Londen.). Deze personen zouden gedurende de oorlog de kern van het departement in Londen vormen. Het overige ministerie-personeel werd gerecruteerd uit in Londen aanwezige Nederlanders, Engelandvaarders, gestrande Indische verlofgangers en incidenteel uit gespecialiseerd personeel overgezonden uit Nederlands-Indië. Aldus werd naar analogie van het Haagse model een organisatie geschapen, die in staat was de administratieve taken voortvloeiend uit het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen onder verantwoordelijkheid van de minister van Koloniën te vervullen. Feitelijk kwamen hier nog enige taken bij, omdat ook een deel van de taken van het Commissariaat voor Indische Zaken (personele en materiële zaken voor de koloniën) in Londen vervuld diende te worden, alsmede de afzet van de koloniale produkten, hetgeen voordien aan het particulier initiatief werd overgelaten. Welter was na onenigheid met Gerbrandy in november 1941 teruggetreden als minister van Koloniën en Gerbrandy had diens functie op zich genomen. Op 21 mei 1942 nam Van Mook zijn taak als minister over en zou Gerbrandy naast minister-president tevens optreden als minister van het per genoemde datum opgerichte Ministerie van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk. Een belangrijk keerpunt in de organisatie en functievervulling van het ministerie vond plaats na de bezetting van Nederlands-Indië in maart 1942. Bij KB van 9 mei 1942 Stb. C39 werd het algemeen bestuur over Nederlands-Indië, voorheen een taak van de gouverneur-generaal, overgedragen aan de minister van Koloniën. De operationele zeggenschap over de strijdkrachten in het Oosten kwam echter onder de minister van Marine, admiraal Furstner, met C.E.L. Helfrich als bevelhebber in Australië(Overleg over militaire zaken tussen Furstner en Van Mook vond plaats binnen de Ministeriële Commissie Oorlogvoering.). Het beheer van de Indische koopvaardijvloot kwam in handen van de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Hiermee werd een scheiding aangebracht tussen de koloniale civiele en de militaire sector. Een groep Indische hoofdambtenaren onder leiding van H.J. van Mook had vlak voor de capitulatie Nederlands-Indië verlaten en hieruit was de Nederlands-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland onder leiding van Van der Plas gevormd. Een aantal ambtenaren ging met Van Mook mee naar Londen, waar zij in de koloniale adviescolleges werden opgenomen. Van Mook ging op basis van de taakuitbreiding en wegens de inpassing van zijn Indische adviseurs in augustus 1942 over tot herverdeling van werkzaamheden en reorganisatie van het ministerie. Hij werd bij de uitoefening van het algemeen bestuur over Nederlands-Indië terzijde gestaan door de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken, een adviesorgaan zoals voorheen de Raad van Nederlands-Indië. Ter behartiging van de Indische belangen in Amerika werd kort daarop de Commissie voor Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao opgericht, die deel uit maakte van de Missie voor Economische, Financiële en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk in Amerika. Omdat vrij veel adviserende leden in de jaren 1942-1944 verspreid raakten over Amerika en Australië bepaalde Van Mook, dat deze leden zowel deel zouden uitmaken van de Raad van Bijstand in Londen als van de Commissie in Amerika. De eind 1943 afgekondigde wetsbesluiten D65 en D66, die een voorlopige regeling troffen voor de terugkeer van de Nederlands-Indische regering, hadden voor de organisatie van het ministerie tot gevolg, dat er een Politieke Inlichtingendienst, annex wervingsbureau voor de Indische dienst werd opgericht. Stb. D65 is op 14 september 1944 van kracht geworden, de datum waarop Van Mook tijdelijk werd belast met de functie van luitenant-gouverneur-generaal. Alle bevoegdheden met betrekking tot het algemeen bestuur gingen over van de minister van Koloniën naar de luitenant-gouverneur-generaal. Dit werd definitief na Van Mooks aftreden als minister van Koloniën op 23 februari 1945. In september 1944 werd getracht contact op te nemen met het Ministerie van Koloniën in Nederland, dat naar Zutphen was geëvacueerd. Wervingen voor de koloniale dienst verliepen vanaf 1944 via Sectie XV van het Militair Gezag, dat in Eindhoven gevestigd was. In het licht van de nieuwe staatkundige verhoudingen, zoals in het vooruitzicht gesteld door de rede van koningin Wilhelmina van 7 december 1942, werd bij KB van 12 april 1945 nr 16 de naam van het ministerie met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945 gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen werd bij beschikking van 21 juli 1945 nr. 1/Kabinet met ingang van 1 augustus 1945 opgeheven. In juli-augustus 1945 werd de verhuizing van het ministerie van Londen naar Den Haag voltooid en samengevoegd met in Den Haag, Zutphen en Eindhoven functionerende organen. Voor de afwikkeling van de vnl. militaire koloniale belangen in Engeland werd met ingang van 1 augustus 1945 het Londen Bureau van het Departement van Overzeese Gebiedsdelen (LBOG) opgericht. Medio 1946 kwam aan de taak van dit bureau een einde. Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië onder het bevel van P.H. Westermann bleef tot 1948, geïncorporeerd in de Nederlandse ambassade, in Londen gevestigd. Organisatie-overzicht Ministers van Koloniën Ch.J.I.M. Welter 10-08-1939 t/m 20-11-1941 prof.mr. P.S. Gerbrandy, ad interim 20-11-1941 t/m 25-02-1942 prof.mr. P.S. Gerbrandy 25-02-1942 t/m 21-05-1942 dr. H.J. van Mook 21-05-1942 t/m 23-02-1945 prof.ir. J.I.J.M. Schmutzer 23-02-1945 t/m 24-06-1945 Organisatie per 28 mei 1940 Zie beschikking van 1 juni 1940, nr. 30/B; mededeling aan de gouverneur-generaal en de gouverneurs van Suriname en Curaçao. secretaris-generaal: J. Hardeman Afd. A: Staatsrechtelijke en juridische zaken, internationale zaken (uitgezonderd monetaire en economische aangelegenheden): mr. W.G. Peekema Afd. B: Financiële en monetaire zaken: J. Hardeman Afd. C: Economische zaken in ruime zin, handel en scheepvaart, gouvernementsbedrijven handelspolitiek (ook politieke zaken Oost-Azië en Amerika): mr. G.H.C. Hart Afd. D: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld Afd. E: Personele zaken: J.H. Delgorge Afd. F: Agenda, archief en expeditie: J.H. Delgorge Afd. G: Militaire zaken en aanschaffingen (ook voor de burgerlijke departementen): kol.ir. H.J.W. Verniers van der Loeff Organisatie per 24 augustus 1942 Organisatie volgens beschikking 24 augustus 1952, nr. 649/IX.2. secretaris-generaal: J. Hardeman secretaris van de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken: mr. N.S. Blom Afd. I: Algemene en Juridische Zaken: mr. W.G. Peekema Afd. II: Kabinet en personele zaken, archief, expeditie: J.H. Delgorge Afd. III: Financiën, waaronder munt- en bankzaken: J. Hardeman Afd. IV: Comptabiliteit: H.J.M. Merhottein Afd. V: Economische en scheepvaartzaken: P.H. Westermann Afd. VI: Deviezen, burgerlijke luchtvaart: mr. D. Crena de Iongh Afd. VII: Rechtsverkeer (besluiten A1, A6 en C18, zetelverplaatsingen): prof.mr. J. Eggens Afd. VIII: Militaire zaken en aanschaffingen: generaal-majoor ir. H.J.W. Verniers van der Loeff Afd. IX: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld Afd. X: Informatie en publiciteit: mr. W.G. Peekem Organisatie per 14 juli 1943 Organisatie volgens beschikking van 14 juli 1943, nr. 101/B.16 geheim. Oprichting van het Bureau Inlichtingen voor Nederlands-Indië. Hoofd: ir. P.A. de Blieck; rechtstreeks onder de minister van Koloniën, uitoefenende het algemeen bestuur over Nederlands-Indië. verkrijgen van inlichtingen uit en over Nederlands-Indië; geheime berichtgeving en propaganda naar Nederlands-Indië; ondergrondse actie in Nederlands-Indië; aanwerving van personeel voor deze doeleinden en hun vervoer naar het verre oosten; afschaffing van materieel voor deze doeleinden en de verzending daarvan naar het verre oosten; onderhouden van contact met de overeenkomstige diensten van de Departementen van Oorlog en Marine; onderhouden van contact met de overeenkomstige Britse en Amerikaanse diensten; correspondentie met de met de onder a. t/m e. omschreven taak belaste Nederlandse of Nederlands-Indische organen buiten Engeland. Het Bureau Inlichtingen gaat per 21 december 1943 op in de Afdeling VIII-A. Organisatie per 21 december 1943 Organisatie volgens beschikking 21 december 1943, nr. 1068/IX.2A. Afd. V-A: Scheepvaartzaken en sociale zorg Indonesische zeelieden: L. Speelman Afd. VIII-A: Politieke Inlichtingen Dienst en Werving personeel voor de Indische Dienst: kol.ir P.A. de Blieck Organisatie per 23 februari 1945 Organisatie volgens KB van 12 april 1945, nr. 16 met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945. Naam van het ministerie gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Organisatie per 28 februari 1945 Organisatie volgens beschikking 28 februari 1945, nr. 306/IX.23. Afd. VIII-A: opgeheven m.i.v. 1 maart Afd. VIII: bureauindeling: Bureau Inlichtingen, alsmede olie-inlichtingen, aanschaffing (voor zover ver niet onder afd. V), bijzondere opdrachten. kol.ir. P.A. de Blieck. Bureau Algemene en Personele Zaken. lnt.kol. J. Klein Bureau Defensie en Organisatie. lnt.kol. A.L.A. Coppens. Bureau Militaire Administratie en Intendance. Lnt.kol. J.F. Snijdewint. Organisatie per 1 augustus 1945 Opheffing Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen m.i.v. 1 augustus 1945. Oprichting van het Londen Bureau van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Hoofd: kol. ir. P.A. de Blieck; onderhoofd: lnt.kol. P.G.H. van der Harst zorg voor de huisvesting, verpleging en verscheping naar hun bestemming van militaire en civiele landsdienaren van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao; behandeling van zaken betreffende Indische militaire organisaties in Engeland; contact met Nederlandse, Britse en geallieerde officiële en andere instanties aangaande militaire zaken en de Olie-Inlichtingendienst. afwikkeling van lopende aanschaffingen verricht door de voormalige afdeling VIII van het departement; alle verdere zaken, het Departement van Overzeese Gebiedsdelen betreffende, welke in Groot-Brittannië en Noord-Ierland dienen te worden behandeld, met uitzondering van economische en financiële zaken. Voor alle militaire zaken stond het Hoofd LBOG rechtstreeks onder de bevelen van het hoofd van de Afdeling Militaire Zaken van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag. Onder de bevelen van het hoofd LBOG stond de commandant van het Departement Europa van het KNIL en het overige niet tot dit detachement behorende personeel van het KNIL in Groot-Brittannië. Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië (hoofd P.H. Westermann) was tot juli 1945 samengevoegd met de Vijfde Afdeling van het ministerie. Bij beschikking van 21 juli 1945 nr.1/Kabinet werd het handelscommissariaat formeel ondergebracht bij de Nederlandse ambassade in Londen. De taken werden in het genoemde besluit als volgt omschreven: behartiging van de economische belangen van Nederlands-Indië in het Verenigd Koninkrijk; bemoeienis met het beheer van het Nederlands-Indisch deviezenvermogen in Groot-Brittannië; afwikkeling van gestrande ladingen; aanschaffing van goederen voor relief en rehabilitatie voor Nederlands-Indië. De handelscommissaris stond onder de bevelen van de Directeur van Economische Zaken in Batavia.
Historisch overzicht Inleiding In 1901 kwam de Woningwet tot stand. Een jaar later trad zij in werking. De aanleiding voor de wet was een rapport van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen over het woningvraagstuk. De armoede op het platteland en de toenemende industrialisatie maakte dat in de tweede helft van de 19e eeuw veel mensen naar de ste-den verhuisden (urbanisatie). Weinig scrupuleuze exploitanten, financiers en bouwers gecombineerd met de enorme bevolkingsdruk brachten onaanvaardbare woontoestanden met zich mee in en aan de rand van de steden. Een commissie van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs concludeerde omstreeks het midden van de 19e eeuw, dat de woningen van arbeiders vaak slechter waren dan de huisvesting die dieren genoten. Overheidsingrijpen was noodzakelijk. In de 19e eeuw beperkte het overheidsingrijpen zich tot gemeentelijke verordeningen met bepalingen, die betrekking hadden op de kwaliteit van de woningen. Deze waren hoofdzakelijk ingegeven door de zorg voor openbare veiligheid en gezondheid. Vanuit de gegoede burgerij, de arbeidersklasse en uit de hoek van de industriëlen kwamen woningbouwinitiatieven. Deze hadden kwantitatief slechts een gering aandeel in de woningbouw. Het grootste deel van de woningproductie kwam tot stand in de particuliere huursector. In de enorme vraag naar goedkope huurwoningen werd voorzien door timmerbazen en bouwmaatschappijen. De kwaliteit van de door hen opgeleverde woningen liet nogal te wensen over en vormde de oorzaak van verkrotting. De Woningwet stelde als doel te bevorderen dat aan bestaande slechte woontoestanden een eind kwam en er geen nieuwe wantoestanden werden gecreëerd. Hierin werd de verantwoordelijkheid van de gemeente centraal gesteld. De gemeentebesturen dienden de noodzakelijke maatregelen te treffen. Tot het takenpakket van de gemeenten behoorden: het vaststellen van voorschriften met betrekking tot de eisen waaraan woningen moesten voldoen, het verlenen van bouwvergunningen, het vaststellen van onteigeningsplannen, de afgifte van onbewoonbaar verklaringen en het verlenen van financiële steun ten behoeve van gemeentelijke huurwoningen en woningen van toegelaten instellingen. Het rijk hield toezicht middels bepalingen in de Gezondheidswet van 1901. Volkshuisvesting, te weten huisvesting van arbeiders en kleine neringdoenden, werd namelijk gezien als onderdeel van de zorg voor Volksgezondheid. Toezicht werd dan ook uitgeoefend door het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Zaken die betrekking hadden op de Gezondheidswet en de Woningwet ressorteerden onder het Departement van Binnenlandse Zaken, Afdeling Volksgezondheid (en Armenzorg) (1910). In 1918 verhuisde het Staatstoezicht en de Afdeling Volksgezondheid naar het Ministerie van Arbeid. Op grond van de nieuwe Gezondheidswet van 1920 kwam er een Hoofdinspectie voor de Volkshuisvesting. Deze hield toezicht op de handhaving van de wettelijke bepalingen inzake de volkshuisvesting. In concreto moest de inspectie de woningnood als gevolg van de Eerste Wereldoorlog bestrijden, de gevolgen van de economische crisis van de dertiger jaren uit de twintigste eeuw opvangen en eenheid zien te brengen in gemeentelijke bouwverordeningen. Hoofdinspecteur werd ir. H. van der Kaa. Hij werd bijgestaan door een aantal regionale inspecteurs. Het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en de Afdeling Volksgezondheid van het Departement van Arbeid, Handel en Nijverheid werden in 1932 onderdelen van het Departement van Binnenlandse Zaken en Landbouw. In 1936 werd de Afdeling Volksgezondheid afgesplitst van de Afdeling Volkshuisvesting. Deze laatste kwam onder leiding van de voormalige inspecteur van de volksgezondheid mr. P.A. van der Drift te staan. In 1937 ressorteerden de Hoofdinspectie voor de Volkshuisvesting en de Afdeling Volkshuisvesting onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken; de organen van Volksgezondheid ressorteerden onder het Ministerie van Sociale Zaken. De woningbouw werd tot 1940 gedomineerd door de particuliere sector. Alleen toen rond het einde van de Eerste Wereldoorlog een tekort ontstond aan huurwoningen werd er gedurende een klein aantal jaren vrij veel gebouwd door gemeenten en woningbouwcorporaties. De Woningwet kende ook bepalingen op het terrein van het ruimtelijk ordeningsbeleid. Zo waren gemeenten met meer dan 10.000 inwoners of die sneller groeiden dan 20% per jaar, verplicht uitbreidingsplannen op te stellen, opdat er sprake kon zijn van een systematische stadsuitbreiding (art. 27 en 28). In 1931 werden bepalingen over het streekplan opgenomen in de Woningwet: gemeenten zouden in overleg tot invulling van een dergelijk plan dienen te komen. Een logisch vervolg hierop zou een algemeen plan zijn, dat de bestemming aan zou geven van de Nederlandse bodem en dat ten doel zou hebben de harmonische ontwikkeling van het oppervlak van Nederland langs vooraf afgebakende lijnen te bevorderen, een zgn. Nationaal Plan (definitie van ir. P. Bakker Schut). De Staatscommissie tot herziening van de Woningwet, onder leiding van mr. dr. K.J. Frederiks, ingesteld door de minister van Binnenlandse Zaken (1938), onderzocht onder andere de mogelijkheid van een Nationaal Plan. Eén van de conclusies van de Staatscommissie was dat woning- en stedebouwkundige bepalingen in één wet gehandhaafd dienden te blijven gezien hun onderlinge samenhang. De wederopbouwdienst, 1940-1945 Al een week na de Duitse inval, op 17 mei 1940, werd dr. ir. J. Ringers op voordracht van generaal Winkelman, aangesteld om het herstel van het verkeerswezen, de drooglegging van inundaties, de wederopbouw van steden, dorpen en gebouwen en al hetgeen ermee samenhing ter hand te nemen. Hij verkreeg ruime bevoegdheden, waaronder het vaststellen van wederopbouwplannen. Eind 1940 werd Ringers "Algemeen Gemachtigde voor de Wederopbouw en voor de Bouwnijverheid". Ringers organiseerde de Dienst van de Algemeen Gemachtigde. De dagelijkse leiding werd gevormd door het Algemeen Secretariaat dat bestond uit drie civiel-ingenieurs, te weten: H.W. Mouton, welke in het bijzonder werd belast met de organisatie van de wederopbouw van Rotterdam, Z.IJ. van der Meer, die zich bezighield met de organisatie van de wederopbouw buiten Rotterdam en met woningbouw en J.C. Keller die zaken betreffende bouwnijverheid, m.n. de materiaalvoorziening behandelde. In 1941 zag de organisatie van de dienst er als volgt uit: Afdeling Bouwvergunning en Materiaaltoewijzing onder leiding van Keller met de Bureaus Goedkeuring Werken en Bouwmaterialen; Afdeling Financiën en Personeel; Afdeling Onteigening en Herbouwkredieten; Afdeling Vaartuigen onder leiding van C. van der Giessen; Juridische Afdeling; Afdeling Correspondentie en Archief; Afdeling Opbouwplannen; Persdienst. Mouton leidde een coördinerend comité. Landelijk werden contactcommissarissen aangesteld. Er werden regelingen getroffen ter financiering van oorlogsschade. Met name de wederopbouw van Rotterdam werd samen met het gemeentebestuur voortvarend ter hand genomen. De wederopbouwwerkzaamheden werden echter spoedig bemoeilijkt door materiaalschaarste, gebrek aan geschoolde arbeiders, stijgende bouwkosten en transportmoeilijkheden. De werkzaamheden kwamen vrijwel helemaal stil te liggen toen de bezetter in juli 1942 een algeheel bouwverbod afkondigde. De Hoofdinspectie voor de Volkshuisvesting voelde zich door de voortvarendheid waarmee de Wederopbouwdienst te werk ging in haar bestaan bedreigd. Ondanks onderlinge conflicten kwam het toch tot samenwerking in diverse commissies. De hoofdinspectie richtte zich in hoofdzaak op het voorbereiden van de naoorlogse woningbouw. Na de bevrijding van Zuid-Nederland in september 1944 zond de leiding van de Wederopbouwdienst als Waarnemend Algemeen Gemachtigde, mr. H.A. Helb jr. daar naar toe. Hij diende alle maatregelen te treffen, die de wederopbouw ten goede kwamen. Hij kreeg de bevoegdheden van de Algemeen Gemachtigde en kon verplichtingen aangaan ten laste van de Wederopbouwdienst. De samenwerking met de organen van het inmiddels geïnstalleerde Militair Gezag dat op hetzelfde terrein bezig was als de Wederopbouwdienst verliep echter zeer stroef. Een overkoepelend orgaan, de Subsectie Volkshuisvesting van de Sectie Binnenlandse Zaken, één van de twaalf secties van het Militair Gezag met aan het hoofd ir. H.A. van Rood, bracht hierin enige verbetering. De bevoegdheden van Helb werden later enigszins beperkt. In januari 1945 werd de Subsectie Volkshuisvesting ondergebracht bij de Sectie Openbare Werken. Bij de regering in Londen ging de zorg voor Volkshuisvesting van het Departement van Algemene Zaken over naar dat van Binnenlandse Zaken onder leiding van dr. L.J.M. Beel. In april 1945 werd ir. Th.P. Tromp de nieuwe minister van Waterstaat. Tromp was de initiatiefnemer van het plan om de wederopbouw onder ministeriële verantwoordelijkheid te brengen. Koningin Wilhelmina tekende hiervoor twee besluiten (d.d. 7 mei 1945) die werden gepubliceerd in de Staatsbladen F66 en F67. Het eerste besluit bepaalde dat "de voorbereiding en de leiding van alle werkzaamheden strekkende tot het herstel van het verkeerswezen, van de drooglegging van onderwaterzettingen en van de technische uitvoering van de wederopbouw des Lands" in handen kwam van het nieuwe Departement van Waterstaat en Wederopbouw. Het tweede besluit legde de uitvoering van bovengenoemde taak bij het College van Algemene Commissarissen van de Wederopbouw, dat vrijwel alle bevoegdheden van de Algemeen Gemachtigde overnam. Zo mocht er niet gebouwd of hersteld worden zonder haar toestemming en kon zij (on)roerende goederen onteigenen. Belangrijke plannen dienden voortaan vastgesteld te worden in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken. Keller, Mouton, Van der Meer, Zwiers en ir. H. Vos werden door de minister van Waterstaat en Wederopbouw tot commissieleden benoemd. Helb werd algemeen secretaris. Op 25 mei 1945 besloot het college dat de Dienst van de Algemeen Gemachtigde voor de Wederopbouw en de Bouwnijverheid voorlopig zijn werkzaamheden zou voortzetten als Dienst van het College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw. Als gevolg van het inzakken van de bouwproductie en de verwoestingen in de Tweede Wereldoorlog, waardoor een groot woningtekort ontstond, nam de overheidsbemoeienis vanaf 1945 sterk toe. Zo werden er overheidsmaatregelen getroffen ter bevriezing van de huren en de bescherming van de huurders (de Huurwet), ter verdeling van de woonruimte (de Woonruimtewet) en ter stimulering van de Wederopbouw (de Wederopbouwwet). De wederopbouw Na de oorlog kon de schade opgemaakt worden. Er waren 92.000 totaal verwoeste, 51.000 zwaar beschadigde en ruim een half miljoen licht beschadigde woningen. Samen vormden deze aantallen een kwart van de totale woningvoorraad. Hiertegenover stond een verouderd en gedesorganiseerd bouwapparaat, een groot tekort aan geschoolde arbeidskrachten, een groot tekort aan bouwmaterialen en een ontwricht transportapparaat. Er lag een immense taak voor het nieuwe van het Departement van Waterstaat en Wederopbouw afgesplitste Departement van Openbare Werken (23 juni 1945), waarvan Ringers minister werd. Het Departement van Openbare Werken omvatte als belangrijkste diensten en taken: Rijkswaterstaat; de Dienst der Zuiderzeewerken; het technische gedeelte van de Rijksgebouwendienst (RGD); de organisatie van de wederopbouw en van de bouwnijverheid; de Rijksdienst voor Afvalwaterzuivering. Van Binnenlandse Zaken werd het technische gedeelte van de Dienst der Volkshuisvesting overgenomen. Voor de coördinatie van de herstelwerkzaamheden werd een Raad voor Herstel en Wederopbouw ingesteld, waarin naast de minister van Openbare Werken diverse andere ministers zitting hadden. Een maand na haar instelling kreeg het departement een andere naam. Vanwege het brede terrein dat zij besloeg en in de hoop dat de nieuwe naam het publiek meer aan zou spreken, werd deze gewijzigd in Departement van Openbare Werken en Wederopbouw. Belangrijker dan deze naamswijziging was dat een groot aantal taken van andere ministeries werden overgenomen: van Binnenlandse Zaken: volkshuisvesting en nationaal plan; van Financiën: rijksgebouwen, huisvesting van rijksdiensten, aan- en afvoer van het regeringsapparaat, oorlogsschade aan gebouwd onroerend goed en aan vaartuigen, bedijking, aanwinning van domeingronden en verbetering van de afwatering van domeingronden; van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening: wederopbouw en opbouw van boerderijen; van Sociale Zaken: uitvoering van werken ter bestrijding van de werkloosheid, zuivering van afvalwater. Het Departement van Openbare Werken en Wederopbouw bestond nu uit de volgende diensten: Dienst van het College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw; Afdeling Volkshuisvesting; Rijksdienst voor het Nationale Plan (RNP); Rijksgebouwendienst (RGD); Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (DUW); Rijkswaterstaat; Dienst der Zuiderzeewerken; Dienst der Noordoostpolderwerken; Staatsvissershavenbedrijf; Rijksinstituut voor Afvalwaterzuivering. Mouton werd benoemd tot secretaris-generaal, vervulde tevens het voorzitterschap van het college en bleef belast met de Rotterdamse wederopbouwzaken. De overheid stelde zich tot taak in tien jaar 700.000 woningen te bouwen. Er was hiervoor een sterke organisatie nodig. Op 1 april 1946 werd het ambt van directeur-generaal van de Volkshuisvesting, tevens waarnemend hoofdinspecteur van de Volkshuisvesting in het leven geroepen. Deze functie vervulde Van der Meer. Hij werd bijgestaan door een hoofdingenieur-directeur van de Volkshuisvesting in iedere provincie. De Centrale Directie kreeg de taken van de voormalige Afdeling Volkshuisvesting van Binnenlandse zaken. Er werd een Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting ingesteld, in afwachting van een wijziging van de Woningwet. Zij moest de minister adviseren. Voorzitter werd Van der Drift. Het veruit belangrijkste instrument in de verwezenlijking van de taakstelling was de Dienst van het College van Algemene Commissarissen. Zij werd in gemeenten met veel schade bijgestaan door plaatselijke bureaus. In kleinere gemeenten gebeurde dit door streekbureaus en in iedere provincie door een provinciaal bureau. Deze drie soorten bureaus behandelden alle wederopbouw- en bouwnijverheidaangelegenheden. Elk bureau stond in direct contact met "Den Haag". De dienst had en creëerde zelf verregaande bevoegdheden om haar taak zoals omschreven in besluit F67 uit te voeren. In de gemeenten sprak men van een "verlicht despotisme" en het parlement was er al evenmin gelukkig mee. Zij had geen greep op de dienst, die niet onder, maar meer los van de minister opereerde. De minister kon beslissingen van de dienst niet ongedaan maken. Eind 1947 werd de Dienst van het College opgeheven. Het uitvoerende deel van het wederopbouwapparaat werd, vooruitlopend op de opheffing van het college, structureel in de departementale organisatie opgenomen. De meeste afdelingen van de Dienst werden ministeriële afdelingen: de centrale sector kwam zo te bestaan uit zeventien afdelingen. Het personeelsbestand groeide van 55 naar 1266 personen. De overige afdelingen van de Dienst werden met de Centrale Directie van de Volkshuisvesting samengevoegd tot de nieuwe Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting. De Provinciale Bureaus en de Provinciale Directies van de Volkshuisvesting werden gecombineerd tot Directies van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting die onder leiding stonden van een hoofdingenieur-directeur. De plaatselijke en streekbureaus werden in 1948 opgeheven. Het college bleef nog enige jaren bestaan, maar nam in betekenis sterk af. In 1946 werd voor het eerst een jaarlijks bouwprogramma opgesteld, het zgn. Bouwplan. Er vond interdepartementaal overleg plaats over het voorontwerp (in de zogenaamde prioriteiten- commissie) alvorens de ministerraad het definitieve bouwprogramma als onderdeel van een algemeen investeringsplan vaststelde. De taakstellingen werden m.n. in 1946 en 1947 echter niet gehaald. Materiaalschaarste als gevolg van deviezenschaarste en een ongewisse arbeidsvoorziening waren daar de belangrijkste oorzaken voor. Het woningbouwprogramma vormde een onderdeel van het bouwprogramma. Aanvankelijk werd aan elke gemeente een bepaald contingent nieuw te bouwen woningen toegewezen, later aan elke provincie. Er was alleen bouw mogelijk indien rijksgoedkeuring (door de Dienst van het College van Algemene Commissarissen) was verleend. Om de woningnood te verlichten werden binnen twee jaar 8.500 noodwoningen gebouwd. Versnelling van de woningbouw trachtte de overheid te bereiken door montagebouw, het bevorderen van standaardisatie van woningtypen en -onderdelen en door het instellen van kampen om bouwvakkers te herbergen. Een landelijke architectencommissie adviseerde de minister over de esthetische kant van de wederopbouw. Op 15 november 1945 trad het Besluit op de Materiële Oorlogsschaden in werking. Hierin stonden onder andere regels en richtlijnen voor de vergoeding van oorlogsschade aan woningen en andere bouwwerken. In twee jaar tijd waren alle licht beschadigde en bijna alle zwaar beschadigde huizen hersteld. Maar zoals vermeld bleef het aantal nieuw gebouwde woningen achter bij de ramingen, waardoor de overheid zich vooral ging richten op het zo doelmatig mogelijk verdelen van de bestaande woningvoorraad. De Woonruimtewet van 1947 maakte het gemeenten mogelijk om tot een betere verdeling van woonruimte te komen door een stelsel van woonvergunningen en via de nog verdergaande mogelijkheid tot vordering van woonruimte voor bewoning door derden. Minister Ringers werd op eigen verzoek op 15 november 1946 ontslagen: hij kon zich niet verenigen met het beleid ten aanzien van Nederlands-Indië. Ir. H. Vos (PvdA) van het Departement van Verkeer nam zijn functie tijdelijk waar. Met hem kwam overigens ook de PTT naar het departement. Op 28 februari 1947 werd L. Neher tot minister benoemd. Deze vertrok echter al na vijf maanden als gedelegeerde naar Nederlands-Indië en trad een jaar na zijn benoeming af. Vos nam in die periode opnieuw de leiding (a.i.) van het departement op zich. Nu de grootste wederopbouwwerken op het terrein van de weg- en waterbouw waren uitgevoerd, werden Rijkswaterstaat en aanverwante diensten overgebracht naar het Departement van Verkeer. Het Departement van Openbare Werken en Wederopbouw kreeg als nieuwe naam Departement van Wederopbouw en Volkshuisvesting (28 februari 1947). De strijd tegen het woningtekort Mr. J. in 't Veld (PvdA) volgde in 1948 L. Neher op als minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Zijn ambtstermijn luidde een nieuwe periode in. Er werden grondslagen gelegd voor een meer geordende voortzetting van de wederopbouw en voor een op de toekomst gericht volkshuisvestingsbeleid. Tevens werd er gestreefd naar een grotere decentralisatie van de wederopbouwwerkzaamheden en de woningbouw. Opmerkelijk hierbij is dat In 't Veld in 1952 verklaarde, dat een te snelle oplossing van de woningnood na 1960 zou leiden tot werkloosheid in de bouw. Zijn visie was liever wat minder bouwen en wat langer inwonen bij (schoon)ouders dan het gevreesde werkloosheidsspook van de jaren 1930 terug te zien keren. In het najaar van 1949 vond er een ingrijpende reorganisatie van het centrale deel van het departement plaats naar aanleiding van kritiek op de weinig efficiënte werkwijze. Door samenvoeging van afdelingen en overheveling van taken van de ene naar de andere afdeling bleven er uiteindelijk acht van de zeventien afdelingen over. Ook bij de Centrale Directie van de Volkshuisvesting en de Wederopbouw werden organisatorische wijzigingen doorgevoerd. Met de inwerkingtreding van de Wederopbouwwet (1 juli 1950) verviel het Besluit F67 en werd het College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw opgeheven. De wet was als tijdelijk bedoeld tot er een nieuwe Woningwet was vastgesteld. De wet bevatte onder andere regelingen voor een jaarlijks bouwprogramma. De minister was verplicht om in overleg met zijn collega's van Sociale Zaken, Economische Zaken, Financiën en andere betrokken ministers een bouwprogramma vast te stellen, dat tegelijk met de rijksbegroting bij de Tweede Kamer ingeleverd diende te worden. Het programma gaf de centrale overheid de mogelijkheid de bouwcapaciteit naar behoefte te verdelen. Uitvoering van bouwwerken was alleen mogelijk met rijksgoedkeuring. De Wet op de Materiële oorlogsschaden, welke in februari 1950 in werking trad, regelde de financiële aspecten van de wederopbouw. De wet vormde een samenvatting van een aanvulling op en een legalisatie van vroegere regelingen op dat terrein. Na verloop van tijd werden de materieel- en arbeidsvoorzieningsproblemen in de bouw minder knellend. Des te nijpender werd echter het financieringsprobleem. Gedurende de eerste oorlogsjaren waren er uit sociaal oogpunt enkele maatregelen genomen die de huurder dienden te beschermen. Zo werden onder andere de huurprijzen bevroren. Na de oorlog werd de bevriezing van de huurprijzen een instrument in het loon- en prijsbeleid van de centrale overheid. Hogere huren zouden leiden tot hogere lonen, waardoor er een verslechtering van de Nederlandse handelspositie op de wereldmarkt zou optreden. Voor de huren van nieuwe woningen gold dat ze niet hoger dan 30% mochten zijn dan de huren van vergelijkbare vooroorlogse woningen. De bouwkosten werden hierdoor echter niet gedekt, zodat de rijksbijdrage de sluitpost werd in de woningexploitatie, hetgeen de centrale overheid handen vol geld kostte (Bijdrageregeling voor de Woningbouw, 1948; Financieringsregeling, 1948). Oplossing voor dit probleem werd onder meer gezocht in de bouw van kleinere woningen, in het toestaan van het bouwen van woningen door particulieren zonder dat dit ten koste ging van het gemeentelijk woningcontingent (de zogenaamde "vrije-sector" bouw), door de financiering van woningwetwoningen een gemeentelijke taak te maken en door toename van de bouwkosten te laten leiden tot een huurverhoging. Deze nieuwe wijze van subsidiëren werd vastgelegd in de Beschikking Bijdragen Woningwetbouw 1950 en de Premieregeling Woningbouw 1950 voor de particuliere woningbouw. Opgemerkt dient te worden, dat daar waar sprake is van woningwetwoningen het gaat om woningen die door de gemeente of een woningcorporatie werden gebouwd op grond van financiële bepalingen van de Woningwet van 1901. De Woningwet die in 1965 van kracht werd, gaf geen aanleiding meer tot het maken van een dergelijk onderscheid. In het spraakgebruik is men blijven vasthouden aan het begrip "woningwetwoning". Het onderscheid is in zoverre nog reëel, dat de grond- en bouwkosten van deze woningen door het rijk worden gefinancierd. Op 1 januari 1951 werd de Huurwet van kracht. Het lage huurniveau van de woningen van voor 1941 vereiste hoge subsidies bij de nieuwbouw om de twee huurniveaus onderling niet te veel te laten afwijken. De toestand dat slechts een derde deel van de bouwkosten van nieuwe woningen rendabel was kon niet voortduren. Daarom bepaalde de wet een huurverhoging van 15% voor oudere woningen. Ter compensatie werden de belastingen verlaagd. De verhoudingen bleven echter scheef. Begin 1952 lagen de huren van nieuwbouwwoningen op 160 à 170% ten opzichte van het vooroorlogse peil en van vooroorlogse woningen op 115%. Het woningtekort, dat in 1947 werd geschat op 300.000, werd aangepakt middels een bouwprogramma dat voor 1949 35.000 woningen omvatte en dat jaarlijks moest toenemen met 5.000 tot 55.000 in 1953. Het tekort zou dan tussen 1960 en 1965 zijn weggewerkt. Maar het bouwprogramma moest regelmatig door financiële tegenvallers (onder andere als gevolg van de Koreaanse Oorlog) worden bijgesteld. De financiële belemmeringen werden uiteindelijk weggenomen door het uitschrijven van een nationale woningbouwlening welke 80 miljoen gulden opbracht, voldoende voor 54.601 nieuwe woningen in 1952 en 59.597 in 1953. Steeds duidelijker bleek dat de schatting van een tekort van 300.000 woningen aan de lage kant was. De woningvraag nam o.a. toe door de stijging van het aantal huwelijken, de komst van Indische immigranten, de toename van de gemiddelde levensduur en door het toenemend aantal geboorten. Toch overheerste het optimisme over een spoedige oplossing van het woningbouwvraagstuk. Het woningtekort stond met het huur- en subsidiebeleid, ook onder In 't Velds opvolger ir. H.B.J. Witte (KVP) (1952) centraal. Witte was voorstander van zoveel mogelijk delegeren van wederopbouwwerkzaamheden aan de gemeenten; schadevaststelling en financiering dienden echter door de rijksoverheid te geschieden. Op het departement vonden een aantal veranderingen plaats. De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken verhuisde naar Sociale Zaken. Dr. Z.IJ. van der Meer nam in 1954 afscheid als directeur-generaal van de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting. Hij bleef nog enige jaren als adviseur aan het ministerie verbonden. Hij werd opgevolgd door ir. H.M. Buskens. In 1955 ging secretaris-generaal Mouton met pensioen. Zijn opvolger werd dr. A.H. Günther. Het aantal ambtenaren werkzaam bij de centrale sector daalde met ruim 200, met name door vermindering van de hoeveelheid werk bij de Afdeling Vaststelling Oorlogsschade en Afwikkeling Onteigening. In 1954 nam het Centraal Bureau voor de Statistiek de werkzaamheden van de Afdeling Statistiek en Planvorming over. De watersnoodramp van 1953 vormde de aanleiding voor het Deltaplan. De schade als gevolg van de ramp werd officieel geregeld in de Wet op de Watersnoodschade. In 1953 en 1955 vonden er huurverhogingen plaats, welke respectievelijk werden geregeld in de Huurwet 1953 en de Huurwet 1955. De Huurwet van 1953, die op 1 januari 1954 van kracht werd, bepaalde onder andere dat de huren van vooroorlogse woningen werden opgetrokken naar 141%. Aan de totstandkoming van de Huurwet van 1955 ging een korte kabinetscrisis vooraf. De reden hiervoor was een geschil tussen de regering enerzijds en de PvdA (regeringspartij) en de VVD anderzijds over de invulling van de huurverhoging. Uiteindelijk werden de PvdA en de confessionele regeringspartijen het eens over een huurverhoging van 5% voor vooroorlogse woningen. De wet trad op 1 september 1955 in werking. Vanwege de geringe betekenis van deze wet ging zij de geschiedenis in als "het kreupele huurwetje". De twee huurverhogingen bleken onvoldoende om de achterstand ten opzichte van de nieuwbouw in te lopen, te meer daar de bouwkosten bleven stijgen en daarmee de huren van de nieuwbouwwoningen. De PvdA pleitte in de vijftiger jaren voor een fonds, waarin een deel van de huurverhogingen zou worden gestort ter financiering van de nieuwbouw. Politiek bleek dit echter niet haalbaar. Wel werden er een aantal andere maatregelen genomen die tot doel hadden het woningtekort in te lopen. De overheid trachtte het eigenwoningbezit te stimuleren (Premie- en Bijdragebesluit Woningbouw 1953 en Besluit Bevordering Eigenwoningbezit 1956). De woningproductie moest worden opgeschroefd middels systeembouw, uniformering van de voorschriften betreffende de bouw (Besluit Uniforme Bouwvoorschriften 1956) en verletbestrijding. Eind 1955 stelde de regering de Raad voor de Woningbouw in. Deze instelling droeg een tijdelijk karakter: het woningtekort zou immers niet eeuwig duren. Afgevaardigden van alle instanties die met woningbouw te maken hadden, hadden er zitting in. Hierin lag ook haar grootste belang; de aanbevelingen die zij deed waren van geringe betekenis. In 1961 werd de raad opgeheven. De Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting nam haar werkzaamheden goeddeels over. De kwaliteit van de nieuwbouw stond onder grote druk. De nadruk lag immers op de kwantiteit: soberheid was troef. Het aandeel van de hoogbouw nam aanzienlijk toe. Pas in 1968 werd experimentele woningbouw financieel ondersteund. Onder Witte kreeg krotopruiming en woningverbetering meer aandacht. De overheid zag hierin een mogelijkheid het woningtekort terug te dringen en tevens een middel tegen toekomstige werkloosheid in de bouw als gevolg van het inlopen van het woningtekort (Premieregeling Woningverbetering en -Splitsing, 1953; Rapport van de Commissie Krotopruiming en Sanering, 1957). Aan het begin van Witte's tweede ambtstermijn, na de Tweede Kamerverkiezingen van 1956, werd de naam van het departement gewijzigd in Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Het zwaartepunt lag immers niet meer bij de wederopbouw, maar bij de Volkshuisvesting. Tevens werd daarmee de relatie tussen Volkshuisvesting en Bouwnijverheid duidelijk gemaakt. Als gevolg van de afname van het werk op het gebied van de afwikkeling van oorlogsschade werd per 1 januari 1959 de Afdeling Vaststelling Oorlogsschade en Afwikkeling Onteigening opgeheven. Bij de Centrale Directie van de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid namen de werkzaamheden op het terrein van de financiering van de woningbouw toe. De centrale overheid trok de financiering van de woningbouw weer meer naar zich toe. Zij sloot in 1956 een lening bij institutionele beleggers (het grote contract) en verdeelde het bedrag (562 miljoen gulden) over de gemeenten voor in uitvoering zijnde woningbouw en nieuwe woningwetwoningen en voor het consolideren van de schuld. Een nationale woningbouwlening bracht bijna 400 miljoen gulden op (1957-1958). Op een rentespaarbrieflening voor de woningbouw werd 225 miljoen gulden ingeschreven. Met ingang van 1958 hervatte de regering weer de verlening van voorschotten aan gemeenten (deze was tien jaar eerder stopgezet) teneinde de financiële positie van de gemeenten te saneren en de woningwetbouw te garanderen: de regering nam de financiering van de woningbouw zelf weer ter hand. In de kabinetsformatie van 1956 bereikten de partijen een compromis met betrekking tot de invoering van een huurbelasting waar de PvdA zich sterk voor had gemaakt (Egalisatiefonds). De helft van de huurverhoging van 25% voor woningen van vóór 1940 van particuliere verhuurders, moest jaarlijks en wel tot en met 1966, op een geblokkeerde rekening worden gestort: het Grootboek Woningverbetering. De huizenbezitters behielden hun aanspraken op hun geld middels certificaten, waarop een rente van 3% werd uitgekeerd. De huiseigenaren kregen het geld dat zij hadden gestort terug als zij de noodzakelijke verbeteringen aan hun woningen hadden aangebracht. De gedwongen reservering van de gelden was van tijdelijke aard: tot 1 januari 1967. Vijf jaar later zouden de geblokkeerde saldi weer ter vrije beschikking van de huiseigenaren komen. De regering hoopte dat de verhuurders niet zo lang wensten te wachten en liever hun woningbezit wilden verbeteren. De regering verwachtte dat in 1967 een bedrag van 693 miljoen gulden beschikbaar zou zijn voor woningverbetering. Eén en ander werd geregeld in de Wet Grootboek Woningverbetering en de Wet tot Wijziging van de Huurwet, welke beiden op 1 augustus 1957 in werking traden. Het Grootboek werd geen succes: een kwart miljoen huizen werd niet aangemeld; er werd slechts 66 miljoen gulden gestort, waarvan slechts 2 miljoen gulden werd gedeblokkeerd en van de automatisering van de administratie kwam niets terecht. De Wet ter Opheffing van het Grootboek Woningverbetering werd 1 april 1960 van kracht, gelijk met de .Wet tot Wijziging van de Huurwet. Beide wetten, die niet los van elkaar zijn te zien, kwamen onder Witte's ambtsopvolger J. van Aartsen (ARP) tot stand. De laatste wet bepaalde - in het kader van de liberalisering van de huren - dat de subsidies werden verlaagd, hetgeen leidde tot een huurstijging van 15% voor (nieuwe) woningwetwoningen. Voor woningen van voor 1940 gold een verhoging van 20%. Ter compensatie werden de lonen en de kinderbijslag verhoogd. In de periode 1945-1962 werd 52,6% van de woningwetwoningen gebouwd in opdracht van gemeenten en de rest in opdracht van corporaties. Deze woningcorporaties bezaten weinig zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid. Zij waren sterk gebonden aan richtlijnen van de gemeente en het rijk. Zo bestond er de verplichting tot terugbetaling van exploitatiebijdragen in geval van een batig saldo. Een geschil over het belastingbeleid maakte in 1958 een einde aan de rooms-rode coalitie. Het rompkabinet Beel, met daarin Witte, bleef in functie tot na de verkiezingen van maart 1959. In het kabinet De Quay (ARP, CHU, KVP en VVD) kreeg J. van Aartsen (ARP) het Departement van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid toegewezen. In het rompkabinet Beel was hij minister van Verkeer en Waterstaat geweest, in de periode 1963-1964 vervulde hij deze functie opnieuw. Secretaris-generaal Günther verruilde het departement voor dat van Binnenlandse Zaken. Hij werd opgevolgd door plaatsvervangend directeur-generaal van de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid, mr. G. van der Flier die tot zijn pensioen in 1976 secretaris-generaal bleef. De ambtstermijn van Van Aartsen stond in het teken van liberalisering van de woningbouw. Er werden maatregelen genomen om te komen tot goedkope particuliere huurwoningen vervat in de Premie- en Bijdrageregeling 1960. Doel was het terugdringen van de overheidsuitgaven. Ook was er een sterke groei van de vrije-sectorbouw. Het totale bouwprogramma voor 1961 bleef staan op 80.000 woningen, maar het aandeel woningwetwoningen en premiewoningen liep terug met respectievelijk 5.000 en 8.000. Het aandeel van de vrije sector steeg van 2.000 naar 15.000. Deze tendens zette zich in 1962 door. Van Aartsen zag de ongesubsidieerde bouw als de uiteindelijke, normale vorm van woningbouw. Procentueel groeide de vrije sector onder zijn bewind van 3% voor 1959 naar 35%. De woningwetsector ging van 54% naar 37% en de premiesector zag haar aandeel dalen van 43% naar 28%. Deze tendens vormde feitelijk de reden voor de kabinetscrisis van 1960, de zgn. Bouwcrisis. In een motie vroeg de ARP'er Eibergen gesteund door CHU, ARP en PvdA om 5.000 extra gesubsidieerde woningen. Van Aartsen vond 5.000 woningen ineens teveel. Hij werd hierin gesteund door het kabinet. Beide partijen in deze hielden vast aan hun standpunten. Het kabinet bood hierop haar ontslag aan. Op grond van een compromis, waardoor, zo later zou blijken, toch de 5.000 woningen konden worden gebouwd, trok het kabinet op 2 januari 1961 haar ontslagaanvrage in. Het bouwprogramma voor 1961 bedroeg door de motie nu 85.000 woningen. Voor minder draagkrachtigen werden goedkope woningwetwoningen gebouwd met behulp van efficiënte bouwplannen (zgn. keuzeplannen en keuzewoningen). Op 1 september 1962 werd op basis van de Wet op de Wijziging van de Huurwet (1962) een huurverhoging ingevoerd. Van Aartsen nam het SER-advies over dat een huuraanpassing van 30% aanbeval. De minister koos voor drie tweejaarlijkse verhogingen. De verhogingen golden in het algemeen voor al het gebouwd onroerend goed. Gelijk met de huurverhoging werden de rijksbijdragen en -premies verminderd en bij particuliere huurwoningen verviel de (premie-) C-categorie. Gelijktijdig met het ontwerp voor de Wet op de Ruimtelijke Ordening werd het ontwerp voor een nieuwe Woningwet bij de Tweede Kamer ingediend (1956). Het wetsontwerp nam diverse aanbevelingen over van de Staatscommissie Van den Bergh en van diens voorloper de Staatscommissie Frederiks, die zich beiden met deze problematiek hadden bezig gehouden. Pas medio 1961 vonden de beraadslagingen over het ontwerp in de Tweede Kamer plaats. De Eerste Kamer behandelde in juli 1962 het wetsontwerp. Het werd vrijwel zonder oppositie tot wet verheven. De nieuwe Woningwet zou pas in 1965 in werking treden, tot dan was er een overgangsregeling. Ter uitvoering van de Woningwet kwamen het Woonketenbesluit, het Organisatiebesluit Volkshuisvesting en het Toelatingsbesluit Volkshuisvesting tot stand. De Voorlopige Raad voor de Volkshuisvesting werd permanent. In de jaren '70 vond een drietal wijzigingen van de Woningwet plaats. Bij wet van 6 mei 1971 werd aan de Woningwet een bepaling toegevoegd inzake de zgn. huurprijsharmonisatie van woningwetwoningen. Dit hield in het onderling op elkaar afstemmen van de huren op basis van de woonwaarde van bestaande woningen ten opzichte van nieuw gebouwde woningen. De toevoeging aan de Woningwet bij Wet van 12 september 1974 moest voorkomen dat verhuurders hun niet meer zo rendabele bezit aan huurwoningen probeerden te verkopen aan eigenaren-bewoners door het complex op te splitsen in appartementen, waardoor onwenselijke woonomstandigheden konden ontstaan. De wet van 11 maart 1978 zorgde ervoor dat de eisen aan bewoonbaarheid van woningen werden aangepast aan de nieuwe opvattingen: een douche, een goed toegeruste keuken, goed sanitair e.d. waren voorzieningen, die in een goed bewoonbaar huis aanwezig dienden te zijn. De kwaliteit van veel vooroorlogse woningen liet nogal te wensen over. Het rijk betaalde de gemeenten 600 gulden voor elk opgeruimd krot. Ook de Wet op de Ruimtelijke Ordening bood mogelijkheden tot sanering. De Monumentenwet maakte de bescherming van monumenten en waardevolle stads- en dorpsgezichten mogelijk. De kwalitatieve woningnood bleef echter een probleem. Begin 1968 schatte men het aantal krotten op 375.000 en het aantal slechte, maar verbeterbare woningen op 250.000. De verkiezingen van 1963 en de daarop volgende formatie van het kabinet Marijnen stonden nog steeds in het teken van de woningnood, de stijgende bouwkosten en het tekort aan bouwcapaciteit. De nieuwe minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, drs. P.C.W.M. Bogaers (KVP), ging deze problemen te lijf door het scheppen van aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden voor bouwvakkers, het propageren van arbeidsbesparende bouwsystemen (de bouw moest worden geïndustrialiseerd en schaalvergroting in de bouw moest leiden tot lagere bouwkosten) en de oproep tot "Een schep er bovenop". Bogaers kende woningcontingenten toe aan die plaatsen waar de bouwcapaciteit dit toeliet. De minister maakte hierbij gebruik van de instrumenten die in de jaren '50 waren ontwikkeld: ook toen werden per gemeente aantallen te bouwen woningen toegewezen om de woningnood rechtvaardig te verdelen. De woningbouwproductie steeg tot boven de 100.000: in 1964 kwamen 100.978 woningen gereed. De woningnood zou in 1970 zijn opgelost zo werd voorspeld. Al spoedig bleek echter dat deze voorspelling voorbij ging aan maatschappelijke ontwikkelingen. Jongeren verlieten eerder het ouderlijk huis en er was een toenemende behoefte aan hobbyruimte in huis. In 1965 viel het kabinet Marijnen. Minister Bogaers nam als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening zitting in het kabinet Cals. De "nacht van Schmelzer" (13-14 oktober 1966) maakte zowel een einde aan het kabinet als aan de ministersloopbaan van Bogaers. In het hierop volgende interimkabinet van dr. J. Zijlstra keerde ir. Witte tijdelijk terug op zijn oude ministerspost. Op 5 april 1967 trad het kabinet De Jong in functie. Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening werd ir. W.F. Schut. Het huisvestingsbeleid vergde voortzetting van het krachtige beleid dat was gericht op het wegwerken van het kwalitatieve en kwantitatieve woningtekort. Daarnaast was het beleid gericht op een betere spreiding van bevolking en werkgelegenheid. Hoewel aanvankelijk het aantal gereedgekomen woningen daalde, werden er in Schuts ambtsperiode zoveel woningen in aanbouw genomen, dat in 1972 en 1973 het aantal voltooide woningen boven de 150.000 lag. De minister liberaliseerde het rijksgoedkeuringsbeleid en de huurprijsbeheersing verder en schonk meer aandacht aan de kwalitatieve aspecten van de woningbouw (onder andere experimentele woningbouw). Gedurende zijn ambtstermijn verschenen onder meer de nota Toekomst van het oude woningbestand en een advies van de Raad voor de Ruimtelijke Ordening over het betrekken van de bevolking bij het ruimtelijk beleid. Voor het voorbereiden en opstellen van aan de minister uit te brengen adviezen inzake beroepen op de Kroon op het gebied van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening werd een adviseur ten behoeve van de Raad van State aangesteld. De voornoemde taken werden voordien verricht door de afdeling Stedebouw van de Centrale Directie. Drs. B.J. Udink (CHU) vervulde in het kabinet Biesheuvel, dat het kabinet De Jong in 1971 opvolgde, het ministerschap van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening. Voor het eerst werd een minister van dit departement bijgestaan door een staatssecretaris, te weten drs. K.W. Buck (KVP). Hij werd speciaal belast met zaken betreffende de stadsvernieuwing. Door de korte zittingsduur van het kabinet kon de doelstelling van 137.500 nieuwe woningen in 1975 niet worden verwezenlijkt. Verder droeg het kabinet onder andere de krotopruiming, de stadssanering en de reconstructie van bebouwde kommen en de evenwichtige spreiding van de bevolking hoog in haar vaandel. In de Nota Volkshuisvesting, die Udink in april 1972 aan de Tweede Kamer aanbood, zette hij uitvoerig de achtergronden van het te voeren beleid uiteen. Het beleid was gericht op het effectief maken van de vraag en het mobiliseren van het aanbod op de woningmarkt. Daarnaast werd dieper ingegaan op de problematiek van de stadsvernieuwing. De doelstelling van het volkshuisvestingsbeleid werd door de minister en zijn staatssecretaris in de nota als volgt geformuleerd: "... bevorderen (dat) passende en betaalbare huisvesting beschikbaar komt voor alle lagen van de bevolking". Daartoe is", zo vervolgde de nota, "een samenstel van maatregelen nodig met betrekking tot zowel de bestaande als de nieuwbouw". Van groot belang zijn het huur- en subsidiebeleid, de begeleiding van het bouwproces en het wegnemen van knelpunten, alsmede het stadsvernieuwingsbeleid". In 1971 kwam de tweemiljoenste naoorlogse woning gereed. Gedurende het functioneren van het kabinet Den Uyl, dat in 1973 optrad, vonden op het departement enkele belangrijke organisatiewijzigingen plaats. Zo kwam van het Ministerie van Financiën de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers over (KB 4-6-1973). De belangrijkste overweging was het belang van de dienst met betrekking tot de coördinatie van het ruimtelijk beleid en beheer. Begin 1975 vond de instelling van een zelfstandige Directie Bouwnijverheid plaats (9 januari). In april 1975 werd begonnen met de reorganisatie van de Centrale Directie van de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Teneinde de stroom van activiteiten en informatie in de richting van de bewindslieden en de ambtelijke leiding enigszins te stroomlijnen en te ordenen werd op 15 november 1973 het Bureau van de Secretaris-Generaal ingesteld. Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening in het kabinet Den Uyl werd drs. J.P.A. Gruijters (D'66). Hij hield zich in het bijzonder bezig met de ruimtelijke ordening en de bouwnijverheid. Gruijters werd bijgestaan door twee staatssecretarissen, te weten drs. M.P.A. van Dam en J.L.N. Schaefer. Van Dam was belast met de zorg voor de planning en integratie van de huisvesting van mensen met bijzondere woonbehoeften, zoals bejaarden en buitenlandse werknemers, met de zorg voor de bescherming en de zeggenschap van de huurders en kopers van woningen binnen daarvoor geldende en te ontwerpen wettelijke regelingen en met de coördinatie van het onderzoek op het terrein van de volkshuisvesting en de bouwnijverheid. Schaefer was ondermeer belast met zaken betreffende de stadsvernieuwing, met inbegrip van de instandhouding, de verbetering en de verde-ling van de bestaande woningvoorraad. De regering verlegde het accent van de woningbouw in de richting van groepen met bijzondere behoeften, zoals die aan kleinere woningen. De huurliberalisatie zou voorlopig niet worden voortgezet. Minister Gruijters verklaarde in het midden van de jaren '70 de bouwproductie te willen verlagen, omdat hij niet voor de leegstand wilde bouwen. Leegstand dreigde inderdaad, niet vanwege het huizenoverschot, maar omdat de huren te hoog waren. Met de invoering van de individuele huursubsidie (1975), waardoor een huurder voor de door hem gehuurde woning in aanmerking kon komen voor een rijksbijdrage, waarvan de hoogte afhankelijk was van de huur en het inkomen en de mogelijkheid voor een tijdelijke bijdrage in de huur, indien men naar een duurdere huurwoning verhuisde (huuraanpassing), verdween geleidelijk de leegstand (Nota Huur- en Subsidiebeleid, 20-8-1974). In plaats van het overschot dat volgens Gruijters dreigde, was er eerder sprake van een tekort, met name aan betaalbare woningen voor één- en tweepersoonshuishoudens. Dit leidde in grote steden tot het op grote schaal kraken van woningen. Staatssecretaris Van Dam legde zich vooral toe op het bevorderen van huisvesting voor deze categorie woningzoekenden, die hoofdzakelijk uit jongeren bestond (Nota Huisvesting voor Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens, 14-7-1975). Voor deze groepen werden HAT-eenheden gebouwd (Huisvesting voor Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens), ook wel Van Dam-eenheden genoemd. In 1976 publiceerden vier verantwoordelijke bewindslieden, onder wie minister Gruijters, de Eerste Nota Bouwbeleid. In de nota werd de wens te kennen gegeven dat de lagere overheden tot een systeem zouden moeten komen, waarbij van een (meer) taakstellend bouwprogramma zou kunnen worden gesproken. De nota ging uit van een planmatige voorziening in bouwbehoeften en van een streven naar continuïteit in de sector van de bouwnijverheid. Bij wet vonden er omder amdere wijzigingen plaats van de Woonruimtewet 1947; de Huurprijs-wetgeving; de Woningwet en de Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting. In de ambtelijke top van het departement deden zich in de tweede helft van de jaren '70 een aantal personele wijzigingen voor. In 1975 overleed mr. V.G.M. Marijnen: als voorzitter van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening werd hij opgevolgd door de plaatsvervangend voorzitter mevr. mr. Chr. A. de Ruyter-de Zeeuw. Op haar beurt werd zij in 1978 opgevolgd door mr. I. Samkalden. Op 1 juni 1976 ging de secretaris-generaal, mr. G. van der Flier, met pensioen. Zijn plaats werd ingenomen door de directeur van de Ruimtelijke Ordening, ir. Th. Quené, die zijn functie echter reeds na korte tijd verwisselde voor die van voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. In zijn plaats werd op 15 juni 1978 mr. M.D. van Wolferen secretaris-generaal; hij bekleedde diezelfde functie sinds 1969 bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Als directeur-generaal van de Ruimtelijke Ordening werd ir. Quené opgevolgd door ir. S. Herweijer. Met ingang van 1 januari 1977 werd dr. J.W.G. Floor op eigen verzoek ontheven van zijn functie als directeur-generaal van de Volkshuisvesting, tevens inspecteur-generaal van de Volkshuisvesting. Hij werd opgevolgd door drs. H.J. Viersen, die per 1 mei 1980 werd vervangen door ir. J.M. Koopman. Ir. S.A. Kool werd op 1 augustus 1977 de opvolger van ir. A. Peters in de functie van directeur Bouwnijverheid. Het kabinet Den Uyl viel in maart 1977. De langste formatie uit de parlementaire geschiedenis leverde het eerste kabinet Van Agt op, dat op 19 december 1977 aantrad en waarin jhr. drs. P.A.C. Beelaers van Blokland (CDA) het ambt van minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bekleedde. Staatssecretaris werd mr. G.Ph. Brokx. Hij werd meer in het bijzonder belast met de zorg voor de volkshuisvesting voorzover deze niet op de stadsontwikkeling betrekking had. De bewindslieden stelden zich tot taak de burgers nauwer te betrekken bij de ruimtelijke ordening. De prioriteit van de stadsvernieuwing bleef gehandhaafd. Gestreefd zou worden naar een evenwichtige ontwikkeling van de groeisteden en de groeikernen. Het huur- en subsidiebeleid was gericht op een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad en draagkracht van de bewoner. In de Tweede Bouwnota (1978) werden aanzetten gegeven tot decentralisatie van het bouwbeleid, waarbij een duidelijke accentverschuiving naar de gemeenten diende plaats te vinden. Gedurende tien dagen, van 1 september tot 11 september 1981, vervulde ir. D.S. Tuijnman, naast het ministerschap van Verkeer en Waterstaat, het ambt van minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aan het begin van de jaren '80 bleken de problemen rond de volkshuisvesting nog lang niet opgelost. Tussen 1980 en 1990 dienden ruim 1,1 miljoen woningen te worden gebouwd om in de behoefte te kunnen voorzien en het geschatte tekort van 110.000 woningen in te lopen. Naast dit kwantiteitsprobleem speelde het kwaliteitsaspect: bijna 20% van de toenmalige woningvoorraad van 4,9 miljoen woningen was aan ingrijpende verbeteringen toe en 300.000 woningen waren rijp voor de sloop. In de Nota Stads- en Dorpsvernieuwing werden m.n. de kosten hieraan verbonden verder uitgewerkt. De situatie was vergeleken met 1968 aanzienlijk verslechterd. Een derde probleem was de onevenwichtige verdeling van de bestaande voorraad: mensen met een relatief hoog inkomen woonden in relatief goedkope huurwoningen, terwijl mensen met een relatief laag inkomen in relatief dure huurwoningen zaten, waardoor zij een beroep moesten doen op individuele huursubsidie. De betaalbaarheid van nieuwe woningen was het vierde probleem. Zonder overheidssteun was dit voor het grootste deel van de bevolking een steeds moeilijker op te lossen probleem. Minister drs. M.P.A. van Dam (PvdA) gaf voor dit laatste probleem drie mogelijke oplossingen aan. Het rijk moest meer subsidies gaan verlenen, hetgeen gezien de slechte situatie van 's rijks financiën niet wenselijk was; de bewoners moesten meer gaan betalen; er moest soberder worden gebouwd. Hun korte ambtsperiode (september 1981 - mei 1982) maakte het Van Dam en staatssecretaris mevr. S. Langedijk-de Jong onmogelijk tot een keuze te komen. Drs. E. Nypels (D'66) verving van Dam voor de duur van 5 maanden. Tijdens de formatie van het Eerste kabinet Lubbers werd besloten het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne op te heffen. Volksgezondheid werd onderdeel van het nieuwe Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC). De zaken betreffende het milieubeleid werden aan het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toegevoegd, dat als gevolg daarvan Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ging heten. Minister werd dr. P. Winsemius. Staatssecretaris bleef mr. G.Ph. Brokx. De redenen voor deze reorganisatie waren ingegeven door de voorstellen van de Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst (CHR, ook wel Commissie Vonhoff). Als één van de mogelijkheden om de integratie van het beleid te verbeteren zag de commissie een andere departementale indeling. Zo diende het milieubeleid gekoppeld te worden aan de ruimtelijke ordening. Zo dacht ook het tandem Lubbers-Nijpels erover: ruimtelijke ordening en milieuhygiëne hadden vele raakvlakken. Onderbrengen in één departement zou meer samenhang in het beleid geven. De ruimtelijke ordening In de Woningwet van 1901 waren, zoals reeds vermeld, bepalingen opgenomen inzake de ruimtelijke indeling van Nederland. Als uitvloeisel van het werk van de Staatscommissie Frederiks en gestimuleerd door de Duitse bezetter, die een voorstander was van een gecentraliseerd ordeningsapparaat, werd op 15 mei 1941 het Basisbesluit betreffende de instelling van een Rijksdienst voor het Nationale Plan (RNP) van kracht. Het overheidsbeleid met betrekking tot de ruimtelijke indeling werd vanaf nu ruimtelijke ordening genoemd, naar het Duitse Raumordnung. President van de rijksdienst werd Frederiks, die onder de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken ressorteerde. De Vaste Commissie, onder voorzitterschap van ir. H. van der Kaa, was belast met de leiding over de planologische werkzaamheden, waarvan de uitvoering bij het bureau lag, waarvan F. Bakker Schut directeur was. Het nationale plan zou door de secretaris-generaal worden vastgesteld of gewijzigd, gehoord het advies van de Raad van State. In 1942 werden op basis van het Basisbesluit een drietal uitvoeringsbeschikkingen van kracht. Zij bevatten bepalingen met betrekking tot de taken van het Bureau en de Vaste Commissie, over de totstandkoming van het nationale plan en het in overeenstemming brengen van streekplannen met het nationale plan. In het bevrijde Zuiden bleef in 1944 het Basisbesluit van kracht: alleen de bevoegdheden van de president zouden voortaan door de minister worden uitgeoefend. Na de bevrijding was er veel kritiek op de RNP. Zij werd gezien als een typisch Duitse instelling, m.n. het instituut van president ondervond veel kritiek (Führerprinzip). De Wet, houdende voorlopige regeling inzake het nationale plan en streekplannen verscheen in 1950 in het Staatsblad. De bezwaren die golden tegen bepaalde regelingen in het Basisbesluit werden er niet uit overgenomen. De regeling zou gelden tot 1952, maar pas in 1972 zou de voorlopige regeling volledig verdwijnen. Een Nationaal Plan is nooit tot stand gekomen. Het RNP werd samengebracht met volkshuisvesting en wederopbouw. De samenwerking binnen het ministerie was echter verre van optimaal. Evenmin optimaal was de interne samenwerking binnen de RNP. Ook had de RNP te maken met tegenwerking vanuit andere ministeries die haar als pottenkijker zagen. Het interdepartementale overleg dat vanaf 1952 over zaken betreffende ruimtelijke ordening plaatsvond deed de verhoudingen enigszins verbeteren. Daarnaast dreigde de RNP slechts een studieorgaan te worden, omdat zij geen opdrachten van de minister of de ministerraad ontving. Vanaf 1950 trad enige verbetering op in deze situatie. Er verschenen enkele rapporten en nota's over de ruimtelijke indeling van (delen van) Nederland. De Wederopbouwwet van 1950 bevatte onder andere een voorlopige regeling voor het Nationale Plan en de streekplannen. De uitbreidingsplannen bleven zoals ze geregeld waren in de Woningwet. In de loop van de jaren '50 groeide echter het besef dat een nationaal plan, zelfs met slechts beperkte strekking, maar moeilijk realiseerbaar was. De oplossing voor de problemen trachtte men te vinden door streekplannen voor kleinere gebieden en voor bepaalde facetten op te stellen. Het accent verschoof van de vastlegging naar het proces. In september 1960 werd de Eerste Nota Ruimtelijke Ordening, die was opgesteld door het bureau aan de Tweede Kamer aangeboden. Zij kan worden gezien als een hernieuwde bevestiging van de overgang van nationaal plan naar regeringsbeleid inzake de Ruimtelijke Ordening. De nota gaf geen gedetailleerd plan, maar een brede visie op de toekomstige ontwikkelingen. Een van de hoofdgedachten uit de nota was, dat onnodige concentratie in het Westen moest worden tegengegaan en dat landelijke spreiding noodzakelijk was. Tegelijk werd gewezen op de noodzaak dat de Randstad een eigen ontwikkeling moest doormaken ten opzichte van de rest van het land. De nota oogstte veel lof in het parlement. In 1961 kwam de in 1960 ingestelde Commissie Spreiding Rijksdiensten tot de conclusie dat verplaatsing van dienstonderdelen dringend gewenst en stellig mogelijk was. In 1956 werd het Ontwerp van Wet op de Ruimtelijke Ordening bij de Tweede Kamer ingediend. Als gevolg van de kritiek kwam er in 1958 een gewijzigd ontwerp. Het ontwerp bepaalde onder andere dat de Rijksplanologische Commissie (RPC) de Vaste Commissie verving. In de RPC werden de hoofdlijnen van nationale ruimtelijke ordening en principes van algemeen belang gecoördineerd. De coördinatie van de diverse projecten zelf kwam bij de afzonderlijke ministeries te liggen. Er werd een Raad voor de Ruimtelijke Ordening (RRO) als subcommissie van de ministerraad ingesteld, waarin naast de directeur van de RNP, de minister-president (voorzitter), de ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën, Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, Verkeer en Waterstaat, Economische Zaken, Landbouw en Visserij en eventueel andere ministers zitting hadden. Het wetsontwerp introduceerde het streekplan nieuwe stijl en de Inspecties van de Ruimtelijke Ordening. Het nationaal plan bleef buiten beschouwing. Ten aanzien van de nationale ruimtelijke ordening bepaalde het ontwerp slechts dat door de zorg van de minister een voortdurend onderzoek werd ingesteld ten dienste van het algemeen planologisch beleid. Het enige plan waar nog rekening mee gehouden moest worden, was het door de gemeente vastgestelde bestemmingsplan. Het was het enige plan dat de burger, maar ook de overheid, kon binden en derhalve ook het enige waartegen in beroep kon worden gegaan bij de Kroon. Bestemmingsplannen waren alleen verplicht voor het gebied buiten de bebouwde kom en voor beschermde stads- of dorpsgezichten. Hiernaast kreeg de gemeente de mogelijkheid een structuurplan vast te stellen. Hierin wordt de toekomstige ontwikkeling van de gemeente aangegeven. Het plan is niet bindend. De minister kon aanwijzingen geven omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. De Kroon kreeg de bevoegdheid facetplannen vast te stellen. Deze raakten slechts bepaalde met name genoemde belangen. De coördinatie van het ruimtelijk beleid op de drie bestuursniveaus - rijk, provincie, gemeente - kon worden versterkt door de verplichting die de Kroon aan de provincie op kon leggen om streekplannen vast te stellen. Vaststelling, herziening of intrekking moesten aan de minister worden meegedeeld. Het Besluit op de Ruimtelijke Ordening gaf nadere voorschriften omtrent de totstandkoming en de inhoud van streek-, structuur-, en bestemmingsplannen en regels betreffende de planologische organen. De wet werd al in juni 1961 door de Tweede Kamer aangenomen, maar trad samen met het besluit pas op 1 augustus 1965 in werking met een overgangsperiode van vijf jaar. De ruimtelijke ordening kreeg hiermee een eigen plaats los van de volkshuisvesting. Met het in werking treden van de wet werd de naam van het Bureau van de RNP officieel gewijzigd in Rijksplanologische Dienst (RPD). Onder de RPD vielen vijf regionale inspecteurs die aan de Rijksplanologische Commissie (RPC), de opvolgster van de Vaste Commissie rapporteerden. Mr. J. Vink werd directeur-generaal. De Raad van Advies voor Ruimtelijke Ordening (RARO) kwam onder voorzitterschap van mr. V.G.M. Marijnen te staan. De Rijksdienst voor het Nationale Plan hield op te bestaan. Enkele maanden voordat de wet van kracht werd, werd de naam van het ministerie veranderd in Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, teneinde het belang van de ruimtelijke ordening goed tot zijn recht te laten komen. In 1966 verscheen de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening, waarin net als in de eerste nota het ruimtelijk beleid voor de toekomst uit de doeken werd gedaan door de centrale overheid. Getracht werd vooruit te zien tot omstreeks het einde van de eeuw. Dit culmineerde in een ruimtelijke structuurschets voor Nederland omstreeks 2000. In de nota werd het doel van de ruimtelijke ordening als volgt omschreven: "...een samenspel tussen overheid en maatschappij en aan de kant van de overheid om een onderling op elkaar afstemmen van ruimtelijk, economisch en sociaal-cultureel beleid. De ruimtelijke ordening houdt zich dan ook in het bijzonder bezig met .het fysieke milieu. Zij wil de levensontplooiing van de bevolking voor zover die van het leefmilieu afhankelijk is, zo goed mogelijk dienen". Kernbegrip in de Tweede Nota was gebundelde deconcentratie. Dit hield in dat de stedelijke ontwikkeling niet alleen in het Westen moest plaatsvinden, maar ook elders (deconcentratie). Tegelijk diende dit te geschieden op een beperkt aantal plaatsen, opdat niet alle nog vrije gebieden werden bebouwd. De nota gaf aan waar stedelijke activiteiten moesten plaatsvinden (bundeling). De nota stelde een hiërarchie voor in stedelijke gebieden: de stad; de stedelijke eenheid; de agglomeratie; het stadsgewest; de stedelijke zone. De Nota over de Openbaarheid bij de voorbereiding van het ruimtelijk beleid werd op 19 september 1972 aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin werd gesteld dat op het gehele veld van besluitvorming, van invloed op de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de omgeving van de mens, procedures moesten gelden die voldeden aan een aantal eisen van overleg, openbaarheid, inspraak en doelmatigheid. De nota introduceerde de term planologische kernbeslissingen. Het kabinet Den Uyl legde een duidelijke link tussen ruimtelijk beleid en milieubeleid: de strijd tegen milieuverontreiniging en voor milieuhygiëne diende uitgangspunt te zijn van het ruimtelijk beleid. Het eerste deel van de Derde Nota Ruimtelijke Ordening verscheen in 1973. Hierin werd de teleurstellende balans opgemaakt van het tot dan toe gevoerde beleid. De gebundelde deconcentratie was mislukt: de gewenste spreiding viel, evenals de bundeling tegen. Het tweede deel, dat drie jaar later in 1977 verscheen, staat bekend als de Verstedelijkingsnota. Hierin werd de nadruk gelegd op het belang van de stadsvernieuwing; kort hierna verscheen het derde deel, de Nota Landelijke Gebieden.
1. Het huis Offem Het terrein, genaamd Hofvenne, in Noordwijk, dat later Offem zou heten, komt - afgezien van een verpachting in 1316 - het eerst voor in 1336, toen Jan van Henegouwen zijn dochter Johanna een rente van 10 pond hollands op dit perceel verzekerde, die na haar dood zou komen aan de wijnkelder van de abdij Leeuwenhorst. In 1342 gaf Jan van Henegouwen nog eens 5 pond op de Hofvenne. Naderhand droeg Gui van Châtillon, kleinzoon van Jan van Henegouwen, in 1396 de Hofvenne, die belast was met 15 pond voor de abdij Leeuwenhorst, samen met een stuk land, genaamd Hofland, over aan Frederik van der Zevender. Wij vinden dit perceel hierna nauwelijks meer in akten terug, omdat het eigen goed was. Wel duikt de rente, die bij de eerste gelegenheid in 1410 tot 10 pond was beperkt, in de rekeningen van Leeuwenhorst op. Aanvankelijk wordt niet vermeld, wie deze 10 pond voldeed, maar in 1424 blijkt dat Jan van de Boekhorst te zijn, dezelfde die in 1430 de heerlijkheid Offem verwerft. De betalingen worden voortgezet vanaf 1452 door Elisabeth van Alkemade, zijn weduwe, naderhand door Jan van Noordwijk, hun zoon, tenslotte door Nikolaas Korf, die het bedrag in 1504 voor het vijfentwintigvoudige afkocht. Door de geschetste vererving bestaat er geen twijfel aan de vereenzelviging van Offem met de Hofvenne, al is de verwerving door Jan van de Boekhorst niet geboekstaafd. De namen Hofvenne en Hofland doen een bijbehorende hof met versterkt huis vermoeden. Inderdaad tekent C. van Alkemade in zijn verhandeling over de stad Leiden onder de titel "oud kasteel van Noordwijk" een rechthoekig kasteel, voorzien van vier hoektorens, een poortgebouw en een zware donjon. Wij mogen dit bouwsel wel toeschrijven aan de fantasie van Van Alkemade. Meer vertrouwen verdient een getuigenis uit 1655 van bejaarde inwoners van Noordwijk, dat zij op het land, genaamd Bergweide, ongeveer zestig jaar daarvoor nog oud muurwerk van blauwe steen hadden zien staan''. Het perceel was gelegen in de Bronsgeest op de grens tussen Noordwijk en Noordwijkerhout. Door deze situering ligt de Bergweide in de heerlijkheid Offem. Het ligt voor de hand, dat dit versterkte huis uit het bezit stamde van Gerard van Velsen, al wiens goed in 1308 door graaf Willem III aan Jan van Henegouwen werd toegewezen, in 1313 gevolgd door het gerecht van Noordwijk. Het latere huis Offem stond echter ruimschoots bezuiden de oude sterkte en wel ten oosten van het dorp Noordwijk even buiten de heerlijkheid Offem. Het werd in zijn geschiedenis slechts eenmaal overgedragen en wel in 1661 door Arnout van Wassenaar, wiens vrouw Anna Margaretha van Scherpenzeel het in huwelijk had meegebracht. Tevoren zal het steeds in het bezit zijn geweest van de elkaar opvolgende heren van Offem maar het wordt nooit met zoveel woorden genoemd. Wanneer het in oorsprong is gebouwd, blijft daarom onbekend. Omstreeks 1750 werd het door Theodora Odilia Doys ingrijpend verbouwd en verfraaid met een symmetrische tuin. In de negentiende eeuw werd het huis door Frederik Albert Govert graaf van Limburg Stirum afgebroken en op iets kleinere schaal herbouwd. Voor dit werk legde Susanna Geertruida Françoise Gevers, zijn vrouw, in 1856 de eerste steen. Nadat dit huis in de laatste Wereldoorlog door de Duitsers als commandopost was gebruikt, werd het in 1953 grotendeels afgebroken, omdat het uitgewoond was. Thans herinnert alleen het huidige woonhuis, dat enige eeuwen oud is, aan het oudere Offem. 2. De families Van Limburg Stirum, Doys en Van der Does Van Limburg Stirum De stamvader van de in het archief behandelde tak van de familie Van Limburg Stirum was Albert Dominicus, tweede zoon van Otto Ernst graaf van Limburg Stirum. Hij maakte evenals velen van zijn nakomelingen een carrière in het leger. Tevens gaf hij blijk van een zin voor historie door de voorvaderlijke bezitting Wildenburg te kopen. Van hem zet de tak zich hier voort met zijn vierde zoon Leopold, het bekende lid van het driemanschap van 1813, die huwde met Theodora Odilia Carolina Louise van der Does. Zij bracht de heerlijkheid Noordwijk in de familie, zodat Wigbold Albert Willem, oudste zoon van Leopold, zich aan het beheer en bestuur daarvan kon gaan wijden. De tak Noordwijk zou zich voortaan blijven bezighouden met bestuurlijke activiteiten op provinciaal en gemeentelijk terrein. Zijn jongere broer Otto Jan Herbert was daarentegen militair evenals diens zoon Willem. Deze kreeg door zijn vroegtijdige pensionering gelegenheid zich diepgaand bezig te houden met de geschiedenis van zijn familie, die hij neerlegde in zijn "Stamtafel". Ook daarna zette hij zijn onderzoekingen echter nog voort zoals blijkt uit de grote hoeveelheid documentatie, die hij na 1878 verzamelde. Zijn arbeid heeft in de laatste jaren een fraaie bekroning gevonden in het standaardwerk over de graven van Limburg Stirum, dat tot stand kwam dankzij de krachtige steun van W.J.H. graaf van Limburg Stirum. Dit oeuvre bevat zowel een inventaris van het archief van de graven vanaf het begin van de dertiende eeuw tot het overlijden van Frederik Willem graaf van Limburg Stirum , grootvader van Albert Dominicus, in 1722, als repertoria op de leen-hoven van Bronkhorst, Borculo, Wisch en de Wildenburg, die in handen van de familie waren. Van der Does Ook deze familie werd reeds in een monografie behandeld, zij het op minder grootscheepse wijze dan de graven van Limburg Stirum. Het beroemdste lid van dit geslacht was Jan van der Does, die aan diverse universiteiten studeerde en bij zijn terugkeer een rol speelde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Hij werd de eerste curator van de Leidse universiteit en tevens geschiedschrijver van Holland. Als zodanig stonden hij en zijn zoons Jan, Steven, Frans en George in contact met geleerden van die tijd zoals J. Lipsius en A. van Buchel. Zijn nakomelingen trokken zich evenwel terug van het veld van de wetenschap en bleven zich voornamelijk bezighouden met het bestuur van Holland, waar zij zitting hadden in de Ridderschap, en met het beheer van hun bezittingen. In de eerste plaats was dat de heerlijkheid Noordwijk, later vermeerderd met de aparte heerlijkheden Offem en Ter Lucht in die plaats. In het Westland kwam de familie door het huwelijk van Wigbold van der Does met Wilhelmina Henriette van Reede in het bezit van de heerlijkheid De Lier en verder zuidwaarts van de heerlijkheid St. Anthoniepolder, die afkomstig was van de familie Van der Mijle. De familie stierf in 1810 in mannelijke uit met Gerlach Jan Doys van der Does, die de naam Doys van de eerder uitgestorven familie van zijn moeder aan de zijne had toegevoegd. Doys Deze familie is de minst bekende van de drie hier behandelde. Aan haar is geen monografie gewijd. Daar staat tegenover, dat Gerlach Doys (1626-1685), jongere zoon van Dirk Doys, in drie delen de geschiedenisvan zijn familie beschreef en daar als bewijsstukken de akten van het familiearchief bijvoegde. Hij kon dat des te gereder doen, omdat hij het familiearchief grotendeels had meegenomen. In de zestiende eeuw woonde de familie in Deventer, waar zij aanzienlijke posten bekleedde. Zo was Gerlach Doys burgemeester en mocht Pieter Doys, zijn zoon, zich deken van de St. Lebuinus noemen. Omdat de familie vanaf de zeventiende eeuw een carrière in het leger nastreefde, verplaatsten zij zich naar Gelderland, Brabant, Zeeland en Friesland. De oudste tak stierf in 1774 uit met Theodora Odilia Doys ongeveer ter zelfder tijd als de jongere tak, die zich in Friesland had gevestigd. 3. De heerlijkheden Noordwijk, Offem, St. Anthoniepolder en De Lier De heerlijkheid Noordwijk met haar reilen en zeilen werd vooral voor de jongere tijd uitvoerig behandeld door J. Kloos. Wij geven daarom slechts een beknopt overzicht van de heerlijkheid. In 1438 werd Jan van de Boekhorst door Margaretha van Bourgondië beleend met de heerlijkheid zonder Offem, Langeveld en Ter Lucht. Van zijn zoon Jan van Noordwijk vererfde zij op Jan van der Does, in wiens familie de heerlijkheid ruim driehonderd jaar bleef tot 1810, toen de familie Van Limburg Stirum haar erfde. Alleen van 1620 tot 1640 was zij in handen van Nikolaas van de Boekhorst en Caspar en Willem van Ewsum, verwanten van Van der Does. Acht jaar voor de heerlijkheid Noordwijk ontving Jan van de Boekhorst de heerlijkheid Offem van Margaretha van Bourgondië in leen. Dit was een rechthoekig terrein aan de oostzijde van Noordwijk, dat in het noorden grensde aan Noordwijkerhout en zuidwaarts strekte ter breedte van de Bronsgeest. Deze heerlijkheid vererfde van de familie Van de Boekhorst achtereenvolgens op de families Korf, Pijns en Van Scherpenzeel, die haar in 1661 verkocht aan Wigbold van der Does, waarna zij dezelfde weg volgde als de heerlijkheid Noordwijk. De problemen over de grenzen tussen beide heerlijkheden waren door de transactie van 1661 geheel uit de weg geruimd, daar Offem in Noordwijk opging. Wigbolds gelijknamige kleinzoon verwierf in 1695 de resterende heerlijkheden Langeveld en Ter Lucht. Ook deze gingen nu dezelfde weg als Noordwijk tot Langeveld in 1774 werd toegedeeld aan Gerlach Jan Doys van der Does, die evenwel in 1788 ook Noordwijk erfde. Daardoor was de heerlijkheid herenigd. St. Anthoniepolder werd in 1357 bedijkt door Hugo Duking en zijn metgezellen. Zij deden hun werk blijkbaar bekwaam want als enige in de Hoekse waard bleef hun bedijking droog tijdens de St. Elisabeths-vloed van 1421. In de negentiende eeuw werd de gemeente onder Maasdam gebracht. De heerlijkheid was vanaf de zestiende tot het begin van de achttiende eeuw in handen van de familie Van der Mijle, van wie zij in 1712 vererfde op Wilhelmina Henriette van Reede, gehuwd met Wigbold van der Does. Zij bleef hierna in de families Van der Does en Van Limburg Stirum. De heerlijkheid De Lier in het Westland werd in 1675 verworven door Frederik van Reede, via wiens dochter Wilhelmina Henriette zij vererfde op de familie Van der Does. Bij boedelscheiding van 1812 werd zij toegedeeld aan Johanna Jacoba Herbertina Mauritia van der Does, gehuwd met Timon Cornelis de Heerdt van Eversberg. Deze familie verkocht de heerlijkheid in 1825 weer aan een plaatselijke burgemeester, waarna elk spoor van het archief ontbreekt. 4. Het klooster St. Katharina en Barbara te Noordwijk Dit klooster van Augustinessen werd in 1456 door Frank van de Boekhorst gesticht op een terrein ten noorden van de kerk van Noordwijk. Daarop had reeds eerder een geestelijke stichting gestaan, die de regel van de Derde Orde volgde, maar in 1450 was verbrand. De nieuwe stichting werd gesteld onder het toezicht van het klooster St. Hieronymus, genaamd Roma, aan het Rapenburg te Leiden en in 1465 bovendien nog onder het klooster Syon. In 1492 werd het klooster onder de hoede van het kapittel van Windesheim geplaatst. In 1572 werd het klooster opgeheven en werden de goederen voortaan beheerd door het Geestelijk kantoor. Bij die gelegenheid wist men zich in het bezit te stellen van het archief. Dit was aanzienlijk omvangrijker dan thans, te schatten naar de charters, die Romeins genummerd zijn. Het hoogste nog aanwezige nummer 87 maakt aannemelijk, dat ruim zeventig charters verloren gingen of omstreeks 1572 door de zusgers werden meegenomen. In de eerste helft van de zeventiende eeuw wisten de heren van Noordwijk zich in het bezit van de goederen te stellen, die zij voor de bekostiging van de eredienst gebruikten. Zij konden dat doen omdat zij nazaten van de stichter waren.
Het onderhavige gedeelte van het familiearchief Van Heteren vormde met het reeds geïnventariseerde gedeelte, dat zich in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage bevindt, één geheel. Als erfgenamen van het rijke bezit van de Van Heterens kwam het oorspronkelijk terecht bij Adriaan Leonard van Heteren Gevers (1794-1866), een zoon van Dirk Cornelis Gevers (1763-1839), heer van Endegeest, die op zijn beurt weer een zoon was van Abraham Gevers (1712-1780) en Catharina Wilhelmina van der Staal (1736-1806). Samen met haar broer was deze laatste door Adriaan Leonard van Heteren (1724-1800) aangewezen als zijn universele erfgenamen. Adriaan Leonard van Heteren was zelf een zoon van Hendrik van Heteren (1672-1749), die in 1718 huwde met Margaretha Lormier (1684-1738). In 1745 trouwde hij met zijn nicht Wouterina Brigitta Lormier (1718-1771). Haar zuster Catharina Elisabeth (1714-1741) was gehuwd met Dirk Cornelis van der Staal (1705-1772) en beiden zijn zij de ouders van Catharina Wilhelmina en Claudius van der Staal. Het gehele archief Van Heteren zal na de verdeling van de boedel op het huis Endegeest bij Leiden terecht zijn gekomen. Toen het huis Endegeest door de erfgenamen van Adriaan Leonard van Heteren Gevers - die in Nederlands-Indië zich hadden gevestigd - in 1893 werd verkocht, kwamen de archivalia met betrekking tot de familie Gevers tot Endegeest op het huis Duivenvoorde terecht en vervolgens bij de in 1906 opgerichte familievereniging Gevers. Dat hield in, dat het historische gedeelte voor het grootste gedeelte werd bewaard door Jhr. Jan Hugo Gevers op Leeuwenhorst bij Noordwijkerhout en een klein genealogisch interessant gedeelte bij Jhr. W.A. Gevers Deynoot te 's-Gravenhage. Beide gedeelten kwamen in 1933 door schenking terecht in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Zij het, dat een gering gedeelte achterbleef op Leeuwenhorst en de werkelijk genealogische stukken, zoals rouw- en trouwbrieven, in de latere - eveneens in het Algemeen Rijksarchief berustende - Collectie Gevers terecht kwam. Na inventarisatie van dit archief in juli en augustus 2001 door Jhr. A.J. Gevers en A.J. Mensema kreeg dit zijn beslag.
I. mr C. Fock (1828-1910) Cornelis Fock werd op 19 november 1828 in Amsterdam geboren als zoon van Abraham Fock (1793 1858), president van de Nederlandsche Bank, en Alida Johanna van Heekeren (1797-1864). In juni 1852 promoveerde hij in de rechten aan de universiteit te Utrecht. In december 1853 werd hij benoemd tot burgemeester van Vreeland en Nigtevecht, een jaar later werd hij eerste burger in Wijk bij Duurstede, waar als gevolg van de Aprilbeweging een gespannen verhouding heerste tussen de katholieke en protestantse bevolking. Fock wist de vrede te herstellen. In december 1859, op 31 jarige leeftijd, werd hij burgemeester van Haarlem. Hij werd daar tevens lid van de gemeenteraad. Ook in Amsterdam vervulde hij beide functies nadat hij met ingang van 1 mei 1866 tot burgemeester van die stad werd benoemd. Mr C. Fock was een liberaal politicus, die zich aansloot bij het streven van Thorbecke naar onderwijsverbetering en verbetering van de infrastructuur voor de industrialisatie van Nederland. Hij was een fervent tegenstander van confessionele politiek. In 1868 werd Fock benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken als opvolger van de conservatief mr J. Heemskerk. Zijn kabinet werd geformeerd door Thorbecke, die zelf verkoos op de achtergrond te blijven en die liberalen wilde benoemen die in het constitutionele conflict tussen het kabinet Van Zuylen van Nijevelt Heemskerk en de Tweede Kamer geen rol hadden gespeeld. Het kabinet sloeg een nieuwe koers in, maar beschikte niet over het vermogen om door te tasten en de grondslag te leggen voor een liberaal beleidsplan. Tussen de gematigd liberalen van de school van Thorbecke en de jong liberalen van Van Houten en Veegens nam C. Fock een tussenpositie in. Het Thorbeckiaanse kabinet Van Bosse Fock ("hazenpeper zonder haas") bracht verscheidene belangrijke wetten tot stand: de afschaffing van het dagbladzegel (1869) en van de doodstraf in burgerlijke strafzaken (1870), de invoering van een eenheidstarief in het postwezen (1870) en de totstandkoming van een agrarische wet voor Nederlandsch Indië die de afschaffing van het Cultuurstelsel inhield (1870). Ook werd de Rijnvaart geliberaliseerd (1868). Het kabinet wist tijdens de Frans Duitse oorlog niet tot homogeniteit te komen en een krachtig standpunt in te nemen. Het trad op 4 januari 1871 af, toen de Indische begroting met een meerderheid van één stem werd verworpen. De plaats van Fock werd ingenomen door Thorbecke zelf. Fock werd nu gekozen voor de Tweede Kamer, maar hij werd op 11 november 1871 benoemd tot Commissaris des Konings in Zuid Holland. Hij vervulde tot 1900 deze functie. Op 9 mei 1910 overleed hij in Den Haag. II. mr dr D. Fock (1858-1941) Dirk Fock werd op 19 juni 1858 te Wijk bij Duurstede geboren als zoon van Cornelis Fock (1828-1910) en Maria Anna Uyttenhooven (1830 1909). Hij huwde op 30 juni 1881 met Wilhelmina Catharina Cornelia Doffegnies (1857-1913) en op 11 maart 1926 met Alida Françoise Johanna Diemont (1875-1931). Hij studeerde te Leiden en promoveerde er in 1880 tot meester in de rechten op stellingen en tot doctor in de staatswetenschappen op een proefschrift over gemeenschappelijke belangen van twee of meer provincies op het gebiedvan de waterstaat. Hij vertrok in juni 1880 naar Nederlandsch-Indië, waar hij als advocaat werkzaam was te Semarang (1880-1881) en te Batavia (1881 1898). In 1898 keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich te Rotterdam. In 1900 werd hij verkozen tot lid der Provinciale Staten van Zuid Holland en in 1901 tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van 1903 1904 was hij lid van de gemeenteraad van Rotterdam en van januari tot augustus 1905 lid van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland. In de Tweede Kamer trad hij op als koloniaal specialist. Hangende het onderzoek van de in 1902 ingestelde "Mindere Welvaart Commissie" benoemde minister Idenburg behalve Fock nog twee andere koloniale specialisten, Van Deventer en Kielstra, in deze commissie. In 1904 legde Fock zijn zienswijze vast in: "Beschouwingen en voorstellen ter verbetering van de economischen toestand der Inlandsche bevolking op Java en Madoera". Op 17 augustus 1905 trad Fock op als minister van Koloniën in het kabinet de Meester. Na het aftreden van dit kabinet werd hij in 1908 benoemd tot gouverneur van Suriname, welk ambt hij tot 1911 bekleedde. Na zijn terugkeer kwam Fock wederom voor de Liberale Unie in de Tweede Kamer. In januari 1917, na het overlijden van mr H. Goeman Borgesius, werd hij benoemd tot Kamervoorzitter. Na vier jaar voorzitterschap vertrok hij in 1921 als gouverneur-generaal naar Nederlandsch Indië. Hij bevorderde er onder meer de oprichting van de Rechtshogeschool te Batavia (1924). Na zijn terugkeer in Nederland werd hij voorzitter van de Vrijheidsbond (1927-1933). Van 1929 tot 1935 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal. In 1929 werd hij benoemd tot minister van Staat. Fock overleed op 17 oktober 1941 te 's Gravenhage. III. mr C.L.W. Fock (1905-1999) Cornelis Laurens Willem Fock werd op 27 januari 1905 geboren te Den Helder als zoon van Cornelis Fock (1871-1959), vice admiraal, en Jacoba Wilhelmina Noorduyn (1876-1953). Na het behalen van het doctoraal examen in de rechten aan de Rijksuniversiteit te Leiden werkte hij tot 1940 in het bankwezen en bij een scheepvaartmaatschappij. Gedurende de oorlog was hij aanvankelijk officier bij de Nederlandse troepen in Engeland, waarna hij achtereenvolgens secretaris was van de Nederlandse militaire missie bij de Combined Chiefs of Staff in Washington en van het Nederlands gezantschap in Lissabon. In 1944 keerde hij naar Londen terug als hoofd van het Bureau Inlichtingen. Na de bevrijding werd hij in 1946 Regeringscommissaris in algemene dienst en in 1948 Raadadviseur in algemene dienst. In 1949 volgde zijn benoeming tot secretaris generaal van het ministerie van Algemene Zaken welke functie hij bekleedde tot 1962. In dat jaar werd hij benoemd tot Commissaris der Koningin in de provincie Groningen. In deze functie werd hij in 1970 gepensioneerd. Fock overleed op 9 juli 1999 te 's Gravenhage.
Geschiedenis van de archiefvormende organen Voorgeschiedenis Tot in de 19e eeuw was er geen sprake van enige beheersing van de grote rivieren in Nederland. Men legde dijken en kribben aan om overstromingen te voorkomen. De staatkundige verbrokkeling in de landsheerlijke tijd en daar- na de sterk gedecentraliseerde staatsvorm van de Republiek leidden er toe, dat deze werkzaamheden niet op elkaar werden afgestemd. Het gevolg van deze toestand was, dat bij hoge waterstanden, al of niet met ijsgang, met name in de winter veelvuldig dijkdoorbraken en overstromingen voorkwamen. Tevens trad ook nog een zodanige verzanding in de Rijn en zijn vertakkingen op, dat deze rivieren in de zomer bijna onbevaarbaar werden. Aan de staatkundige verdeeldheid van de Republiek kwam in 1795, met het uitroepen van de Bataafsche Republiek, een eind. Vanaf dat moment was er een rijksoverheid, die zich met de waterstaatszorg ging bemoeien. Van 1798 tot en met 1815 kwamen vijf grondwetten tot stand, waarbij de mate van centralisatie van de waterstaatszorg steeds een strijdpunt was. Vanaf 1801 werd het centraal toezicht en beheer over de zee- en rivierwerken gerekend tot de nationale werken, die onder rijkstoezicht en -beheer behoorden te staan. Ondanks deze bestuurlijke verandering duurde de onbevaarbaarheid van de rivieren in de negentiende eeuw aanvankelijk onverminderd voort. Dit probleem verbleekte echter bij de rampen ten gevolge van dijkdoorbraken, waarvan de grootste in 1809 en 1820 plaats vonden. Gebieden nabij de rivieren, die waren overstroomd ten gevolge van een dijkdoorbraak, bleven soms jarenlang onder water staan vanwege hun lage ligging. De instelling van de Bijzondere Riviercorrespondentie in 1806, waarbij in geval van ijsgang en hoge waterstanden een keten van dijkposten onder leiding van een water- staatsingenieur langs de rivieren werd gevormd, had deze rampen niet kunnen voorkomen. Deze toestand gaf aanleiding tot het ontwikkelen van allerlei plannen tot rivierverbetering, waarbij het voorkomen van dijkdoorbraken en overstromingen voorop stond. Genoemd kunnen worden : de 'Consideratiën' van Christiaan Brunings uit 1804. Zijn gedachte was om de stroom van de rivieren zo veel mogelijk naar het midden te dirigeren en om bij ijsopstoppingen gebruik te maken van overlaten; het advies van het 'Comité Central du Waterstaat' van 1809 naar aanleiding van de overstromingsramp waarbij het rivierengebied van Nijmegen tot de Biesbosch onder water kwam te staan. Het advies beval de totale afsluiting van de Lek aan. Het Rijnwater zou dan via de Waal en de IJssel naar zee worden afgevoerd. Op grond van dit advies werd een aantal dijken verhoogd en een aantal overlaten aangelegd bij het overstromingsgebied; het plan van Jan Blanken uit 1819 om de Beneden Merwede af te dammen en een rivier langs de noordkant van de Biesbos aan te leggen; het rapport van de in 1821 door de koning ingestelde commissie naar aanleiding van de overstromingsramp van 1820. De commissie ondersteunde de plannen van Jan Blanken en stelde tevens het aanleggen van een groot aantal overlaten voor. Dit laatste punt verwekte een zodanige storm van kritiek, dat de koning in 1828 een nieuwe commissie in het leven riep. Tot een bruikbare oplossing van het rivierprobleem kwam echter ook deze commissie niet; het ontwerp van Cornelis Krayenhoff uit 1823 om de rivierbeddingen zelf te verbeteren voor een vlottere afvoer van het water. De rivieren dienden dan zelf niet via allerlei overlaten met elkaar in verbinding te staan. Met name wilde hij de Waal en de Maas van elkaar scheiden en de Maas een eigen monding geven, hetgeen in 1904 ook daadwerkelijk is gebeurd. Tot uitvoering van enig plan kwam het echter niet wegens de slechte financiële omstandigheden van de rijksoverheid. Baanbrekend voor het rivierbeheer was echter het rapport van de inspecteurs van de Waterstaat L.J.A. van der Kun en J.H. Ferrand van 18 januari 1850. Het verbeteren van de bevaarbaarheid van de rivieren was naast het voorkomen van dijkdoorbraken en overstromingen uitgangspunt van dit in 1854 gepubliceerde rapport. In navolging van de ideeën van Krayenhoff pleitten zij voor normalisatie van de rivieren en verbetering van de riviermonden: elke rivier zou zoveel mogelijk een eigen bedding en eigen monding moeten heb- ben. Dit zou moeten leiden tot een gelijkmatige breedte en een minimum- diepte van de rivieren ten behoeve van de scheepvaart. Normalisatie zou dan grotendeels de vorming van zandbanken en van de ijsdammen, die zo vaak de oorzaak van dijkdoorbraken waren, voorkomen. In een tweede rapport door L.J.A. van der Kun, F.W. Conrad en H.F. Fijnje uit 1861 volgden de concrete aanbevelingen: de aanleg van de Nieuwe Merwede, de scheiding van de Maas en de Waal en het verleggen van Maasmond naar de Amer. De rivierverbetering volgde na 1850 dan ook de lijn van deze beide rappor- ten. De aanleg van de Nieuwe Merwede werd in 1870 voltooid en de scheiding van de Maas van de Waal en het verleggen van de Maasmond naar de Amer in 1904. Tevens werd van 1866 tot en met 1868 de Nieuwe Waterweg gegraven. Achtergrond van deze werkzaamheden was mede de verbeterde financiële positie van de rijksoverheid. Besteedde de rijksoverheid in 1851 een half miljoen gulden aan de rivierverbetering, van 1860 tot 1875 was dit reeds een miljoen gulden per jaar. Van 1875 tot 1897 werd, met inbegrip van de Rotterdamse Waterweg, van de verlegging van de Maasmond en van de Nieuwe Merwede, zelfs ruim negentig miljoen uitgegeven. Het meer op de voorgrond treden van de bevaarbaarheid van de rivieren en daarmee de handelsbelangen was een gevolg van : de slotakte van het Congres van Wenen in 1815. Als gevolg van deze slotakte en de hier uit voortvloeiende Conventies van Mainz in 1831 en Mannheim in 1868 werd het beheer van de Rijn een zaak van internationaal overleg, waarbij deze rivier en zijn vertakkingen ook in Nederland goed bevaarbaar behoorden te zijn; het groeiende economisch belang van het aan de Rijn gelegen achterland en de concurrentie bij de doorvoer van goederen door Nederland van de Duitse Noordzeehavens Bremen en Hamburg en van de spoorwegverbinding van Keulen naar Antwerpen; de nieuwe mogelijkheden voor een Nederlandse zeehaven, na het opheffen van de Akte van Navigatie door Engeland in 1851 en de in hetzelfde jaar volgende aanpassing van de Nederlandse scheepvaartwetten. Organisatie Door de aanleg van grote werken als de Nieuwe Merwede en de Rotterdamse Waterweg en de ontwikkeling van de scheepvaart op de grote rivieren, die in deze tijd in een stroomversnelling kwam door de overgang van houten zeilschepen op ijzeren stoomschepen, groeide waarschijnlijk het besef, dat het rivierbeheer een specialisatie was, die centralisatie van de aandacht en kennis vereiste. Met ingang van 1 april 1873 werd door de minister van Binnenlandse Zaken dan ook het 'technisch beheer der rivieren' ingesteld onder leiding van de inspecteur in algemene dienst P. Caland. Aan deze inspecteur werd de hoofdingenieur H.S.J. Rose toegevoegd, die met de voorbereiding van de werkzaamheden, verbonden aan dit beheer, was belast. De uitvoering van de werken bleef voorlopig nog een taak van de hoofdingenieurs in de districten. Op 1 januari 1875 trad een nadere regeling in werking. Deze behelsde de instelling van het Rivierbeheer, dat was belast met zowel de voorbereiding als de uitvoering van de werkzaamheden, verbonden aan het beheer van de grote rivieren, met inbegrip van de uiterwaarden, platen en kribben. Het beheer van de waterkerende werken langs de rivier bleef berusten bij de districten. De leiding van het Rivierbeheer werd opgedragen aan de hoofdingenieur H.S.J. Rose. Onder hem ressorteerden de ingenieurs van de vijf nieuw ingestelde rivierarrondissementen. Er werden rivierarrondissementen ingesteld voor : de Boven-Rijn en de Waal; de Neder-Rijn, de Lek en de Nieuwe Maas; de IJssel, het Zwartewater en het Zwolse Diep; de Merweden, de Dordtse waterwegen, de Linge en vanaf 1883 het Haring- vliet, de Oude Maas, het Spui en het Volkerak (te Dordrecht); de Boven-Maas, vanaf 1881 de gehele Maas, en de Amer. Deze organisatie werd sindsdien nog een aantal malen gewijzigd. Tot 1933 waren de belangrijkste wijzigingen : in 1879 de aanstelling van een Rijkshavenmeester te Rotterdam, ressorterend onder de daar zetelende ingenieur, vanaf 1883 arrondissementsingenieur. Vanaf 1931 was dit de Rijkshavendienst; vanaf 1881 viel het rivierbeheer onder de inspecteur(-generaal) van de Tweede Inspectie; van 1881 tot en met 1886 bestonden, in plaats van een 'district', twee rivierdistricten; in 1883 werd het 6e rivierarrondissement (te Rotterdam) ingesteld met als beheersgebied het Scheur, de Nieuwe Maas, de Lek en vanaf 1928 de Hollandse IJssel; in 1915 werd het 5e rivierarrondissement (Maas) opgeheven. Tevens vonden er regelmatig wijzigingen van de taken en/of het beheersgebied van de rivierarrondissementen plaats. In 1933 werd de toenmalige directie Grote Rivieren gesplitst in de directie Bovenrivieren en de directie Benedenrivieren, die sindsdien ressorteerden onder de Directeur-generaal van de Rijkswaterstaat. De directie Benedenrivieren had, evenals zijn voorgangers, 's-Gravenhage als standplaats en omvatte : de vertakkingen van de Rijn tot het punt, waar de vloed geen verhoging van de rivierstand tot gevolg had; de Hollandse IJssel; de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen, die met de vertakkingen van de Rijn in open verbinding stonden, met een aantal uitzonderingen; de vluchthavens te Dinteloord en aan het Zijpe; de studie van de zand- en waterbeweging en verdere natuurlijke gesteldheid van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen en langs de kust van de Noordzee (voorzover niet vallend onder de directie Algemene Dienst). Dit takenpakket en beheersgebied werden nog gewijzigd, aangepast en nader vastgesteld in 1957, 1961, 1973 en 1975. Tevens viel de directie van 1956 tot 1965 onder de Deltadienst. Onder de directie ressorteerde aanvankelijk alleen het arrondissement Dordrecht. Naderhand werden hier nog aan toegevoegd : in 1942 het Bureel Dijksverhogingen te Breda, dat zich bezig hield met de verhoging van de dijken aan de zuidkant van de Biesbos. In 1956 ging dit bureau over naar de Deltadienst. Ook was er in 1942 sprake van een bureau te 's-Gravenzande; in 1946 het arrondissement Rotterdamse Waterweg; in 1962 de Afdeling voorbereiding bouw nieuwe havenmond te Hoek van Holland in 1966 uitlopend op de instelling van de Afdeling Havenmonden; in 1965 het Bouwbureau Schelde-Rijnverbinding, dat in 1969 werd overgenomen door de Deltadienst. Onder het arrondissement Dordrecht ressorteerden : de dienstkringen Dordrecht, Geertruidenberg, Gorinchem en vanaf 1968 Stellendam; het in 1970 van de Deltadienst overgekomen Bureau Aanpassingszaken; de in 1970 ingestelde Studiedienst Verkeer te Water, die in 1972 over ging naar de Dienst Verkeerskunde. Onder het arrondissement Rotterdamse Waterweg ressorteerden de dienstkringen Hoek van Holland, Maassluis (tot 1949), Rotterdam en Rozenburg en de Rijkshavendienst. In 1975 werd de directie gereorganiseerd. Hierbij werden de arrondissementen opgeheven, zodat de dienstkringen rechtstreeks onder de directie vielen. Tevens verhuisde de directie in dit jaar naar Dordrecht. Tot slot dient nog te worden vermeld, dat er in de jaren 1944-1945 zowel een hoofdingenieur-directeur in de directie Benedenrivieren in bezet gebied was als een hoofdingenieur-directeur in bevrijd gebied. Zo gaf de hoofdingenieur-directeur in bevrijd gebied in november 1944 aan het hoofd van het Bureel Dijksverhogingen opdracht tot het dichten van de stroomgaten in de gebombardeerde zeewering van Walcheren. De hoofdingenieur-directeur in bezet gebied nam van september 1944 tot juli 1945 de dienst van de hoofdingenieur-directeur in de directie Bovenrivieren waar voor het desbetreffende deel van het arrondissement Dordrecht en voor de dienstkring Schoonhoven. Taakuitvoering De taakuitvoering werd beheerst door de Instructies voor de ambtenaren van de Rijkswaterstaat, zoals die werden vastgesteld in 1849, 1882, 1900, 1917 en 1923. Volgens deze algemeen geldende regels waren de hoofdingenieurs-directeur en de arrondissementsingenieurs belast met: het bewaken van de wetten en verordeningen betreffende de waterstaat; het toezicht op het gedrag van de onder hen dienstdoende ambtenaren; het toezicht op de goede uitvoering en beheer van de werken; het desgevraagd adviseren van de minister; het zonodig nemen van maatregelen bij rampen; het rapporteren over deze werkzaamheden. De hoofdingenieur-directeur was bovendien belast met de zorg voor peilingen en veldwerkzaamheden betreffende de loop van de rivieren en stromingen langs de kust, voorzover vallend in zijn district of directie. Voor de arrondissementsingenieur werd apart vermeld het vervaardigen van ontwerpen, begrotingen en bestekken en bijzonderheden van de dienst als het keuren van bouwmaterialen, het nakomen van bepalingen van bestekken of contracten en het verrichten of surveilleren van peilingen en metingen. Opzichters of technische ambtenaren verleenden hulp aan de ingenieur, waaronder zij waren geplaatst, door het ontwerpen van bestekken en begrotingen, het doen van peilingen en opnemingen en het verzamelen van gegevens. Voor bestekken was vanaf 1932 een reglement op openbare aanbesteding van werken en leveringen van toepassing. De specifieke taak van het rivierbeheer was het voorkomen van dijkdoorbraken en overstromingen en het bevorderen van de bevaarbaarheid van de grote rivieren. Hiertoe werden de volgende activiteiten ontplooid : -Normalisatie en kanalisatie van de grote rivieren; Onder normalisatie wordt verstaan het geven van een minimumdiepte aan het zomerbed van een rivier en het zodanig vorm geven aan dat zomerbed, dat een stelsel van aaneensluitend flauw gebogen riviervakken wordt verkregen. Het zomerbed van een rivier is het tussen de oevers en de zich daarlangs bevindende zomerdijken gelegen gedeelte van de rivier. Hierbij behoren dus niet de door de zomerdijken beschermde uiterwaarden en de bandijken. Bij kanalisatie wordt bij een rivier met een geringe waterafvoer, meestal in de zomer, de bevaarbaarheid verbeterd door het maken van stuwen. Een kanalisatie gaat meestal vergezeld van normalisatie van het zomerbed van deze rivier en regularisatie van het winterbed, d.w.z. het aanbrengen van zodanige veranderingen in het winterbed, dat er een regelmatig verschil in hoogte tussen de opvolgende punten en daarmee een regelmatig verval wordt verkregen, zodat er ook bij hoge waterstanden op deze rivier, meestal in de winter, een regelmatige waterafvoer wordt verkregen. Tevens diende het door een rivier aangevoerde zand en slib, dat in stilstaand water bezinkt en waarvan de afvoer naar zee door de invloed van het getij wordt tegengehouden, te worden gebaggerd om de rivier op diepte te houden. Om de vaarroute van de scheepvaart vrij te houden dienden ook wrakken van schepen in de vaarroute te worden opgeruimd. -Het toezicht op de goede naleving van de regels, die op de scheepvaart van toepassing waren, op waterwegen, waarvan het beheer aan de directie was opgedragen; Het betrof hier de Wet tot vaststelling van bepalingen betreffende 's Rijks waterstaatswerken en het Algemeen reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe behorende werken, onder beheer van het Rijk. -Het toezicht op de goede naleving van de Rivierenwet en de voordien geldende regels van de Publicatie van 24 februari 1806 'houdende bepalingen omtrent een algemeen rivier- of waterregt over de rivieren en stroomen dezer Republiek'; Dit betrof voornamelijk werken en handelingen in het zomerbed en naderhand ook het winterbed van een rivier, die nadeel voor de afvoer van het water of de scheepvaart zouden kunnen opleveren en waarvoor bijgevolg vergunning moest worden gevraagd. De bemoeienissen van het Rivierbeheer en zijn opvolgers betroffen de hierna volgende waterwegen : De Rijn en vertakkingen De Rijn is een regen- en gletsjerrivier omdat hij zowel door regenwater als water van afsmeltend sneeuw en ijs van een aantal gletsjers in Zwitserland wordt gevoed. Het gevolg is, dat de waterstand in de winter het hoogst is, maar dat de rivier in de zomer ook bevaarbaar is. Deze rivier ontwikkelde zich aan het eind van de vorige en in de loop van deze eeuw tot de drukst bevaren binnenscheepvaartweg ter wereld. Oorzaak hiervan was de ontwikkeling van industriële centra, met name van het Ruhrgebied, in het stroom gebied van de rivier en de daarmee parallel lopende opkomst van de haven van Rotterdam. In de periode 1850-1875 waren wel normalisatiewerkzaamheden aan de Rijntakken verricht, maar die hadden slechts een vlottere afvoer van hoogwater en ijs tot doel. Tevens was in 1870 de Nieuwe Merwede aangelegd door de verbreding en verdieping van de grootste geul door de Biesbos en afsluiting van de andere geulen in dit waterrijke gebied. Nadat in 1880 de eerste normalisatie van de Waal was voltooid, werden in de jaren 1880-1893 en 1910-1916 een tweede en een derde normalisatie uitgevoerd. De breedte van het zomerbed van de rivier werd in 1893 van 360 tot 310 meter en in 1916 tot 260 meter teruggebracht. Deze normalisaties werden vrijwel uitsluitend ten behoeve van de scheepvaart uitgevoerd. Daarna werden tot 1930 normalisatiewerkzaamheden aan het Pannerdens kanaal, de Neder-Rijn, de Lek en de IJssel verricht. Omdat de gewenste vaardiepte niet was bereikt en verdere versmalling van het zomerbed van de genoemde Rijntakken met het oog op de scheepvaart niet mogelijk was, werd in 1951 besloten tot de kanalisatie van de Neder-Rijn en de Lek. Deze kanalisatie diende mede om het IJsselmeer van een betere toevoer van zoet water te voorzien en werd in 1967 voltooid. Als gevolg van de slotakte van het Congres van Wenen en de daaruit voortvloeiende Conventies van Mainz en Mannheim moesten alle plannen voor kunstwerken aan deze rivier en zijn vertakkingen worden voorgelegd aan de in die tijd te Mannheim zetelende Centrale Rijnvaartcommissie. Deze commissie was tevens belast met het toezicht op het beheer van de gehele rivier met zijn vertakkingen. De Rotterdamse Waterweg dient apart te worden vermeld. Deze waterweg werd in de jaren 1866-1868 gegraven om Rotterdam, na een toenemende verslechtering van de bereikbaarheid uit zee eerder in deze eeuw, alsnog een goede toegang tot de zee te verschaffen. Het betrof een doorgraving van de Zuid-Hollandse duinenrij bij Hoek van Holland, naar een plan van P. Caland, om het Scheur een nieuwe mond in zee te geven, waarbij de oude mond werd afgedamd. De aanvankelijke diepte van 5,50 meter beneden laagwater werd in verband met de toenemende grootte van de schepen achtereenvolgens in 1877 op 6,50 meter, in 1908 op 8 meter, in 1917 op 10 meter, in de vijftiger jaren op 11,60 meter en in het begin van de zeventiger jaren uiteindelijk op 23 meter gebracht. In 1880 werd de doorgraving verbreed, omdat de werking van het getij de nieuwe riviermond niet op diepte bleek te kunnen houden en er dus van veel baggerwerk met de daarbij behorende kosten sprake was. De na de aanleg van deze waterweg volgende ontwikkeling van Rotterdam als havenstad is duidelijk af te lezen uit de indrukwekkende serie nieuwe havens, die hierna werden aangelegd. Van 1887 tot 1912 werden namelijk de Rijnhaven, de 1e Katendrechtse haven, de Parkhaven, de 2e Katendrechtse haven, de Maashaven, de Schiehaven, de Waalhaven en de IJssel- en Lekhaven aangelegd. Deze havens werden in de Tweede Wereldoorlog doel van een aantal bombardementen en in 1944 werden de haveninstallaties door de Duitsers vernietigd. Tevens was er in 1940, direct na de oorlog en bij de daarna volgende verdiepingen sprake van een aantal op te ruimen wrakken in de vaargeul en bij de havens. Vlak na de oorlog, in 1947, werd een begin gemaakt met de uitvoering van het Botlekplan. In het kader van dit plan werden in 1950 de Brielse Maas en de noordoostelijke monding van de Botlek afgedamd. Door het verbreden en verdiepen van de Botlek en het uitgraven van een aantal steekhavens ontstond een havencomplex, dat in 1960 werd voltooid. Tenslotte werden in het begin van de zestiger jaren voorbereidingen getroffen voor het maken van een nieuwe havenmond en een nieuw havencomplex te Hoek van Holland (Europoort). De werkzaamheden begonnen in 1966 liepen tot 1975. Deze werkzaamheden dienden, samen met de verdieping van de vaargeul in de Rotterdamse Waterweg in de zestiger en zeventiger jaren, om de haven van Rotterdam toegankelijk te maken voor de in de zestiger jaren revolutionair in grootte gegroeide zeeschepen. De Maas Dit is een zuivere regenrivier met een veel hogere waterstand in de winter dan in de zomer. In de zomer was de rivier dan ook moeilijk of niet bevaar- baar. Bij sterke regenval in oostelijk België, een gebied met een weinig doorlaatbare bodem, is wel sprake van afvoer van grote hoeveelheden water in een kort tijdsbestek, de zogenoemde Maasvloeden. Vanaf de Sint Elisabethsvloed in 1421 tot 1904 stroomde de Maas bij Woudrichem in de Waal. Na hernieuwde overstromingen van de Maas in 1882 en 1883 bij de Beerse en de Bokhovense overlaat werd in 1883 bij wet besloten de Maas en de Waal volledig te scheiden en de Maas een eigen riviermond te geven. Het doel van deze ingrepen was om ijsopstoppingen als gevolg van de samenvloeiing bij de Herenwaardense overlaten te voorkomen, om zeer hoge waterstanden te voorkomen dan wel in tijdsduur te beperken en om de sluiting van de Brabantse overlaten voor te bereiden. Deze wet werd gezien als een voorlopig schema, waarvan de bijzonderheden naderhand zouden worden vastgesteld. Deze vaststelling volgde dan ook, met belangrijke afwijkingen van het schema, in 1885. Het plan sloot aan bij de denkbeelden van Krayenhoff en was een samensmelting van de eerdere plannen terzake van de ingenieurs Leemans uit 1864, Schnebbelie en Nolthenius uit 1878 en Lely uit 1879. Ter uitvoering van deze wetten werd in 1883 te Den Bosch een centraal bureau ingesteld. Het werk bestond uit het vormen van een nieuw riviervak van Hedikhuizen/Well tot de Dongemond en de normalisering van de Amer. Tevens werden het Heusdens kanaal verruimd, de Maas bij Andel afgedamd, de afwateringsproblemen bij Den Bosch opgelost en de Amer en de Donge van dijken voorzien. De aanleg van het nieuwe riviervak duurde van 1888 tot en met 1894, waarbij een deel van de werkzaamheden in 1892 bij het rivierarrondissement Maas werd ondergebracht. De nieuw aangelegde mond van de rivier werd in 1904, onder de naam Bergse Maas, door koningin Wilhelmina geopend. Vanaf 1926 werden Maasverbeteringswerken uitgevoerd. Aanleiding hiertoe was de overstroming van Brabants grondgebied en het Land van Maas en Waal als gevolg van dijkdoorbraken in januari 1926. De werken bestonden uit het afsnijden van tien van de scherpste bochten in de rivier tussen Grave en Blauwesluis, het verbreden en verdiepen van het zomerbed en het aanleggen van een stuw met schutsluis bij Lith en het dichten van de Beerse Overlaat. De laatste werken kwamen gereed in 1955. Ter herinnering aan vijf eeuwen wateroverlast werd hier in 1950 een monument geplaatst. Naast deze werken, die een goede waterafvoer bij hoge waterstanden betroffen, werden vanaf 1880 ook werkzaamheden uitgevoerd ter verbetering van de bevaarbaarheid van de rivier. Tot 1920 betrof het normaliseringswerken beneden Roermond. Hierbij werden kribben en strekdammen in het zomerbed aangelegd om de vaargeul smaller en dus dieper te maken; ook trachtte men ondiepten als zand- en grindbanken te voorkomen. Daarna ging men ten behoeve van de scheepvaartontwikkeling over tot kanalisatie van de rivier. Deze ontwikkeling was van belang voor de industrialisatie van Zuid-Limburg, nadat daar grote steenkolenvoorraden werden aangetroffen. In 1919 werd begonnen met de aanleg van de eerste stuw en sluis te Linne en in 1930 was de kanalisatie van Maasbracht tot Grave voltooid. Het riviergedeelte beneden Grave werd niet gekanaliseerd, omdat dit zeer bochtig was. In plaats daar- van werd de voorkeur gegeven aan een verbinding met de andere grote rivieren via het in 1927 gereedgekomen Maas-Waalkanaal. Tenslotte werd in de jaren 1925-1935 nog het Julianakanaal aangelegd. Dit is een lateraal kanaal van Maastricht tot Maasbracht, dat werd aangelegd, omdat het verhang van de Maas in Zuid-Limburg te groot was om de rivier zelf te kanaliseren. De vaarwegen van Dordrecht naar zee Evenals Rotterdam kreeg Dordrecht, Nederlands oudste havenstad, in de tweede helft van de vorige eeuw problemen met de bereikbaarheid vanuit zee. De oorzaken hiervoor lagen bij de zeescheepvaart zelf, die schepen met een steeds grotere diepgang ging gebruiken, en in de twee meest gebruikte toegangswegen, het Goereese en het Brouwershavense Gat. Deze hadden last van bochtige, veranderlijke vaargeulen en toenemende ondiepten. In 1897 kwam een staatscommissie onder voorzitterschap van de oud-hoofdinspecteur J.F.W. Conrad met het plan om de Oude Maas te verbeteren en als zeeweg naar Dordrecht te gaan gebruiken. Omdat men te Dordrecht de voorkeur bleef geven aan het Brouwershavense Gat, trachtte de regering Dordrecht met het baggeren van de binnenwaartse geulen van het Goereese Gat tevreden te stellen, maar in de Eerste Wereldoorlog ging de toestand van de hoofdgeul, het Slijkgat, snel achteruit. Toen nam de minister van Water- staat in 1918 de beslissing ten gunste van het plan van 1897, waarbij de Oude Maas als beste verbinding met de zee was aangewezen. Het rijk nam bij wet de verplichting op zich om een zeeweg naar Dordrecht te maken met een diepte van 8,50 meter onder gemiddeld hoogwater. Over de in deze wet verlangde bijdrage van 10% van de aanlegkosten van de belanghebbenden kwam pas in 1924 een overeenkomst met de gemeente Dordrecht tot stand. Tot dit jaar werden de voorbereidende werkzaamheden verricht, zoals het doen van opmetingen en peilingen, het uitwerken van de plannen en het aankopen van enige honderden hectaren oeverterrein met enkele zich daarbij voordoende onteigeningsprocessen op grond van de in 1918 voor dit doel aangenomen speciale onteigeningswet. In 1921 was reeds, ter verbetering van de stromingstoestand op de Rotterdamse Waterweg, aan het benedeneinde van de Oude Maas een korte diepe geul, de Westgeul, door het oostpunt van Rozenburg gemaakt, die vanuit de Rotterdamse Waterweg een goede toegang op de Oude Maas gaf. In maart 1925 werd begonnen met de werkzaamheden aan de Oude Maas zelf. Omdat eerst de ondiepste riviervakken werden aangepakt, was reeds na twee jaar een bruikbare vaarweg voor kleinere zeeschepen beschikbaar. Daarna werd tot 1929 de zeeweg, door het aanleggen van de Krabbegeul, in verbinding gebracht met het Mallegat en de daaraan gelegen Dordrechtse zeehaven. Tegelijkertijd werd de rivier zelf op grotere diepte gebracht door zandwinning. Van 1926 tot 1931 werd ongeveer 8 miljoen m3 zand uit de rivier verwijderd. In 1931 had de zeeweg over de gehele lengte de vereiste diepte en in 1933 en 1934 waren de doorvaartwijdten van respectievelijk de Barendrechtse en de Spijkenisser brug aangepast. In de jaren 1935-1939 werd de diepte van de zeeweg op verzoek en met een bijdrage van de gemeente Dordrecht nog op 9,50 meter gebracht. Van de zeeweg werd tot 1940 in toenemende mate gebruik gemaakt. Tijdens de oorlog lag het zeevaartbedrijf stil ten gevolge van de vernieling en het weghalen van de Dordrechtse havenoutillage. Na de oorlog kwam de scheepvaart pas weer goed op gang na het herstellen van de Barendrechtse brug in 1948. De scheepvaart bereikte in 1950 weer het vooroorlogse peil. In de jaren 1961 en 1962 werd de zeeweg nogmaals op verzoek en met een bijdrage van de gemeente Dordrecht verdiept. De diepte van de zeeweg werd nu 11 meter. De vaarwegen naar België Het betreft hier de verbinding van Antwerpen met de Duitse industriegebieden via de Rijn. De vaarroute ging in het verleden via de Beneden Merwede, het Mallegat bij Dordrecht en de Dordtse Kil naar het Hollands Diep. Dordrecht werd door de sleepvaart aangedaan om van sleepboot te wisselen en tevens kon men er een loods aan boord nemen voor de rest van de route. Men kon ook via de Nieuwe Merwede rechtstreeks naar het Hollands Diep varen. De route ging verder via het Hellegat, de Volkerak, de Krammer, het Zijpe, het Mastgat en de Keten naar de Oosterschelde. Via het kanaal door Zuid-Beveland, de Westerschelde en Schelde kwam men in Antwerpen. Het gedeelte Hollands Diep-Oosterschelde van deze route werd gekenmerkt door vroeg optredende minimale en maximale waterstanden in de zuidelijke zeearmen en zandbanken en -platen, die zich onder invloed van de stroming voortdurend verplaatsten. Het gedrag van en de waterstand in de vaargeul moesten dan ook constant door de vaarwegbeheerder in samenwerking met het Loodswezen worden gevolgd. Een belangrijk deel van de scheepvaart bestond tot na de Tweede Wereldoorlog uit zeil- en stoomschepen, die zeer afhankelijk waren van de windrichting. Het gebruik van stalen, slankere en met sterke verbrandingsmotoren uitgeruste schepen maakte de scheepvaart naderhand onafhankelijk van de getijwerking en de windrichting. Deze vaarwegen zijn enkele malen onderwerp van overleg tussen Nederland en België geweest. Kort na de Eerste Wereldoorlog kwamen België en de Nederlandse regering overeen een kanaal van Antwerpen naar Moerdijk te graven, maar dit plan werd in 1927 door de Eerste Kamer verworpen. Wel werd in 1931 de ligging van de vaargeul in het Hellegat beslissend beïnvloed door de aanleg van een dam. Na de Tweede Wereldoorlog stelden beide landen een commissie in, die een in 1951 gepubliceerd rapport uitbracht. Op basis van dit rapport sloten beide landen in 1963 een overeenkomst om een nieuwe vaarweg van de Rijn naar de Schelde tot stand te brengen. Deze vaarweg, met als nieuwe elementen een kanaal van Antwerpen rechtstreeks naar de Oosterschelde, het sluizencomplex, de Kreekraksluizen, en een kanaal door Sint Philipsland, kwam in 1975 gereed. In het kader van de Deltawerken werden tussen 1957 en 1967 aan de Noordzijde twee op elkaar aansluitende dammen met een opgespoten verkeersplein, het Hellegatsplein, aangelegd. De Hollandse IJssel Van de resterende waterwegen dient alleen nog de Hollandse IJssel te worden vermeld. Deze waterweg was een belangrijke schakel in de verbinding te water tussen Rotterdam en Amsterdam. In de jaren 1851-1862 werd deze vaarweg reeds verbreed en verdiept. In het kader van de verbetering van de vaarwegen tussen Rotterdam en Amsterdam werd dit van 1938 tot 1943 herhaald, terwijl tijdens de Tweede Wereldoorlog de afdamming werd voorbereid. Als gevolg van de watersnoodramp in 1953 en het daaropvolgende Deltaplan werd in 1960 een stormvloedkering bij Krimpen aan de IJssel aangelegd. Vanaf de dertiger jaren werd de directie in toenemende mate geconfronteerd met taken, die niet rechtstreeks met het beheer van de grote rivieren te maken hadden, maar daar wel uit voortvloeiden. Als taak vanaf 1933 werd al vermeld de studie van de zand- en waterbeweging van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse stromingen en langs de Noordzeekust. Daarbij kwamen bemoeienissen met de oprukkende verzilting op de onder het beheer van de directie staande waterwegen en de waterkering in het Deltagebied, waar door de afzetting van sedimenten de kans op schadelijke gevolgen voor dijken door stormvloeden toenam. Zo was de hoofdingenieur-directeur vanaf 1939 lid van de Commissie inzake Stormvloeden op de Benedenrivieren en was de directie vanaf 1947 ook betrokken bij het maken van het Vijf Eilandenplan. Ook had de directie in 1942 het Bureel Dijksverhogingen te Breda ingesteld om tot verhoging van de dijken aan de zuidkant van de Biesbos te komen. Om de verzilting te beperken werd direct na de Tweede Wereldoorlog de afsluiting van enkele riviertakken tussen de Zuid-Hollandse eilanden overwogen. Ter verbetering van de waterkering werden plannen ontwikkeld zoals het plan om Holland te beveiligen door het afdammen van de Hollandse IJssel. Een ander plan was om Rozenburg, Voorne-Putten, IJsselmonde, de Hoeksche Waard en het Eiland van Dordrecht van één dijkring te voorzien (Vijf Eilandenplan). Deze en andere plannen werden echter in 1953 door de watersnoodramp doorkruist. Tot 1950 had men slechts de afsluiting van de Brielse Maas gerealiseerd, omdat dit werk zowel bij de bestrijding van de verzilting als bij het Vijf Eilanden-plan paste. De Tweede Wereldoorlog had andere, zij het tijdelijke, werkzaamheden tot gevolg. In 1940 moesten een aantal scheepswrakken uit de vaargeul van de Rotterdamse Waterweg verwijderd worden. Daarnaast moest aan de Duitsers medewerking worden verleend bij het beschermen van enkele bruggen tegen luchtaanvallen. Tevens nam de hoofdingenieur-directeur van oktober 1944 tot juli 1945 de dienst van de directie Bovenrivieren waar voor het arrondissement Dordrecht en de dienstkring Schoonhoven. Tegen het einde van de oorlog en in de eerste jaren daarna waren dit werkzaamheden als het herstellen van door oorlogshandelingen of de Duitsers vernielde kunstwerken, zoals bijvoorbeeld de pas in 1948 herstelde Barendrechtse brug over de Oude Maas en het verwijderen van door de Duitsers in de vaargeul van de Rotterdamse Waterweg tot zinken gebrachte schepen. Tenslotte had de watersnoodramp van 1 februari 1953 ook andere werkzaamheden tot gevolg. De onmiddellijke werkzaamheden om door de stormvloed aangerichte vernielingen ongedaan te maken werden gecoördineerd door de hoofdingenieur-directeur in de directie Benedenrivieren. Het daarna volgende herstel van de dijken werd in de provincie Zeeland ter hand genomen door de Dienst Dijkherstel Zeeland, in de provincie Zuid-Holland door de Provinciale Waterstaat en in de provincie Noord-Brabant door de hoofdingenieur M. de Bruin van de directie en het Bureel Dijksverhogingen. De centrale coördinatie en rapportage aan de directeur-generaal geschiedde door de hoofdingenieur-directeur. Van 1954 tot 1956 was de directie belast met de voorbereiding en uitvoering van de Deltawerken. In februari 1956 werden deze werkzaamheden opgedragen aan de nieuwe Dienst Deltawerken, waaronder de directie daarna tot 1965 ressorteerde. Bij het herstel van de dijken werden gedurende de eerste weken de gaten provisorisch gedicht met zandzakken, scheepjes, kistdammen, etc. om de zee buiten te sluiten, daarna werden de middelgrote dijkbressen door voornamelijk aannemersbedrijven met groot materieel hersteld en tot slot werden de resterende dijkgaten aangepakt. Tot 1956 werden daarna alle dijken geïnspecteerd en daarvoor in aanmerking komende, maar niet beschadigde, dijken verbeterd.
De erkenning van Franco-Spanje, 1938-1939 In de periode 1936-1939 woedde in Spanje de burgeroorlog. De republikeinse regering had in de voorafgaande periode weinig aandacht besteed aan buitenlandse betrekkingen. De enige vertegenwoordiging van Nederland bestond dan ook uit een Duitser, F. Schlosser. Zelfs nog in 1946, toen volgens een VN-resolutie alle gezanten uit Spanje teruggeroepen dienden te worden, waren er slechts vijf landen die aan die oproep gehoor konden geven. Andere landen hadden geen vertegenwoordiging van enige rang in Spanje. Gedurende het jaar 1938 boekte generaal Franco, leider van de nationalistische tegenregering, grote successen op de republikeinen en veroverde steeds grotere delen van het land. Uit economische overwegingen werd het interessant contact met hem te leggen, als waarschijnlijke winnaar van de burgeroorlog. Naast Schlosser, die bij de republikeinse regering in Barcelona verbleef, stuurde de Nederlandse regering jhr.mr. W.E. van Panhuys als 'agent' naar het Franse St. Jean de Luz, om de belangen bij Franco te behartigen. De nationalistische regering van Franco in Burgos had enkele economische troeven in handen, waaronder de handel in erts. Franco weigerde handel toe te staan tussen Spanje en landen die zijn regering niet erkend hadden. Daarom besprak het Nederlands agentschap in St. Jean de Luz in mei 1938 met de nationalistische regering op welke manier Nederland over kon gaan tot erkenning van het nationalistische regime, waarbij de keus bestond tussen de facto-, de jure-erkenning of een geheimgehouden belofte tot de jure-erkenning. Officieel erkende Nederland alleen de Republikeinse regering in Barcelona als regering van Spanje. Een de jure-erkenning van de tegenregering van Franco was dus uitgesloten. Nederland wilde eigenlijk het voorbeeld van Groot-Brittannië, dat handel mocht voeren met Franco-Spanje, volgen maar de regering in Londen ontkende dat ze Franco de facto erkend had en gaf geen informatie over de aard van haar overeenkomst met Franco. Franco-Spanje stelde zich zelfbewust op. Bij de onderhandelingen met Nederland verwezen de nationalisten er zelfs naar dat franquistisch Spanje een groter oppervlak had dan Nederland, en toonden ze vertrouwen in de goede afloop van de oorlog. In dat opzicht hoefden ze niks te pikken van andere landen en vonden ze een 'agent' eigenlijk te weinig. In de praktijk accepteerden ze echter wel agenten, zolang de de facto erkenning openbaar was. Ze hielden echter wel een economische slag om de arm; er werd met nadruk op gewezen dat een de facto-erkenning en het uitwisselen van agenten niet betekende dat de commerciële betrekkingen normaliseerden. In de loop van juli 1938 kwam er een verklaring tot stand welke een de facto-erkenning van het Franco-regime inhield waar beide partijen mee in konden stemmen. De handel met Franco-Spanje was gered, terwijl Nederland zich niet had verplicht tot een de jure-erkenning van Franco-Spanje. Ongeveer een maand voor het beëindigen van de burgeroorlog door de overwinning van Franco, werd de regering van Franco door Nederland de jure erkend en werd jhr. Van Panhuys, die tot die tijd als agent vanuit St. Jean de Luz had gewerkt, tijdelijk zaakgelastigde bij de Spaanse regering, waar al vrij snel C.H.J. Schuller tot Peursum aankwam als gezant. Van Panhuys werd de tweede man van het gezantschap. Diplomatieke vernedering Tijdens WO II was het de taak van de gezant om de Nederlandse regering op de hoogte te houden van Franco's houding tijdens de oorlog, waarbij de grootste vraag was of hij mee zou doen aan de strijd van de As-mogendheden of dat hij neutraal zou blijven. Deze missie werd bemoeilijkt doordat de Duitse gezant de Spaanse regering onder druk zette om de gezantschappen van de door Duitsland veroverde gebieden weg te pesten. De Duitse delegatie probeerde zo de Nederlandse regering zover te krijgen dat Nederland zijn vertegenwoordiging terugriep. Uiteindelijk gebeurde dit niet, maar er werd wel rekening mee gehouden: het ministerie in Den Haag had Zweden al bereid gevonden de Nederlandse belangen te behartigen mocht, de gezant teruggetrokken worden. Het was de verdienste van Schuller tot Peursum dat hij zich niet weg liet pesten en jarenlang protocollaire vernederingen slikte om het gezantschap draaiende te houden, ten behoeve van het nuttige werk dat gedaan kon worden voor de Nederlandse vluchtelingen in Spanje. De vertegenwoordigingen van België, Noorwegen, Polen, Joegoslavië en Griekenland werden wel teruggeroepen. De pesterijen begonnen na het overlijden van de verbannen koning Alfonso XIII. Voor de kerkelijke eredienst die in verband met het overlijden werd gehouden, werd de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging niet uitgenodigd. Het was het startsein voor een reeks van officiële gelegenheden waarbij de Nederlandse gezant niet welkom was. Ook kreeg hij in plaats van de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken alleen maar de Secretaris-generaal als hoogste regeringsfunctionaris te spreken. Toen echter de kansen voor de As-mogenheden begonnen te keren, koos Franco eieren voor zijn geld. Spanje verstevigde zijn onafhankelijke en neutrale positie en haalde de diplomatieke contacten aan om zich politiek staande te kunnen houden na de oorlog. Rond kerst 1943 werd de achtergestelde positie van Nederland en de andere door Duitsland bezette gebieden ongedaan gemaakt tijdens het afscheidsbanket van de Egyptische gezant. Tegen de tijd dat Schuller tot Peursum op het punt stond van post te wisselen, werd hij weer met alle egards ontvangen en bleken de Spanjaarden veel eerbied gehad te hebben voor koningin Wilhelmina tijdens haar verblijf te Londen. Vluchtelingenzorg Tijdens de oorlog probeerden veel vervolgden en verzetsstrijders via Spanje naar vrij gebied te vluchten. Uit Nederland kwamen vluchtelingen, die doorreisden naar Noord- en Zuid-Amerika, en Engelandvaarders, die naar Groot-Brittannië wilden om daar dienst te nemen in het Britse leger. Het was mogelijk een doorreisvisum te bemachtigen, maar dit gold niet voor personen tussen de 18 en de 41 jaar. Deze personen, die illegaal de grens overstaken, werden aan de zuidkant van de Pyreneeën opgevangen door grenspatrouilles en in interneringskampen geplaatst. De opvang van vluchtelingen was, wat Schuller betreft, een zaak van het consulaat-generaal. Vanuit het gezantschap werd wel door gezantschapsraad Van Panhuys toezicht gehouden op het consulaat-generaal en de werkzaamheden ten behoeve van vluchtelingen, maar die controle was niet erg strikt. Het gezantschap diende zich ervoor in te spannen dat de vluchtelingen zo snel mogelijk het kamp konden verlaten en naar vrij gebied konden gaan. Wegens gebrekkige coördinatie tussen het gezantschap en het consulaat-generaal verliep de hulp aan de vluchtelingen chaotisch. In tegenstelling tot geïnterneerden van andere nationaliteiten, kregen de Nederlanders in de kampen en gevangenissen weinig hulpgoederen, zoals kleding en voedsel, van het gezantschap. Ook bleven zij veel langer dan anderen in de kampen. Het Nederlandse gezantschap leek weinig begaan te zijn met het lot van zijn landgenoten in gevangenschap. Jongemannen die ontsnapten en op het gezantschap of het consulaat-generaal in Madrid papieren wilden bemachtigen om via Portugal naar Groot-Brittannië te gaan, werden met weinig egards behandeld en als 'brutale jongens' weggestuurd. Na een inspectiereis van de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken werd in 1943 de zorg voor de vluchtelingen gescheiden van de andere taken van het gezantschap en het consulaat-generaal en werden de betreffende diplomaten (Schuller tot Peursum, Van Panhuys en consul-generaal De Bruyn Tengbergen) gedreigd met overplaatsing. Wegens de precaire situatie van de vertegenwoordiging naar aanleiding van de Duitse protocollaire pesterijen kwam het daar echter niet van. De situatie was des te opmerkelijker omdat Nederland überhaupt een gezantschap had in Spanje, terwijl de andere landen, die protocollaire vernederingen niet hadden willen ondergaan en zich hadden teruggetrokken, wél adequate hulp aan hun gestrande landgenoten wisten te bieden. Na afloop van de oorlog werd een onderzoek ingesteld naar het verloop van de vluchtelingenopvang in onder andere Spanje. De tendens van het onderzoeksrapport was dat de Nederlandse vertegenwoordiging in Spanje gefaald had: er was te weinig tact en persoonlijke belangstelling te bespeuren geweest bij de diplomaten die betrokken waren bij de hulpverlening aan uitgeweken landgenoten. Toelating tot de Verenigde Naties Tijdens de naoorlogse besprekingen over de oprichting van de VN werd besloten dat staten met regimes die door buitenlandse strijdkrachten in het zadel waren geholpen, tegen de zin van de bevolking in, niet toegelaten zouden worden tot de VN of organisaties verbonden aan de VN. Er werd besloten dat dit ook voor Spanje gold, omdat Franco met Duitse en Italiaanse hulp de burgeroorlog zou hebben gewonnen. Ook speelde mee dat Spanje in de ogen van de internationale gemeenschap iets te veel met de fascistische vijand had geheuld en zich niet strikt neutraal had gehouden. Spanje ontkende dit in alle hevigheid en beriep zich op het non-interventiepact dat de Europese staten hadden gesloten met betrekking tot de Spaanse burgeroorlog, waaruit bleek dat de burgeroorlog uitgevochten was door Spaanse strijders. Ondanks de tegenwerpingen werd Spanje niet toegelaten tot de VN. Het doel van de VN was het regime van Franco zo spoedig mogelijk te vervangen door een democratisch bewind. De mensenrechtensituatie in het land werd onder de loep genomen en naar aanleiding van dat onderzoek werd in december 1946 een resolutie aangenomen om de diplomatieke banden met Spanje te verbreken en het land uit te sluiten van de gespecialiseerde organen van de VN. Van Kleffens, de Nederlandse vertegenwoordiger bij de VN, was tegen de resolutie. Hoewel hij geen sympathie voelde voor het bewind, kon niet aangetoond worden dat Franco een gevaar voor de vrede was en dus moest het accepteren of verwerpen van zijn regime gezien worden als een Spaanse binnenlandse aangelegenheid. Van Kleffens zag juist heil in het handhaven van de diplomatieke betrekkingen, omdat zo nog enige controle uitgeoefend kon worden op Francos regime. Vooral het inmengen in binnenlandse aangelegenheden wilde Nederland ontmoedigen met het oog op zijn eigen 'politionele acties' in Indonesië, die later veroordeeld zouden worden door de VN. Hoewel Nederland zich onthield van stemming over de resolutie van 1946, werd gezant Teppema toch vervangen door een tijdelijk zaakgelastigde, baron Van Voorst tot Voorst. Ondanks de uiteindelijke terugtrekking van Teppema, bleef de Spaanse pers positief tegenover Nederland (de Spaanse bladen spraken instemmend over de 'politionele acties' in Indonesië als strijd tegen het 'rode en gele gevaar'), omdat Nederland had laten weten het niet eens te zijn met het voorstel en de daaruit volgende resolutie. Ook volgde Nederland het VN-beleid om Spanje te weren uit de gespecialiseerde organen, ondanks de nadelige gevolgen die dit had voor de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Spanje. Zo werd een concessie voor een burgerluchtvaartverbinding tussen Amsterdam en Barcelona geweigerd. De VS gingen eerst bilaterale militaire banden aan met Spanje. In ruil voor vliegbases leverde de VS wapens aan Spanje, leidde officieren op en ging handelsrelaties aan. Ook mocht Spanje vanaf 1948 van de Marshallhulp profiteren. De Westerse lidstaten van de NAVO waren hevig gekant tegen de Amerikaanse toenadering tot het ondemocratische Spanje. Volgens een verdedigingsstrategie zou de Atlantische verdediging steunen op Groot-Brittannië en Spanje als pijlers. Tegen de tijd dat de Russen daar zouden zijn, was het voor de andere Europese landen dan al te laat - vandaar o.a. de protesten van Frankrijk, dat de eigen verdediging gecompromitteerd zag. Het strategisch belang van de VS woog niet op tegen de politieke implicaties; immers, door het steunen van een fascistoïde regime, ondermijnde de VS het groeiende vertrouwen in de democratie in Europa. Daarbij vreesde West-Europa dat steun aan Franco de stijgende kansen op zijn omverwerping teniet zouden doen (zo leken de verbannen oppositiegroepen van de monarchisten en de socialisten zich te verenigen in Parijs). En Francos rechtvaardiging met verwijzing naar de ondermijnende positie van socialisten en communisten liep schade op door de succesvolle integratie van socialisten in de Italiaanse politiek. Nederland ondersteunde een onverminderde boycot van Franco's regime. Het Nederlands beleid veranderde echter toen de Koude Oorlog vaste vormen aan begon te nemen en het fascistoïde regime van Franco een minder grote bedreiging voor de wereldvrede vormde dan de Sovjet-Unie en haar satellieten. Franco stond in dat conflict duidelijk aan de zijde van West-Europa. Langzaamaan begon ook in de Nederlandse pers het idee wortel te schieten dat Spanje cruciaal was voor de verdediging van Europa en waarschuwde men ervoor de propaganda van de communisten te geloven, die Franco af bleven schilderen als een bondgenoot en geestverwant van Hitler. In 1952 ontstond er een breuk in het Europese socialistische blok over de vraag of Spanje buiten de VN gehouden moest worden (het eensgezinde 'ja' sneuvelde) en kon Spanje toetreden tot de UNESCO (UN Educational Scientific and Cultural Organization). In 1951 was er ook al weer een gezant naar Madrid gezonden, die in 1954 de status van ambassadeur kreeg. Culturele betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog In zijn reportage aan het departement classificeerde Schuller het bewind van Franco als een schrikbewind. Het verzet tegen zijn regime werd echter ernstig geschaad door de buitenlandse steun die het kreeg. Deze steun kwam voornamelijk vanuit Groot-Brittannië dat, enerzijds uit vrees voor een door communisten gedomineerde Spaanse republiek en anderzijds vanuit strategische oogpunt met betrekking tot Gibraltar, de betrekkingen met Franco niet al te ernstig wilde verstoren. Schuller tot Peursum en daarna Teppema hielden de minister van Buitenlandse Zaken na het aflopen van WO II nauwkeurig op de hoogte van het verzet tegen Franco zowel binnen als buiten Spanje door middel van een bijna tweewekelijkse rapportage. Naast de vele stukken met overwegend negatieve tendens over Franco's regime, was Nederland tegelijkertijd bezig met de charmes van met name Andalusië te ontdekken. Tussen de politieke commentaren op Franco's dictatuur, schitterden reisverslagen over stierengevechten en markten in pittoreske Zuid-Spaanse stadjes. Ook bestond er een wederzijdse interesse voor religieuze groepen. De Spaanse correspondent in Amsterdam, Carlos Delgado Olivares, bracht de positie van de Nederlandse katholieken in beeld (op zijn opmerking dat de Nederlandse katholieken in aantal toenamen, maakte de gezant een notitie of die gegevens gecontroleerd konden worden), terwijl Nederlandse kranten aandacht schonken aan de achtergestelde positie van protestanten in Spanje. Het katholicisme was de officiële staatsgodsdienst en protestanten werden meer dan eens gedwarsboomd in het belijden van hun geloof, wat grote verontwaardiging teweegbracht in Nederland. Handelsbetrekkingen De Nederlands-Spaanse handelsbetrekkingen hadden zwaar te lijden onder de Spaanse Burgeroorlog en WO II. Relatief bleef het Nederlandse aandeel op de Spaanse markt weliswaar behouden, maar de totale omvang van de Spaanse buitenlandse handel was door het vele oorlogsgeweld en het internationale isolement in de naoorlogse jaren gehalveerd, en daarmee het Nederlands-Spaanse handelsvolume ook. Bijkomende factor was dat in 1948, toen er onderzoek werd verricht naar de Nederlandse handelspositie, de Franse en Duitse handel ook ingezakt waren, maar te verwachten viel dat deze twee economieën zich spoedig zouden herstellen en dan geduchte concurrenten van Nederland zouden worden. Tot 1950 toonde de Nederlandse-Spaans handel geen opleving, maar samenhangend met de politieke rehabilitatie van Spanje in de jaren '50 werd die wel verwacht. Tot 1951 weigerde Spanje gebruik te maken van buitenlandse kredieten, zoals de Marshallhulp. Toen men wel eenmaal besloten had te profiteren van deze zogenaamde manipulatiekredieten, bracht het geen verlichting, omdat de geïmporteerde producten relatief steeds duurder werden en de geëxporteerde productie een waardevermindering ondergingen. Nederland wilde graag zijn positie op de Spaanse markt verbeteren, maar gezien de ongunstige omstandigheden kon dit in de eerste helft van de jaren '50 niet verwezenlijkt worden.
Jeugd en studie Op 14 november 1899 werd Augustus Johannes Veenendaal als derde kind uit het huwelijk van behanger en stoffeerder Cornelis Willem Veenendaal en Petronella Cornelia Sloot te Soest geboren. Hij groeide op in het huis "Zomerzorg", een ouderwets sfeervol dubbel-huis aan de Van Weedestraat. Het was aan aanmoedigingen van de publicist D. Wouters, hoofd van de normaalschool te Baarn, te danken, dat Veenendaals ouders er in toestemden, dat hij verder mocht leren. Als voorbereiding daarop gaf Wouters, die zich als zijn mentor opwierp, hem zelf privé-lessen. In 1918 respectievelijk 1921 behaalde hij de akten voor onderwijzer en hoofdonderwijzer bij het lager onderwijs. Na eerst in verschillende plaatsen een tijdelijke betrekking te hebben gehad, kreeg hij in 1922 een vaste aanstelling aan de Prins Willemschool te Scheveningen ( Hij was achtereenvolgens onderwijzer te Hees (10 juni - 31 juli 1918); Vianen (1-13 oktober 1918), Soest (1 november - 7 december 1918), Hees (1 maart - 9 juni 1919), Treebeek (10 juni 1919 - 31 augustus 1922), 's-Gravenhage (1 september 1922 - 31 augustus 1925).). Hier leerde hij als collega zijn latere vrouw Maria Petronella Slagter kennen met wie hij na een lange verloving op 26 augustus 1931 te 's-Gravenhage trouwde. Aangezien hij verder wilde studeren, behaalde Veenendaal in 1924 het benodigde staatsexamen gymnasium om in 1925 in Utrecht een studie Nederlands en Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te beginnen. Als belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk werd hij lid van de Nederlandsche Christelijke Studenten Vereniging. Hij genoot tijdens zijn studie het voorrecht om college te mogen lopen bij de bekende historici G.W. Kernkamp, O.A. Oppermann en H. Bolkestein en de neerlandicus prof. G.C.N. de Vooys. Hoewel Veenendaal nog maar nauwelijks met deze studie was begonnen leverde hij al zijn eerste historische bijdrage. Aangezien Wouters namelijk niet binnen de overeengekomen tijd kans zag om met zijn aandeel in het schrijven van het "Groot Vertelboek van de Geschiedenis des Vaderlands" klaar te komen, liet hij Veenendaal hiervan op basis van zijn onderzoeksresultaten enkele tijdvakken schrijven. Naarmate hij vorderde met zijn studie, raakte hij geboeid door de artikelen van prof. dr. P.C.A. Geyl over de Groot Nederlandse Gedachte. Hoewel hem bekend was, dat zijn leermeester Kernkamp niets van de Vlaams-nationalistische opvattingen van deze wilde weten, koos hij toch voor zijn doctoraalscriptie een onderwerp, dat hier direct mee te maken had. Hij studeerde hierop op 7 februari 1931 cum laude af. Kort voordien waren P.J. Meertens en Veenendaal door Wouters bij de verzorging van de herdruk van een door hem verzorgde platenatlas betrokken. Mede door de bezwaren van Veenendaal jegens de gebrekkige bijschriften en de onbetrouwbaarheid van afgedrukte teksten ondervonden de werkzaamheden de nodige vertraging. Uiteindelijk zou het werk door de economische crisis en het verschijnen van twee gelijksoortige werken bij dezelfde uitgeverij, waarvan Veenendaal er zelf een recenseerde, in die tijd niet doorgaan. Dit zelfde lot trof een herdruk van Wouter's "Historieën onzer lage landen bij de zee". Aan deze bijzondere vriendschap kwam bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog een definitief einde, omdat Wouters met de Duitsers sympathiseerde. Promotie Veenendaal had nog tijdens zijn studie in het cursusjaar 1928-1929 les gegeven aan het Christelijk Lyceum te Zeist. Nadat hij was afgestudeerd kreeg hij ondanks de verzadigde arbeidsmarkt binnen een half jaar een tijdelijke aanstelling aan het Christelijk Lyceum te Haarlem, welke aanstelling met ingang van 1 februari 1934 in een vaste werd omgezet. Tot de vele leerlingen, die hij daar in de loop der jaren Nederlands en Geschiedenis gaf, behoorden onder andere Harry Mulisch en Barend Biesheuvel. De eerste plannen voor het schrijven van een dissertatie dateerden uit 1933. Aanvankelijk overwoog hij een studie te wijden aan "Utrecht tijdens Leicester" of aan "De verhouding van de Noordelijke- en Zuidelijke-Nederlanden in de periode van 1632-1635". Drie jaar later blijkt hij inmiddels gekozen te hebben voor "Het Engels-Nederlands condominium in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Spaanse Successieoorlog". Hieraan was uiteraard niet vreemd, dat prof. Geyl inmiddels prof. Kernkamp in 1935 was opgevolgd en nu als promotor van één van Kernkamps "beste studenten" optrad. In 1940 was hij hier zover mee gevorderd, dat prof. Geyl op grond van het manuscript oordeelde, dat het "een belangrijke bijdrage beloofde te worden". Zelfs vanuit het kamp te Buchenwald en St. Michielsgestel bleef hij hierover met Veenendaal corresponderen. In de loop van de Tweede Wereldoorlog voltooide Veenendaal zijn dissertatie, waarop hij als eerste naoorlogse promovendus te Utrecht op 3 augustus 1945 cum laude promoveerde. Een kwalificatie, die prof. dr. F.C. Gerretson dit werk al eerder toekende. Veenendaals dissertatie, die over een ook voor de Engelse geschiedschrijving belangrijk tijdvak handelde, was des te opmerkelijker, omdat hij als Nederlander op verschillende essentiële punten in zijn opvattingen met Sir W.S. Churchill's werk "Marlborough, his life and times" verschilde. Aanvankelijk lag het in de bedoeling, dat er een vervolg op deze dissertatie zou verschijnen. Toen dit door allerlei omstandigheden niet mogelijk was, bewerkte Veenendaal in plaats daarvan in de loop der tijd onderdelen tot afzonderlijke artikelen. Bezettingstijd In de bezettingstijd was Veenendaal als lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers actief in het ongewapend verzet. Hij verleende daadwerkelijk hulp door gedurende vrijwel de gehele oorlog aan een Joods meisje onderdak te verschaffen, terwijl hij ook vele anderen voor kortere of langere duur bij zich liet onderduiken, zoals zijn vriend dr. L.M. van Dis. Zodoende weigerde hij dan ook in 1943 om principiële redenen vanwege het tijdelijke lidmaatschap van het Nationaal Front van prof. dr. A.A. van Schelven en diens blijvende sympathie voor Arnold Meijer om deel te nemen aan een door deze op te richten historische kring. Aan het eind van de oorlog ontstond er een hooglopend conflict tussen dr. J. van der Elst, de rector, en het personeel van het Christelijk Lyceum te Haarlem enerzijds en het bestuur anderzijds. Aanleiding hiertoe was het feit, dat een van de bestuursleden onder druk van de Duitsers een lijst had afgegeven van de jongens in de leeftijdsgroep, die voor de arbeidsinzet in aanmerking kwam. Veenendaal speelde een bemiddelende rol bij de oplossing van dit conflict. De neerslag van de bezetting vindt men zelfs nog terug in enkele van Veenendaals stellingen (De stellingen 14 en 18-20. Tijdens het opstellen hiervan adviseerde prof. dr. P.C.A. Geyl d.d. 21 juni 1945 hem aan om sommige af te zwakken en het woord "Mof" door "Duitser" te vervangen.). Na de oorlog Vanwege zijn bekendheid bij de illegaliteit werd hij in augustus 1945 door het Militair Gezag aangezocht als secretaris van de Commissie voor zuivering van architecten. Een taak, die hem niet trok, maar waarvan hij zich met grote accuratesse kweet. Dr. L. de Jong verzocht hem in 1946 tevergeefs om een geschiedenis van het medisch verzet te schrijven. Wel schreef hij voor de redactie van de Winkler Prins Encyclopaedie op grond van zijn dissertarie artikelen op een aantal door deze voorgestelde trefwoorden. Toen de redactie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (AGN) Veenendaal in 1950 voor het schrijven van twee hoofdstukken over de Europese grote mogendheden in de periode 1648-1748 hem onvoldoende tijd gunde, zag hij hiervan af. In plaats daarvan recenseerde hij het bewuste deel voor de AGN. Dit probleem deed zich gelukkig niet voor bij de bijdrage, die hij op verzoek van prof. dr. J.S. Bromley voor het beroemde standaardwerk "The new Cambridge Modern History" over de Spaanse Successieoorlog leverde. Naast zijn historische belangstelling gaf Veenendaal geregeld blijk van een grote belangstelling voor literaire onderwerpen, zoals uit zijn artikelen en lezingen valt op te merken. Dientengevolge nam hij in oktober 1948 samen met dr. J. van der Elst, rector van het (Eerste) Christelijk Lyceum te Haarlem, het initiatief tot het oprichten van het "Comité tot behoud van het huis van Looy". Door een geldinzameling en gesprekken met de erven Van Looy kon een groot deel van Van Looys literaire oeuvre en schilderwerk op de veiling worden aangekocht, waarna het in diens woonhuis werd ondergebracht. Later is het vandaar naar het Frans Halsmuseum overgebracht. Omstreeks 1949 volgde nog een eervolle benoeming tot lid van het Bilderdijk Museum, waarvan de collectie momenteel in de Vrije Universiteit te Amsterdam berust. Directiefunctie Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën Kort voordien was Veenendaal van werkkring veranderd, toen hij met ingang van 1 mei 1949 tot onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën werd benoemd. Ondanks de drukte, die deze baan met zich meebracht, hervatte hij in 1952 daarnaast het contact met het onderwijs. Ditmaal door gedurende achttien jaar als gecommitteerde bij de eindexamens gymnasium op te treden en op het allerlaatst ook nog bij die der kweekscholen. Het stemde prof. Geyl, lid van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, tot voldoening dat dit college Veenendaal, die weliswaar geen ervaringen had met het uitgeven van bronnen, zoals één van de beide andere kandidaten voor de functie van onderdirecteur dit wel had, hem desondanks vanwege andere gebleken capaciteiten toch had uitgekozen. Naast zijn bestuurlijke activiteiten verzorgde hij met prof. Geyl als toezichthouder in bijzondere korte tijd een bronnenuitgave van het Dagboek van Gisbert Cuper, dat over hetzelfde tijdvak handelde als zijn dissertatie. Vervolgens hervatte hij onder dezelfde toezichthouder het werk van wijlen S.P. Haak, namelijk het uitgeven van de bescheiden van Johan van Oldenbarnevelt en zijn familie. Mede "vanwege zijn rustige en beheerste persoonlijkheid, kalme voortvarendheid en toewijding aan de Oldenbarnevelt-uitgave" werd Veenendaal met ingang van 1 augustus 1951 als opvolger van dr. H.J. Smit als directeur van het Bureau benoemd. In deze functie wist hij in samenwerking met de voorzitter, prof. dr. P.J. van Winter, het reeds jaren slepende geschil tussen het Bureau en prof. dr. F.C. Gerretson over de door hem samen met prof. dr. A. Goslinga uit te geven briefwisseling van G. Groen van Prinsterer tot een oplossing te brengen. De relatie tussen Veenendaal en Gerretson leed hier niet wezenlijk onder, zoals blijkt uit het feit, dat laatstgenoemde Veenendaal in 1958 bij het Departement van O. K. en W. voor de vacature van Geyl aanbeval. Des te opmerkelijker als men bedenkt, dat Veenendaal vanwege zijn kennis van Oldenbarnevelt ongewild in een wetenschappelijke discussie tussen de hoogleraren Geyl en Gerretson betrokken raakte, waarbij hij onmogelijk begrip kon opbrengen voor Gerretsons visie. Tussen voornoemde personen was namelijk een pennestrijd uitgebroken over de klassieke vraag of de terechtstelling van Oldenbarnevelt al of niet rechtmatig was. Gerretson was daarbij de mening toegedaan van de Oranjegezinden van weleer, terwijl Geyl daarentegen het Staatsgezinde standpunt verdedigde. Toen Veenendaal naar aanleiding hiervan door beide om zijn oordeel werd gevraagd, verontschuldigde hij zich ervoor "dat een korporaal zich gemengd heeft in een strijd tussen twee generaals"64. Deze discussie bracht al evenmin als bij andere historici bij voorgaande gelegenheden een oplossing. Nadat de strijd was geluwd als gevolg van een door mr. J. den Tex te publiceren artikel hierover, verscheen over deze materie posthuum nog een boek van Gerretson. Veenendaal kon al evenmin het oordeel van Den Tex, zoals dit door hem in de biografie over Oldenbarnevelt was beschreven, onderschrijven. Tijdgebrek verhinderde hem om op diens verzoek in te gaan om hierover voor het genootschap "Delvia Batavorum" in het openbaar te discussiëren. Prinses Wilhelmina In de jaren 1956-1957 deed Veenendaal als directeur een bijzondere onprettige ervaring op met Prinses Wilhelmina, die weigerde om toestemming te verlenen voor het uitgeven van een der bronnenuitgaven. Het betrof hier de door mr. dr. C. Smit verzorgde uitgave van het Eerste deel van de Derde periode van de "Bescheiden betreffende buitenlandse politiek van Nederland, 1849-1919", betreffende de periode 1893-1903. Hierin bevonden zich elf staatsstukken, waarvan de strekking door de behandeling in de Staten-Generaal reeds bekend was, inzake de tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken van Nederland en Mecklenburg gevoerde correspondentie over de vraag of hertog Hendrik van Mecklenburg na zijn huwelijk naast de verkregen Nederlandse nationaliteit tevens de Duitse zou mogen behouden. De Rijkscommissie verzocht voor de publicatie van deze stukken formeel toestemming aan het Kabinet der Koningin. Na overleg met het Koninklijk Huisarchief, de Ministerraad en de Ministeries van O. K. en W. en Buitenlandse Zaken, die hiertegen geen van alle bezwaar hadden, en een gunstig advies van jkhr. ir. P.F.O.R. Sickinge, directeur van het Koninklijk Huisarchief, aan Prinses Wilhelmina, liet zij desondanks veten, dat dit deel niet tijdens haar leven zou mogen verschijnen. Doordat de bewerker mr. dr. C. Smit in 1959 evenwel in zijn boek "Hoogtij der neutraliteitspolitiek: de buitenlandse politiek van Nederland, 1899-1919", een geheel hoofdstuk aan het huwelijk van Koningin Wilhelmina wijdde, waarbij hij verwees naar de desbetreffende staatsstukken in het nog niet verschenen Eerste deel, werd deze zaak zonder voorkennis van de Rijkscommissie overigens in feite toch eerder openbaar. Toen het Eerste deel in 1963 eindelijk verscheen, sprak de recensent E. van Raalte, na reeds eerder aandacht te hebben besteed aan het uitstel van het verschijnen van dit deel bij de verschijning ervan zijn verbazing erover uit, dat de Rijkscommissie geen verantwoording aflegde van de vertraging van de publikatie van dit deel, dat immers het jaartal 1957 droeg. In het verslag van dat jaar reageerde Veenendaal hierop uitgebreid. Aan het eind van datzelfde jaar verscheen een belangrijke studie van de hand van Veenendaal over het essayistische werk van Geyl, waarin hij veel aandacht aan diens historische beschouwingswijze besteedde. Als oudpromovendus had hij ook een groot aandeel in de huldiging van zijn promotor, die op 31 mei 1958 met emeritaat ging. Lidmaatschap Nederlands Hervormde Kerk en politiek Onder de positief christelijke collega's bleef Veenendaals "discipelschap" van Geyl voortdurend bevreemding wekken. Geyl adviseerde Veenendaal om hen in verband daarmee te attenderen op een recensie van zijn "Debates with Historians" in: The Christian Century. Veenendaal was tot aan zijn dood een meelevend gemeentelid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als lid van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging kon hij moeilijk begrip opbrengen voor het besluit van de Generale Synode om op advies van de Wereldraad van Kerken tot het steunen van verzetsbewegingen in Zuid-Afrika over te gaan. Al of niet met anderen diende hij hiertegen enkele bezwaarschriften bij de Synode en zijn wijkkerkeraad in. In één daarvan gaf hij een historische uiteenzetting over de houding van Jezus van Nazareth tegenover de Joodse verzetsbewegingen van zijn tijd. Hiervoor ontleende hij rechtstreeks argumenten aan de tekst van de door hem in 1962 voor het Haags Historisch Gezelschap over Pieter van Guethem gehouden lezing. Zijn lidmaatschap van deze kerk impliceerde overigens niet, dat hij zijn leven lang, zoals dit vroeger vrijwel een ongeschreven wet was, op de Christelijk-Historische Unie stemde. Uit enthousiasme voor het ideaal van één grote volkspartij werd hij na de Tweede Wereldoorlog lid van de Partij van de Arbeid. Toen de socialistische idealen daar echter de overhand kregen, keerde hij korte tijd naar de Christelijk-Historische Unie terug om zich vervolgens bij de Democratische Socialisten '70 aan te sluiten. Toen deze partij vanwege zijn geringe omvang niet langer meer een wezenlijke invloed op de politiek kon uitoefenen, verliet hij die omstreeks 1900. Uitgave historische bescheiden Ondanks dat Veenendaal veel tijd aan bestuurlijke activiteiten moest besteden, werkte hij gestaag door aan de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren. Deel II in de reeks verscheen in 1962, terwijl het laatste deel pas enkele jaren na het ingaan van Veenendaals pensioen op 27 november 1964 uitkwam. Het jaar daarvoor was hij reeds voor het verschijnen van deel II en zijn verdiensten als directeur gehonoreerd door de benoeming tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op grond van de bij het editeren van de uitgave van de Oldenbarnevelt-papieren opgedane ervaringen legde Veenendaal, al of niet in samenwerking met prof. dr. P.J. van Winter, de grondslagen voor een verdere professionalisering van uitgeven van bronnen. Hierbij ging hij er vanuit, dat het leveren van een tekst voorop diende te staan en dat de toelichtende annotatie op de laatste plaats diende te komen en bij voorkeur zelfs zoveel mogelijk moest worden vermeden. Vanwege zijn verdiensten op dit gebied benoemde de Vereniging Nederlandsch Economisch-Historisch Archief hem in 1959 tot lid van de Raad van Advies. Hij werd tevens door het bestuur van het Historisch Genootschap aangezocht om zitting te nemen in de Commissie, die belast was met het opstellen van nieuwe regels voor het uitgeven van historische bescheiden. Vrijwel tegelijk met het gereedkomen van deze opdracht ontving Veenendaal het unieke verzoek van de Rijkscommissie om ondanks zijn pensioen lid van de Commissie voor Vaderlandse Geschiedenis te willen worden. Nadat Van Winter de hiertegen door Veenendaal aangevoerde principiële bezwaren voldoende had weerlegd, ging laatstgenoemde er op in. Publicaties en lezingen Hoewel bij de besprekingen van de hierboven genoemde activiteiten reeds op verschillende van Veenendaal publikaties werd gewezen, is een aparte bespreking van dit onderdeel van zijn werk gewenst. Kort na zijn promotie verschenen twee artikelen te weten over het landgoed Oosterhout bij Haarlem, en het Wilhelmus, als uitwerking van enkele van zijn stellingen. Als gevolg van zijn promotie en benoeming tot (onder)directeur kreeg hij nog meer kennissen onder de historici. Met name moet zijn latere huisvriend J.W. Wijn worden genoemd. Deze vriendschap ontstond uit hun gemeenschappelijke interesse voor de Spaanse Successieoorlog. Wijn beschreef de militaire geschiedenis uit die tijd in deel VIII van "Het Staatsche Leger". Zij hielden ook gezamenlijk lezingen. Voor het schrijven van Wijns levensbericht putte Veenendaal rijkelijk uit diens particuliere papieren. Hij kon hier vrij over beschikken omdat hij samen met mr. B. van 't Hoff als Wijns executeur-testamentair optrad. Dit verklaart de aanwezigheid van zo veel papieren van Wijn in Veenendaals archief. Onder de bescheiden betreffende Wijns militaire loopbaan nemen de brieven van hem, als commandant van het vliegpark Soesterberg in mei '40 en vanuit het krijgsgevangenkamp te Stanislaw een unieke plaats in. Omstreeks 1950 werd Veenendaal ook voor verschillende historische kringen gevraagd. Bij sommige, zoals bijvoorbeeld het Haags Historisch Gezelschap en het Gezelschap van Christelijke Historici in Nederland, waren de leden verplicht om geregeld lezingen te houden. Bovendien bereikten Veenendaal ook regelmatig verzoeken om vanwege zijn dissertatieonderwerp en de door hem uit te geven bronnen lezingen te houden. De tekst hiervan werd deels naderhand tot artikelen omgewerkt. Een belangrijk deel hiervan handelde over de geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Helaas werd een door Veenendaal in 1977 opgevat plan om tien eerder verschenen studies in een bundel onder de titel "Noord en Zuid" te laten herdrukken, niet gerealiseerd. Uit artikelen zoals over de Fossa Eugeniana en over Samuel Lipman blijkt, dat hij een veelzijdig man was en dat hij zich niet enkel tot zijn specialismen, de Spaanse Successieoorlog en het Oldenbarnevelt-tijdvak, beperkte. Na zijn pensioen schreef hij zelfs nog een boek over de achttiende eeuwse zeeman Matthijs Sloot, een familielid van moederszijde. Naast zijn eigen werk recenseerde hij ook veel publicaties waaruit eveneens zijn eruditie bleek. Om dezelfde reden won de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderwijs ook herhaaldelijk zijn advies in. Met name zijn recensie over de eerste drie delen van de biografie van Den Tex over Oldenbarnevelt dient te worden genoemd. Bij een eerdere gelegenheid had hij aan de AVRO geweigerd om het tweede deel van dit werk voor de microfoon te bespreken, omdat hij zelf "vrij wat contact had gehad bij het ontstaan van zijn boek" waarom hij zich tot dan toe ook van recensie s had onthouden. Aan dit arbeidzaam leven, waarin hij tot 1981 publiceerde, kwam op 23 januari 1985 een einde, toen Veenendaal op 85-jarige leeftijd te 's-Gravenhage overleed.
1. De geschiedenis van het Vaticaan Nederland en de Pauselijke Staat gingen diplomatieke betrekkingen aan in 1814. De Pauselijke vertegenwoordiging in Nederland werd in 1829 ingesteld en sindsdien gehandhaafd. De Nederlandse vertegenwoordiging bij het Vaticaan werd echter in 1872 opgeheven. Aangezien de Paus in 1871 zijn wereldlijke heerschappij had verloren (in 1871 kwam de Italiaanse eenheidsstaat tot stand met koning Victor Emmanuel van Savoie als staatshoofd), werd in de Nederlandse volksvertegenwoordiging het nut van een gezantschap bij de Heilige Stoel niet meer ingezien. De antikatholieke leden van de Tweede Kamer was de vertegenwoordiging bij de Paus een doorn in het oog. Men wilde niet de indruk wekken het geestelijk leiderschap van de Paus te erkennen door een gezant bij hem te accrediteren. 2. De Nederlandse betrekkingen met de Heilige Stoel Het Vaticaan ontwikkelde zich tot een centrum van diplomatie. Tijdens WO I waren in het Vaticaan diplomaten van alle oorlogsvoerende partijen geaccrediteerd, wat Rome de uitgelezen plek voor vredesbesprekingen maakte. Wegens het grote aantal gezantschappen was het Vaticaan een interessante 'luisterpost', ook voor neutrale mogendheden zoals Nederland, die hun steentje wilden bijdragen aan de vredesonderhandelingen. In 1915 werden kabinet en parlement het eens over het herstellen van de betrekkingen met het Vaticaan. Nog enkele jaren na afloop van WO I bleef de missie bestaan. Maar omdat het gezantschap bij de Heilige Stoel een aparte post op de begroting van Buitenlandse Zaken was, kon de missie iedere keer dat er over de begroting gedebatteerd werd, ter discussie gesteld worden. Dit gebeurde dan ook geregeld door de voormannen van de Christelijke Historische Unie (CHU), die een vertegenwoordiging bij de katholieke leider niet ondersteunden. In principe bestond in de Tweede Kamer geen meerderheid voor het afschaffen van het gezantschap (de anti-revolutionairen waren niet tegen de post), maar in 1925 kregen de christelijk-historischen steun van de liberalen, die het zittende kabinet ten val wilden brengen en daarvoor de anti-paapse motie van de CHU aangrepen. In 1926 werd de post officieel opgeheven. Tijdens de oorlog van 1914-1918 achtte de Nederlandse regering het, ondanks fel verzet van de CHU - met het oog op bemiddelingsacties ten gunste van de vrede - van belang een vertegenwoordiger te hebben in één van de weinige overgebleven centra van diplomatiek verkeer. Dat leidde tot tijdelijk herstel van de betrekkingen met het Vaticaan welke in 1871 waren beëindigd. In 1915 werd mr. L.H.W. Regout benoemd als gezant bij het Vaticaan in tijdelijke en speciale zending. Mr. L.H.W. Regout overleed enkele weken na zijn benoeming. In 1916 werd jhr. O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer benoemd. Na de wapenstilstand van 1918 wilde Minister H.A. van Karnebeek deze vertegenwoordiging blijvend maken, maar hij kreeg A.F de Savornin Lohmann tegen zich. Enkele jaren kon de Minister het gezantschap houden omdat de SDAP en de Vrijzinnige Democraten hem steunde. In het najaar van 1925 diende ds. G.H. Kersten van de SGP een amendement in bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken, dat schrapping van het krediet voor het gezantschap bij het Vaticaan beoogde. Op 10 november 1925 ging de linkerzijde - de SDAP en de Vrijzinnig Democraten - om en haalde het amendement van ds. G.H. Kersten een meerderheid. Hierdoor kwam het kabinet te vallen. De terugroepingsbrieven van gezant O.E.A.M. van Nispen tot Sevenaer werden op 3 juni 1926 overhandigd. Van Nispen had zelf gewild dat hij het leedwezen van de regering over het kamervotum kenbaar had mogen maken, maar zijn instructie luidde minder scherp. Hij diende de kardinaal staatssecretaris Gasparri mee te delen dat de Nederlandse regering erop vertrouwde 'dat de door haar betreurde opheffing van het gezant voor het overige geen wijziging zal brengen in het oprecht vriendelijk karakter der diplomatieke betrekkingen welke sedert zovele jaren tussen het Vaticaan en de Nederlandse regering bestaan.' In 1944 werden de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan opnieuw aangeknoopt. Op 16 augustus 1944 werd jhr. mr. M.W. van Weede benoemd als gezant bij het Vaticaan. Hij werd in 1956 opgevolgd door F.R.W.H.M.J. graaf de Marchant d'Ansembourg. In 1967 werd mr. S.G.M. baron Voorst tot Voorst benoemd als ambassadeur. Hij werd in 1975 opgevolgd door mr. J.I.M. Welsing. Tijdens WO II kwam het vestigen van een nieuw gezantschap wederom ter sprake. Na het uitbreken van de oorlog nam Nederland nog altijd een neutrale houding aan en liet die zelfs niet geheel gaan toen het door Duitsland onder de voet werd gelopen. Het verlangen vredesbesprekingen te voeren of op zijn minst bij te wonen was groot en het Vaticaan leek weer een centrum van vredesinitiatieven te worden. Ook was het Vaticaan, met 37 gezanten uit allerlei landen, een bron van inlichtingen, een 'luisterpost'. De Amerikanen begonnen al in 1940 druk uit te oefenen op de Nederlandse regering om de kwestie van de betrekkingen weer op te nemen met het Vaticaan. Maar Nederland liep bij de eerste poging tegen een weigering op. Het Vaticaan bracht praktische bezwaren naar voren, maar de moeilijkheden die van Duitsland verwacht werden als de Paus diplomatieke betrekkingen aanknoopte met een bezet land waren de werkelijke reden. Aangezien die reden voor 1942 doorslaggevend was, omdat Duitsland aan de winnende hand was in Europa, wilde noch Nederland, noch het Vaticaan op de zaak terugkomen, alle Amerikaanse pressie ten spijt. Pas in 1943 stonden beide staten positiever tegen het uitwisselen van vertegenwoordigers. De Heilige Stoel bracht echter wel de eis ter tafel dat de Nederlandse zending geen noodmaatregel mocht zijn. Dat wil zeggen: een herhaling van 1925, waarin de gezant onder protestantse en liberale druk teruggetrokken werd, wilde het Vaticaan pertinent voorkomen. Dit leidde tot de vraag of de Nederlandse regering in ballingschap een dergelijke beslissing wel kon nemen, zonder de instemming van de volksvertegenwoordiging. Ook vreesde men het verzet van koningin Wilhelmina. Deze twee kwesties hingen samen, omdat de koningin zeker wilde weten dat het protestantse deel der natie gediend was van een dergelijke zending (zijzelf stond niet bepaald te springen). De Nederlandse ministers stonden in het algemeen positief tegenover het aangaan van diplomatieke betrekkingen, maar zij konden de koningin niet vermurwen. Minister van Kleffens dreigde zijn portefeuille ter beschikking te stellen en enkele collega's verklaarden zich solidair. Gezond verstand wendde uiteindelijk een regeringscrisis af, omdat men inzag dat een kabinetsval niet de belangen van het bezette Nederland diende. Gelukkig gaf uiteindelijk de koningin toe en konden de papieren in orde worden gemaakt. In 1946 werd er nog een poging gedaan door de CHU om de post weer te doen opheffen, maar deze motie werd zo overtuigend verworpen dat het gezantschap niet meer in gevaar kwam en daarna ook niet meer ter discussie werd gesteld. De Paus in oorlogstijd, Pius XII, betuigde meermaals zijn medeleven met het Nederlandse volk in oorlogstijd, dat, volgens de lezing van de 'minister van Buitenlandse Zaken' van de Paus, een van de zwaarst getroffen volken was. Vooral met het deel van het land dat in 1945 nog bezet was, werd hevig meegeleefd. Ook aan de Koninklijke familie liet de Paus geregeld de hartelijke groeten overbrengen, die even hartelijk geretourneerd werden. Pius XII had veel respect voor koningin Wilhelmina, die in zijn ogen een voorbeeldig vorstin was. De koningin was op haar beurt zeer te spreken over de rol van de Nederlandse katholieken en de katholieke geestelijkheid tijdens WO II, die een actieve rol hadden gespeeld in het verzet tegen de Duitse overheersing. 3. Na de Tweede Wereldoorlog Na WO II brak voor de Kerk in zekere zin een onzekere tijd aan. Het katholicisme was onverenigbaar met het atheïstische en materialistische communisme, dat in de landen die door de USSR bevrijd waren de nieuwe regeringsdoctrine werd. Door de Russische en andere communistische media werd de katholieke Kerk afgeschilderd als verdediger van de Duitse, Italiaanse en Japanse regimes. Daar tegenover stelde de Vaticaanse pers een heftige campagne om de beschuldigingen van de Sovjets de weerleggen en greep te houden op de Russische gelovigen. Afgezien van deze ideologische strijd, moest de Kerk afwachten hoe de katholieken door de nieuwe communistische regimes behandeld zouden worden. De behandeling van de kerkelijke leiders was echter niet goed. Verschillende hoge geestelijken werden gearresteerd en hun werk werd onmogelijk gemaakt. Ook de vertegenwoordigers van de Paus bij de verschillende regeringen werd het functioneren onmogelijk gemaakt en steeds meer van hen werden teruggeroepen of overgeplaatst. De Paus maakte zich hier diepe zorgen over, maar bleef tegelijkertijd bereid diplomatieke betrekkingen aan te knopen met onder andere de Sovjet-Unie. Dit paste in de traditie van het Vaticaan een zo compleet mogelijk diplomatiek netwerk aan zich te binden, waardoor vredesbesprekingen konden plaatsvinden. Deze praktijk had zowel tijdens de eerste als de tweede wereldoorlog bestaan en de Heilige Stoel zag een dergelijke rol weer voor zich weggelegd tijdens de Koude Oorlog. De USSR was zelf echter niet bereid betrekkingen aan te gaan. De dood van Stalin in 1953 bracht geen merkbare veranderingen teweeg in de Russische opstelling. De buitenlandse politiek van de Heilige Stoel werd uiteraard gekenmerkt door dogmatische katholieke opvattingen. Zo kon de Paus het niet eens zijn met het vormen van een Joodse staat in Palestina als dat inhield dat de heilige plaatsen in Jeruzalem en Bethlehem niet meer toegankelijk zouden zijn voor katholieken. Met betrekking tot Indonesië stoorde het de Kerk vooral dat veel civielrechtelijke instanties in handen waren van Islamitische instituties, terwijl de bevolking - volgens het Vaticaan - nog veelal animistisch was. De dominantie van het Islamitische bestuur ontnam de katholieke zending iedere bewegingsvrijheid. In 1951 kondigde het Vaticaan de oprichting van een vloot onder pauselijke vlag aan. De schepen zouden gebruikt worden voor het vervoer van levensmiddelen en andere hulpgoederen, die de Paus bijeenbracht in het kader van zijn charitatieve inspanningen. Een jaar later stuurde de Nederlandse gezant de feitelijke beheerder van de vloot het curriculum vitae van een hoge officier van de Nederlandse vloot, H.C. Ackermann, met het doel de officier een hoge post binnen de vloot te bezorgen. Daarop moest echter de beheerder toegeven dat de pauselijke vloot nog slechts op papier bestond en dat er door de bevoegde instanties nog geen initiatieven ontplooid werden om de plannen van de Paus in praktijk te brengen. 4. De post, 1944-1954 De eerste gezant van Nederland bij de Heilige Stoel was jhr. M. W. van Weede. De post bestond verder uit een honorair gezantschapsraad voor kerkelijke aangelegenheden (vanaf 1944 de bejaarde mgr. dr. B.J. Eras) en een kanselier, mej. E.S.F. van Alphen, die ook allerhande vertaalwerk voor haar rekening nam. Deze bezetting leek de gezant wat mager, maar het departement weigerde een extra diplomaat beschikbaar te stellen. Buiten oorlogstijd was het Vaticaan niet van een dergelijk diplomatiek belang dat die post voorrang kreeg bij de toewijzing van ambtenaren. De post kwam eerder juist op de laatste plaats bij het toewijzen van de schaarse diplomaten. Gezant van Weede, hoewel geen katholiek, had groot respect voor de Paus en vooral voor de bisschoppen in de communistische Oostbloklanden, die hun werk nauwelijks konden doen onder het antikerkelijke bewind. Met veel eerbied en een weinig kritische blik rapporteerde hij over de Paus en diens politieke en religieuze doelstellingen. Vooral in de berichtgeving van het Vaticaanse dagblad de 'Osservatore Romano' werden door Van Weede nauwelijks nuanceringen aangebracht. Van Weede was met de hoofdredacteur van de 'Osservatore Romano', het Vaticaanse huisblad, overeengekomen dat deze krant geregeld artikelen over Nederland zou publiceren. Dit werd ter hand genomen onder andere door aandacht te besteden aan de audiënties van Van Weede bij Pius XII en het publiceren van Nederlandse herderlijke brieven, maar ook door enkele enthousiaste 'Nederland-correspondenten'. Deze baseerden hun artikelen echter geregeld op onvolledige of onjuiste gegevens, waardoor Van Weede zijn handen vol had aan het rechtzetten van de misleidende informatie over de positie van de Nederlandse katholieken in verschillende sectoren van de maatschappij en de toename van hun aantal.
Ambtelijke loopbaan van E.N. van Kleffens 1. Jeugd en studietijd (1894-1917) Eelco Nicolaas van Kleffens (De schets over Van Kleffens is voornamelijk gebaseerd op: Bert Zeeman, 'Jurist of diplomaat? Eelco Nicolaas van Kleffens', in: Duco Hellema, Bert Zeeman en Bert van der Zwan (red.), De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de twintigste eeuw, Den Haag 1999. Zie verder: H.N. Boon, 'Herdenking van Eelco Nicolaas van Kleffens (17 november 1894-17 juni 1983)', in: Jaarboek Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1984, 210-215. Albert Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945, Alphen aan den Rijn 1981. A.E. Kersten, 'Eelco Nicolaas van Kleffens', in J. Charité (red.), Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 3, 's-Gravenhage 1989, 330-333. Albert E. Kersten, 'Mr. E.N. van Kleffens, minister van Buitenlandse Zaken 1939-1946', in: Bert van der Zwan, Albert Kersten, Ton van Zeeland (red.), Het Londens archief. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam 2003, 29-36.) werd op 17 november 1894 geboren in Heerenveen als zoon van de substituut-officier binnen het Openbaar Ministerie Henricus Cato van Kleffens en Jeannette Frésine Veenhoven. Na zijn middelbare schooltijd in 1913 aan het Gymnasium Haganum in Den Haag te hebben voltooid, ging hij rechten studeren in Leiden. In 1919 promoveerde hij na het behalen van zijn doctoraalexamen in 1917 bij prof. jhr. M.J.M. van Eysinga op het proefschrift De internationaal-rechtelijke betrekkingen tussen Nederland en Japan; 1605-heden. 2. Het begin van zijn loopbaan (1918-1935) Vervolgens liep hij van 1918-1919 als voorbereiding op een loopbaan bij de consulaire dienst stage bij het consulaat-generaal te Londen. Desalniettemin ging hij door bemiddeling van zijn promotor in 1919 werken bij de juridische afdeling van de zo juist opgerichte Volkenbond om vervolgens vanaf eind 1920 bij het directie-secretariaat van de Shell-groep in Londen een werkkring te hebben. Het was opnieuw Van Eysinga, die hem in 1922 voor een functie benaderde, dit maal om sous-chef van de afdeling Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te worden. In 1927 veranderde hij van afdeling toen hij sous-chef van de afdeling Diplomatieke Zaken werd om vervolgens nog aan het eind van dat jaar chef te worden. Deze departementale functie combineerde hij jarenlang met het secretariaat van de in 1923 opgerichte Haagse Academie voor Internationaal Recht, waardoor hij bekende juristen leerde kennen. Een poging om voor de oorlog griffier van het Internationale Gerechtshof te worden werd niet gehonoreerd, evenmin als na de oorlog een sollicitatie naar het ambt van rechter van voornoemd Hof. 3. Huwelijk (1935) Naar het schijnt maakte hij uit ongenoegen over het functioneren van zijn superieur, minister J.A.N. Patijn, een overstap naar de diplomatieke dienst toen hij in 1939 tot gezant in Bern werd benoemd. Dit was vermoedelijk mede mogelijk doordat hij op 4 april 1935 was getrouwd met Margaret Helen Horstmann, dochter van een directeur van Standard Oil. Het was mede door haar vermogen dat Van Kleffens over ambities naar een internationale werkkring kon gaan denken. 4. Ministerschap (1939-1947) 4.1 Vooroorlogse periode De realisering van de benoeming als gezant ging echter niet door omdat Van Kleffens inging op het verzoek van kabinetsformateur jhr. D.J. de Geer om als partijloos minister leiding te geven aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij deed dit met de nodige reserves vanwege de afstand, die hij tot dan toe jegens de politiek had. Vanaf zijn benoeming op 10 augustus 1939 was hij tot 1 juli 1947 ook ondervoorzitter van de ministerraad. Hij zou de enige minister worden, die van alle oorlogskabinetten deel zou uit gaan maken. Dientengevolge werd zijn commentaar op historische werken over deze tijd zeer op prijs gesteld. Terwijl zijn belang reeds meteen werd erkend door de verlening van vier buitenlandse eredoctoraten, werd dit later nog eens benadrukt door het besluit de grote vergaderzaal van het nieuwe departement naar hem te vernoemen. De eerste acht maanden van zijn ambtsperiode verdedigde hij de neutraliteitspolitiek. Een visie, die hij zelfs niet meteen na de inval van Duitsland op 10 mei 1940 opgaf. In de zomer van 1940 verdedigde hij het Nederlandse beleid van vóór en tijdens de meidagen in The Daily Telegraph, welke artikelen kort daarna in boekvorm als The Rape of the Netherlands verschenen. Nog voordat koningin Wilhelmina en het kabinet-De Geer naar Engeland uitweken, was Van Kleffens met de minister van Koloniën, Ch.J.I.M. Welter, per watervliegtuig naar Londen vertokken om bij de Britse regering om militaire hulp te vragen. 4.2 Minister in het Oorlogskabinet Toen duidelijk was dat de oorlog langer zou gaan duren regelde hij dat de Nederlandse regering zich in Londen kon vestigen. Nadat de koningin en het kabinet op 13 mei 1940 naar Londen waren uitgeweken, nam jhr. mr. A.M. Snouck Hurgronje de leiding van het departement in Nederland over. Dit zou tot de opheffing op 11 juni 1942 blijven bestaan. In Londen richtte Van Kleffens een departement in ballingschap op, waarvoor hij uitging van de oude departementale organisatiestructuur met dien verstande dat de buitenlandse dienst werd gereorganiseerd door de afdelingen Diplomatieke en Consulaire Zaken tot één afdeling Buitenlandse Dienst samen te voegen. Beleidsmatig onderging het departement daarentegen wel degelijk een verandering doordat het na een eeuw afzijdigheidspolitiek vanaf die tijd direct bij internationaal overleg betrokken was. Het lukte Van Kleffens echter niet als voorstander van het principe van gelijkwaardigheid der staten te bereiken, dat Nederland in de samenwerking met de grote mogendheden bij het streven naar wereldvrede als gelijkwaardige gesprekspartner werd behandeld. In 1943 stelde hij reeds de oprichting van een Atlantisch pact voor en ondertekende hij op 26 juni 1945 in San Francisco het Verdrag tot oprichting van de Verenigde Naties. Verder werden op zijn initiatief in verband met de oorlog de diplomatieke betrekkingen met de Sovjet-Unie en de diplomatieke band met het Vaticaan in 1942 en 1943 aangegaan respectievelijk hervat. Hij ging daarbij een confrontatie met koningin Wilhelmina niet uit de weg. Verder schreef Van Kleffens in juli 1944 een opzienbarend artikel in het Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs, waarin hij de mogelijkheid van schadevergoeding van Duitsland aan Nederland opperde door de annexatie van Duits grondgebied met uitwijzing van de bewoners. (Uit dien hoofde correspondeerde hij nog in 1948 en 1949 met voorstanders hiervan.) 4.3 Minister na de oorlog Na de terugkeer in Nederland in de zomer van 1945 werd Van Kleffens opnieuw als minister benoemd met de diplomaat J.H. van Roijen als minister zonder portefeuille naast zich. Op 1 maart 1946 verwisselden zij van functie omdat eerstgenoemde als gevolg van de zware oorlogsjaren overspannen dreigde te raken. In deze hoedanigheid vertegenwoordigde hij tot 1 juli 1947 Nederland in de Veiligheidsraad en daarna in de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties. 5. Verdere diplomatieke loopbaan (1947-1967) 5.1 Ambassadeur te Washington Nadat hij op eigen verzoek als minister zonder portefeuille was ontslagen was hij van 23 juli 1947 tot mei 1949 buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Washington. Het eerste jaar van deze periode was hij daarnaast opnieuw Nederlands vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad, waardoor hij de eerste politionele actie moest verdedigen. Aan deze ongewenste combinatie van functies kwam op zijn eigen verzoek toen een einde. Dit gaf hem de ruimte om vervolgens nauw bij de voorbereidingen van het opstellen van het toekomstige Noord-Atlantische verdrag van 4 april 1949 betrokken te zijn. In het verlengde daarvan overtuigde hij minister mr. D.U. Stikker van de noodzaak in te stemmen met de onafhankelijkheid van Indonesië. 5.2 Ambtsperiode te Lissabon en Parijs Begin 1950 vroeg Van Kleffens vanwege de verslechterde gezondheidstoestand van zijn vrouw overplaatsing aan naar een kalmere post. Zodoende werd hij buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Lissabon, waar hij tot 7 oktober tot 1956 was gestationeerd. Het werk daar liet het toe dat hij in 1954 voorzitter van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd. Na zijn ambtsperiode te Lissabon was hij van 1956 tot 1 mei 1958 permanent vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking te Parijs. Een jaar voor zijn pensioen werd hij in 1958 na het verlenen van eervol ontslag voor negen jaar benoemd als vertegenwoordiger van de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal te Londen. 6. Pensioen (1967-1983) Nadat hieraan op 1 oktober 1967 een einde was gekomen, ging de inmiddels 72 jarige Van Kleffens met zijn vrouw in Portugal wonen, waar hij ook op 17 juni 1983 overleed. Enkele dagen daarna werd hij begraven in Roord onder Dokkum: een plaats, waarvoor hij als geboren Fries, zoals uit een voorgenomen studie over Sint Bonifacius blijkt, ook historische belangstelling had.
Organisatie van de departementen Op 13 mei 1940 verlieten, ten gevolge van de Duitse inval, koningin Wilhelmina en het kabinet De Geer Nederland om zich in Londen te vestigen. Mr M.P.L. Steenberghe, minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, kon vlak na aankomst in Londen beschikken over een drietal hoofdambtenaren (Drs A.B. Speekenbrink, D.M. de Smit en mr H. van Blankenstein.) die via IJmuiden Nederland hadden verlaten en enkele ambtenaren die tijdens de Duitse inval in Parijs op dienstreis waren. Later werd daar Nederlands, maar ook enig Engels personeel aan toegevoegd. Door toeneming van de werkzaamheden groeide ook de omvang van het departement. Op 1 april 1944 werkten er ca. 35 personen op het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, dat gevestigd was in Stratton House in de Engelse hoofdstad. Twee voorname zaken waarmee het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart zich na aankomst in Londen mee bezig hield, waren de inschakeling van de Nederlandse koopvaardijvloot bij de geallieerde oorlogsvoering en het aankopen en beheren van goederen die in Nederland na de bevrijding nodig waren. Later kwam daar de economische wederopbouw (reconstructie) en bevoorrading (ravitaillering) van Nederland na de bevrijding nog bij. De Nederlandse gezant in Londen, jhr mr E.M.F.J. Michiels van Verduynen, was al direct na het uitbreken van de oorlog door de Nederlandse regering gemachtigd om zorg te dragen voor de uitvoering van de Zeeschepenvorderingswet 1939 en de Wet Behoud Scheepsruimte 1939. De gezant stelde een adviescommissie van vier reders in, die toevallig op dat moment in Londen waren. Na het arriveren van het kabinet De Geer in Londen werd de door de gezant ingestelde adviescommissie uitgebreid met andere reders en vertegenwoordigers van bedrijven tot de Nederlandse Scheepvaart en Handelscommissie (NSHC; Netherlands Shipping and Trading Committee NSTC). De commissie kreeg van de regering volmacht om scheepvaart- en handelsaangelegenheden te behandelen. De NSTC groeide uit tot een organisatie van ca. 1000 man personeel. De minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart was in de NSTC vertegenwoordigd door twee ambtenaren die toezicht namens hem uitoefenden: één voor scheepvaartaangelegenheden (A.B. Speekenbrink) en één voor handelsaangelegenheden, het beheer en de verkoop van de ladingen (D.M. de Smit). In New York werd een soort tegenhanger van de NSTC opgericht: het Nederlands Scheepvaart Comité. Deze bestond uit reders en directeurs van de grote rederijen. Er bestond tussen beide organisaties enige rivaliteit. De waarnemend secretaris-generaal van het departement, A.Th. Lamping, vertegenwoordigde Nederland in de Commissie Leith Ross die tot taak had schattingen op te stellen van de na afloop van de oorlog in de bezette landen bestaande behoeften. Lamping meende dat de besprekingen in de commissie voor Nederland tot weinig praktische resultaten zouden leiden. Steenberghe, op de hoogte van Lampings opinie, wilde nu het initiatief naar Nederlandse zijde trekken. Hij stelde na overleg in het kabinet, C. van Stolk in New York aan als regeringscommissaris in buitengewone dienst, belast met de voorbereiding van maatregelen tot de ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Deze verrichtte zijn werk vanaf begin 1941 als hoofd van het pas opgerichte Voedselaankoopbureau in New York. In 1943 werd de United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA) opgericht, een internationale organisatie die streefde naar het herstel van door oorlogsgeweld en bezetting getroffen landen. Nederland nam hier ook aan deel. In juli 1944 werd de Netherlands Office for Relief and Rehabilitation (NORR; Administratie voor Relief en Rehabilitatie ARR) opgericht, een organisatie belast met de voorbereiding en uitvoering van alle civiele aankopen voor Nederland na de bevrijding. Bovendien was de NORR verantwoordelijk voor de opslag en het transport van de aangekochte goederen. De NORR viel aanvankelijk onder vijf ministeries, later nog alleen onder het ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw. Bijlage 2 geeft enige wetsbesluiten die voor het taakgebied van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart (en later Handel, Nijverheid en Landbouw) van belang waren, met uitzondering van scheepvaartaangelegenheden. De werkzaamheden van het departement van Landbouw en Visserij werden verricht door ambtenaren van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. De bemoeienissen met de kleine vissersvloot, die in de meidagen van 1940 naar Engeland was overgestoken, was beperkt, omdat de dagelijkse zorg ervoor was ondergebracht bij de NSTC. Na het vertrek van de bewindsman van Landbouw en Visserij, mr. dr. A.A. van Rhijn, naar de Buitengewone Algemene Rekenkamer op 1 mei 1941, werd de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart tevens ad interim minister van Landbouw en Visserij. Problemen van Van Steenberghe's opvolger, P.A. Kerstens, met de koopvaardij en in het bijzonder met het bestuur van de NSTC, leidde tot de wens om voor de scheepvaart een afzonderlijke minister te benoemen. Dat werd J.M. de Booy, een van de bestuursleden van de NSTC. Als gevolg daarvan werd het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart op 31 mei 1944 gesplitst in twee departementen: het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw en het departement van Scheepvaart en Visserij. ( Besluit van 31 mei 1944 (S. E35), houdende opheffing van het Departement van Landbouw en Visserij, instelling van een nieuw Departement van Scheepvaart en Visserij en wijziging van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in Departement van Handel, Nijverheid en Landbouw.) De minister van Financiën Van den Broek, werd ad interim belast met Handel, Nijverheid en Landbouw. In november 1944 besloot de regering in ballingschap, dat bij terugkeer in Nederland de ministers de leiding zouden hernemen van hun oude departementen. ( Besluit van 9 november 1944, S. 1944 E141.) In mei 1945 werd Nederland bevrijd en maakten de Londense ministeries zich op om naar huis terug te keren. Het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw in Nederland werd in juni 1945, na de formatie van een nieuw kabinet, gesplitst in het departement van Handel en Nijverheid en het departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. (Besluit van 23 juni 1945 houdende instelling, wijziging en opheffing van ministeriële departementen, S. 1945 F113.) Interne organisatie Gedurende het eerste jaar was het ministerie niet in formele afdelingen of bureaus ingedeeld. Als gevolg van de toeneming der werkzaamheden werd eerst in november 1941 een bureauindeling ingevoerd. st de secretaris-generaal a.i. bestonden de volgende bureaus: Kabinet en Archief Afdeling Economische Politiek Afdeling Scheepvaart Afdeling Handelszaken Afdeling Juridische en Algemene Zaken Bureau Comptabiliteit De werkkringen van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in Londen waren als volgt over de afdelingen verdeeld: 1. Afdeling Economische Politiek Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en voedselvoorziening. 2. Afdeling Scheepvaart Zaken betreffende de Nederlandse handelsvloot en de Nederlandse zeelieden, waaronder die de visserij betreffende. 3. Afdeling Handelszaken Zaken betreffende de afwikkeling van gestrande ladingen en contracten van goederen, bestemd geweest voor Nederland. 4. Afdeling Juridische en Algemene Zaken Aangelegenheden van wetgevende en juridische aard. Toepassing van de besluiten inzake het rechtsverkeer in oorlogstijd en de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland. Octrooizaken. Vraagstukken betreffende de toekomstige handelspolitieke verhoudingen. Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Voorbereiding Sectie Economische Zaken van de Staf van het Militair Gezag (sinds eind 1943). In februari 1943 vond een interne reorganisatie plaats, waarbij de afdeling Handelszaken werd opgeheven door samenvoeging met de afdeling Scheepvaart. Uit de afdeling Economische Politiek werd een nieuwe afdeling gevormd en wel de: 5. Afdeling Nijverheid het opstellen van een werkplan voor economische reconstructie; de samenstelling van het 'overzicht Nederl(andsche) Industrie'; de opstelling van primaire metaalbehoeften na de bevrijding (ramingen en toelichtingen); samenwerking met de Studiegroep voor Reconstructie-Problemen behandeling van industrieproblemen in het algemeen en in samenwerking met andere departemeten; deelname aan de organisatie Allied Post War Requirements Bureau ('Leith-Ross') inzake internationale geallieerde behoefteramingen voor na de bevrijding. Daarnaast waren er onder meer nog een adviseur voor aangelegenheden betreffende de industriële eigendom en een regeringscommissaris in buitengewone dienst, belast met de voorbereiding van maatregelen tot de revitaillering van Nederland na de bevrijding (het hoofd van het Voedselaankoopbureau in New York). Verder ressorteerden onder het ministerie nog diverse commissies, waaronder de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie, het Nederlands Scheepvaart Comité in New York en de Textielcommissie. Op diverse Nederlandse ministeries in Londen, waaronder Handel, Nijverheid en Scheepvaart, werden werkgroepen opgericht, die zich bezig hielden met de voorbereiding van ontwerp-besluiten. Ook interdepartementale commissies waren actief, waaronder de Commissie Herstel Rechtsverkeer van de departementen van Justitie en Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Na de splitsing van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart in juni 1944 in twee departementen, bemoeide het departement van Handel, Nijverheid en Landbouw zich met de volgende zaken: Afdeling Economische Politiek Documentatie betreffende de economische verhoudingen in bezet Nederland en elders (economische voorlichting en documentatie). Afdeling Landbouw en Voedselvoorziening Ravitaillering van Nederland na de bevrijding. Aangelegenheden op het gebied van de landbouw en de voedselvoorziening. Afdeling Nijverheid Aangelegenheden betreffende de Nederlandse industrie. De ambtenaren van het departement moesten vaak onder gebrekkige omstandigheden hun werk verrichten. Zo schreef ir. J.F. Straatman, werkzaam op de Afdeling Nijverheid, dat zijn sectie vóór 20 januari 1945 niet beschikte over een eigen typiste en dat het typewerk alleen op rustige momenten kon worden uitbesteed aan de algemene typekamer. Zijn sectie die zich bezig hield met de chemisch-technologische aspecten van de nijverheid, werkte "met veel te weinig personeel, met veel te weinig geschoolde krachten, en met veel te weinig concrete gegevens". De sectie baseerde zich voor haar werkzaamheden, onder meer voor het opstellen van behoefteramingen voor bevrijd Nederland, op gegevens verkregen via een beperkte hoeveelheid gedrukte bronnen, verhoren van een twintigtal Engelandvaarders en zogenaamde Geheime Berichten, die slechts mondjesmaat aan de sectie werden verstrekt. E.D.M. Koning, sedert eind augustus 1944 chef van de Afdeling Nijverheid, schreef na zijn vertrek uit bezet Nederland dat hij van een Londense collega de indruk had gekregen: "van de zeer moeilijke omstandigheden waaronder de regeering in Londen haar werk moest verrichten en van het enorme personeelstekort, waarmee speciaal Handel en Nijverheid te kampen had". Afdeling Juridische en Algemene Zaken Toepassing van de besluiten inzake het rechtsverkeer in oorlogstijd en de eigendomsovergang aan de Staat van bezittingen in het buitenland van personen in bezet Nederland. Octrooizaken. Samenwerking met de Sectie Economische Zaken van de Staf van het Militair Gezag (sinds september 1944). De behandeling van de zaken betreffende de afwikkeling van gestrande ladingen en contracten van goederen, bestemd geweest voor Nederland, was met de gehele Afdeling Scheepvaartzaken naar het nieuwe Ministerie van Scheepvaart en Visserij gegaan. Hiervan was drs A.B. Speekenbrink tot secretaris-generaal benoemd. Bovendien beschikte het departement over een vertegenwoordiger bij de Missie voor Economische, Financiële en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk voor het Westelijk Halfrond en een regeringscommissaris in buitengewone dienst, belast met de voorbereiding van maatregelen tot de revitaillering van Nederland na de bevrijding, gevestigd in New York. Bij het ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw vond nog één grote reorganisatie vond plaats en wel in maart 1945. Per 12 maart 1945 was de indeling als volgt: Directie van Handel en Nijverheid, onderverdeeld in twee afdelingen: Afdeling Economische Reconstructie (voorheen Afd. Nijverheid) Afdeling Economische Politiek Binnenland Directie van de Handelsaccoorden Afdeling Voedselvoorziening Afdeling Juridische en Algemene Zaken Afdeling Economische Voorlichting Afdeling Comptabiliteit Drs A.B. Speekenbrink werd secretaris-generaal, terwijl A.Th. Lamping weer zijn oude functie van directeur van de Handelsaccoorden op zich nam, zij het in de rang van Gevolmachtigd Minister. Als logisch gevolg van de overgang van Speekenbrink van Scheepvaart en Visserij naar Handel, Nijverheid en Landbouw ging ook de bemoeienis met de liquidatie der aangehouden en gestrande ladingen over naar laatstgenoemd ministerie. Per 19 maart 1945 werd de Afdeling Handelszaken van het Ministerie van Scheepvaart en Visserij als Afdeling Afwikkeling Ladingen toegevoegd aan het Ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw. Het Bureau Londen De bewindslieden van de beide in juni nieuw ingestelde departementen, nl. die van Handel en Nijverheid en van Landbouw, Voedselvoorziening en Visserij, besloten in augustus 1945 een tijdelijk en gezamenlijk Bureau Londen in te stellen, dat verantwoordelijk zou zijn voor: de overbrenging naar 's-Gravenhage van personen en diensten ressorterende onder het voormalige Departement van Handel, Nijverheid en Landbouw te Londen; het in ontvangst nemen, toetsen en doorgeven aan de Administratie voor Relief en Rehabilitatie van aankoopopdrachten uit Nederland, zoolang deze opdrachten nog niet van uit Nederland rechtstreeks aan de Administratie voor Relief en Rehabilitatie worden verstrekt; het verrichten van alle daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden ten behoeve en in opdracht van den Economischen Voorlichtingsdienst; het behandelen van alle aangelegenheden, welke als uitvloeisel van de uitvoerende taak der beide Ministeries tijdelijk nog in Londen moeten worden verricht en het daartoe onderhouden van het noodige contact met geallieerde instanties; het behandelen van comptabele kwesties der beide Ministeries, voorzoover deze in Londen moeten worden behandeld. Tot hoofd van het Bureau Londen werd benoemd ir F.Q. den Hollander, waarnemend directeur-generaal van Handel en Nijverheid in Den Haag. Zijn plaatsvervanger was mr. E.D.M. Koning, hoofd van directie Handels- en Industrieel Beleid. De dagelijkse leiding berustte bij de Bureausecretaris, drs. H. Jonker. De behandeling van zaken betreffende landbouw, visserij en voedselvoorziening lag in handen van drs. C.C.L. Eygenraam. De organisatie van het Bureau Londen zag er als volgt uit: Bureauleiding Bureau Secretariaat Sectie Algemene Dienst, Personeel en Archief Sectie Reizen en Ontvangst Bureau Coördinatie Aankoopopdrachten Bureau Londen Economische Voorlichtingsdienst Bureau Comptabiliteit Bureau Landbouw Het ministerie van Handel en Nijverheid hief zijn gedeelte van dit Londens Bureau reeds op per 31 oktober 1945. De Sectie Reizen en Ontvangst werd overgeheveld naar Administratie voor Relief en Rehabilitatie. Jonker werd belast met de verdere afwikkeling in Londen. Het Londense Bureau van het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, onder leiding van Eygenraam, bleef na 31 oktober 1945 nog bestaan. Het Bureau Londen van de Economische Voorlichtingsdienst (ook kortweg EVD genoemd) was de opvolger van de Afdeling Economische Voorlichting van het Londense Ministerie van Handel, Nijverheid en Landbouw. De Economische Voorlichtingsdienst, in augustus 1945 verhuisd van Stratton House aan Stratton Street naar Mexborough House aan Doverstreet, ging per 1 november van datzelfde jaar over naar de Handelsafdeling (Economische Afdeling) van de Nederlandse ambassade in Londen. Het Bureau Londen van de Economische Voorlichtingsdienst had de volgende werkzaamheden: uitgave van de Netherlands Economic News en documentatievoorziening van de Engelssprekende Nederlandse consulaire posten; het informeren van Nederlandse overheidsinstellingen en particuliere bedrijven op verzoek; het voeren van de handelscorrespondentie ten behoeve van het Nederlandse consulaat-generaal in Londen; contacten met buitenlandse en Nederlandse consulaten ten einde economische informatie te verzamelen; samenwerking met de Administratie voor Relief en Rehabilitatie inzake het uitwisselen van informatie; het voorzien van de Economische Voorlichtingsdienst in Den Haag van relevante informatie en documentatie. Bij de overheveling van de EVD naar de ambassade vonden er geen wezenlijke veranderingen plaats in de werkzaamheden. De contacten met de diplomatieke posten in het buitenland in het kader van de informatie- en documentatieverwerving werden teruggebracht en de activiteiten beperkt tot het Brits imperium en die plekken waar Nederland geen diplomatieke vertegenwoordiging had. Uit bezuinigingsoverwegingen is de EVD in Londen geleidelijk sterk ingekrompen. In augustus 1948 waren nog slechts 3 personen op de ambassade werkzaam, belast met economische voorlichting, vermoedelijk reguliere ambassadewerkzaamheden.
Hoofdstuk 1: Het Geslacht Van Bylandt De heren Van Bylandt stammen af van de Gelderse ridder Willem Doys, zoon van Theodoricus Doys, die in 1275 beleend werd door Diederik VIII graaf van Kleef met het slot Scathe bij Pannerden, genaamd Bilant. Deze naam werd door hem aangenomen als grondsof goedheer. Zijn nazaten splitsten zich in een tak, die door huwelijk verbonden werd met het huis Halt en een tak, die zich verbond met de heerlijkheid Rheydt. Dit geslacht heeft verscheidene funkties in het maatschappelijke leven bekleed, zoals blijkt uit de hieronder beschreven personen. Hoofdstuk 1.1: Alexander Graaf van Bylandt Alexander was een telg van het geslacht Van Bylandt-Halt; hij werd op 29 december 1743 te Nijmegen geboren als jongste zoon van Otto Roeleman Frederik en Anna Constantia van Sevenaer. Op zijn eenentwintigste jaar trouwde hij met Anna barones van der Duyn. Samen kregen zij vijf zoons en twee dochters. In zijn militaire loopbaan bracht hij het tot generaal-majoor van de infanterie en kreeg bij afwezigheid van stadhouder Willem V het bevel over het garnizoen van Breda. Deze stad zou hij bij de Franse belegering in 1793 te snel hebben overgegeven, daardoor werd hij vervallen verklaard van al zijn militaire charges en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, die overigens tot de Bataafse onwenteling duurde. Hij stierf, gescheiden van zijn echtgenote, in 1819. Hoofdstuk 1.2: Otto Anne Graaf van Bylandt De oudste zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren in 1766. Hij werd belast met het toezicht over de studie van de erfprins, de latere koning Willem I, aan de Leidse universiteit waar hij zelf gestudeerd had. In 1783 trad hij in dienst van het staatse leger en bracht het tot ritmeester. Hij trouwde met de Leidse burgemeestersdochter Agatha Wilhelmina Twent in 1791. Otto Anne was kamerheer bij Willem Frederik van Oranje in 1804, de koningin van Holland in 1806, koning Lodewijk Napoleon in 1810 en koning Willem I in 1822. In 1848 werd hij lid van de Eerste Kamer en hij overleed te Breda op 20 februari 1857. Hoofdstuk 1.3: Jean Charles Graaf van Bylandt De vierde zoon van Alexander en Anna van der Duyn werd geboren op 5 januari 1776 te 's-Gravenhage. Jean Charles werd in 1792 aangesteld als brigadier en ritmeester bij de lijfgarde van Willem V tot de omwenteling in 1795. Hij begaf zich naar Osnabrück, waar meer dan achthonderd officieren zich verzameld hadden onder prins Frederik om de oude orde te herstellen, wat mislukte. Daarna studeerde hij staatswetenschappen aan de universiteit van Leipzig. Door koning Lodewijk Napoleon werd hij gevraagd weer in militaire dienst te treden, wat hij weigerde. Op 11 maart 1807 werd hij benoemd tot minister-plenipotentiaris te München. Regelmatig liet hij weten, dat zijn inkomsten niet in overeenstemming waren met de kosten van levensonderhoud in Beieren. In 1813 behoorde hij tot diegenen, die voor herstel van het huis van Oranje ijverden. Hij werd aangesteld bij de vrijwillige lijfwacht te paard en in 1814 kwam zijn benoeming tot gewoon kamerheer, die gevolgd werd door een aanstelling tot hofmaarschalk van 's konings oudste zoon, de latere koning Willem II. In 1815 werd Jean Charles lid der Provinciale Staten en acht jaar later lid der Gedeputeerde Staten van Holland. Van 1831 tot zijn dood was hij lid der Eerste Kamer. In 1838 werd hij opperkamerheer en opper-intendant der koninklijke paleizen. Hij was gehuwd met Otteline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum op 28 oktober 1805 te 's-Gravenhage en kreeg twee zonen. Hij stierf in 1841. Hoofdstuk 1.4: Eugène Jean Alexander Graaf van Bylandt De oudste zoon van Jean Charles en Otheline Agnes Catharina gravin van Limburg Stirum werd geboren op 1 juli 1807 te 's-Gravenhage. Hij studeerde in Leiden en promoveerde in 1830.(Bylandt, Specimen antiqui juris publici.) In 1837 trouwde hij met Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken en zij kregen in 1840 een zoon, Carel van Bylandt. Eugène van Bylandt werd referendaris bij het Kabinet des Konings, gouverneur der provincie Zuid-Holland tot 1859, commissaris des konings in Overijssel in 1864, lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland, lid van de Raad van State, lid en president der Eerste Kamer, curator der Leidse Universiteit en kamerheer des konings. Nadat zijn vrouw in 1849 gestorven was, hertrouwde hij met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, staatsdame van koningin Anna Paulowna. Hij overleed op 21 februari 1876 te 's-Gravenhage. Hoofdstuk 1.5: Carel Jan Emilius Graaf van Bylandt Carel van Bylandt werd geboren op 8 januari 1840 te 's-Gravenhage; zijn ouders waren Eugène Jean Alexander en Marie Henriette barones van Tuyll van Serooskerken. Nadat hij het gymnasium Haganum had doorlopen, studeerde hij rechten te Leiden en promoveerde in 1864 op 'Het regt van petitie'. Hij nam een betrekking aan als volontair op de Provinciale Griffie van Zuid-Holland. In 1866 kwam Carel van Bylandt op het Departement van Koloniën, waarna hij commies van staat bij de Raad van State werd van 1866 tot 1872. In 1872 werd hij benoemd tot referendaris bij het Kabinet des Konings, maar na een jaar vertrok hij, toen hij tot lid van de gemeenteraad van Den Haag werd gekozen (1873-1877). Het Departement van Buitenlandse Zaken bood Van Bylandt in 1875 een post aan, die hij ondanks zijn lidmaatschap van de gemeenteraad accepteerde. In mei 1878 werd hij door het kiesdistrict 's-Gravenhage gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1883 droegen de Staten hem het lidmaatschap op van de Gedeputeerde Staten. Carel van Bylandt was liberaal afgevaardigde voor het kiesdistrict Gouda in de Tweede Kamer van 1894 tot 1901. In de Kamer bemoeide hij zich hoofdzakelijk met vraagstukken betreffende het universitaire onderwijs; dit staat in direkt verband met zijn curatorschap aan de Leidse universiteit (1891-1901). Bovendien was hij lid van vele sociale en culturele verenigingen, zoals het schildersgenootschap 'Pulchri Studio', het provinciaal comité tot bevordering van de afschaffing van de slavenhandel en hij was voorzitter van de Nederlandse commissie op de internationale tentoonstelling te Antwerpen. Van Bylandt werd tot voorzitter benoemd van het comité voor de inhuldigingsfeesten van koningin Wilhelmina in 1898 en bij het huwelijk van de koningin in 1901 met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. De neerslag hiervan is te vinden in een groot aantal archiefstukken. Op 30 januari 1873 trouwde Carel van Bylandt met jonkvrouw Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil, die hofdame van Amalia, prinses van Saksen-Weimar-Eisenach, was geweest.(Echtgenote van de derde zoon van koning Willem II, prins Hendrik) Zij kregen twee dochters, waarvan de jongste op vijfjarige leeftijd al stierf. In Den Haag woonde Van Bylandt op de Lange Voorhout, maar hij verbleef ook veel in het buitenland. Hij erfde van zijn grootmoeder Elisabeth Henriette Emilia van Tuyll van Serooskerken geboren Collot d'Escury de heerlijkheid Sliedrecht en de landgoederen Oostduin en Waalsdorp. Na zijn dood in 1902 gingen deze goederen over op de laatste telg van deze tak van de familie Van Bylandt, Marie van Bylandt. Hoofdstuk 1.6: Marie Alexandrine Otheline Caroline Gravin van Bylandt De oudste dochter van Carel van Bylandt en Sophie van der Staal van Piershil werd geboren op 17 april l874. Zij tekende veel in haar jeugd en maakte met haar ouders reizen naar het buitenland. Haar moeder stierf jong en nadat ook haar vader was overleden, zette zij zijn liefdadigheidswerk voort en beheerde de vele bezittingen zorgvuldig. 's Winters woonde zij in het pand aan de Lange Voorhout; de zomers bracht ze door op Oostduin. Na de Ie Wereldoorlog verbleef ze uitsluitend op Oostduin en moest het in de jaren '40 op gezag van de Duitsers verlaten. ("De freule". Het Vaderland.) Na de oorlog heeft zij Oostduin af laten breken, omdat er van het terrein misbruik was gemaakt o.a. door er V-1's en V-2's te lanceren. Zij verkocht het terrein aan de Diakonie van de Hervormde gemeente, de Nederlandse Hervormde Synode en de Haagse Hervormde kerkvoogdij, die er het Haags Hervormd rusthuis Oostduin en het flatgebouw Arendsdorp bouwden. Zijzelf ging in Laren wonen. Vlak voor haar dood werd zij ter verpleging in genoemd rusthuis opgenomen. Na haar dood werd haar gehele vermogen in een stichting ondergebracht, waarvan de statuten werden vastgelegd bij akte van 17 maart 1964. De stichting kreeg de naam M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting en heeft tot doel steun te verlenen aan rechtspersonen, die het algemeen belang van mens en dier binnen het Rijk en Europa beogen. Hoofdstuk 2: Van Bylandt-Rheydt Over het geslacht Van Bylandt-Rheydt is niet veel te vinden. Hendrik (1500-na 1527) was degene, die de titel heer van Rheydt verwierf door vererving. Van zijn verre nazaten Willem Karel Frederik graaf van Bylandt, Carl Hermann graaf van Bylandt en Agnes Hilda Johanna Maria gravin van Bylandt staan enkele gegevens boven de inventarisnummers 395, 396 en 397. Hoofdstuk 3: Rechten en bevoegdheden Hoofdstuk 3.1: Het hoogheemraadschap de Alblasserwaard De Alblasserwaard is gelegen in Zuid-Holland en kan verdeeld worden in de Overwaard, omvattend het stroomgebied van de Giessen, en de Nederwaard, het stroomgebied van de Alblas. In 1277 kreeg de Alblasserwaard haar eerste onder algemeen bestuur gestelde dijk bij handvest van graaf Floris V. De naam Alblasserwaard werd niet eerder gebruikt dan nadat de landen van Alblas bedijkt werden in 1365. Naast het hoofdzakelijk met dijkzorg belaste dijkscollege bestonden er twee afzonderlijke colleges, die het beheer voerden over de Neder- en Overwaard. Het bestuur van het waterschap de Nederwaard bestond uit twee colleges van watergraaf en heemraden, ingesteld in 1320 en 1323, bijgestaan door twee waarslieden, een klerk of sekretaris die tevens penningmeester was, een fabriek-landmeter, twee sluismeesters en een bode. Het toezicht op het bestuur hadden gecommitteerden uit de dorpen en ambachten. Tot de Nederwaard behoorden o.a. de heerlijkheden Hofwegen, Naaldwijk, Papendrecht, Sliedrecht en Streefkerk. Het beheer van de uitwatering van het waterschap de Overwaard werd geregeld in een verdrag van 1366. Daaruit heeft zich het waterschap de Overwaard ontwikkeld. Een gezworen rechter, later ook wel erfwatergraaf genoemd, met zeven heemraden schouwden de dijken. Het bestuur werd bijgestaan door een klerk, ook collecteur, gadermeester of sekretaris-penningmeester genoemd, een bode, een fabriek-landmeter en een sluismeester. Het toezicht op het bestuur hadden commissarissen, die in tegenstelling tot de gecommitteerden van de Nederwaard geen afgevaardigden van de dorpen waren. In de Overwaard lagen o.a. de heerlijkheden Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld. De archiefstukken zijn waarschijnlijk bij het persoonlijk archief van Adriaan van Bleyenburg, heer van Naaldwijk in zijn funktie als penningmeester van de Alblasserwaard terechtgekomen. Via aanverwante families Van der Burch en Collot d'Escury is het bij de Van Bylandts beland. Hoofdstuk 3.2: De heerlijkheid Benthorn De heerlijkheid Benthorn, gelegen in Zuid-Holland werd in 1724 door de Staten van Holland, aan wie het door onvermogen van de vorige eigenaren vervallen was, verkocht aan Adam Adriaan van der Duyn, heer van 's-Gravenmoer.( Aa, Aardrijkskundig woordenboek, II, 279, 280. ) Sedertdien is de heerlijkheid in de familie Van der Duyn gebleven. Het is niet geheel duidelijk hoe deze stukken bij Carel van Bylandt terechtgekomen zijn. Waarschijnlijk ligt de oorsprong in familie-banden, die sinds het huwelijk van Alexander graaf van Bylandt met Anna barones van der Duyn bestaan. In 1846 werd Benthorn met Benthuizen verenigd. Hoofdstuk 3.3: De heerlijkheid Oud-Beyerland De polder Oud-Beyerland, gelegen in de Hoekse Waard in Zuid-Holland, werd genoemd naar Sabina van Beyeren, echtgenote van Lamoraal van Egmond. In 1556 werd een begin gemaakt met de bedijking door Lamoraal van Egmond, die de middelen voor de bedijking bij elkaar bracht door alvast het land te verkopen. Na de onthoofding van zijn vader in 1568, waarbij alle goederen verbeurd verklaard werden, kreeg Philips van Egmond de Beyerlanden (Oud- en Nieuw-Beyerland) bij de pacificatie weer in bezit. Hij ging door met het bedijken van Oud-Beyerland totdat hij de Spaanse zijde in 1579 gekozen had en zijn goederen in beslag werden genomen door de Staten van Holland. De vruchten van Oud-Beyerland werden genoten door Philip's zusters Françoise en Sabine van Egmond, die in de Noordelijke Nederlanden verbleven en gereformeerd waren. In 1589 stierf Françoise; het jaar daarop Philips, toen kwamen de rechten aan zijn broer Lamoraal. Hij droeg de rechten over aan Sabine in 1593; zij werd door de Staten van Holland met de hoge heerlijkheid beleend. Sabine overleed in 16l4 en in 1619 werden de Beyerlanden te koop aangeboden. Ze gingen voor een goede prijs van de hand en werden door de Staten van Holland genaast. Eén archiefstuk is in het bezit van de Van Bylandts gekomen via de aanverwante familie Van der Staal van Piershil. Hoofdstuk 3.4: De heerlijkheid Hofwegen De heerlijkheid Hofwegen, gelegen in de Alblasserwaard, was tot in het begin van de 15e eeuw in het bezit van het geslacht Van Brederode. Het werd in de 18e eeuw eigendom van de familie Van Hogendorp. Dit enige overgeleverde archiefstuk is waarschijnlijk meegekomen met Catharina Frederica Augustina Alexandrina gravin van Hogendorp van Hofwegen, die getrouwd was met mr. Eugène Jean Alexander graaf van Bylandt. Nadat de laatste heerlijke rechten in 1848 werden afgeschaft, ging de heerlijkheid op in de gemeente Bleskensgraaf. Hoofdstuk 3.5: De polder het nieuwland genaamd Den Andel De polder het Nieuwland is ontstaan door aanwas van gronden ten zuiden van Delfland in Zuid-Holland. In 1322 werd in een akte melding gemaakt van gorzen gelegen onder 's-Gravenzande tussen de Delflandse Dijk en de Maas genaamd Den Grooten Andel. Nadat het geslacht Van Voorne ermee beleend was door graaf Willem III in 1328, krijgt het Kapittel van St. Marie in Den Haag in 1371 Den Andel. Het Kapittel gaf de gorzen ter bedijking uit in 1414 aan zijn kanunnik Jan Gillisz van Wissenkerc, tevens deken van het Kapittel van St. Pieter in de Noordmonsterkerk te Middelburg. De confirmatie van 1415 bevat ook bestuurlijke bepalingen, zoals de instelling van een college van vijf hoofdingelanden, dat als uitvoerend orgaan een dijkgraaf en gezworenen aanstelde. Het bedijkte land werd later het Binnen-Nieuwland, het buitendijkse werd het Buiten-Nieuwland genoemd en het geheel heette het Nieuwland genaamd Den Andel. Het Kapittel van St. Marie behield het eigendom van een zevende deel, zowel binnen- als buitendijks met vrijdom van alle lasten, het zogenaamde "vrije zevende". Delfland was belast met het toezicht en de zorg voor de Kapittelduinen, waar het Nieuwland contributie voor betaalde. Regelmatig ontstonden er geschillen over ieders aandeel in de kosten van herstel en versterking van de zeewering. De konijnen vormden een bedreiging van de zeewering van binnenuit, daartegen werden maatregelen getroffen zoals te vinden is in diverse inventarisnummers. In 1852 werd de polder binnen de grenzen van het Hoogheemraadschap Delfland gebracht, dat de zorg en het onderhoud van de zeewering op zich nam. Via Hendrik Collot d'Escury kwamen de stukken betreffende het Nieuwland terecht bij de Van Bylandts. Hoofdstuk 3.6: De heerlijkheid Papendrecht Ook de heerlijkheid Papendrecht was gelegen in de Alblasserwaard. De Brederode's die de machtigste heren in dit gebied waren in de Middeleeuwen, bezaten Papendrecht, leengoed van de graven van Holland, tot het begin van de 15e eeuw. Na een jarenlang durend proces over de vererving tussen de dijkgraaf en de hoogheemraden van de Alblasserwaard aan de ene kant en de Van Muilwijks aan de andere kant kocht in 1625 Tielman van Muilwijk Papendrecht. In 1744 kwam de heerlijkheid in het bezit van Dordrecht. De stukken zijn waarschijnlijk via de aanverwante familie Van Bleyenburg op de familie Van der Burch en daarna op het geslacht Collot d'Escury overgegaan. Hendrik Collot d'Escury die geen stamhouder had, heeft zijn stukken betreffende heerlijkheden nagelaten aan Carel van Bylandt. Hoofdstuk 3.7: De heerlijkheid Piershil De heerlijkheid Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, is in de 17e eeuw in handen geweest van het geslacht Van Hesse. Hendrik Pelt kocht in 1721 de heerlijkheid van Gillis van Hesse, waarna Piershil vererfde via de familie Gevers, Meerman en Schoonhoven op Van der Staal. Tenslotte is de heerlijkheid via de echtgenote van Carel van Bylandt, Sophie Alexandrine op Marie van Bylandt overgegaan. Thans beheert de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting de laatste heerlijke rechten van Piershil. Het archief van de heerlijkheid bevindt zich op de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief in het archief van de familie Van der Staal van Piershil. Een aantal stukken zijn waarschijnlijk bij de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting achtergebleven en bij de papieren van de Van Bylandts terechtgekomen . Hoofdstuk 3.8: De heerlijkheid Sliedrecht Op het gebied van de gemeente Sliedrecht, gelegen in de Alblasserwaard, bestonden voor 1795 drie naast elkaar gelegen heerlijkheden, te weten Lokhorst of Oversliedrecht, Naaldwijk, en Niemandsvriend. Elk van de ambachten had dan ook zijn eigen schout en heemraden of schepenen, die door de ambachtsheer werden aangesteld. In 1853 erfde Carel Jan Emilius van Bylandt de drie samengevoegde heerlijkheden van Hendrik Collot d'Escury. Hoofdstuk 3.9: Lokhorst of Oversliedrecht Sliedrecht werd in de Middeleeuwen vaak aangeduid als Oversliedrecht, hiermee wordt Sliedrecht aan de overzijde van de Merwede in de Alblasserwaard onderscheiden van Sliedrecht bij Kraaiestein in de Grote Waard, dat met de St. Elizabethsvloed in 1421 verdronken is. Lokhorst is de naam, die leden van het geslacht Van Lockhorst aan deze heerlijkheid hebben gegeven, toen zij haar van de 14e tot in de 16e eeuw in leen hielden van de hofstede van de Merwede. Door huwelijk kwam het leen in 1597 aan Nicolaas van Schagen en Matenesse, waarna zijn leenopvolgers het in 1675 aan Johan Teding van Berkhout verkochten. Johan van der Burch verwierf de heerlijkheid in 1696; in 1759 werd Sliedrecht aan Simeon Petrus Collot d'Escury overgedragen. Hoofdstuk 3.10: Naaldwijk De naam van deze heerlijkheid was afkomstig van Willem van Naaldwijk, die haar in 1370 in leen kreeg. Naaldwijk blijkt van 1447 tot het eind van de 16e eeuw leenroerig te zijn aan de hofstede Brederode. Nadat de ambachtsheer de spade in de dijk had gestoken en het land verlaten had vanwege hoge dijklasten werd de Alblasserwaard eigenaar, die de heerlijkheid in 1625 overdroeg aan Adriaan van Bleyenburg. Naaldwijk ging over van het geslacht Van Bleyenburg naar het geslacht Van der Burch in 1730, waarna Simeon Petrus Collot d'Escury heer van Naaldwijk werd. Hoofdstuk 3.11: Niemandsvriend De naam Niemandsvriend, in de Middeleeuwen ook wel Colijnsambacht genoemd, is verbonden aan het tolhuis. In het begin van de 16e eeuw behoorde het ambacht Niemandsvriend aan de hofstede Nijenrode, die de helft in leen had uitgegeven. In 1771 verwierf Hendrik Collot d'Escury, de oudste zoon van Simeon Petrus, deze helft van Johan van der Burch; hij kocht de andere helft van het echtpaar Onderwater-Hoefft. Hoofdstuk 3.12: Het goed bij Klarenbeek De hof Ingen Elsen bij Klarenbeek was gelegen in het hertogdom Kleef. In 1437 schonk de hertog van Kleef het aan zijn natuurlijke zoon Johan van Kleef Blankenstein. Via zijn familie en de aanverwante geslachten Smullinck en Selbach is het goed in de 17e eeuw een leen van de Von Lützenraths geworden. Hoe het goed van het geslacht Von Lützenrath bij het geslacht Von Wartensleben terecht is gekomen is niet bekend, evenals hoe de stukken bij Van Bylandt-Halt in het archief zijn geraakt. Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln. Gorinchem, 1839-1851. Aa, C. van der. Geschiedenis van den jongst-geëindigden oorlog tot op het sluiten van de vrede te Amiëns, byzonder met betrekking tot de Bataafsche Republiek. 10 dln. Amsterdam, 1802-1808. Bos Jzn, W. Van hennepland tot huizenzee. Sliedrecht, 1978. Bosscha, J. Neêrlands heldendaden te land van de vroegste tijden af tot in onze dagen. 4 dln. Leeuwarden, 1834-1856. Bylandt, C.J.E. van. Het regt van petitie. 's-Gravenhage, 1864. Bylandt, E.J.A. van. Specimen antiqui juris publici Belgici inaugurale de Imperii Forma sub comitibus Hollandiae. Leiden, 1830. Die Lehnregister des Herzogtums Kleve. E. Dösseler, F.W. Oediger. Das Hauptstaatsarchiv Düsseldorf und seine Bestände. 8 dln. Siegburg, 1957-1974. Gouw, J.L. van der. De ring van Putten. 's-Gravenhage, 1967. Hardenberg, H. Oostduin en de graven van Bylandt. Geschiedenis van een Haagse woonwijk. 's-Gravenhage, 1976. Hasselt, G. van. "Oorsprong van het geslacht Van Bylandt" in: Geldersche Byzonderheden, I-III. Arnhem, 1809. Isenburg, W.K. von. Stammtafeln zur Geschichte der Europäischen Staaten (Europäische Stammtafeln). 8 dln. Marburg, 1965-1980. Jansen, H.P.H. Kalendarium. Geschiedenis van de lage landen in jaartallen. Utrecht, 1974. Jansen, H.P.H.; Swart, K.W.; Deursen, A.Th. van,e.a. Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis. Alphen a/d Rijn, 1979. Kort, J.C. "Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Zuid-Holland, het land van Gelre, het Sticht van Utrecht, Putten en Heenvliet, 1199-1648" in: Ons Voorgeslacht, 1977. Groot Charterboek der graaven van Holland en Zeeland en heeren van Vriesland; beginnende met de eerste en oudste brieven van die landstreeken, en eindigende met den dood van onze gravinne, vrouwe Jacoba van Beyere. F. van Mieris. 4 dln. Leiden, 1753-1756. Molhuysen, P.C.; Blok, P.J.,e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. 10 dln. Leiden, 1911-1937. Nederland's Adelsboek. 10e jaargang. 's-Gravenhage, 1912. Nieuwe Nederlandsche jaarboeken of vervolg der merkwaardigste geschiedenissen, die voorgevallen zijn in de Vereenigde Provinciën, de Generaliteitslanden en de Volksplantingen van den staat. 33 dln. Leiden, 1748-1798. Teixeira de Mattos, L.F. De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland. 10 dln. in 14 bdn. 's-Gravenhage, 1906-1961. Het Vaderland, 13 augustus 1968. "De freule had het voor 't zeggen". Vey Mestdagh, J.H. de. "Het Nieuwland genaamd Den Andel" in: Rotterdams Jaarboekje, 1960. Vorsterman van Oyen, A.A.; Epen, Joh.D.G. van; Meulen, J.C. van der. Jaarboek van den Nederlandschen Adel. 5 dln. 's-Gravenhage, 1888-1891; Oisterwijk, 1893-1894.
Het geslacht van Lansberge. Het geslacht van Lansberge, afkomstig uit België, stamt af van Karel van Lansberge, die in het midden van de 15e eeuw leefde in de Kasselrije van Kortrijk. Met Daniel van Lansberge (1523-1595) kwam dit geslacht in Nederland. Van zijn zonen genoot Philips van Lansberge (1561-1632), predikant in Antwerpen, Goes en Middelburg, vermaardheid als wis-, natuur- en sterrenkundige. Hij was de grondlegger van de tak, waarvan het archief hier wordt besproken. Zijn kleinzoon Jacob van Lansberge (1656-1727) was burgemeester van Hulst en Hulsterambacht; diens zoon Martinus (1689-1751) was pensionaris van Brielle en vervolgens gezant van de Republiek der Verenigde Nederlanden in Keulen. Jacob van Lansberge (1740-1809) volgde de voetsporen van zijn vader en vertegenwoordigde de Republiek in Trier, Bonn, de Westfaalse Kreits en de Vrije Rijksstad Keulen. Een dochter uit zijn eerste huwelijk, Johanna Louise Martine (1768-1819), huwde met de Nederlandse gezant aan het hof van Baden, Samuel Ulrich Gronovius (1772-1810). Reinhard Frans Cornelis van Lansberge (1804-1873) was zijn enige zoon uit zijn tweede huwelijk met Maria Margaretha Henrica van Oldenbarneveldt, genaamd Tullingh (1774-1864). Na een korte loopbaan als ambtenaar van registratie en domeinen op Curaçao werd hij in 1826 benoemd tot vice-consul in Bogota, de hoofdstad van Nieuw-Granada (het huidige Colombia), waar weldra de bekende vrijheidsstrijder Simon Bolivar president werd. Bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1828, nr. 48, werd hij consul aldaar; hij kreeg er de gelegenheid, een intensieve studie van het land te maken. Zijn diplomatieke missie werd in 1840 uitgebreid met het consulaat-generaal van Venuzuela en Equador. In 1840 trad hij op, toen de regering van Venuzuela Curaçao met een oorlogsverklaring bedreigde, omdat het de oppositie zou steunen: hij schorste de diplomatieke betrekkingen en liet een eskader van het Nederlandse goevernement voor de kust kruisen. Wederom nam hij militaire maatregelen, toen in 1854 naar Coro geemigreerde Curaçaose joden door de plaatselijke bevolking werden gemolesteerd. Op 28 april 1855 werd hij benoemd tot goeverneur van Curaçao en onderhorigheden, een functie, die hij op 25 februari 1856 aanvaardde. In de drie jaar van zijn bewind bekampte hij de Colombiaanse zeerovers, die de scheepvaart belemmerden, en verbeterde het ziekenhuiswezen en de postdistributie op Curaçao. In 1859 nam hij afscheid om zijn benoeming als goeverneur van Suriname te aanvaarden. Het belangrijkste werk van zijn achtjarig bewind op Suriname was de uitvoering van de motie van de Tweede Kamer van 16 november 1855, "dat de slavernij op een nader te bepalen tijdstip zou worden af geschaft op een wijze, bij de wet te bepalen". De wet tot afschaffing van de slavernij werd eerst op 1 juli 1863 van kracht. Een van de reglementen, die uit de afschaffing voortvloeide, was het tienjarig staatstoezicht op de naleving van de arbeidsovereenkomsten, die tijdens de vrijlating werden opgesteld. Van Lansberge zorgde er vooral voor, dat de met de vrijmaking gepaard gaande onlusten tot een minimum beperkt bleven. Tevoren had hij een geschil met Frans Guyana over een stuk grond tussen de twee rivierarmen van de Marowijne tot een voor Nederland gunstig einde gebracht. Door de instelling van de Koloniale Staten krachtens het regeringsreglement van 1866 trachtte hij de Surinaamse burgerij in het bestuur en in het economische leven te betrekken. Te dien einde werd in 1865 de Surinaamse bank opgericht. In 1867 trok hij zich op 63-jarige leeftijd uit het politieke leven terug. Zijn vrouw, Victoria Maria Rodrigues y Escobar, met wie hij op 2 maart 1823 was gehuwd, schonk hem drie zoons. Hiervan vertrok de oudste, Johan Wilhelm (1830-1905), spoedig naar Nederland om in Leiden te studeren. Daar promoveerde hij in 1854 in de rechten, en na een korte militaire loopbaan in Den Haag werd hij in 1857 tot secretaris van de Nederlandse legatie in Spanje benoemd. In hetzelfde jaar werd hij naar St. Petersburg overgeplaatst, in 1860 naar Brussel. In 1864 werd hij benoemd tot raad van de Nederlandse legatie in Parijs, in 1866 tot tijdelijk secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. Persoonlijk speelde hij een rol in een diplomatiek geschil tussen België en Nederland over de afdamming van het Sloe en de Oosterschelde voor de aanleg van een spoorlijn van Vlissingen naar Venlo door de publikatie van twee anonieme brochures, waarin hij het Nederlands standpunt voor internationaal publiek verdedigt. In 1871 werd hij buitengewoon gezant in Brussel. De benoeming tot goeverneur-generaal van Nederlands Indië in 1874 betekende een radikale ommekeer in zijn loopbaan. Op 25 maart 1875 kwam hij in Batavia aan. Hier werd hij geconfronteerd met de Atjeh-oorlog, die oorspronkelijk een reeks expedities tegen de Atjehse zeeroverij inhield, maar allengs uitgroeide tot een streven naar de vestiging van Nederlands bestuur in het vorstendom zelf. Onder leiding van generaal A.J.E.Diemond probeerde Van Lansberge de kuststrook onder Nederlands gezag te brengen. Na een bezoek aan Atjeh in 1877 besloot hij het militaire bezettingsbewind geleidelijk aan te doen vervangen door een burgerlijk bewind, ofschoon hij militair ingrijpen, o.m. door Diemonts opvolger, K. van der Heyden, niet schuwde. Bij zijn vertrek in 1881 achtte hij de situatie gunstig genoeg voor de aanstelling van een goeverneur in het veroverde kustgebied. Mede door de Atjeh-oorlog leverde de begroting van de koloniën geen batig slot meer op. Om dit op te vangen, trachtte men de financiën van Indië te scheiden van die van het moederland, hetgeen gepaard ging met de invoering van belastingmaatregelen in de koloniën. Dit gelukte niet zonder heftig verzet van de Europeanen. Ook poogde Van Lansberge de inlandse herendiensten te doen afschaffen door de invoering van een uniform hoofdgeld. Hij toonde zich geen voorstander van de conversie van het dessa- en communaal landbezit van de inlander in individueel bezit. Wel steunde hij de ondernemers door verbetering van de infrastuctuur door de aanleg van spoorwegen en de uitvoering van andere openbare werken. In Zuid-Oost Borneo, Sumatra's Westkust, Palembang en Benkoelen werd het Nederlands bestuur hechter georganiseerd. In 1881 keerde Van Lansberge weer met zijn vrouw Rafaëla Romoalda Ricarda del Villar y Battle terug naar Nederland, waar hij de rest van zijn leven doorbracht met studies over vlinders en het kweken van orchideeën. In 1905 overleed hij in Menton. Zijn broer Henry (1832-1854) sneuvelde jong in Coduto (Venezuela) aan de zijde der federalisten. Zijn jongere broer Jan Felix Adriaan Eugeen (1839-1883) maakte als militair vele onderzoekings- en inspectietochten in de binnenlanden van Suriname. Met J.F.A. Cateau van Rosevelt was hij de samensteller van een verbeterde kaart van Suriname, die in 1881 verscheen. Hij was gehuwd met Wilhelmina Suzanna Petronella Adriana Maas Geesteranus, die na zijn dood de geschiedenis van haar huwelijk in een deeltje mémoires vastlegde ten behoeve van het nageslacht. Van de vele kinderen die zij kreeg zette slechts George van Lansberge (1873-1940) employé van de Bataafse Petroleum Maatschappij in Batavia, het geslacht voort. Diens zoon Jan Willem George (1908-1963) huwde als tweede vrouw op 3 juni 1947 Maria de Kanter, een nicht van het liberale Kamerlid P.J. de Kanter.
De geschiedenis van de familie Baumhauer en Von Baumhauer begint, voor zover thans bekend, in de veertiende eeuw in het Westfaalse Coesfeld binnen het milieu van de Duitse Hanze. In een tijd waarin de spelling van familienamen nog niet vaststond, werd de schrijfwijze regionaal bepaald. Gosswin Boomhouwer van Coesfeld (ca. 1410-1486), die rechten in Keulen studeerde, was in de periode 1441-1477 secretaris van de machtige Duitse Hanze te Brugge. Zijn nazaten woonden als kooplieden in de Hanzestad Reval, het huidige Tallin in Estland. Eén van hen, Christianus Bomhower (ca. 1468-1518) stelde zijn leven in dienst van de rooms-katholieke kerk en was aanvankelijk aflaatcommissaris en later bisschop van Dorpat (Tartu in Estland). Als dank voor zijn verdiensten voor de rooms-katholieke kerk verleende Keizer Maximiliaan I van Oostenrijk in 1513 Christianus en zijn broers het recht tot het voeren van het wapen met de leeuw en drie boomstammen: 'De stammen onder de Leeuw'. Christianus' broer, Hans Bomhower, verliet omstreeks 1529 de stad Reval en werd vrijwel zeker de stamvader van de Eupense en Akense familie van lakenfabrikanten en lakenkooplieden. Omstreeks 1600 ging de familie Baumhewer over tot de Reformatie naar de inzichten van Johannes Calvijn. In de 17e-eeuw werden de gereformeerden uit Aken verdreven, waarna drie Baumhewer-broers zich in Maastricht vestigden en een omvangrijk nageslacht aan kooplieden, hoge militairen en bankiers voortbrachten. Johan Baumhewer (ca. 1621-1682) mocht vanwege zijn status als rijke koopman tegen betaling van het 'Beiwohnrecht' binnen de stadsmuren van Aken wonen. Zijn kleinzonen Johan (1689-1760) en Heinrich (1691-1741) stichtten aan het begin van de 18e-eeuw nieuwe lakenfabrieken in het nabijgelegen Eupen. Eupen werd de plaats waar drie nieuwe takken ontstonden: Wilhelm Jacob Baumhauer (1735-1796) trok naar Hamburg en kreeg daar nakomelingen tot in de tegenwoordige tijd. Zijn broer Heinrich Baumhauer (1726-1790) legde door zijn huwelijk met de rooms-katholieke Petronella Nicolai de basis voor een omvangrijke rooms-katholieke familie met nakomelingen tot in de huidige tijd in geheel West-Duitsland. Van Johan Boomhouer (1689-1760), lakenkoopman en leider van de gereformeerde gemeenschap te Eupen, is de vroegstbewaarde familiekroniek afkomstig. Uit deze kroniek is ondermeer bekend dat zijn dochter Anna Catharina Baumhauer (1730-1795) tegen de wil van haar vader trouwde met haar neef Jacob Reinhard Baumhauer (1729-1786), die in Aken een lakenfabriek had. Na het overlijden van Jacob Reinhard zette de weduwe het bedrijf samen met haar zoon Johann Matthias Baumhauer (1759-1818) voort. De bijbehorende schriftelijke overeenkomsten werden door Jon Baumhauer te München in 2002 aan het Familiearchief Von Baumhauer geschonken. Johans jongste zoon, de koopman Matthijs Jacob Boomhouer (1737-1789) vestigde zich omstreeks 1762 op de Keizersgracht te Amsterdam om de koopmansfirma van zijn kinderloze oom Wilhelm Baumhauer (1695-1758) en tante Elisabeth Cappel voort te zetten. Hij werd stamvader van de Nederlandse tak, die sinds het midden van de 19e-eeuw de naam 'Von Baumhauer' draagt, nadat eerst omstreeks 1790 in Nederland de schrijfwijze 'Baumhauer' was geworden. De oudste zonen van Matthijs Jacob Boomhouer en Helena Maria von Scheibler zagen in de Napoleontische tijd geen kans de oorspronkelijk zo vermogende koopmansfirma voort te zetten. In hun generatie voltrok zich de overgang naar beroepen op het bestuurlijke en juridische terrein. Zo werden Charles Matthieu Baumhauer (1779-1834) bestuursambtenaar in Nederlands-Indië en zijn jongere broer Matthieu Jacques Reinhard Baumhauer (1789-1822) aanvankelijk militair onder Napoleon en later secretaris van het Nederlandse Gouvernement in Malakka. Daar werd Jan Willem Samuel von Baumhauer (1820-1884) geboren, die na het vroegtijdige overlijden van zijn ouders in Brussel en vervolgens in Utrecht bij zijn oom Willem Theodorus (von) Baumhauer opgroeide. Hij studeerde daar rechten en was later werkzaam als bestuursambtenaar op Java en Borneo's westkust. Bij de Javaanse vrouw Sarina had hij één dochter, Maria (1852/4-1932). Centrale figuur in de 19e-eeuwse familie was een derde broer, Mr. Willem Theodorus (von) Baumhauer (1785-1849), Procureur-Generaal te Brussel en Utrecht, die in 1824 pogingen deed in de adelstand verheven te worden. Omdat hij geen bewijzen kon aanvoeren voor zijn afstamming van één van de in de wapenbrief van 1513 genoemde vier gebroeders Bomhower, kon de Hoge Raad van Adel niet aan dit verzoek voldoen. Sinds ongeveer 1842 noemden Willem Theodorus Baumhauer, zijn vier zonen en neef Jan Willem Samuel zich officieel 'Von Baumhauer', hetgeen tot op heden de schrijfwijze van de Nederlandse tak is gebleven. Het geslacht van Willem Theodorus (von) Baumhauer en Apollonia Joanna Croese werd tot in de huidige tijd door één zoon voortgezet in de persoon van Professor Edouard Henri von Baumhauer (1820-1885), gehuwd met Elisabeth Catharina Petronella Boonen. Hij genoot op scheikundig terrein een groot aanzien in binnen- en buitenland en stond in contact met belangrijke geleerden van zijn tijd. Door vererving kwamen landerijen en boerderijen in Elspeet en Vierhouten op de Veluwe, die al eeuwen in het bezit waren van de familie Boonen, in de familie Von Baumhauer. In 1917 verrees aldaar aan de Elspeterbosweg 'Huize Vierhouten' dat een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog zou spelen. Nakomelingen van het echtpaar Von Baumhauer-Boonen in rechte lijn zijn: Mr. Edouard Marie von Baumhauer (1853-1907), Officier van Justitie te Amsterdam; de broers Mr. Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950), advocaat te Amsterdam en Ir. Albert Gillis von Baumhauer (1891-1939) vliegtuigbouwkundige en ten slotte de bedrijfsjurist Mr. Edouard Mari Herminius von Baumhauer (geb. 1931). Edouard Henri von Baumhauer (1890-1950) was een zelfstandig gevestigd advocaat in Amsterdam met uitgebreide contacten in het internationale zakenleven. Daarnaast was hij voorzitter van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en vertegenwoordiger van de Deutsche Bank. Voor zijn werk bij de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel ondernam hij in 1930, 1932 en 1938 enkele maandenlange reizen naar de Verenigde Staten van Amerika. Onder druk van de oorlogomstandigheden nam hij in 1943 vanuit 'Huize Vierhouten' het initiatief tot de oprichting en in standhouding van het 'Pas-Op-kamp' voor onderduikers in het Vierhoutense bos, dat bijna twee jaar in gebruik bleef. Hiermee redde het echtpaar Von Baumhauer met hulp van velen het leven van tientallen onderduikers. In de naoorlogse jaren verzamelde zijn weduwe Hermien verdere documentatie en bewijsmateriaal over de rol van haar man in de Tweede Wereldoorlog, mede omdat er over de betekenis van het werk van verschillende verzetsmensen verschil van mening bestaat. In het voorjaar van 1984 werd het verzetsherdenkingskruis uitgereikt aan Hermien von Baumhauer-Ribbink en haar dochter Clazien (1923-1984). Het echtpaar Von Baumhauer werd in mei 2000 postuum geëerd met de Yad Vashem-onderscheiding, die Eduard von Baumhauer (geb. 1931) namens zijn ouders te Wassenaar in ontvangst nam. De tak van de Zutphense predikant Theodore Charles Matthieu von Baumhauer (1823-1900) stierf wat betreft naamdragende nakomelingen uit met het overlijden van zijn oudste dochter Apollonia Johanna Wilhelmina von Baumhauer in 1937. Haar nageslacht vindt men heden binnen de families De Ranitz, Campert en Waszink.
1. Jan Jacob Rochussen (1797-1871) Op 23 oktober 1797 werd Jan Jacob Rochussen in Etten geboren als zoon van Jan Rochussen (1759-1818) en Aletta Jacoba Erbervelt (1764-1851). De Rochussens stamden van een Vlissings magistratengeslacht, welks stamvader Rochus Rochussen (1598 - na 1623) zich aldaar had gevestigd. Jan Jacob begon zijn loopbaan in het voetspoor van zijn vader, die was opgeklommen tot direkteur der accijnzen in Amsterdam. Toegerust met gelijke kennis en ervaring op fiskaal gebied als zijn vader, werd hij in 1826 sekretaris van de Kamer van Koophandel in Amsterdam en in 1828 direkteur van het Entrepotdok. Zijn handelsrelaties brachten hem op de weg der diplomatie: zo vertegenwoordigde hij Nederland in het college van de Rijnvaart, bij onderhandelingen met Pruisen over een scheepvaartverdrag in 1837 en met het Tolverbond over een verdrag in 1839. Op 25 juni 1840 werd hij door koning Willem I tot minister van Financiën benoemd, de eerste minister die, overeenkomstig de grondwetsherziening van 1840, jaarlijks zijn financiële politiek voor de Staten-Generaal moest verdedigen. Zijn nota van 28 oktober 1840 over het Amortisatie-syndicaat legde de deplorabele toestand van de schatkist bloot, maar zijn maatregelen ter sanering door een konversie van de werkelijke schuld van 4 in 3 procent werden in 1843 door de Tweede Kamer verworpen, als gevolg waarvan hij aftrad. De goede verstandhouding, waarin hij als gevolg van zijn diplomatieke aktiviteiten met koning Leopold I van België verkeerde, maakten hem bij uitstek geschikt voor onderhandelingen met België ter afwikkeling van geschilpunten, welke na de konferentie van Londen in 1839 waren blijven bestaan. Nog tijdens zijn ministerschap bracht hij deze tot een bevredigend einde en een post als gezant in België was hiervan het gevolg. In januari 1845 werd hij echter tot gouverneur-generaal van Nederlands -Indië benoemd. Zijn vijfjarig bewind aldaar kenmerkt zich door herziening van het muntwezen en voortzetting van het kultuurstelsel, zij het, dat hongersnoden in 1848 en 1849 tot verlichting van lasten op de inlanders noodzaakten. Hij kantte zich tegen voorstellen tot persvrijheid. Ook was hij de eerste gouverneur-generaal die daadwerkelijk streefde naar enige ordehandhaving in de Buitengewesten, zodat onder zijn bewind strafexpedities plaats vonden naar Borneo (tegen Chinese mijnwerkers) en naar de Soeloe-eilanden (tegen zeerovers). Op Java bracht hij kontraktuele bestuursbanden tot stand met de vorsten aldaar. In 1850 nam hij ontslag, doch eerst in 1852 keerde hij in Nederland terug. In datzelfde jaar nog werd hij voor het distrikt Alkmaar tot lid van de Tweede Kamer verkozen, waar hij grote invloed had bij de totstandkoming van het Regeringsreglement voor Nederlands-Indië van 1854. In 1857 trok hij zich terug, wijl hij geen oppositie wenste te voeren tegen de toenmalige minister van Koloniën P. Mijer. Zijn invloed op het koloniale beleid werd nochtans versterkt, nadat hij in 1853 was benoemd tot commissaris des konings bij de Nederlandsche Handelmaatschappij. Als zodanig was hij betrokken bij voorstellen tot de afschaffing van de slavernij in Oost- en West-Indië. In het voorjaar van 1858 werd Rochussen door de koning aangezocht een ministerie te vormen, "gematigd zonder partijschap". In dit eerste z.g. koninklijk kabinet "van fusie" (tussen konservatieven en liberalen) beheerde hij de portefeuille van Koloniën; het kabinet trad op 23 maart 1859 af na de verwerping van een wet op staatsexploitatie der spoorwegen. Rochussen, die een wet op de afschaffing van de slavernij in Oost-Indië aangenomen zag, bleef echter aan onder het volgende kabinet, dat door F.A. van Hall gepresideerd werd en in toenemende mate te kampen kreeg met de oppositie van een liberale Tweede Kamermeerderheid. Rochussens starre konservatieve stellingname voor het behoud van het kultuurstelsel en tegen parlementaire kontrole op het beheer der koloniale middelen droeg daar niet weinig toe bij. In december 1860 trad hij af, doordat zijn begroting in de Tweede Kamer werd afgestemd. Hij ging evenwel niet in op het voorstel van koning Willem III de Kamer te ontbinden. De koning, die hem node zag gaan, overlaadde hem met eerbewijzen (De koning bood hem verheffing in de adelstand aan onder de titel van graaf. Rochussen weigerde, zoals hij ook in 1842 een baronnentitel van koning Willem II had geweigerd. Rochussen werd nu het grootkruis van de Nederlandse Leeuw toegekend met briljanten, een dekoratie, die tot dan toe aan niemand was uitgereikt.). Als verpersoonlijking van "het behoudend stelsel" werd hij in 1864 wederom in de Tweede Kamer verkozen. Hij opponeerde tegen de ministeries Thorbecke en Fransen van de Putte en stelde zich achter het ministerie Van Zuylen-Heemskerk. In 1869 trok hij zich terug. Rochussen was op 14 december 1831 gehuwd met Anna Sara Velsberg (1807-1841), en wettigde hiermee drie tevoren geboren zoons en een dochter. Na het overlijden van zijn echtgenote huwde hij in Batavia op 25 september 1848 met Elisabeth Charlotta Vincent (1827-1851). Op 21 januari 1871 overleed hij in Den Haag. 2. Jhr. mr. Willem Frederik Rochussen (1832-1912) Willem Frederik, geboren in Amsterdam op 18 december 1832, was de eerste vanaf zijn geboorte wettige zoon van Jan Jacob Rochussen. Na een universitaire studie in Amsterdam, Utrecht en Leiden promoveert hij in 1855 op thesen, waarna hij de diplomatieke loopbaan kiest. Hij begint als attaché bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarna hij in 1856 tot gezantschapssekretaris te Berlijn wordt benoemd en vervolgens in 1858 te Parijs. Op 6 juli 1860 wordt hij zaakgelastigde te Kopenhagen. Hij valt op door een beleidvol en, ook in netelige kwesties, doortastend optreden. Dit leidt tot een uitbreiding van zijn post met de vertegenwoordiging in Zweden en Noorwegen. Op 14 december 1867 treedt hij in het huwelijk met Gregersone Mathilde barones Wedell-Wedellsborg (1835-1927). In 1870 wordt hij gezant in België, maar een gewichtiger post volgt, wanneer hij zich in 1871 benoemd ziet tot gezant bij het Duitse keizerrijk. Zijn berichtgeving over het nieuwe imperium bevat uitgebreide gegevens over de publieke geest aldaar en over Bismarcks politiek. Tevens bemiddelt hij voor het koninklijk huis, waarmee zijn vader steeds zulke gunstige betrekkingen had onderhouden. Op 5 januari 1876 wordt hij in de adelstand verheven met het predikaat jonkheer. Zijn vader had zelfs hogere titels steeds afgewezen. Op 15 september 1881 geeft hij na lang aandringen zijn lukratieve gezantschapspost prijs voor de benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het sterk heterogene kabinet-Van Lynden van Sandenburg. Hij verdedigt het voorstel van zijn voorganger tot uitbreiding van zijn departement met sukses, maar een onder zijn bewind gesloten handelsverdrag met Frankrijk wordt tot tweemaal toe door de Tweede Kamer verworpen, hetgeen op 9 mei 1882 tot zijn aftreden leidt. Het ontslag wordt geweigerd, maar het kabinet struikelt op een herziening van de kieswet op 23 april 1883. Rochussen blijft nu verder in Nederland, waar hij op 30 april 1886 wordt benoemd tot lid van de Raad van State, in welke funktie hij tot 1907 werkzaam blijft. Hij stelt zich in diverse publikaties konservatief en vaderlandslievend, doch ethisch bewogen, op en raakt op goede voet met koningin Wilhelmina( Vergelijk inventarisnummers 47, 60 en 64. ). Op 17 juli 1912 overlijdt hij in Den Haag. 3. Jhr. mr. Jan Jacob Rochussen (1871-1928) Jan Jacob Rochussen( Biografische gegevens van Jan Jacob Rochussen over zijn loopbaan tot 1815 bevinden zich in inventarisnummer 78. Mr. H.J. Sjollema maakt op pagina 46 van zijn studie over Isaac Rochussen melding van autobiografische aantekeningen van J.J. Rochussen. Deze zijn niet aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen, omdat zij hoofdzakelijk partikuliere aangelegenheden betreffen. ) werd op 5 november 1871 in de Nederlandse legatie in Berlijn geboren als zoon van Willem Frederik Rochussen. Deze had, juist terwille van de opleiding van zijn zoon, afgezien van nieuwe posten in het buitenland. Zolang deze vader nog lid was van de Raad van State, doorliep de jonge Jan Jacob een briljante loopbaan. Hij had sedert 1889 aan de Rijksuniversiteit van Leiden gestudeerd, waar hij in 1895 de titel van meester in de rechten verwierf. In 1895 werd hij als adjunkt-commies verbonden aan het departement van Buitenlandse Zaken, waar hij reeds in 1901 tot referendaris was geavanceerd. Hij heeft in verschillende commissies zitting gehad, en aan internationale konferenties deelgenomen, welke zich vooral bezig hielden met de arbitragegedachte en het internationaal privaatrecht. Geïnspireerd door zijn oom, jhr. mr. A.P.C, van Karnebeek en door mr. T.M.C. Asser, die hij als zijn leermeester beschouwde, werd hij betrokken bij de voorbereiding van de Tweede Vredesconferentie, die in 1907 zou plaatsvinden. In 1906 werd hij benoemd tot de belangrijke funktie van chef der afdeling Politieke Zaken van zijn ministerie. In 1907 trok hij zich uit deze ambtelijke funktie terug om het direktoraat te aanvaarden van het Rotterdamse kantoor der Amsterdamsche Bank. Tot dit besluit werkte, naast een aanzienlijke verbetering van zijn persoonlijke financiële positie (zijn inkomen werd aanstonds verviervoudigd!), ook zijn overtuiging mee, dat hij geen medewerking meer kon verlenen aan internationale vredesconferenties, die door de machtigsten voor eigen imperialistische doeleinden konden worden misbruikt. Wel heeft hij ook als zakenman incidenteel nog een rol gespeeld in de diplomatie; in 1915 intervenieerde hij officieus ten gunste van het kabinet-Cort van der Linden bij de Engelse regering. Intussen was hij op 12 november 1909 gehuwd met Mary Gervey, een Engelse, afkomstig uit Brits-Borneo. In december werd hij door zijn neef, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, H.A. van Karnebeek, benoemd tot minister-resident, toegevoegd aan de Nederlandse legatie te Parijs om daar samen met de direkteur der Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij, E. Heldring( Aantekeningen over Rochussen bevinden zich in Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring, uitgegeven door J. de Vries namens het Historisch Genootschap, Utrecht 1970, pag. 277-335. ), de Nederlandse belangen te behartigen tijdens de vredesonderhandelingen te Parijs inzake de aanvankelijk door Frankrijk gesteunde Belgische territoriale eisen. Rochussens arbeid was niet zonder sukses, en zijn bekwaam optreden voor de Nederlandse zaak maakte indruk. Hij had het overigens niet gemakkelijk, doordat zijn direkte chef, de gezant A.L.E. ridder de Stuers, hem als een dwarskijker beschouwde. Na de voltooiing van zijn missie zette Rochussen zijn direktoraat van het Rotterdamse kantoor van de Amsterdamsche Bank voort, totdat hij in 1922 om persoonlijke redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Sedertdien vestigde hij zich in Engeland. Op 5 november 1928 overleed hij aldaar in Barnes.
Jacobus Albertus Wilhelmus (Jaap) Burger werd op 20 augustus 1904 in het Noordbrabantse Willemstad geboren. Zijn familie was van christelijk historischen huize. Op 10 jarige leeftijd had hij al de lagere school doorlopen, waarna hij aanvankelijk naar de christelijke Keuchenius MULO in Oud Beijerland ging. Toen echter in diezelfde plaats een christelijke HBS werd gesticht stapte hij naar deze school over. Na de middelbare school studeerde Burger rechten in Utrecht waar hij lid werd van de Nederlandse Christelijke Studentenvereniging (NCSV). Na het behalen van zijn kandidaatsexamen verliet hij Utrecht om zijn studie te vervolgen en af te ronden aan de Universiteit van Amsterdam. Hier kwam hij in kontakt met medestudenten en docenten die wel gelovig waren maar geen lid waren van en zelfs niet sympathiseerden met een christelijke partij. Door deze kontakten werd Burger lid van de Sociaal Democratische Studentenclub (SDSC), waar hij mensen als J. Tinbergen en H. Verwey Jonker leerde kennen met wie hij ook in zijn latere carrière van doen zou krijgen. Burger noemde zichzelf wel democratisch maar niet vrijzinnig, reden waarom hij zich niet tot de vrijzinnig democratische richting aangetrokken voelde. In 1929, aan het eind van zijn studie, werd Burger wel lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP), in welke partij het pacifisme, gesymboliseerd door het 'gebroken geweertje' hem sterk aantrok. Na een buitenlands verblijf in o.a. Zwitserland en Engeland liep Burger stage op een advocatenkantoor in Rotterdam, waarna hij zich in 1930 als advocaat in Dordrecht vestigde. In deze plaats richtte hij de afdeling Zuid Holland op van het Bureau voor Arbeidsrecht dat een orgaan van het Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV) was. Hoewel hij wel secretaris werd van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (een instelling van de SDAP) weigerde hij hem aangeboden functies in de gemeentelijke en provinciale politiek. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Burger niet betrokken bij de georganiseerde illegaliteit. Wel wist hij een zestal Joden uit handen van de Duitse bezetter te houden door hen bij hem te verbergen. In januari 1943 schreef hij zijn eerste politieke brochure ('Perspectief van Onzen Tijd'), waarin hij bedenkingen uitte tegen een onmiddellijk herstel van de parlementaire democratie na afloop van de oorlog. Aan kritiek onderhevig was later een passage waarin hij zich terughoudend uitliet over volledige materiële tegemoetkomingen na de oorlog aan Joden wier bezit door de Duitsers was geroofd. Op 12 mei 1943 stak Burger met anderen per boot over naar Engeland, waarbij zijn stuurmanskunst (zeilen was een hobby van hem) uitstekend van pas kwam. Burger werd in Londen aangesteld tot verbindingsman met het Militair Gezag op het ministerie van Sociale Zaken. In juli 1943 maakte hij, zoals elke Engelandvaarder, kennis met koningin Wilhelmina die, samen met de Nederlandse regering, in Londen resideerde. Op dit kennismakingsgesprek volgden vele andere besprekingen met de vorstin die een grote sympathie voor elke Engelandvaarder koesterde en al langer van zins was om één van hen in de regering op te nemen. Zij stelde aan minister president P.S. Gerbrandy voor om Burger tot Minister zonder portefuille te benoemen, hetgeen op 11 augustus 1943 geschiedde. De nieuwe minister werd toegevoegd aan de Commissie Terugkeer, een commissie die zich bezighield met het opstellen van plannen voor het bestuur van Nederland na het einde van de oorlog, waartoe zij concept besluiten ontwierp betreffende de naoorlogse Staten Generaal, Provinciale Staten en Gemeenten. De samenwerking tussen Burger en Gerbrandy (de laatste ervoer Burger als een 'luis in zijn pels') was niet steeds optimaal en ook traden er andere wrijvingen in de ministersploeg op, ten gevolge waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, H. van Boeyen, aftrad. Op 31 mei 1944 werd Burger tot zijn opvolger benoemd. Als Minister van Binnenlandse Zaken was hem het functioneren van het Militair Gezag onder leiding van generaal H.J. Kruls in het bevrijde deel van Nederland een doorn in het oog. Burger kwam in het kabinet in een geïsoleerde positie te staan door zijn mening over de zuivering van onvaderlandslievende personen na het einde van de bezetting, een mening die afweek van die van het merendeel der ministers en van de koningin. Burger vond het raadzaam om een onderscheid te maken 'tusschen hen die alleen maar slap zijn geweest in hun houding tegenover den bezetter en hen, die door doen of nalaten den vijand of zijn handlangers bewust steun en hulp hebben verleend'. In een radiorede van 14 januari 1945 formuleerde hij het als volgt: 'Want het gaat niet om het vinden van begane fouten, maar om het vinden van hen, die fout zijn geweest'. Al op 3 januari 1945 was hij naar Nederland gegaan om aldaar de werkzaamheden van het Bureau Binnenlandse Zaken te ondersteunen. Naar aanleiding van zijn uitspraken in de radiorede van 14 januari werd op 23 januari 1945 door Gerbrandy een ontslagbrief opgesteld waarmee Burger de laan zou worden uitgestuurd. Uit solidariteit met de Minister van Binnenlandse Zaken dienden ook de twee andere socialistische ministers, J. van den Tempel en J.W. Albarda, hun ontslag in, hetgeen evenwel op dat ogenblik overbodig was daar Gerbrandy zelf al een dag tevoren het ontslag van het gehele kabinet bij de koningin had ingediend. Op 23 februari 1945 trad een nieuw kabinet aan waarvan Burger geen deel meer uitmaakte. Op die dag ook werd het Bureau Binnenlandse Zaken opgeheven. Al eerder was Burger in Cambridge geweest ten behoeve van een studie over de theoloog K. Barth en na de oorlog zette hij deze studie gedurende een korte tijd voort. Hij werd evenwel vanuit de SDAP benaderd om zitting te nemen in de Voorlopige Staten Generaal (ook 'Noodparlement' geheten), een uitnodiging waar Burger inderdaad op inging. Op 20 november 1945 werd hij met de andere volksvertegenwoordigers beëdigd. Op 16 mei 1946 werden de eerste na oorlogse verkiezingen gehouden die geen doorbraak te zien zouden geven naar een nieuwe partij politieke constellatie. Daarna werd Burger gewoon Kamerlid voor de nieuwe Partij van de Arbeid (PvdA) die op 9 februari 1946 was opgericht. In de jaren 1946 -1948 was hij ook gedelegeerde bij de Verenigde Naties in New York. Burger werd tevens op 16 maart 1946 benoemd tot president van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging te Dordrecht. Consternatie veroorzaakte in januari 1951 een uitspraak van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, M. van der Goes van Naters, die voor overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië was en die verklaarde dat de Nieuw-Guinea-kwestie hem wel een politieke crisis waard was. Van der Goes van Naters werd gedwongen tot aftreden (van de PvdA fractieleden stemde alleen Burger hiertegen) en werd opgevolgd door L.A. Donker. Toen laatstgenoemde echter in 1952 Minister van Justitie werd was het Burger die tot nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA werd gekozen. Hij leidde namens de PvdA de onderhandelingen bij de kabinetsformatie van 1952. Grote opschudding veroorzaakte een herderlijk schrijven van de Nederlandse bisschoppen in 1954 waarbij deze aan rooms-katholieken verboden om lid van socialistische organisaties te zijn. Burger stelde zich tegen dit 'Mandement' fel teweer en zag met genoegen dat rooms-katholieke Kamervertegenwoordigers voor de PvdA als J. Willems en G. Ruygers niet op de bisschoppelijke eisen ingingen. In de discussie over afschaffing van de geleide loonpolitiek pleitte Burger ervoor de rol van de overheid niet geheel te doen verdwijnen. Op 17 mei 1955 ontstond er een politieke crisis toen de PvdA weigerde om de Huurwet van minister H.B.J. Witte te accepteren. Op 26 mei van dat jaar werd Burger tot formateur benoemd die de politieke breuk wist te lijmen. Bij de Tweede Kamer verkiezingen van 13 juni 1956 werd de PvdA de grootste partij. Pas na drie maanden was er een nieuw kabinet dat mede tot stand kwam dankzij de werkzaamheden die Burger als informateur verrichtte. Voor de vierde maal formeerde daarop W. Drees een rooms-rood kabinet dat echter al in 1958 ten val kwam na een reeks van botsingen tussen PvdA en Katholieke Volkspartij (KVP). Naast regeermoeheid speelde er ook grote irritatie tussen beide fracties die gevoed werd door de zeven PvdA eisen ten aanzien van het regeringsbeleid die Burger op de zgn 'Fakkeldragersdag' van de PvdA (22 november 1958) formuleerde. De KVP onder leiding van C.P.M. Romme greep de belastingvoorstellen van de Minister van Financiën, H.J. Hofstra aan om te breken met de PvdA, wat het definitieve einde betekende van het premierschap van Drees. Op 23 december 1958 trad een interim kabinet aan dat onder leiding stond van KVP voorman L.J.M. Beel. Op de verkiezingen van 12 maart 1959 volgde het aantreden van een kabinet waaraan de socialisten niet deelnamen en dat onder leiding stond van de KVP'er J.E. de Quay. Burger werd nu leider van de oppositie, in welke hoedanigheid hij fel verzet aantekende tegen het beleid van wat wel eens genoemd werd het 'werkgeverskabinet De Quay'. De wijze waarop Burger oppositie voerde en de door hem beoogde doelstellingen trachtte te verwezenlijken werd niet altijd gesteund door partijgenoten als de oud ministers I. Samkalden, J.G. Suurhoff en A. Vondeling, die nu Tweede Kamerlid waren en angst koesterden dat de PvdA de middengroepen van zich zou vervreemden. Burgers optreden werd door medestanders omschreven als recht door zee, slim, oprecht, ontbloot van prietpraat en franje, terwijl tegenstanders hem als bruusk, bot, onbehouwen en als brulboei tegen rechts typeerden. En ook nu werd de kwestie Nieuw Guinea aanleiding tot beëindiging van het voorzitterschap van de PvdA-Tweede Kamerfractie. Burger was tegen rechtstreekse onderhandelingen met Indonesië over de overdracht van Nieuw-Guinea, iets wat andere fractieleden wel voorstonden en als enige mogelijkheid zagen om de benarde politieke situatie op te lossen. Bovendien beschuldigde Burger minister J. Cals ervan een steunpunt in het kabinet te zijn voor de zgn 'groep Rijkens', bestaande uit een aantal zakenlieden dat grote financiële belangen had in Indonesië en daarom pleitte voor een snelle overdracht aan dit land van Nederlands Nieuw Guinea. Minister Cals voelde zich diep gegriefd en Burger werd gedwongen om zijn excuses te maken. Nu keerden ook geestverwante organen als 'Het Parool' en vooraanstaande PvdA'ers als J. de Kadt zich openlijk tegen Burger. Laatstgenoemde eiste daarop dat het Partijbestuur van de PvdA een kapittelende brief naar 'Het Parool' zou sturen, wat (met nipte meerderheid) door het Partijbestuur geweigerd werd, hetgeen een nederlaag voor Burger betekende. Op 27 maart 1962 schreef Burger zijn ontslagbrief die echter enkele maanden geheim werd gehouden om partij-politieke redenen. In juni 1962, na het volmaken als fractieleider van het parlementaire jaar, trad Burger daadwerkelijk af. Zijn opvolger werd oud minister A. Vondeling. In 1963 werd Jaap Burger lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, welke functie hij tot 1970 zou uitoefenen. Bovendien volgde later zijn benoeming tot lid van het Europees parlement en van de Interparlementaire Beneluxraad. In 1967 was inmiddels J.M. den Uyl voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA geworden, die, als oppositieleider, in 1971 een 'progressief schaduwkabinet' vormde waarin Burger Minister van Defensie was. Bij de verkiezingen in dat jaar 1971 verloren de regeringspartijen aanzienlijk. De nieuwe partij DS '70 was echter bereid om het nieuw geformeerde kabinet onder leiding van B.W. Biesheuvel te steunen en liet twee partijgenoten (W. Drees jr en M. de Brauw) als ministers aan het kabinet deelnemen. Na een jaar evenwel stapten de DS '70 ministers uit het kabinet, waarna er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Tot informateur werd M. Ruppert, oud CNV voorzitter, benoemd, die op 31 januari 1973 zijn eindrapport uitbracht. Een dag later werd Burger tot formateur benoemd. Opmerkelijk was zijn zeer zelfbewuste, door niet politieke vrienden als bijna onbehoorlijk ervaren optreden waarbij hij het akkoord van de progressieve partijen, 'Keerpunt' geheten, tot leidraad van zijn handelen nam. Bovendien wist hij handig tegenstellingen binnen het confessionele blok uit te buiten door het veelvuldig publiceren van correspondentie tussen hem en de leiders van politieke partijen. De confessionele partijen wezen echter samenwerking met de socialisten af, waarna Burger toch twee politici van de Anti-Revolutionaire Partij, W.F. de Gaay Fortman en J.Boersma, bereid vond om toe te treden tot een kabinet dat onder leiding zou staan van J.M. den Uyl, een handelwijze die door de confessionelen veelbetekenend met de term 'inbraak' werd betiteld. Nadat Burger door zijn tegenspelers F.H.J.J. Andriessen, W. Aantjes en H.W. Tilanus nog werd gedwongen zijn formatie opdracht terug te geven, werd hij, na informatiewerkzaamheden van W.Albeda en A.A.M. van Agt, opnieuw tot formateur benoemd, samen met Ruppert, de oud informateur. Op 11 mei 1973 ving het kabinet Den Uyl (een 'rood kabinet met een wit randje'), dat door KVP'ers en anti revolutionairen ternauwernood werd gedoogd, met zijn werkzaamheden aan. In 1970 was Burger lid van de Raad van State geworden, hetgeen hij tot 1979 zou blijven. Zes jaar later, op 4 april 1975, werd hij Minister van Staat. Bovendien werd hij in 1974 ereburger van zijn geboorteplaats Willemstad. Ook was Burger van 1949 tot 1966 voorzitter van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Burger overleed op 19 augustus 1986, een dag voor zijn 82e verjaardag, en werd begraven in zijn woonplaats Wassenaar.
Suriname als overzees gebiedsdeel van Nederland De periode 1885-1951 wordt voor Suriname gekenmerkt door een geleidelijke ontwikkeling naar staatsrechtelijke zelfstandigheid binnen Nederlands verband en de daarmee gepaard gaande opkomst van een parlementair-democratisch regeringssysteem. Het grootste gedeelte van dit tijdvak werd staatsrechtelijk bepaald door het regeringsreglement van 1865, dat na de afschaffing van de slavernij in 1863 een begin moest maken met de gedeeltelijke autonomie van Suriname. Suriname zou toen aldus de Memorie van Toelichting bij het reglement - van een slavenkolonie "een overzeesch Nederlandsch gewest" worden, dat "een college van municipaal karakter" kreeg toegewezen. Belangrijker is echter de invloed, die het rijksverband voor Suriname op sociaal en economisch terrein heeft gehad. De pogingen van het gouvernement om binnen Suriname mogelijkheden te vinden voor het opzetten van winstgevende bedrijven en later om het land tot hoger economisch peil te brengen, hebben een blijvende weerslag gehad op Surinames sociale en etnische structuur. Aanvankelijk werd geprobeerd de plantage-arbeid na de afschaffing van de slavernij in stand te houden: de produkten, die deze plantages opleverden (vooral suiker) daalden echter in prijs en de grote landbouw bleek daardoor niet lonend. Daarbij waren, ondanks het door het gouvernement gereglementeerde stelsel van kontraktarbeid, waarbij kontraktbreuk als een strafrechtelijke vergrijp werd beschouwd (poenale sanctie), de planters niet in staat hun werknemers op de plantages te houden. De Creolen begonnen eigen grond te bebouwen, totdat bleek, dat ook hun produkten (voornamelijk cacao) geen winst opleverden. Daarna trokken zij naar de stad, om zich in de opkomende industrie of als havenwerker in vaste loondienst te begeven, of naar de binnenlanden, om actief te zijn in de opkomende bos- en mijnontginningen; sommigen onder hen werden ambtenaar of leraar. Het landbouwprobleem werd dus vooral een arbeidsprobleem: het tekort aan arbeidskrachten voor de opzet van grotere ondernemingen was even structureel als de paradoxaal daaruit voortkomende werkloosheid, wanneer ondernemingen op kleinere schaal door internationale concurrentie het loodje moesten leggen; de oplossing werd gezocht in werving van buitenlandse arbeiders: in 1873 werd tussen Nederland en Groot-Brittannië een verdrag gesloten, dat de immigratie van Brits-Indiërs regelde; in 1890 wierf de Nederlandsche Handelmaatschappij de eerste Javanen voor de plantage Mariënburg. Dit in aantal toenemende Aziatische contingent ging weldra over tot de kleine landbouw en leverde het voedsel aan de Creolen in de stad. Door de geboorte-aanwas en door de voortgang der immigratie nam het zozeer toe, dat de Hindostanen en Javanen in het midden der twintigste eeuw de helft van de bij de landseconomie betrokken bevolking uitmaakten. Alternatieven voor de landbouw betekenden de mijnbouw en de bosbouw. Hierbij trachtte de overheid vooral het particulier initiatief te stimuleren. De ontdekking van goud in de Sarakreek omstreeks 1900 leidde tot de aanleg van de enige bestaande spoorweg in Suriname van Paramaribo naar de Boven-Surinamerivier. De kost ging hier echter niet voor de baat uit. Lonender bleek de bauxietwinning bij Moengo, gelegen aan de voor coasters bevaarbare Cottica-rivier. In 1916 werd de Surinaamsche Bauxite Maatschappij opgericht, een dochter van de Aluminium Company of America. Het betekende het begin van de toenemende invloed van de Verenigde Staten op het economisch bestel van Suriname; tevoren had de United Fruit Company contracten met Nederland afgesloten voor de levering van bacove, maar de daaruit voortkomende ondernemingen leden grote verliezen, die door het Rijk moesten worden gedekt. In de wouden werd balata getapt, een soort rubber, dat kon dienen voor de auto-industrie: de concurrentie op de wereldmarkt maakte ook deze onderneming onrendabel, zodat bauxiet het belangrijkste exportartikel bleef (soms 80% van de waarde van de totale uitvoer!). De ongunstige economische situatie deed zich sedert 1924 gevoelen door de toenemende werkloosheid en verpaupering. In 1931 kwam het tot crises, toen ook de balata-ondernemingen werden opgeheven. De daaruit ontstane sociale onrust culmineerde in bloedige onlusten tijdens de z.g. "rode dinsdag" van 1931 en de demonstraties naar aanleiding van de arrestatie van Anton de Kom in 1933. De Nederlandse regering beantwoordde deze onrust door een versterking van haar invloed in de Surinaamse politiek door de toekenning van extra volmachten aan de gouverneur en de wijziging van het regeringsreglement in 1936. Dit beleid werd ondersteund door prof.dr J.C. Kielstra, die van 1933 tot 1944 gouverneur was. Met de Nederlandse Antillen bleef Suriname het enige rijksdeel, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet door vijanden van de geallieërden was bezet. Door het vertrek van de Nederlandse regering naar Londen kon na de bezetting van het moederland door Hitlers troepen het Nederlandse beschikkingsrecht over de Overzeese Rijksdelen worden gehandhaafd. De invloed vanuit de Verenigde Staten nam echter toe: Amerikaanse troepen werden in Suriname gelegerd om de belangen van het in de oorlog steeds belangrijker bauxietbedrijf te beschermen tegen aanvallen van Duitse raiders of vanuit het nabije Frans-Guyana, dat na de capitulatie van de regering Pétain een bedreiging vormde voor de gealliëerden. Daarom steunde het Nederlandse gouvernement de machtsgreep van een pro-Amerikaanse verzetsgroep in dit Franse gebiedsdeel. Dat de Nederlandse soevereiniteit over Suriname krachtig werd gehandhaafd, is mede het gevolg geweest van het persoonlijk beleid van de gouverneur. Tijdens de oorlog werd Paramaribo in een garnizoensstad herschapen. Onmiddellijk na de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 werd in Suriname de staat van beleg afgekondigd en werden Duitse inwoners en personen, verdacht van nationaal-socialistische of communistische sympathieën, geïnterneerd; later werden ook geïnterneerden uit Indonesië naar een kamp overgebracht. Het antwoord van de Nazi's hierop was de internering van Nederlandse gijzelaars in Buchenwald, Vught en Haren. Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende tevens het begin van de emancipatie der koloniale volkeren. Gevolggevend aan de wensen, uitgesproken door koningin Wilhelmina in haar bekende radiorede van 7 december 1942, voerde de Nederlandse regering een politiek, die allengs moest leiden tot staatsrechtelijke en economische onafhankelijkheid van Suriname. Op 19 september 1945 stelde de gouverneur een commissie in ter bestudering van de staatkundige hervormingen. De ontwikkelingen die hierop volgden leidden in 1948 tot een herziening van het regeringsreglement, dat voorzag in een autonoom regeringsstelsel. De onafhankelijkheidswording van Indonesië, die met pijnlijke conflicten gepaard ging, maakte ook de herziening van de betrekkingen tussen Nederland en het rijksdeel Suriname noodzakelijk. Na een ronde-tafelconferentie tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen kwam in december 1949 een interimregeling tot stand in afwachting van een nadere conferentie ter definitieve vaststelling van het Statuut voor het Koninkrijk. In 1946 nam de gouverneur in overleg met de Nederlandse regering het initiatief tot een algemeen welvaartsplan voor Suriname, dat zijn door de oorlog gestegen deviezenvoorraad allengs zag slinken. Dit leidde in 1947 tot de oprichting van het Surinaams Welvaartsfonds, dat beoogde op het gebied van terreinverkenning, landbouw en verbetering van de infrastructuur nieuwe initiatieven te stimuleren. In 1948 kwam een periodiek overleg tussen de Nederlandse regering en het Surinaamse gouvernement tot stand ter bespreking van financiële en economische aangelegenheden. Ook de Marshall-hulp verleende bijdragen. In 1950 werd ten behoeve van de Surinaamse regering de Stichting Planbureau Suriname ingesteld, die de planning van door het Surinaams Welvaartsfonds uit te voeren projecten moest verbeteren en uiteindelijk een tienjarig ontwikkelingsplan opstelde. Er ontstonden nieuwe verhoudingen, die ook hun weerslag vonden onder de bevolking. Politieke partijen ontstonden: de Nationale Partij Suriname en de Verenigde Hindostaanse Partij bleken hiervan de meest levensvatbare: zij werden veruit de twee grootste partijen in de Staten na de verkiezingen van 1949. Het eigen volkskarakter begon zijn weerslag te krijgen in de Surinaamse regeringsinstellingen, de autonomie begon zich te ontwikkelen. Dit werd uiteindelijk in het in 1954 gesloten Statuut van het Koninkrijk erkend. De bevoegdheden van de gouverneur Het regeringsreglement van 1865 legde de basis voor een zeker zelfbestuur, waarbij de meest welgestelden van de bevolking door middel van stemrecht de medebeslissingsmacht hadden in het gouvernementele bestuur. De wetgevende macht werd gevormd door de Koloniale Staten van Suriname, tot 1901 samengesteld uit negen afgevaardigden, gekozen door kiesgerechtigden, waarna er vier door de gouverneur werden aangesteld. Hiertoe was aanvankelijk besloten, omdat men vreesde, dat de door het censuskiesrecht aan de macht gekomen planters zich zouden verzetten tegen de afschaffing van de slavernij. Bovendien zouden de vier aangestelden een matigende invloed uitoefenen. Dit laatste bleek in de praktijk allerminst het geval, zodat bij reglementswijziging van 1901 alle Statenleden verkiesbaar werden gesteld. In 1936 kreeg door de herziening van het regeringsreglement de gouverneur wederom het recht vijf afgevaardigden te benoemen, om naast een in hoofdzaak blanke en creoolse afvaardiging de Aziaten te vertegenwoordigen. De Staten brachten in samenwerking met de gouverneur de wetten tot stand, die "koloniale verordeningen" of "landsverordeningen" werden genoemd. Wanneer een besluit van de Staten de gouverneur niet welgevallig was, kon deze het besluit opschorten dan wel de vaststelling van het besluit "in beraad houden". Deze dubbelmacht kon aanleiding geven tot wrijvingen tussen de Staten en de gouverneur. Dit werd nog erger, doordat de wetgever geen koloniale verordeningen kon uitvaardigen over zaken, die reeds in het moederland bij wet of Koninklijk Besluit geregeld waren (na 1901 wel, mits dit in de wet of het K.B. werd toegestaan) en doordat reeds aangenomen koloniale verordeningen door latere K.B.'s of wetten konden worden teniet gedaan. In de wijziging van het regeringsreglement van 1901 kon het moederland bij Koninklijk Besluit nadere regelingen treffen ten aanzien van koloniale verordeningen. Dit betekende eveneens een ernstige inperking van de wetgevende macht van de Staten. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er tussen de Staten en de gouverneur nogal eens conflicten ontstonden. Herhaalde malen werden om die redenen Surinaamse begrotingen verworpen. In 1891 leidde een pachtersopstand tot een gecompliceerd stelsel van onenigheden, die onder de toenmalige gouverneur jhr.mr M.A. de Savornin Lohman op straat dreigden te worden uitgevochten. In 1943 leidde een conflict tussen het Statenlid Bosch Verschuur en gouverneur Kielstra tot de internering van het Statenlid. Uit protest tegen de schending van parlementaire rechten zijn de Staten tot het bericht van Kielstra's aftreden niet meer bijeen geweest. De gouverneur kon ook zelfstandig besluiten uitvaardigen, die echter altijd moesten voortvloeien uit een reeds bestaande rijkswet, K.B. of koloniale verordening, waarnaar in het besluit moest worden verwezen. Tot 1936 kon de gouverneur echter bij besluit ook straffen bepalen, hetgeen in strijd was met het in artikel 57, lid 2, van de Grondwet verdedigde beginsel nulla poena sine praevia lege. Als uitvoerende macht was de gouverneur "vertegenwoordiger des Konings", die "'s Konings aanwijzingen in acht neemt"; de executive is tot 1950 altijd eenhoofdig geweest. Dit betekende, dat alle beleidsvoering bij de gouverneur berustte: hij kon beslissen "of er een bode kon worden aangesteld, een vergunning of concessie (balata, bauxiet, petroleum en goud) werd verleend, dan wel nadere bindende regels ter uitvoering van wetten, Koninklijke Besluiten of verordeningen tot stand werden gebracht". Hij werd hierin bijgestaan door een zeshoofdige Raad van Bestuur, waarvan de gouverneur voorzitter, de procureur-generaal ondervoorzitter was en waarin ook de administrateur van financiën en de gouvernementssecretaris zitting hadden. Hun functie is te vergelijken met die van de Nederlandse Raad van State; bij de vaststelling van een koloniale verordening en bij raadgeving aan de minister van Koloniën inzake een wetsontwerp was de gouverneur verplicht om dit college om advies te vragen. De gouverneur was tegenover de Staten niet persoonlijk verantwoordelijk voor zijn beleid, doordat zijn benoeming en ontslag door de Nederlandse Kroon geschiedde. In 1933 werd de uitvoerende macht van de gouverneur nog versterkt door hem bij Koninklijk Besluit toegekende volmachten ter beperking van politieke vrijheden en ter breideling van de pers, analoog aan de macht van de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Daarnaast voorzag het regeringsreglement van 1936 in een grotere vrijheid van handelen van de gouverneur ten aanzien van zowel het moederland als van de Staten. Onder dringende omstandigheden mocht hij, zij het onder nadere bekrachtiging van wet, koloniale verordeningen, K.B.'s en wetten bij algemene maatregel van bestuur of landsverordeningen wijzigen of buiten werking stellen. Op grond van dezelfde motieven kon de gouverneur op eigen gezag een landsverordening vaststellen, wanneer de beraadslaging van de Staten te lang duurde of geen goedkeuring van de Staten was verkregen. De belangrijkste verordening die op deze wijze tot stand kwam, was de wettigverklaring van hindoeïstische en islamitische huwelijkssluitingen in 1940. De macht van de gouverneur bereikte een hoogtepunt in de jaren 1940-1945, toen hij tevens de functie uitoefende van opperbevelhebber van de krijgsmacht. Het is begrijpelijk, dat de Staten bij een bezoek van de minister van Koloniën Van Mook verklaarden, dat "Suriname (werd) bestuurd op een wijze die in wezen vaak weinig verschilt van dictatuur". In 1946 en 1947 stelde gouverneur J.C. Brons twee departementen in, die hem als zelfstandige organen in zijn uitvoerende taak moesten bijstaan: dat van Sociale Zaken en Immigratie en dat van Economische Zaken. Als directe reactie op de verlangens van de Surinaamse delegatie op de Rondetafelconferentie in maart 1948 richtte hij op 4 maart een College van Bijstand op, dat zich, vooruitlopend op een vast te stellen nieuwe Staatsregeling, verantwoordelijk achtte aan de Staten. Dit college beheerde zes afzonderlijke departementen. De Staatsregeling van 21 mei 1948 voorzag in gekozen Staten door middel van algemeen kiesrecht. Voorzien werd in een College van Algemeen Bestuur, dat zijn beleid moest toelichten aan de Staten; de gouverneur was onder meer verplicht om met dit college overleg te plegen bij de vaststelling van landsverordeningen. Bovendien hoefde de gouverneur slechts 's konings aanwijzingen te volgen bij onderwerpen, waarbij ook Nederland, Nederlandsch-Indië en Curaçao betrokken zouden worden. Het gouvernement nam echter ook zelf initiatieven tot het delegeren van zijn arbeid. In december 1946 stelde gouverneur Brons op verzoek van de minister van Overzeese Gebiedsdelen de benoeming van een gecommitteerde voor Suriname in Nederland voor; uiteindelijk leidde dit tot de landsverordening van 11 november 1947 (GB no. 174), waarin een Vertegenwoordiger van Suriname in Nederland werd benoemd. Ook werd bij gouvernementsresolutie van 21 juli 1947 de Dienst van Lands Bosbeheer ingesteld. Langs deze weg ontstonden er na de Staatsregeling tal van diensten en lichamen, die allengs onder de departementen van het College van Algemeen Bestuur kwamen te ressorteren. De beperkingen van de macht van de gouverneur kregen meer constitutionele vorm in de Interimregeling van 20 januari 1950. Artikel 1 daarvan luidde: "De Gouverneur is het hoofd van de landsregering. De landsministers zijn verantwoordelijk". De regeling voorzag in de vorming van een Regeringsraad, die een nog nader te omschrijven uitvoerende bevoegdheid kreeg. Rechtstreeks werd slechts de gouverneur betrokken in aangelegenheden betreffende het Koninkrijk. De machtspositie van de gouverneur bleef echter formeel nog bestaan in zijn bevoegdheid om de Staten te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven. De gouverneur achtte in het kader van de uitvoering van de Interimregeling 1950 een administratieve scheiding tussen zijn eigen werkzaamheden en die van de Regeringsraad noodzakelijk. Bij landsverordening van 3 augustus 1951 (G.B. nr. 90) werden de grondwettelijke neergelegde bevoegdheden van de gouverneur inzake benoeming en ontslag van ambtenaren overgedragen aan de Regeringsraad. Voor de behartiging van de Koninkrijksbelangen werd een afzonderlijk apparaat ingesteld: op 14 juni 1951 kwam het Kabinet van de Gouverneur tot stand. De gouverneur interpreteerde zijn door de Interimregeling omschreven positie als die van plaatsvervanger van de constitutionele monarch en stelde voor zichzelf en zijn opvolgers regels vast om de bepalingen van het tot stand te komen statuut in deze zin op te vatten; aldus werd de parlementaire democratie in Suriname de facto een constitutionele traditie. Het binnenlandse regeringsbeleid zou worden gevoerd door een samenspel van Regeringsraad en Staten: de Surinaamse autonomie kwam tot ontwikkeling.
De familie Middelberg Vele leden van de familie Middelberg zijn in de 19e en de 20e eeuw vooraanstaande ingenieurs geweest. De belangrijkste van hen was wellicht Gerrit Adriaan Arnold Middelberg (1846-1916), zoon van de remonstrantse predikant G.A. Middelberg en van A.W. Minne. G.A.A. Middelberg had een grondige en veelomvattende technische opleiding genoten. Na zijn studie was hij werkzaam in binnen- en buitenland, waarbij hij talrijke belangrijke functies bekleedde, zoals het directeurschap van de Nederlandsch-Zuidafrikaanse Spoorwegmaatschappij (NZASM). Bovendien is hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geweest. G.A.A. Middelberg en echtgenote L. Hallmann hadden vijf zoons en één dochter. Ook de zoons ontvingen een technische opleiding en ook zij waren zowel in Nederland als in andere delen van de wereld, zoals Zuid-Afrika, Nederlands Oost-Indië en Suriname, werkzaam. Twee van hen waren werktuigkundig ingenieur, één was civiel ingenieur, een ander was chemicus en één was mijnbouwkundig ingenieur. Over een loopbaan van dochter Anna Wilhelmina zijn geen gegevens bekend. BIOGRAFISCHE AANTEKENINGEN BETREFFENDE DE ARCHIEFVORMERS FAMILIE MIDDELBERG G.A. Middelberg (1820-1850) en A.W. Minne (1823-1900) -Gerrit Adriaan Middelberg (Amsterdam 20-10-1820 - Boskoop 8-1-1850), remonstrants predikant te Boskoop, gehuwd op 21-8-1845 te Amsterdam met -Anna Willempje Minne (Amsterdam 7-6-1823 - Baarn 14-10-1900), dochter van Jan Minne (1800-1855) die in 1821 huwde met Margaretha Vos (1802-1873). Kinderen uit het huwelijk van Jan Minne en Margaretha Vos: Jan Willem Minne (1821-1879) Anna Willempje (1823-1900) Margaretha (1838-1864; gehuwd met A.A. Doyer). Anna Willempje Minne hertrouwde in 1858 met M. Verrijn Stuart. G.A.A. Middelberg (1846-1916) en L. Hallmann (1849-1931) -Gerrit Adriaan Arnold Middelberg (Boskoop 21-6-1846 - Baambrugge 6-3-1916) 1862-1863: opleiding in o.a. Zürich aan de Polytechnische Hogeschool 1865-1868: in Hannover; wordt in 1868 werktuigkundig ingenieur 1868-1869: werkt bij de Pruisische Staatsspoorwegen (Frankfurt a/d Oder) 1869-1876: werkzaam in Engeland (Manchester) en in Nederland bij de Staats Spoorwegen (Groningen, Luik en Zwolle) 1876-1890: werkzaam bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij 1890-1898: directeur Nederlandsch-Zuid-Afrikaanse Spoorweg Maatschappij (NZASM) 1894: vestigt zich met zijn gezin in Pretoria 1898: commissaris bij de NZASM; keert in 1899 terug naar Neder¬land 1899-1911: voorzitter Nederlandsch-Zuid-Afrikaanse Vereeniging 1902: vestigt zich te Baambrugge (Huize `Donkervliet') 1904: maakt scheepsreis als mede-begeleider van het stoffelijk overschot van Paul Kruger 1906-1907: reis naar Noord-Amerika (reorganisatie Oklahoma Central-Spoorwegen) 1909: maakt opnieuw een reis naar Afrika 1909-1913: ARP-Tweede Kamerlid, voor district Amsterdam VII gehuwd op 4-10-1871 te Hannover met -Leopoldine Hallmann (Boppard -Duitsland- 5-6-1849 - Baambrugge 19-4-1931), dochter van Eduard Hallmann (10-7-1813 - 24-2-1855), op 12-11-1847 gehuwd met Julie Leopoldine Hyppolite Barkow (Greifswald 3-7-1823 - Bremen 8-8-1894). G.A.A. Middelberg had een zus, van wie ook archief is nagelaten. Zij heette -Margaretha (Margo) Middelberg (Boskoop 6-1-1850 - Zürich 15-6-1925), gehuwd op 4-9-1884 met Carl Joseph Schröter (Esslingen 19-12-1855 - 7-2-1939; prof. dr botanicus), zoon van Moritz Schröter en Luise Hauer. Hun kinderen: Martin (geb. 1887) Marie Luise (geb. 1889) Anna Margaretha (geb. 1891) Kinderen van G.A.A. Middelberg en Leopoldine Hallmann: 1. Martinus Middelberg (Luik 5-9-1872 - Bandoeng 2-12-1925) 1894: werktuigkundig ingenieur 1895-1900: werkzaam bij de NZASM 1900-1902: directeur Petroleum-Maatschappij `Cernavoda' te Boekarest 1903-1907: ingenieur bij de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij te Semarang en Djokja 1907-1908: vice-president van de Oklahoma Spoorweg Maatschappij (VS) 1908-1921: inspecteur in West-Java der Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij; zorgt voor overdracht van de spoorweg Batavia-Buitenzorg aan de Staat; werkt bij de Staats Spoorwegen in Nederlands-Indië; hoofd Inspectie en -later- Algemeen Hoofd bij de dienst van Toezicht op Spoor- en Tramwegen 1921-1925: hoofd-ingenieur, ter beschikking van de directeur der gouvernementsbedrijven voor Spoor- en Tramwegenwetgeving gehuwd op 12-10-1898 te Pretoria met -Henriette Anna Christine (Dolly) Jorissen (Pretoria 6-8-1878 - Bandoeng 6-5-1925), dochter van Eduard Johan Pieter Jorissen en Anna Christina Elisabeth van Eyck van Voorthuysen. Dit huwelijk bleef kinderloos. 2. Eduard Middelberg (geb. Zwolle 28-11-1873) 1896: mijnbouwkundig ingenieur 1896-1897: maakt een studiereis 1897: vertrekt naar Nederlands-Indië; werkzaam aldaar bij Mijnwezen en Tinwinning. 1904: naar Suriname (mijnexploratie) 1907: met ziekteverlof naar Nederland 1909: naar Nederlands-Indië (Mijnwezen) 1918: chef Mijnwezen in Nederlands-Indië 1919: met pensioen 1923: lid gemeenteraad Abcoude-Baambrugge 1927: lid Provinciale Staten Utrecht 1939: wethouder van Abcoude-Baambrugge gehuwd op 14-10-1897 te Rotterdam met -Maria Vroesom de Haan (geb. 13-2-1870), zangeres, dochter van Jan Vroesom de Haan en Maria Eleonore Küller. Kinderen: Anna Wilhelmina (18-9-1899 - 9-4-1900) Anna Wilhelmina (geb. 8-11-1901) Gerrit Adriaan Arnold (geb. 16-3-1903) Martina (4-8-1911 - 14-8-1941) 3. Walter Middelberg (Zwolle 30-1-1875 - Hengelo 15-9-1944) 1899: studeert in 1899 in Leiden af in de scheikunde 1904: directeur Chemische Verffabriek `De Vecht' 1913: liquidatie `De Vecht', dan: tijdelijk leraar 1918: leraar scheikunde aan gymnasium en HBS te Hengelo 1940: gepensioneerd gehuwd te Amsterdam op 11-9-1906 met -Cornelia Theodora Johanna (Do) van Assendelft de Coningh (geb. 6-11-1882), dochter van Adriaan van Assendelft de Coningh en Anna Maria Louise Elisabeth de Roever. Kinderen: Louise Elisabeth (geb. 28-7-1907) Leopoldine Julie Amalia (Pepie) (geb. 13-5-1909) Gerrit Adriaan Arnout (geb. 10-8-1911) Arend Walter (geb. 27-4-1915) 4. Anna Wilhelmina Middelberg (geb. Haarlem 30-9-1877) gehuwd met -August Kalff (Amsterdam 9-7-1870 - Zeist 18-7-1935), zoon van August Kalff en Anna Maria Gerarda Stuart. Kinderen: August (geb. 5-12-1900) Gerrit Adriaan Arnold August (geb. 31-5-1902) Leopold Ernst August (geb. 27-12-1905) Johan Anne Willem August (geb. 28-7-1909) Anna Wilhelmina Victoria Augusta (16-10-1913 - 13-8-1943) 5. Richard (Iki) Middelberg (Amsterdam 25-2-1880 - Campina (Roemenië) 1-10-1917), werktuigkundig ingenieur, ongehuwd. 6. Leopold Roland Middelberg (geb. Amsterdam 30-9-1881) 1894-1899: op het Staatsgymnasium in Pretoria 1899: vecht tijdens Anglo-Boerenoorlog mee aan Zuidafrikaanse zijde, ingedeeld bij het Hollander Corps 1900-1905: studie civielingenieur in Zürich 1906-1907: ingenieur bij de Hollandsche Spoorwegen in Suriname ten behoeve van de aanleg van een spoorweg in het Lawagebied 1908-1910: diverse betrekkingen in Nederland 1911-1930: werkzaam bij de Staats Spoorwegen in Nederlands-Indië, als bureauchef in Batavia en later in Bandoeng 1931-1938: burgemeester van Zoetermeer-Zegwaard 1938: burgemeester van Ede 1941: door de Duitse bezetter als burgemeester ontslagen 1942-1943: gijzelaar in Haren en Michielsgestel 1945: opnieuw in functie als burge¬meester gehuwd op 20-7-1909 te Den Haag met -Catharine Jeanette (Cateau) Idenburg (geb. Soerabaja 23-10-1885), dochter van Alexander Willem Frederik Idenburg (1861-1935) en Maria Elisabeth Duetz (1862-1939). Kinderen: Alexander Willem Frederik (geb. 25-10-1912) Leopoldine Julie (geb. 11-1-1916) Richard Gerrit Adriaan Arnold -Iki- (geb. 9-12-1918) Marie Elisabeth (geb. 28-2-1921) Anna Wilhelmina Rosine (geb. 26-1-1924) Rosine Catherine Martina (geb. 3-10-1926) FAMILIE VERRIJN STUART M. Verrijn Stuart (1829-1910) en A.W. Minne (1823-1900) -Martinus Verrijn Stuart (Amsterdam 28-11-1829 - Baarn 7-8-1910), gehuwd op 19-5-1858 met -Anna Willempje Minne (1823-1900), eerder gehuwd geweest met G.A. Middelberg (1820-1850) Kinderen: Marie (Amsterdam 27-7-1859 - Amsterdam 3-7-1880) Jan (Amsterdam 9-3-1861 - Amsterdam 1-8-1861) Martinus (Amsterdam 22-8-1864 - 6-9-1912), gehuwd op 23-5-1889 te Amsterdam met Elisabeth Sophia van den Berg (geb. Amsterdam 9-9-1866 - 1952) FAMILIES BARKOW/HALLMANN Leopoldine Hallmann (1849-1931), echtgenote van G.A.A. Middelberg, dochter van -Eduard Hallmann (Hannover 10-7-1813 - Berlijn 24-2-1855, arts), gehuwd op 12-11-1847 met -Julie Leopoldine Hyppolite Barkow (Greifswald 3-7-1823 - Bremen 8-8-1894) Kinderen: Leopoldine (1849-1931) Amalie (Mali) Hallmann (geb. 1850) Franz Hallmann (1853-1925) Leopoldine Hallmann had een oudtante, Louise Barkow (1805-1893) geheten, die een nicht was van Richard Hallmann, een broer van haar vader. Leopoldine Hallmann was een kleindochter van: Anton August Hallmann (1783-1848) en Antoinette Lucie Rodatz (1788-1855) en van August Friedrich Barkow (1791-1861) en Christine Caroline Leopoldine Homeyer (1798-1863). Voorts was ze een achterkleindochter van `Urgrossvater' Christian Joachim Friedrich Barkow (1755-1836). FAMILIE IDENBURG -Catharine Jeanette (Cateau) Idenburg (geb. Soerabaja 23-10-1885), doch¬ter van Alexander Willem Frederik Idenburg (1861-1935) en Maria Elisa¬beth Duetz (1862-1939), gehuwd op 20-7-1909 te Den Haag met -Leopold Roland Middelberg (geb. Amsterdam 30-9-1881)
Hugo van Poelgeest Hugo van Poelgeest werd op 24 januari 1879 te Zutphen geboren. Zijn vader was Jonas van Poelgeest en zijn moeder Wilhelmina Jacoba Veeneman. Er waren nog twee kinderen in het gezin, een tweeling: Jacoba, de latere echtgenote van Ds J. ten Bokkel Huinink, en Jan die in Delft voor civil ingenieur studeerde en later directeur werd van de N.V.Waterleiding Maatschappij "Zuid-Beveland" te Goes. Jonas van Poelgeest (1849-1933) was tijdens de geboorte van de jongste zoon Hugo directeur van de gasfabriek te Zutphen. Enige tijd hierna werd hij aangezocht om de leiding op zich te nemen van de steenfabriek "De Vlietberg" te Wilp nabij Deventer. Op deze wijze kwam Hugo van Poelgeest reeds op jonge leeftijd in aanraking met het steenbakkersbedrijf. Nadat hij de H.B.S. in Deventer had afgelopen ging hij direct de maatschappij in, en wel als adviseur in het stoken van steenovens. Juist in de jaren vlak voor de eeuwwisseling waren er moeilijkheden in de steenindustrie omdat bepaalde fabrikanten bij het stoken van de steenovens overgingen van turf op kolen als brandstof. Aangezien Van Poelgeest, zoals gezegd, van jongsafaan betrokken was bij de steenproduktie, zal het hem dus te gemakkelijker zijn gevallen zich in deze materie in te werken. In het archief zijn herinneringen aan deze periode aanwezig, nl. de verslagen van zijn bevindingen, opgedaan bij het stoken van bepaalde ovens (inv.no.1). De stukken lopen over de jaren 1898-1903 en de betreffende fabrieken stonden in resp. Krimpen aan de IJssel en Leiderdorp. Er blijkt uit dat Van Poelgeest reeds in 1898 contacten had met de steenfabriek "Ouderzorg" te Leiderdorp. Deze krijgen een andere, en naar later zou blijken, zeer duurzame vorm als hij op de vergadering van aandeelhouders van 25 maart 1904 wordt benoemd tot directeur van wat inmiddels geworden was de naamloze vennootschap N.V. Steenfabriek Ouderzorg. Bij deze benoeming zal mede een rol hebben gespeeld, dat zijn vader J. van Poelgeest, president-commissaris was van de N.V. De N.V. Steenfabriek Ouderzorg De N.V. Steenfabriek Ouderzorg is opgericht bij notariële akte van 9 december 1899 door W.H. van Zanten jr., steenfabrikant te Leiderdorp, en D.K.J. Schoor, notaris te Voorschoten, die hier optrad als lasthebber van A.L. Wurfbain, bankier te Amsterdam. De plaats van vestiging van de N.V. was Burgemeester Van der Valk Boumanweg 30 te Leiderdorp. Ofschoon de N.V. in 1899 is opgericht, bestond de onderneming Ouderzorg reeds eerder. Dit blijkt o.a. uit artikel 6 van de oprichtingsakte volgens hetwelk W.H. van Zanten jr. in de vennootschap inbrengt: "de steenfabriek 'Ouderzorg' met daarbij behoorende werkplaatsen en opstallen, alle daarbij in gebruik zijnde werktuigen en gereedschappen ...." Uit het vervolg van genoemd artikel blijkt, dat het terrein zelf in 1875 door W.H. van Zanten jr. in eigendom was verkregen. Het is niet met zekerheid vast te stellen wanneer W.H. van Zanten jr. precies met het fabriceren van stenen is begonnen. Volgens een artikel van H. van Poelgeest in het vakblad "Bouwen" is de fabriek "Ouderzorg" opgericht in 1875; men vindt in het archief ook enkele malen de aantekening dat de fabriek omstreeks 1875 is opgericht. Omdat officiële administratieve gegevens hieromtrent ontbreken, lijkt de meest verantwoorde datering voor het begin van de produktie: in of rond 1875, waarbij dient te worden opgemerkt, dat blijkens de tekst van de koopakte uit 1875 het aangekochte terrein toen nog onbebouwd was. Voordien was er dus geen fabriek op bedoeld perceel aanwezig. De fabriek, en later de N.V., heette "Ouderzorg" omdat ze was opgericht door de zorg van de ouders van W.H. van Zanten jr. In dezelfde aandeelhoudersvergadering waarin H. van Poelgeest voor twee jaar tot directeur werd benoemd, werd aan W.H. van Zanten jr. ontslag verleend. Aldus kwam H.van Poelgeest direct alleen te staan voor de veel omvattende taak de onderneming te leiden. Daarbij zijn niet alleen de normale werkzaamheden en zorgen van de directeur zijn deel geweest, maar hij heeft bovendien voortdurend te kampen gehad met te weinig bedrijfskapitaal en te geringe winstmarges. Toch heeft onder de leiding van Hugo van Poelgeest de steenfabriek "Ouderzorg" nooit hoeven te sluiten. De bedrijvigheid werd zelfs vergroot, doordat de N.V. Steenfabriek Ouderzorg sedert maart 1909 tevens de, schuin tegenover deze fabriek gelegen, steenfabriek Canton ging exploiteren. Hoe moeilijk overigens de situatie in de steenindustrie in de loop der jaren werd, blijkt wel uit het verloop van zaken aan de Hollandse IJssel. In 1872 stonden tussen Rotterdam en Gouda 34 steenfabrieken aan de Hollandse IJssel, in 1907 stonden er nog 22 en in maart 1966 staat er niet één meer, althans niet een die in werking is (Mondelinge mededeling van W. van Vliet, rustend steenfabrikant te Gouderak.). Direct bij de benoeming van H. van Poelgeest tot directeur bleek de toestand bij de N.V. Steenfabriek Ouderzorg allerminst rooskleurig te zijn. Volgens de notulen van de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders, die werd gehouden op 29 juni 1906, bestonden er bij het bestuur van de N.V. ernstige plannen de bezittingen te verkopen (inv.nr.142). De vergadering machtigde het bestuur advertenties in deze zin te plaatsen en het bestuur besloot zijnerzijds de toestand over drie maanden opnieuw te bezien, en eventueel elke drie maanden weer. De verkoop is evenwel niet doorgegaan; evenmin zijn uit latere tijd stukken in het archief gevonden die in deze richting wijzen. De voor de steenproduktie benodigde klei verkreeg de N.V. Ouderzorg door afgraving van landen in en om Leiderdorp. Daartoe was een vergunning van het Hoogheemraadschap van Rijnland nodig, waarin o.m. bepaalde voorwaarden ten aanzien van het afgraven worden gesteld. Steeds dreigde immers het gevaar dat de landen te diep werden afgegraven waardoor ze ongeschikt werden als cultuurgrond. Zoals uit het archief blijkt, had de N.V. verschillende percelen waaruit klei gegraven werd in eigendom. H. van Poelgeest heeft reeds in de eerste jaren van zijn directeursschap een andere wending gegeven aan de produktie van de N.V. Steenfabriek Ouderzorg. Tot dan toe bestond deze grotendeels uit de in het eind van de vorige eeuw in zwang gekomen machinaal gevormde steen. De nieuwe directeur ging weer over op de aanmaak van zogenaamde handvormsteen. Hierbij wordt de steen met de hand in de vorm geperst, terwijl ook in het verdere produktieproces de bewerking geheel met de hand geschiedt. Deze arbeidswijze is, zoals valt te begrijpen, zeer arbeidsintensief en duur. Tijdens de campagne werden dan ook gehele gezinnen, zowel volwassen mannen als vrouwen, kinderen en oude mensen ingeschakeld. Soms woonden de arbeiders bovendien op het fabrieksterrein. Al deze omstandigheden bevorderden een ietwat patriarchale sfeer in het steenbakkersbedrijf, welke kon uitgroeien tot een sterke gebondenheid aan de onderneming bij welke men in dienst was. Het arbeidsintensieve karakter van de steenrpoduktie is één van de oorzaken geweest van de vaak hoge kosten in het bedrijf en het verdwijnen van vele fabrieken in de loop der tijden. Dat dit laatste vooral in het westen van Nederland het geval is geweest, is mede te wijten aan het feit, dat aldaar de klei van landen en rivieren te weinig leem bevat voor de aanmaak van een grote steen. De omschakeling op handvormsteen werd in de hand gewerkt door de stijgende vraag naar deze steen in verband met de toenemende zorg van de overheid voor de restauratie van de historische gebouwen. Door zijn vele leveringen voor dit doel heeft de N.V. er toe bijgedragen, dat verscheidene oude bouwwerken hun eigen karakter hebben bewaard. Maar ook nieuwe projecten werden in handvormsteen gebouwd. Toen H. van Poelgeest enige jaren in dienst was van de N.V. wist hij de opdracht te verkrijgen tot het leveren van de stenen die nodig waren voor de bouw van het Vredespaleis (1906-1913), een opdracht waar de N.V. nu nog trots op kan zijn. Diverse vernieuwingen heeft H. van Poelgeest in de Nederlandse steenproduktie ingevoerd. Als eerste valt te noemen een nieuw soort kleine steen, door hem "Lilliput" genoemd, welke veel opgang maakte en in het bijzonder voor binnenwerk, schouwtjes e.d. werd gebruikt. De tweede vernieuwing betreft een procédé voor de aansluiting van een stalen raam aan een spouwmuur, met gebruikmaking van een bepaalde steenvorm. Deze uitvinding heeft tot doel raam en buitenmuur stevig aan elkaar te bevestigen, terwijl er toch geen waterdoorlating plaats vindt naar de binnenzijde van de muur. Op dit procédé is in 1935 octrooi verkregen. Ook heeft de N.V. Ouderzorg enige tijd een bepaald type dakpannen geproduceerd naar een door H. van Poelgeest ontworpen model, dat als merk een molen voerde. Afbeeldingen hiervan vindt men in het archief (inv.nr.463). Omdat de fabriek Ouderzorg niet geschikt was voor een grote produktie van dakpannen werd een overeenkomst gesloten met de N.V. Dakpannen- en Kleiwarenfabriek v.h. D. van Oordt te Alphen aan de Rijn. Sinds 1916 fabriceerde laatstgenoemde N.V. deze z.g. molenleipannen in licentie voor de N.V. Ouderzorg. Wie bezig is met een archief als het onderhavige krijgt tevens een indruk van de toenemende bemoeiing van vele overheidsinstanties en particuliere organisaties met het bedrijfsleven. Vooral na de eerste wereldoorlog ziet men het aantal voorschriften en regelingen snel toenemen. Dat deze ontwikkeling de ietwat patriarchale sfeer in het steenbakkersbedrijf wel eens geweld aandeed, ligt voor de hand. Zo heeft H. van Poelgeest zich krachtig verzet tegen de zgn. B.S.B. regeling: Regeling tot Behartiging der Samenwerking in het Bouwbedrijf (inv.nrs 302 en 340). Het betrof hier een op 23 april 1937 gesloten overeenkomst tussen: de Ned. Aannemers Bond en Patroonsbond van de Bouwbedrijven in Nederland (de N.A.P.B.) te Amsterdam, de Ned. R.K. Bond van Bouwpatroons te Amsterdam, de Ned. Chr. Aannemers- en Bouwvakpatroonsbond te Utrecht, de Ned. Bond van Bouwondernemers te Den Haag, de Vereniging van Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland te Amsterdam en de Ned. Houtbond te Amsterdam. Uit bovenstaande opsomming blijkt genoegzaam, dat het hier ging om een samenwerking tussen afnemers van de produkten van de fabrikanten. Handelaren en aannemers trachtten op deze wijze orde op zaken in hun bedrijfsgroepen te stellen. Steenfabrikanten die aan niet-aangesloten handelaren of aannemers leverden, werden op een zwarte lijst geplaatst en hiervan pas weer afgevoerd na het betalen van een boete. Een soort publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie avant la lettre. Na de dood van H. van Poelgeest in 1954 heeft de N.V. niet lang meer in de oude vorm bestaan. Zoals gezegd had de N.V. geregeld met het euvel van te weinig bedrijfskapitaal te kampen. Dit verergerde toen na de tweede wereldoorlog de in 1944 opgerichte commanditaire vennootschap Ouderzorg-De Ridder & Co. (zie beneden) door een drastische besnoeiing van het regeringskrediet in ernstige liquiditeitsmoeilijkheden kwam (Ontleend aan een door mevrouw V.R. van Poelgeest-Spatkowa opgestelde toelichting op het archief. Ook elders in deze inleiding is van de toelichting dankbaar gebruik gemaakt.). Dit had natuurlijk zijn weerslag op de commanditaire vennoot, de "N.V. Steenfabriek Ouderzorg". De oplossing is gevonden door samen met de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek v.h. De Ridder & Co. in 1955 de N.V. Steen- en Kleiwarenfabrieken "Ouderzorg-De Ridder" op te richten. De N.V. Steenfabriek Ouderzorg zette het eigen bestaan als beleggingsmaatschappij voort, terwijl het kantoor in 1957 verplaatst werd naar Amsterdam, Paulus Potterstraat 5. Op 11 september 1957 werd de inschrijving van de N.V. Steenfabriek Ouderzorg in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rijnland doorgehaald en kwam aan de exploitatie van steenfabrieken door de N.V. definitief een einde. De steenfabriek Ouderzorg is gesloten c. 1960. Van fabriek en terreinen is heden ten dage weinig meer terug te vinden. Het fabriekscomplex Ouderzorg is op de directeurswoning en een loods na, geheel met de grond gelijk gemaakt en ten offer gevallen aan woningbouw en wegaanleg. Hetgeen er nu, maart 1966, nog staat, zal voor de volgende jaarswisseling moeten verdwijnen (Mondelinge mededeling van mevrouw C. Weris.). De N.V. Steenfabriek Canton De N.V. Steenfabriek Canton is opgericht bij notariële akte van 17 september 1903 door Hendrik Pieter Hubertus Viervant Tukker, ambtenaar bij de Staatsspoorwegen en wonende te Utrecht, en Philips Ernst Viervant Tukker, particulier, wonende te Zoeterwoude. Bij de oprichting worden tot directeur benoemd Ph.E. Viervant Tukker en Konrad Wesseling, fabrikant te Leiderdorp (art.8 van de oprichtingsakte). De steenfabriek Canton was gebouwd schuin tegenover de steenfabriek Ouderzorg aan de overzijde van de Oude Rijn. De naam "Canton" stamde van de in theekringen bekende familie Thueré: Van Zanten jr. was gehuwd met een meisje Viervant Tukker, zijn neef Philip Ernst Viervant Tukker, die later de leiding van "Canton" zou krijgen, had een Thueré als moeder. Ook hier werd reeds voor de oprichting van de N.V. een steenfabriek geëxploiteerd. Volgens art.5 van de oprichtingsakte behoorde tot de door H.P .H. Viervant Tukker ingebrachte baten een perceel grond met gebouwen; van dit perceel grond was H.P.H. Viervant Tukker in 1895 eigenaar geworden. Volgens de reeds in verband met de oprichting van de steenfabriek Ouderzorg genoemde publikatie van H. van Poelgeest in het vakblad "Bouwen" is de steenfabriek Canton opgericht in 1902. De produktie van de fabriek Canton was anders gericht dan die van de steenfabriek Ouderzorg. Op Canton werden produkten van Ouderzorg verglaasd; daarnaast werden er sierprodukten en bouwaardewerk vervaardigd, zoals vazen, terra cotta, beelden, gevelversieringen, verglaasde tegels en plavuizen. Dat de directie deze kant van het bedrijf hoog opvatte blijkt o.m. uit het feit, dat verschillende kunstenaars, waaronder L. Zijl en mej. Henriëtte Vaillant, tijdelijk voor hun boetseerwerkzaamheden in de fabriek Canton gastvrijheid genoten. Zij konden daarbij naar believen de ervaring benutten die het fabriekspersoneel in verloop van tijd had opgedaan in de diverse glazuurtechnieken (inv.nr.462). In het archief zijn foto's aanwezig van aldus ontstane produkten (idem a.v.). De N.V. Steenfabriek Canton heeft niet lang bestaan. Reeds in 1909 werd zij door de N.V. Steenfabriek Ouderzorg overgenomen. Vreemd genoeg is in het archief van deze overname slechts een terloopse aantekening gevonden in een copie-brief van 3 maart 1909 aan het Bestuur van de Rijksverzekeringbank te Amsterdam. Sinds 1 maart 1909 is de administratie van de exploitatie van de fabriek niet meer gescheiden van die van de fabriek Ouderzorg. Het bedrijf is stopgezet c. 1963. Heden ten dage is er van het fabriekscomplex Canton meer over dan van de fabriek Ouderzorg. Is de laatste geheel verdwenen, de fabriek Canton staat er nog. Het gebouw doet thans dienst bij studentenfeesten. Het complex is eigendom van de ernaast gevestigde N.V. Koninklijke Grofsmederij, die het eerlang zal benutten voor uitbreiding van haar onderneming (Mondelinge mededeling van mevrouw C. Weris.). De N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek v.h. De Ridder & Co. De N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek v.h. De Ridder & Co. is opgericht bij notariële akte van 23 maart 1921 door H. van Poelgeest en B.L. de Ridder, ingenieur te Wassenaar. De plaats van vestiging was Oegstgeest. Blijkens de inschrijving van de N.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rijnland van 16 juni 1921 waren de beide oprichters tevens directeur van het bedrijf. Uit volgende inschrijvingen blijkt, dat H. van Poelgeest sinds 1923 als commissaris en sinds 1933 als gedelegeerd commissaris optrad. Volgens een mededeling in een reclameboekje van de N.V. dateerde de Fa. De Ridder uit 1898. Zakelijke contacten tussen de N.V. Steenfabriek Ouderzorg en de Fa. De Ridder bestonden, blijkens de copiebrievenboeken, in elk geval reeds in 1909. Het plan om gezamenlijk een N.V. op te richten dateert van c. 1915. Het doel van de N.V. was volgens de slotbepaling van de oprichtingsakte hetzelfde als van de voorheen door B.L. de Ridder onder de Fa. De Ridder & Co. gedreven onderneming. Volgens artikel 2 bestond dit uit de exploitatie van een steenfabriek, het ontwerpen en bouwen van schoorstenen, de deelneming in andere ondernemingen met gelijk of aanverwant doel en alles wat daarmede in den ruimsten zin verband houdt. B.L. de Ridder overleed in 1933. Voordien was C. Sweris reeds in de directie opgenomen. Weekrapporten door deze opgemaakt en toegestuurd aan H. van Poelgeest zijn in het archief aanwezig. De verbinding tussen H. van Poelgeest en de beide N.V.'s nl. de N.V. Steenfabriek Ouderzorg en de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek v.h. De Ridder & Co., zou voor eerstgenoemde N.V. belangrijke gevolgen hebben. Zoals opgemerkt, was de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek gevestigd in Oegstgeest. Toen de oorlog uitbrak bleek de fabriek in het schootsveld te liggen van het vliegveld Valkenburg. Daarom moest aanvankelijk de schoorsteen worden afgebroken, spoedig echter de gehele fabriek. Van Poelgeest verklaarde zich daarop bereid gastvrijheid te verlenen aan de N.V. tot de herbouw van de fabriek op de terreinen van "Ouderzorg". Om aan de nieuwe omstandigheden ten gevolge van de verplaatsing van het bedrijf een passende ondernemingsvorm te geven, werd opgericht de commanditaire vennootschap Ouderzorg-De Ridder & Co. (zie beneden). De gang van zaken heeft kennelijk later tot spanningen geleid. Van Poelgeest heeft zich hierover eens aldus uitgelaten: "De Ridder is het koekoeksei geworden in het solide nest van Ouderzorg" (Ontleend aan een door mevrouw V.R. van Poelgeest-Spatkowa opgestelde toelichting op het archief. Ook elders in deze inleiding is van de toelichting dankbaar gebruik gemaakt.). Inmiddels bleef de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek bestaan. Door reeds geschetste betalingsmoeilijkheden bleek het nodig c. 1954 opnieuw tot een andere ondernemingsvorm te geraken. De commanditaire vennootschap Ouderzorg-De Ridder & Co. werd in 1955 opgeheven - H. van Poelgeest was het jaar daarvoor plotseling overleden - en de beide N.V.'s richtten gezamenlijk een nieuwe N.V. op door de statuten van de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteenfabriek v.h. De Ridder & Co. te wijzigen en de naam te veranderen in N.V. Steen- en Kleiwarenfabrieken "Ouderzorg-De Ridder". Deze N.V. staat nog in het Handelsregister ingeschreven en is gevestigd te Leiderdorp aan de Van der Valk Boumanweg 30. Zij heeft tot doel het bouwen van schoorstenen. De Commanditaire Vennootschap Ouderzorg-De Ridder & Co. Het aanvangstijdstip van de c.v. is 1 januari 1944 en de oprichting is het gevolg geweest van de afbraak van de fabriek van de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek te Oegstgeest. Beherende vennoten waren H. van Poelgeest en C. Sweris, commanditaire vennoten waren resp. de N.V. Steenfabriek Ouderzorg en de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek v.h. De Ridder & Co. Door deze c.v. zijn in de jaren na de oorlog beide N.V.'s in liquiditeitsmoeilijkheden geraakt. Om deze reden werd de c.v. ontbonden bij notariële akte van 24 maart 1955 waarbij alle rechten en verplichtingen per 1 oktober 1954 werd overgedragen aan de N.V. Eerste Hollandsche Schoorsteen Steenfabriek v.h. De Ridder & Co.
De stamvader van de Amsterdamse familie Luden was Johan Luden, geboren te Bergen in Noorwegen in 1668. Hij vestigde zich aan het eind van de zeventiende eeuw als stokviskoopman in de Zandstraat te Amsterdam. De stokvisnegotie werd voortgezet door zijn twee zonen en kleinzoons, die ook een assurantiebedrijf voerden. In de loop van de achttiende eeuw waren verschillende leden van deze familie werkzaam als commissarissen van de Wisselbank en het accent van hun activiteiten werd verlegd naar de geldhandel. De generaties die daarop volgden (1860 1940) hielden zich primair bezig met het bankvak, onder meer bij de firma’s Hope en Co. en Van Loon en Co. In de negentiende eeuw vertrokken meerdere leden van de familie naar landgoederen rond Doorn en Overveen. Omstreeks 1950 werd een aantal van deze gebieden weer verkocht, onder andere aan de gemeenten Doorn en Bloemendaal. Van de drie zonen uit de laatste generatie (1890 1960) bleven er twee ongetrouwd. De derde verdronk in de Noordzee met achterlating van een zoontje, die op twaalfjarige leeftijd overleed aan tuberculose. Hierdoor stierf de familie Luden in 1968 uit. Geschiedenis van de familie Luden per generatie. Jacob Luden (1703 - 1784) en Hendrik Luden (1709 - 1752) De beide broers Jacob en Hendrik Luden handelden gezamelijk in stokvis. Hendrik was tevens overman van het stokviskopersgilde. Na het overlijden van Hendrik trouwde diens weduwe Catharina Hedwig Lubekker in 1754 met Jurriaan Bartelse. Hij zette de zaken van Hendrik voort. In 1778 gingen Jurriaan en twee zonen van Hendrik, Johannes en Petrus, een compagnieschap aan in de stokvishandel ’De firma Bartelse en Luden relatief tot de negotie’. Daarnaast had Jurriaan nog een assurantiebedrijf. Na het overlijden van Jurriaan in 1779 werden de pakhuizen Bergen, Finmarken en Drontheim, waarin de firma was gevestigd, en alle gereedschappen behorende tot de negotie toebedeeld aan Johannes en Petrus. De pakhuizen Geloof, Hoop en Liefde op de Prinsengracht waren eigendom van Jacob Luden. Hij kocht deze voormalige brouwerij ’De Drie Schulpen’ op de Prinsengracht in 1753 en verbouwde het complex tot de drie bovengenoemde pakhuizen. Hij bezat ook zes pakhuizen op het Rapenburg. Na zijn overlijden kreeg zijn oudste zoon Johannes de pakhuizen Geloof en Hoop en de buitenplaats Vreedeveldt. De tweede zoon Dirk verwierf onder meer het pakhuis De Liefde en het oude woonhuis op de Keizersgracht 105, dat Jacob Luden in 1762 had gekocht. In 1801 kocht Johannes het pakhuis De Liefde van zijn broer Dirk. Johannes en Petrus Luden traden op als executeur-testamentair van Jurriaan Bartelse. Johannes Luden Hendriksz (1739 1794) en Petrus Luden (1749 1822) Johannes Luden Hendriksz was onder meer reder en koopman op de West, assuradeur bij de firma Luden en Speciaal, later Luden en Co., overman van het stokviskopersgilde en commissaris van de Wisselbank, de voornaamste ’bank’ ten tijde van de Republiek. Johannes was tevens een der directeuren van de lijnbaan ’Het groote Speeljacht’, opgericht in 1767. Deze lijnbaan werd in 1808 geliquideerd. Andere lijnbanen die hij in eigendom had waren ’Het huis van Egmond’ en ’Het schild van Frankrijk’. Hij trouwde in 1763 met Catharina Speciaal, dochter van Hendrik Speciaal en Maria Johanna de Visscher. Zij was de kleindochter van Jacob Speciaal, koopman en assuradeur, schepen en later burgemeester te Oostzaan. Twee jaar na het overlijden van zijn vrouw trouwde Johannes in 1778 met Margareta Martina Dibbetz, dochter van Margaretha Smit en Frederik Dibbetz, die onder meer bankier was bij de firma Fred. Dibbetz en Zoon. Johannes overleed in 1794. In 1797 werd de Compagnieschap in de stokvishandel ’Bartelse en Luden’ gescheiden en verdeeld, waarbij Petrus Luden werd aangesteld tot beheerder van de pakhuizen met de restrictie om over het gevoerde bewind jaarlijks verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. Pas in 1810 werd zijn nalatenschap finaal gescheiden en gedeeld. Zijn broer Petrus begon op dertienjarige leeftijd bij het comptoir van Theodore Passalaique en Zoon. Na een leerperiode van zeven jaar nam hij het besluit om voor zichzelf te beginnen en hij verzocht om een veniam aetatis. Hij trouwde in 1774 met Dorothea Mathilda Hemmij, dochter van Johan Coelestinus Hemmij en Magtilda Vergeel. In 1780 werd Petrus procuratiehouder van de firma ’Johannes Vergeel en Co.’, deze firma werd geleid door zijn schoonmoeder. Petrus en Dorothea Mathilda hadden een kind, een jong gestorven zoon Johannes (12 juni 1776 - 2 december 1776), en lieten bij hun dood geen nakomeling na. Jurriaan Bartelse, Jacob Speciaal, Jacob Luden Hendriksz, Petrus Luden en Hendrik Luden werden aangesteld tot executeurtestamentair van Johannes Luden Hendriksz. Stukken betreffende zijn nalatenschap zijn te vinden bij zijn broer Petrus Luden en zijn zoon Jacob Hendrik Luden. Jacob Hendrik Luden (1765 1838) Jacob Hendrik was bankier, hij had zijn eigen onderneming de ’Firma Jacob Hendrik Luden en Zoonen’, hij was lid van de Raad van Amsterdam en commissaris van de wisselbank. Hij trad veelvuldig op als executeur-testamentair. Jacob Hendrik woonde aanvankelijk op de Keizersgracht bij de Reguliersgracht, later verhuisde hij naar de Herengracht. Hij trouwde in 1790 met Susanna Anthonia Luden, een volle nicht, dochter van Johannes Luden Jacobsz en Maria van den Bergh. Jacob Hendrik trouwde in 1809 met Maria Luden eveneens een volle nicht en dochter uit het tweede huwelijk van Dirk Luden en Elisabeth van Heyningen. Hij had in totaal negen kinderen, vijf uit het eerste en vier uit het tweede huwelijk. Maria Luden overleed op 42-jarige leeftijd in het kraambed, na de geboorte van het ’nakomelingetje’ Hendrik, hun vierde kind. Jacob Hendrik maakte enige reizen, onder andere naar Engeland. Veel stukken van persoonlijke aard heeft hij ons echter niet nagelaten. Het grootste gedeelte van het archiefmateriaal dat aan hem kan worden toegeschreven zijn de stukken die hij heeft opgemaakt en ontvangen als executeur-testamentair. Zijn executeur-testamentair was Johannes Luden (zijn oudste zoon). Johannes Luden (1792 1868) en Hendrik Luden (1796 1815) Al op zeventienjarige leeftijd kreeg Johannes Luden de gelegenheid om op reis te gaan. In 1809 begon hij aan zijn ’Grand Tour’ en vertrok naar Duitsland, Zwitserland en Itali¨e. Tussen 1811 en 1813 reisde hij door Rusland. Hij kwam gedurende zijn reizen veelvuldig in contact met bankiers. Johannes Luden wilde het zakenleven echter nog niet in. Hij hoopte op een carri`ere als diplomaat of een militaire loopbaan. Na zijn terugkomst in het vaderland trad hij gedwongen toe in Napoleons Garde d’Honneur. In 1815 werd Johannes aangesteld tot kapitein bij de Amsterdamse schutterij. Hij werkte vervolgens enige tijd als volontair bij een Parijse bankier en samen met zijn broer Jacob Johannes werkte hij als volontair op het kantoor van Rene Beerenbroek. Hij studeerde rechten in Utrecht en Luik. Johannes trouwde in 1823 met Anna Catharina Duker, dochter van Petrus Gerardus Duker en Anna Catharina Boode. Hij verwierf via de familie van zijn vrouw de plantage Cornelia Ida te Demarary (Suriname), waar Petrus Gerardus Duker fiscaal en auditeur militair was. In 1829 kocht hij een huis op de Herengracht (nr.527). Op 18 maart 1830 promoveerde hij op een proefschrift over de legitieme portie en de wijze om deze op te eisen. Een juridische loopbaan werd het echter niet. Johannes werd benoemd tot kolonel en ingedeeld bij de tweede afdeling van het tweede bataljon schutters van Noord-Holland. Op 4 augustus 1831 trok hij ten strijde tegen de Belgen in de Tiendaagse Veldtocht. Hij werd benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde en in 1832 ontving hij het Metalen Kruis ter herrinering aan de veldtocht. Johannes werd in 1835 aangesteld tot commissaris van de Nederlandsche Handel Maatschappij en in 1836 benoemd tot direkteur van de Nederlandsche Bank, opgericht in 1814 door Willem I. Deze functie heeft hij pas in 1862 neergelegd. Johannes was tevens lid van de Raad van Amsterdam en lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Als adjudant des konings is hij aanwezig geweest bij de inhuldiging van koning Willem II. Zijn broer Hendrik overleed al op negentienjarige leeftijd te Brussel. Hij was Luitenant bij de Carabiniers. De nalatenschap van Hendrik Luden werd afgewikkeld door zijn vader Jacob Hendrik Luden. De nalatenschap van Johannes Luden werd afgewikkeld door zijn zoon Hendrik Lodewijk Maurits Luden. Hendrik Lodewijk Maurits Luden (1828 1903) Evenals zijn vader Johannes Luden studeerde Hendrik Lodewijk Maurits, ook genoemd Maurice, rechten in Utrecht. Hij behaalde zijn doctoraal in 1851 en werd in 1856 benoemd tot rechter bij het kantongerecht te Amsterdam. Hij woonde met zijn vrouw, Marie Louise Craeyvanger, en hun vier kinderen in het ouderlijk huis, op de Herengracht 527. Het gezin verhuisde in 1874 naar de Herengracht 498. Hendrik Lodewijk Maurits was commissaris van de Nederlandsche Bank en van de Nederlandsche Handelmaatschappij. In 1890 werd het kantoor ’The Cornelia Ida Estate Company ltd.’ opgericht, welke zich bezig hield met de exploitatie van suikerplantages te Demararey. Hendrik Lodewijk Maurits was administrateur van dit kantoor. Hij overleed in 1903 en zijn nalatenschap werd afgewikkeld door zijn twee zonen Johannes en Emil, maar stukken betreffende de afwikkeling van zijn nalatenschap zijn alleen te vinden onder Johannes Luden. Johannes Luden (1857 1940) en Emil Luden (1863 1942) Ook Johannes studeerde rechten in Utrecht. Hij promoveerde in 1879 bij J.A. Fruin op de dissertatie ’Het onvolledig endossement en de procuria wissel’. Zijn belangstelling voor de geldhandel bleek al eerder uit een aantal verhandelingen van zijn hand over de ontwikkeling van het bankwezen en de geldhandel in Amsterdam. In 1880 promoveerde hij bij J. de Louter op stellingen in de staatswetenschap. Na zijn studie was hij korte tijd werkzaam als advocaat in Amsterdam. Hij verliet de advocatuur en ging als ambtenaar werken bij De Nederlandsche Bank, waar hij vanaf 1906 commissaris werd. In 1885 werd Johannes waarnemend directeur van de Rente Cassa, in 1889 lid van de firma Van Loon en Co. en in 1897 trad hij toe tot de firma Hope en Co. Johannes had veel nevenfuncties. Hij was commissaris van de Nederlandsch-Indische Handelsbank, de Associatie Kas, de Rente Cassa, de Nederlandsche Petroleum Maatschappij, de cultuurmaatschappij Ngredjo en van de North Western en Pacific Hypotheekbank. Hij was enige tijd lid van de gemeenteraad in Bloemendaal en werd gevraagd voor het voorzitterschap van het Nationaal Comite van Actie tegen het verdrag met Belgi¨e. Hij trouwde in 1882 met Mathilde Wilhelmina Johanna Jacoba van der Vliet, een dochter van David van der Vliet en Johanna Jacoba Borski. Johannes woonde met zijn vrouw op de Herengracht 460, dit was het huis dat eerder door David van der Vliet werd bewoond. In 1898 verhuisde het echtpaar met hun vier kinderen naar het landgoed Koningshof in Overveen, ook afkomstig uit de enorme bezittingen van de familie van der Vliet. Tot deze bezittingen behoorde eveneens het ouderlijk huis van Mathilda ’Duinlust’ en de grote buitenplaats Elswout, beide gelegen in Overveen. Duinlust werd na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski bewoond door haar zoon Emil. Johannes Luden werd benoemd tot zijn curator. Elswout werd in 1805 door Willem Borski verworven. Na de dood van Johanna Jacoba van der Vliet-Borski kwam Elswout in het bezit van de erven Van der Vliet en in 1950 ging de buitenplaats over naar de erven Luden. In 1958 werd Elswout verkocht aan de gemeente Bloemendaal en in 1970 verwierf de Staat der Nederlanden het eigendom. Emil Luden was president commissaris van het college van commissarissen van de Deli-Batavia Maatschappij en de Deli-Batavia Rubber Maatschappij, hij was voorzitter van de erfgooiers gemeenschap Stad en Lande van Gooiland en van de raad van administratie der maatschappij voor waterleidingen. Voorts werkte hij mee aan de oprichting van de Electrische Spoorweg Maatschappij, de Maatschappij tot exploitatie van waterleidingen in Nederland en de petroleummaatschappij Moeara Enim. Hij was direkteur van de petroleum maatschappij Maesi Hir. Hij trouwde te Londen in 1887 met Annie Lilian Warburton Stent en het echtpaar kreeg vier kinderen. Het gezin woonde in Hilversum in Huize Spijkerpolder. Executeur testamentair van Johannes Luden was Jan Anton Willem Luden (zijn zoon) Hendrik Luden (1885 - 1924) en Jan Anton Willem Luden (1891 - 1962) Hendrik Luden trouwde in 1916, aanvankelijk zeer tegen de zin van zijn familie, met de amerikaanse Elizabeth Adelaide Cannon. Het echtpaar kreeg een zoontje, Jacky, die op jonge leeftijd aan tuberculose overleed. Hendrik verdronk op 39 jarige leeftijd in de Noordzee. Zijn weduwe hertrouwde Edgar W. Leonard. Zij zette zich onder ondere in voor de tuberculosebestrijding en was betrokken bij de in 1930 opgerichtte Johannes Hendrik Luden Stichting die tot doel had de bestrijding van tuberculose. Jan Anton Willem bleef ongetrouwd. Hij woonde tot aan zijn dood in het ouderlijk huis Koningshof te Overveen.
A. 1.Geschiedenis A.1.1. Geschiedenis der Universiteit van Amsterdam Op 8 januari 1632 werd met de plechtige inwijding van het zogeheten “Athenaeum Illustre” in de Agnietenkapel aan de Oudezijds Voorburgwal de grondslag gelegd van de instelling die thans de naam “Universiteit van Amsterdam” draagt. Bij die gelegenheid hield een der beide door de Amsterdamse vroedschap beroepen professoren, Vossius, een openingsrede over het nut der geschiedenis; een dag later hield zijn enige ambtgenoot, Barlaeus, een betoog over een in die tijd aangehangen ideaal, nl. dat van de “Mercator Sapiens”, de onderlegde handelsman; voorts sprak hij over de noodzaak de studie van de handel en die van de filosofie hecht te combineren. Deze “Oratio de conjugendis Mercaturae et Philosophiae studiis” vond in de toenmalige handelsstad grote weerklank. Dit Athenaeum Illustre bleef tot 1876 een voorbereidend instituut voor de rijksuniversiteiten elders in den lande. Eerst met de Wet op het Hoger onderwijs van 1876 werd aan de Gemeente Amsterdam toegestaan het “Atheneum Illustre tot universiteit in te rigten”: de universiteit begon toen met een personele bezetting van 39 hoogleraren, verdeeld over vijf faculteiten (Theologie, Geneeskunde, Rechten, Letteren en Wis-, Schei- en Natuurkunde). Huisvesting werd gevonden in de “Garnalendoelen” aan dat deel van de Singel, waar thans de Universiteitsbibliotheek is gevestigd. In 1880 werd het Oudemanhuis betrokken. De uit de in 1618 gestichte Medicinale Cruythof voortgekomen Hortus Botanicus werd in 1877 bij de universiteit gevoegd, in 1878 volgde het Binnengasthuis. In 1891 legde Koningin Wilhelmina de eerste steen voor het naar haar genoemde Gasthuis, dat als academisch ziekenhuis ging functioneren. De oorsprong van de groep laboratoria op wat thans het “Roeters- eiland” wordt genoemd, lag ook in deze jaren: in 1891 werd daar als eerste het “Scheikundig Laboratorium” geopend. In 1922 werd het traditionele aantal van vijf faculteiten uitgebreid: in 1922 werd de faculteit der Handelswetenschappen (thans: Faculteit der EconomischeWetenschappen en Econometrie) gesticht en in 1947 begon de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen (naderhand: Faculteit der Sociale Wetenschappen) als zevende haar onderwijs, sedert 1 september 1986 is deze faculteit opgesplitst in drie faculteiten. Na meer dan driehonderd jaar bestuurd te zijn door de stadsregering, kwam in 1960 met deWet op het Wetenschappelijk Onderwijs een belangrijke wijziging in de positie van de gemeentelijke universiteit: op 1 januari 1961 verkreeg de Universiteit van Amsterdam “rechtspersoonlijkheid”: invloed van het college van Burgemeester en Wethouders van de stad Amsterdam op het dagelijks beheer van de universiteit werd daarbij vrijwel geheel geelimineerd. Aanvankelijk droeg de gemeente Amsterdam nog een gering percentage in de kosten bij, maar sedert 1970 worden de kosten van de Universiteit van Amsterdam volledig door het Rijk gedragen. Organisatie Op voet van de in 1960 aangenomen Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs, die later nog vele malen werd gewijzigd, is de Universiteit van Amsterdam tot in 1970 bestuurd door het “College van Curatoren” en de “Senaat”, onder medewerking van de faculteiten en interfaculteiten. De voorzitter van het uit 8 leden bestaande College van Curatoren was de Burgemeester van Amsterdam; de Wethouder van Onderwijs maakte tevens van het College deel uit; 3 leden werden voorts door de Kroon benoemd en 3 door de Gemeenteraad. Curatoren waren belast met het algemeen bestuur der universiteit en hadden “te waken voor de naleving van” de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. De Senaat, gevormd door de gezamenlijke hoogleraren, behartigde de “algemene belangen van het onderwijs en van de beoefening der wetenschap aan de universiteit” ondermeer door het doen van voorstellen en het geven van adviezen te dien aanzien aan Curatoren. Wettelijke basis van curatoren: Besluit van de gemeenteraad no.1318 van 28 december 1960. Het besluit is enkele malen gewijzigd en voor het laatst (wat betreft de periode waarover het archief loopt) op 30 september 1970, no.1009. Taken van curatoren: a. Toezicht op het naleven van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs. B. Het bestuur, samen met de Senaat van de Universiteit. Bevoegdheden: a. Vaststellen van een bestuursreglement, na de Senaat en het Presidium gehoord te hebben. Het reglement wordt goedgekeurd door de gemeenteraad. B. Het vaststellen van richtlijnen voor beheer en gebruik van gebouwen, inrichtingen, terreinen, verzameling en andere hulpmiddelen voor het onderwijs. C. Het geven van voorschriften en het treffen van maatregelen ter bescherming van de gezondheid van de studenten. D. De voorzitter van het college is vertegenwoordiger van de Universiteit. E. Alle bevoegdheden met betrekking tot de Universiteit voor zover deze niet uitdrukkelijk aan andere organen zijn toegekend. (art. 4 t/m 17) f. Curatoren zijn ook bevoegd samenwerkingsverbanden met andere universiteiten aan te gaan en gemeenschappelijke regelingen aan te gaan met gemeenten en provincies een stichting op te richten en ook overeenkomsten te sluiten voor het oprichten van rechtspersoonlijke lichamen. (art. 47) g. Curatoren zijn bevoegd instellingen, stichtingen, etc. toe te laten leerstoelen of lectoraten te vestigen. Hierover wordt advies ingewonnen bij de Senaat. (art. 48) h. Curatoren laten privaatdocenten toe na advies van het Presidium en de Senaat. i. Het personeel wordt formeel door curatoren benoemd en ontslagen. Benoeming en ontslag van hoogleraren behoeft goedkeuring van de Kroon {art. 50 en 55) j. De financi¨ele stukken: ontwikkelingsschema’s, begrotingen, financi¨ele schema’s en jaarrekeningen gaan van curatoren naar de Minister van Onderwijs en Wetenschappen, alsmede naar het College van Burgemeester en Wethouders. Het dagelijks-, financieel-economisch- en personeelsbeheer werd gevoerd door het “Presidium”, bestaande uit de rector-magnificus, de pro-rector, de kanselier-directeur en in 1967 werd het Presidium uitgebreid met twee gedelegeerde Curatoren. In 1970 werd de “Wet Universitaire Bestuurshervorming” van kracht, waarbij het bestuur over de universiteit wordt opgedragen aan de “Universiteitsraad en het College van Bestuur”. De Universiteitsraad bestaat uit door het personeel en de studenten (faculteitsgewijs) gekozenen, 33 in getal, aangevuld met 7 door de Kroon benoemde leden. Het College van Bestuur, bestaande uit 5 leden, van wie 2 gekozen zijn door de Universiteitsraad; 2 leden door de Kroon zijn benoemd en de rector magnificus, heeft een overwegend voorbereidende en uitvoerende taak; het College van Bestuur wordt daarin bijgestaan door de centrale diensten. De Universiteitsraad heeft vooral een algemeen bestuurlijke taak en neemt een aantal vitale beslissingen, zoals het vaststellen van de begroting, het bestuursreglement en het kiesreglement. Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs per 1 september 1986 wordt een wijziging aangebracht in de universitaire samenstelling van de Universiteitsraad en van het College van Bestuur, terwijl tevens de bevoegdheidsverdeling tussen de Universiteitsraad en het College van Bestuur wordt gewijzigd. A.1.2. Geschiedenis periode 1960-1971 Deze periode wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke gebeurtenissen welke niet voorbij zijn gegaan aan de Universiteit van Amsterdam. Een aantal woorden zijn daarbij steeds terugkerend, namenlijk “democratisering”, “macht” en “inspraak”. Ter verduidelijking van de beschreven archiefperiode is het onderstaande toegevoegd aan de inleiding en zal de onderzoek(st)er zelf hieraan de nodige waarde kunnen toekennen. Na de beeindiging van de Tweede Wereldoorlog trad een periode in van wederopbouwen herstel, bevorderd en gestimuleerd met behulp van het “Marshall-plan” van de Verenigde Staten. Van een agrarische structuur ging Nederland naar een geindustrialiseerde structuur, waarbij de economie in een opwaartse lijn terecht kwam. Een aantal multinationals ontstonden dan ook in die jaren, zoals Shell, Philips en Unilever en er vond een kapitalisering plaats naar Amerikaans model. Voorbeelden van de toenemende welvaart waren dan ook overduidelijk aanwezig met de opkomst van de huishoudelijke artikelen, auto’s en de telefoonaansluitingen. De economische groei bleef gestaag doorgaan en de vraag naar arbeidskrachten was groter dan het aanbod en zo werden er buitenlandse arbeidskrachten aangetrokken. Ook aan meer vrije tijd werd de behoefte gevoeld en al spoedig is de gehele zaterdag een vrije dag geworden en daarmee de de “vijfdaagse-werkweek” een feit. Dit alles werd geaccepteerd en kan omschreven worden met de “sociale-vrede” na de Tweede Wereldoorlog. De loonexplosie maakte een eind aan deze “sociale vrede” en daarvoor in de plaats kwam een sociale-onvrede”, alhoewel deze in het begin alleen nog maar bij kleine groepjes geconstateerd werd, zoals bijvoorbeeld bij milieu-actiegroepen. De industrialisatie tastte het milieu aan, evenals de vele auto’s behoefte hadden aan een wegennet en hetgeen weer ten koste ging van het natuurschoon. De politiek ging zijn eigen weg en de burger was op geen enkele wijze betrokken bij het besluitvormingsproces, waardoor acties werden ondernomen om rechten en plichten af te dwingen. Uiteindelijk ontstond ook binnen de politiek problemen en trad er versplintering op van de politieke partijen om gevolg te kunnen geven aan de wensen. Provo en Kabouter waren begrippen geworden binnen de Amsterdamse samenleving met bekende plannen als het “Witte fietsenplan” en de “Daktuinen ”. Uiteindelijk kwam de climax met de studentenrellen te Parijs in mei 1968, waar het ging om de inspraak en de medezeggenschap van de studenten binnen de structuur van het wetenschappelijk onderwijs en ter bevordering van de openheid van bestuur. De politieke geloofwaardigheid nam steeds verder af en de Nederlandse studenten kwamen eveneens in opstand met de uiteindelijke climax in mei 1969 door het “Maagdenhuis” te bezetten. Eerder waren onderwijsvernieuwingen doorgevoerd middels de “Mammoetwet” met als gevolg dat het aantal studenten alleen maar toenam, doch niet de universitaire mogelijkheden en met name binnen de faculteiten Geneeskunde, Letteren en Rechtsgeleerdheid. Stagnaties en studiebeperkingen maakten het de student niet makkelijk en het “starre bestuur” der Universiteit van Amsterdam deed hier niets aan in de ogen van de de staf en de studenten. De student wilde openheid van bestuur, inspraak en medezeggenschap op universitair niveau en niet alleen om hier mee te denken, maar tevens om aan zijn eigen toekomst te kunnen werken. Het onderwijs moest ook volgens het bedrijfsleven veel meer hierop aansluiten en dat maakte dan ook vernieuwingen binnen het wetenschappelijk onderwijs noodzakelijk. Ook op het bestuurlijke niveau was inmiddels onrust gekomen, daar de Wetenschappelijke Staf gelijkwaardig behandeld wilde worden als de Senaat. Deze Wetenschappelijke Staf voerden in feite aan twee kanten strijd, namenlijk aan de ene kant op het bestuurlijke niveau en aan de andere kant met de studenten. Het bestuur bleef een starre houding aannemen en uiteindelijk deed de “Maagdenhuisbezetting” de veranderingen, ook landelijk versnellen. De inspraak van de staf en de studenten is dan ook een voldongen feit geworden met de “Wet Universaire Bestuurshervorming 1970”.
Het archief van een politicus is meestal een vermenging van documenten die zijn persoonlijk en zijn maatschappelijk leven weerspiegelen. Salomon Rodrigues de Miranda is daarvan een voorbeeld. Hij schreef veel, het meeste was bestemd voor publikatie in kranten en tijdschriften. Aan zijn beide echtgenoten schreef hij voorts talloze brieven, met natuurlijk ook berichten over actuele zaken van zijn maatschappelijk zeer drukke leven. Na slechts vijf klassen lager onderwijs begon zijn opleiding tot diamantbewerker. In de Algemeene Nederlandschen Diamantbewerkers Bond (ANDB), opgericht in 1898, speelde hij een actieve rol en publiceerde in hun Weekblad. Voorts was hij al spoedig na de oprichting in 1894 lid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Zijn persoonlijk leven vergde ook de nodige aandacht. Uit zijn eerste huwelijk met Selly Elion had hij vijf kinderen. Selly had een zwakke gezondheid en overleed in 1923. Drie jaar later hertrouwde De Miranda met Wilhelmina Titia Timmerman, uit welk huwelijk twee kinderen werden geboren. De Miranda was sociaal-democraat in hart en nieren. In 1900 werd hij gekozen tot voorzitter van de Arbeiderskiesvereeniging district III van de SDAP, in 1919 in de Provinciale Staten van Noord-Holland, in datzelfde jaar tot wethouder in de Amsterdamse gemeenteraad. Dit laatste, wethouder in Amsterdam, is hij met enkele onderbrekingen tot 1939 geweest. Zijn artikelen en ook zijn optreden lokten nogal eens felle reacties uit, maar zijn gedrevenheid heeft ertoe geleid dat hij in Amsterdam een aantal belangrijke zaken tot stand kon brengen. Deze lagen merendeels op het terrein van de levensmiddelenvoorziening, de was-, bad- en zweminrichtingen en de woningbouw gekoppeld aan krotopruiming. De crisisjaren gooiden bij alle plannen roet in het eten, de grote zorg om de werkloosheid bracht De Miranda tot het opstellen van zijn ‘Plan tot inperking der werkloosheid’ uit 1934. Het jaar daarop werd hij weer tot wethouder gekozen, nu voor Volkshuisvesting en Publieke Werken. Voortvarend als De Miranda was, nam hij nu bij de woningbouw initiatieven zonder de Dienst PubliekeWerken en vooral de directeur hier voldoende bij te betrekken. De onenigheid hierover, met name over de uitgifte van bouwgrond, leidde tot een politieke controverse en een justitieel onderzoek. De hetze in de pers tegen De Miranda over deze erfpachtkwestie in 1939 deed de raad besluiten tot een onderzoek door een raadscommissie. Maar vooral de beschuldigingen in de pers veroorzaakten bij De Miranda een zware depressie, waarvoor hij in een inrichting moest worden opgenomen. Het rapport van de commissie gaf als oordeel dat De Miranda dan wel geen fraude had gepleegd, maar wel ernstige beleidsfouten had gemaakt. De Miranda keerde hierna niet terug in de raad. Hij zette zich aan het schrijven van het verweerschrift ‘Pro Domo’, dat echter door het uitbreken van de oorlog niet is verschenen. Tevens hield hij zich intensief bezig met de voorbereiding van een publikatie over ‘Amsterdam in de eerste helft der twintigste eeuw’, dat niet verder is gekomen dan het stadium van concept. De Miranda werd in juli 1942 gearresteerd en uiteindelijk op 3 november 1942 gedood.
In 1897 deponeerde Jhr. Fr´ed´eric Louis Bicker twee kisten, waarin het archief van de familie Bicker was opgeborgen, op het Gemeente-Archief te Amsterdam ten behoeve van krijgshistorische onderzoekingen van F.W.J. de Witt Huberts. Dit familie-archief bleek zeer belangrijk te zijn en daarom zocht de volontair ten archieve Joh. E.Elias de stukken uit en maakte een summiere inventaris op. De Gemeente-Archivaris, Mr. W.R. Veder, heeft daarna de eigenaar geadviseerd, een aantal z.i. belangrijke stukken en delen hiervan in bruikleen te geven aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Dit geschiedde en deze delen en stukken werden verspreid over de bibliotheek en het archief. Toen in 1903 de ordening haar beslag had gekregen, zond de Gemeente-Archivaris, handelend naar de toenmalige opvattingen, ook naar andere instellingen gedeelten van het familie-archief Bicker in bruikleen. Het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage ontving een verzameling stukken, voornamelijk afkomstig van Mr. Jan Bernd Bicker (1746-1812), die achtereenvolgens gecommitteerde ter vergadering van de Staten van Holland en in de Nationale vergadering was geweest, de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam kreeg verschillende dictaten en handschriften (zie bijlage) en tenslotte kreeg ook het Gemeente-Archief te Haarlem enkele stukken (zie bijlage). De Algemeen Rijksarchivaris zond nog in 1905 een aantal stukken, afkomstig van Henric Bicker (1777-1834) als ontvanger te Amsterdam, door naar het Rijksarchief in Noord-Holland. Na enige tijd stuurde de Rijksarchivaris van Noord-Holland deze collectie weer naar het Gemeente- Archief te Amsterdam. Het eigenlijke familie-archief was in 1903, kort na de dood van de eigenaar die op 13 januari van dat jaar was overleden, teruggezonden naar de familie Bicker. De twee zoons, Jhr. Willem Herman Bicker en Jhr. Pierre Herbert Bicker, moeten daarna ieder een gedeelte van dit archief hebben gekregen. Van een systematische verdeling was echter geen sprake. Waarschijnlijk kreeg ieder ongeveer een gelijke quantiteit, waarbij zelfs dossiers uit elkaar gingen. Jhr. Willem Herman Bicker gaf in 1912 zijn gedeelte in bruikleen aan het Algemeen Rijksarchief te ’s Gravenhage. Het andere deel bleef in het bezit van Jhr. Pierre Herbert Bicker. Na afloop van de oorlog schonk zijn weduwe, Douairi`ere S.W.P. Bicker-van Lennep, door bemiddeling van haar broer Jhr. F.J.E. van Lennep dit gedeelte van het familie-archief aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Toen kwam de betreurenswaardige verdeling van 1903 aan het licht en om weer tot vereniging van de beide gedeelten te komen besloten de kinderen van wijlen Jhr. Willem Herman Bicker, en wel Mevrouw Mr. H.D. Vuyk-Bicker, Jhr. F.L. Bicker en Mevrouw E.L. van den Broek d’Obrenan-Bicker, ook hun gedeelte te schenken aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Met uitzondering alleen van de papieren, die in 1905 naar de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam en naar het Gemeente-Archief te Haarlem zijn verzonden en die moeilijk te achterhalen zijn, is thans weer alles vereend. Het archief beslaat ruim 7 meter. Op verzoek van de Algemeen Rijksarchivaris blijven evenwel de stukken, afkomstig van Jan Bernd Bicker en in 1905 beschreven in de Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven, op het Algemeen Rijksarchief berusten. Zij zijn echter wel in de hier volgende inventaris opgenomen, met verwijzing naar het nummer van de inventaris van 1905. I Bicker Het eigenlijk familie-archief Bicker werd gevormd door de afstammelingen van Jacob Bicker en Aeff Jacobsdochter de Moes. Betreffende de afstammelingen van zijn oudere broer, Gerard Bicker, uit wie de familie Bicker van Swieten stamt, vindt men enige stukken, die blijkbaar later verzameld zijn. Vermelding verdient voorts, dat de oudste leden van dit geslacht, waarvan archiefbescheiden worden bewaard, niet de naam Bicker droegen, maar respectievelijk Helmer en van den Anxter. Pas de derde generatie, en wel Pieter Bicker, die in 1497 werd geboren, voerde de naam Bicker, ontleend aan de familie van zijn moeder. II (De) Moes Door het huwelijk in 1577 van Jacob Bicker en Aeff Jacobsdochter de Moes kwamen enkele stukken van haar voorouders bij het archief Bicker. III (De) Vrij Hetzelfde vond plaats door het huwelijk van Anna Roelofs en Jacob Bicker in 1608 ten aanzien van enkele stukken van haar familie, die toen echter over het algemeen nog niet De Vrij werd genoemd, en van haar moeders familie, genaamd Valckenier. IV Geelvinck In 1639 trouwde Henrick Bicker met Eva Geelvinck. De grondpapieren van de buitenplaats Oosterhout te Heemstede, die haar ouders in eigendom bezaten, zijn ten gevolge hiervan bij het archief Bicker gekomen. Waarom dit geschiedde, is niet na te gaan. Voor zover bekend hebben de Bickers deze buitenplaats nooit in bezit gehad. V Schaep Met Maria Schaep, de enige dochter van de oudste zoon van de bekende genealoog Gerard Schaep Pietersz, die in 1681 met Henrick Bicker trouwde, kwamen de archieven, afkomstig van haar vader en grootvader, in de familie Bicker. Een gedeelte hiervan bleef in het familie-archief berusten, een ander gedeelte kwam door het huwelijk van Margaretha Bicker met Cornelis Backer, in 1720, in het archief van de familie Backer, dat thans ook op het Gemeente-Archief te Amsterdam wordt bewaard. De familie Bicker behield o.a. als belangrijkste de drie genealogische handschriften (Inv.no. 717-719), die de bovengenoemde Gerard Schaep Pietersz samenstelde en waarin hij gegevens over zijn eigen en zijn vrouws familie bijeenbracht, copie¨en en originelen. Vooral van zijn voorouders van moeders zijde Pauli of Halling, Oem en Van der Bies en van de familie van zijn vrouw, de Visscher genaamd, vindt men hier veel stukken, waarvan het archief Backer vrijwel niets bezit. Voor de geschiedenis van het bijeen brengen van deze stukken vergelijke men de inventaris van het familie-archief Backer, pag. 8. VI Pels In 1720 trouwde Mr. Jan Bernd Bicker met Johanna Sara Pels. Papieren betreffende het complex huizen en pakhuizen van de familie Pels op de Herengracht en daarachter op de Keizersgracht, die later grotendeels in handen van de familie Bicker kwamen, zijn daarom in het archief van de familie Bicker bewaard. Daarnaast vindt men er ook enkele stukken betreffende de firma Andries Pels en Zonen, die werd gesticht door de vader van Johanna Sara Pels en waarin later ook haar zoons en kleinzoon Bicker deel hadden. VII Dedel Door het huwelijk van Hendrick Bicker en Clara Magdalena Bicker in 1745 zijn enkele stukken, van haar ouders en verdere familieleden afkomstig, in het archief Bicker opgenomen. VIII Six Hetzelfde geschiedde ten gevolge van het huwelijk van Jan Bernd Bicker en Catharina Six in 1769. IX Van Hoorn In 1799 vond het huwelijk plaats van Henric Bicker met Wilhelmina Jacoba van Hoorn. Daardoor berusten thans in het archief van de familie Bicker een groot aantal stukken, afkomstig uit de familie van haar grootouders Testart en hun voorouders van beide zijden, Slicher, Spiegel, Nobel, Van der Marck en Arckenboudt. Het eigenlijke familie-archief van Hoorn bleef bij de familie van Hoorn zelf en berust thans onder de Heer L.G. van Hoorn te Bloemendaal. X Bisschop Grevelink In 1864 trouwde Fr´ed´eric Louis Bicker met Elisabeth Johanna Catharina Henrietta Bisschop Grevelink. Na de dood van haar vader moeten zijn betrekkelijk volledig bewaarde papieren in het archief van de familie Bicker zijn gekomen. Vroegere en tegenwoordige ordening. Het familie-archief is zoals wij reeds zagen in 1903 na de dood van Jhr. F.L. Bicker door zijn zoons volkomen willekeurig verdeeld. Het gedeelte, dat in 1912 aan de Algemeen Rijksarchief in bruikleen werd gegeven, werd daar beschreven door L.W.A.M. Lasonder. In 1914 werd deze inventaris gepubliceerd in de Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven. Zoals de bewerker van deze inventaris terecht in zijn inleiding opmerkte, was het archief zeer onvolledig; de reden daarvan was hem echter niet bekend. Enige jaren eerder, in 1905, waren in dezelfde Verslagen de stukken, afkomstig van Jan Bernd Bicker, beschreven. De stukken, die in bruikleen waren overgedragen aan het Gemeente-Archief te Amsterdam, aan de Universiteits Bibliotheek aldaar en aan het Gemeente-Archief te Haarlem, waren nooit beschreven, daar zij niet als collecties werden bewaard, maar verspreid. Nu het archief eigendom is geworden van de Gemeente Amsterdam is het in de hier volgende inventaris als geheel beschreven. Ook de stukken die nog op het Algemeen Rijksarchief bleven berusten, zijn hier aan de hand van de beschrijving van 1905 opgenomen. Een opvallend verschil in beschrijving en ook in ordening met de rest der stukken is daardoor uiteraard niet te vermijden geweest. Slechts de stukken op de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam en op het Gemeente-Archief te Haarlem vindt men hier niet. Een opgaaf daarvan treft men echter aan in de bijlagen. De verschillende familie-archieven waren al van ouds gedeeltelijk door elkander gemengd en moesten daarom bij een nieuwe ordening zorgvuldig worden gescheiden. Enkele stukken betreffende aangetrouwde families, welker aantal zo gering was, dat zij niet als een apart familiearchief konden worden beschouwd, zijn opgenomen bij de persoon, door welke zij in het familiearchief kwamen. De genealogische aantekeningen en genealogie¨en, waarvan dikwijls niet bekend was door wie zij waren samengesteld, zijn alle ondergebracht in afdeling A (Stukken van algemene aard). Enkele stukken en delen van deze aard, waarvan de samensteller wel bekend is, zijn ter wille van het verband ondergebracht bij de persoon, die ze samenstelde. In de allereerste plaats geldt dit voor de genealogische aantekeningen van Gerard Schaep Pietersz. Ter wille van een duidelijk overzicht zijn de stukken, zowel copie¨en als originelen, die Schaep in zijn drie banden samenbracht niet onder deze nummers beschreven, maar alle onder de personen, waarbij ze behoren. Om vergissingen te voorkomen zijn de inventarisnummers van deze stukken, die uiteraard niet als zodanig aanwezig zijn, met het teken + gemerkt. De indeling van afdeling B (Stukken betreffende afzonderlijke families en personen) spreekt verder voor zichzelf. Bij personen, wier inventaris door het grote aantal der stukken te onoverzichtelijk zou worden, is een onderverdeling in rubrieken gemaakt. Dezelfde volgorde, zonder vermelding echter van rubrieken, is ook bij andere personen in acht genomen. Stukken be- treffende de afwikkeling van de nalatenschap van een bepaald persoon zijn, hoewel uiteraard niet van deze persoon afkomstig, toch opgenomen onder de stukken, die op hem betrekking hebben, daar zoals duidelijk is een andere plaatsing bijna steeds moeilijkheden zou meebrengen. Alleen in het geval, dat bij een dergelijke afwikkeling uitdrukkelijk wordt vermeld ten behoeve van welke persoon deze stukken zijn opgesteld, is hiervan afgeweken. Speciaal moeten wij er hier op wijzen, dat in deze afdeling werd afgeweken van de gebruikelijke methode om een verdeling in personalia en realia te maken. Het toepassen van deze indeling, die steeds moeilijkheden meebrengt, daar men onder het hoofd realia niet alles wat betrekking heeft op de vaste bezittingen kan brengen en daardoor bepaalde bestanddelen uit elkander haalt, was bij de tien verschillende familie-archieven bijzonder bezwaarlijk. Waar dit geen families betrof, die een belangrijk of langdurig bezit aan vaste goederen hebben gehad, maar regentenfamilies, die betrekkelijk weinig en slecht gedurende korte tijd achtereen vaste goederen hebben bezeten, bleken de nadelen ener splitsing in personalia en realia groter dan de voordelen. Daarom zijn in deze inventaris dan ook de stukken, die betrekking hebben op de vaste goederen in afdeling B ondergebracht. De afdeling C (Stukken waarvan de samenhang met het archief niet is gebleken) eist geen nadere toelichting.
In 1950 besloten een aantal afstammelingen van Marten Westerman en Anna Maria Rudolphina Vorst ten einde de belangstelling van de veelal in het buitenland verspreide familieleden in hun voorouders te stimuleren en de familieportretten en ’papieren bijeen te brengen en te houden de Familie Westerman Stichting in het leven te roepen. Deze kwam op 21 april 1951 te Amsterdam tot stand door de daartoe ten overstaan van de notaris W.W. Rutgers afgelegde verklaringen van vertegenwoordigers van de staak doctor Gerardus Frederik Westerman en de staak Franciscus Casparus Westerman. Familieleden uit Amsterdam, ’s-Gravenhage en Wassenaar brachten papieren en portretten bijeen. Met de genealoog Jos. Goudswaard te Baarn werd overlegd over het instellen van een genealogisch onderzoek naar de oudere generaties om de door G.L. van der Molen in De Navorscher van 1921 gepubliceerde en de in 1924 in boekvorm verschenen genealogie¨en een bredere basis te kunnen geven. Dit leidde tot een herziene editie van de reeds in het Nederlands Patriciaat van 1928-1929 geplaatste genealogie Westerman in het Nederlands Patriciaat van 1955, blz. 371-382. Het 125-jarig bestaan van het mede door dr. G.F. Westerman opgerichte Koninklijk Zo¨ologisch Genootschap Natura Artis Magistra leidde in 1963 tot contacten van de secretaris van de Westerman Stichting, drs. W.F. Westermann, met het Amsterdamse Gemeentebestuur en de Gemeentelijke Archiefdienst. In 1964 werden door de Familie Westerman Stichting aan de gemeente Amsterdam overgedragen twee schilderijen en een zilveren bokaal als eigendom voor het Historisch Museum en de familiepapieren voor het Gemeentearchief als eeuwigdurend buikleen. I Westerman In het stamland Westfalen komt de familienaam Westerman veel voor. Bezat en bewoonde men in het westen van een dorp een boerderij, dan heette men Westerman, zoals men aan de oostzijde landerijen bezittende Oosterman genoemd werd. De oudst opgespoorde voorvader van de familie Westerman, wier archief hierna beschreven wordt, is Gerhard Westerman. Zijn omstreeks 1700 geboren zoon Georg Henrich, zich noemende Jurriaan Westerman, trouwde in 1735 met Frederica Romberg. Van hun tien te Kamen geboren kinderen vestigden zich een dochter en vier zoons in Amsterdam. Deze gebroeders Westerman waren: de knopenmaker Johann Heinrich Philipp, de drukker Johan Caspar Godefridus, de tabakskoper Friedrich Wilhelm Georg en de korendrager Johannes Theodor. Uit het huwelijk van de eerste, die zich Hendrik ging noemen, met Clara Catrina Mikke, werden vijf kinderen geboren. Van deze was het Marten, geboren op 28 september 1775, die de situatie van de familie geheel veranderde. Na enige jaren in Rotterdam als letterkundige en toneelspeler werkzaam te zijn geweest en zich de vriendschap van Tollens te hebben verworven, kwam hij in 1808 naar Amsterdam terug, waar zijn veelzijdige persoonlijkheid zich ook als drukker, uitgever en directeur van de Amsterdamse schouwburg verder zou ontwikkelen. Van alle werkzaamheden van deze stamvader van het huidige geslacht Westerman is in het familiearchief neerslag bewaard gebleven, waaraan blijken van waardering van tijdgenoot en nageslacht zijn toegevoegd. De kinderen uit Martens huwelijk met Anna Maria Rudolphina Vorst gingen voort op de door hun vader ingeslagen weg. Anna Petronella, in 1802 te Rotterdam geboren, maakte voor haar huwelijk met de cargadoor Jacobus Muller in 1825 naam als toneelspeelster. Gerardus Frederik, op 8 december 1807 te Rotterdam geboren, ontwikkelde zich van boekverkoper, firmant van M. Westerman en Zoon, nadat hij in 1838 de stoot gegeven had tot de oprichting van het Zo¨ologisch Genootschap Natura Artis Magistra, tot een dier- en plantkundige van internationale vermaardheid, aan wie in 1851 door de universiteit van Giessen een eredoctoraat in de filosofie werd verleend, waarbij Justus von Liebig als promotor optrad. In de tweede zoon, Johannes Casparis die in 1810 te Amsterdam was geboren en op 12 augustus 1831 als vrijwillig Koninklijk Jager voor Leuven sneuvelde, moest vader Marten de zo vaak door hem bezongen vaderlandsliefde met eigen bloed bezegelen. De twee jaar later geboren Franciscus Caparus volgde als lid der firma M. en F.C. Westerman zijn vader als drukker en uitgever op. Bij zijn huwelijk met Johanna Dorothea Blikman in 1834 werd tussen zijn firma en de firma Blikman en Sartorius een overeenkomst gesloten, waarbij zijn schoonvader Hendrik Blikman zich verbond alle aan hem opgedragen drukwerken door de firma Westerman te doen vervaardigen. Het familiearchief is voor een groot deel afkomstig van het echtpaar Westerman-Blikman en hun afstammelingen. Hun oudste zoon William Marten, letterkundige, uitgever en lid der firma Blikman en Sartorius, trouwde in 1861 met Johanna Frederica Smaale. Willem werd o.a. president van de Rotterdamsche Bankvereeniging, lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam, president van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel en president van de Nederlands-Amerikaanse Fundatie. In de jaren na 1920 besteedde hij ook zorg aan het familiearchief, waaraan door zijn toedoen de papieren-Smaale konden worden toegevoegd. Die belangstelling werd gedeeld door zijn oudste zoon, weer een Willem Marten, die in 1924 een genealogie Westerman deed verschijnen, samengesteld aan de hand van het toen onder hem berustende familiearchief. Deze Westerman voegde zelf, gelijk zijn bet-overgrootvader Marten, vele gedrukte publikaties van zijn hand aan het archief toe. Zijn vader, Willem, deed ook heel wat in druk verschijnen van deze, evenals van diens zwager Ewald Tweer, de man van zijn zuster Jenny, zijn belangwekkende brieven, rapporten en foto’s uit Nederlands-Indi¨e bewaard. Veel minder heeft broer Jan, die directeur was van de Co¨operatieve Stoomzuivelfabrieken Concordia te Wageningen en Ede, aan het archief toegevoegd. Johanna, directrice van de Sweelinckschool te ’s-Gravenhage, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en presidente van de Nationale Vrouwenraad, komt uit de niet talrijke stukken, die van haar bewaard bleven, zowel ambtelijk als persoonlijk naar voren. Jenny vooral ook in verband met haar werk voor de Amsterdamse kinderbewaarplaatsen en de Nederlandsche Vrouwenclub. Behalve reeds in 1872 op 36-jarige leeftijd gestorven William Marten, wiens aantekeningen over zijn kinderen en brieven aan zijn vrouw een goed beeld geven van het midden 19e-eeuwse familieleven, had het echtpaar Westerman-Blikman nog een dochter en twee zoons. Deze dochter Sara Hendrika trouwde in 1861 met de makelaar in specerijen en rijs Willem Frederik Westermann en bracht zo een verwantschap tot stand met een uit Brunswijk afkomstige familie, die zich in het begin van de 19e eeuw te Amsterdam gevestigd had. Sara Hendrika’s broef Franciscus Casparus werd kantoorbediende en later bibliothecaris te Soerabaja. Een reisdagboek uit 1865 bleef van hem bewaard. Johannes Casper zette de uitgeversfirma M. en F.C. Westerman voort. Uit zijn huwelijk met Wilhelmina Georgine Adelbert werden een dochter en twee zoons geboren. De oudste van deze jongens, Franciscus Wilhelm, kwam na de vroege dood van zijn moeder bij tante Westerman-Smaale in huis. Over dat verblijf bleven enige stukken bewaard. De afstammelingen van dr. Gerardus Frederik hebben in het familiearchief in veel mindere mate hun sporen nagelaten. Het meeste nog de dochter Margaretha Catharina, die in 1862 trouwde met Johannes Noordhoek Hegt, die aanvankelijk kapitein ter koopvaardij was en later onderdirecteur van Artis en directeur van de Trading Company late Hegt en Co. Haar broer Wilhelm Marten, kapitein der genie, trouwde in 1865 met Marie Margaretha Duyts. Uit dit huwelijk sproot de Haarlemse chirurg dr. Cornelis Willem Johan Westerman (1867-1925). Van deze, evenals van dr. Gerardus Frederik’s zoon Henricus Theodorus, gehuwd met Elisabeth Maria Cornelia Matthes, en dochters Dorothea Maria Eleonora, gehuwd met de Antwerpse beeldhouwer Jacobus Josephus Franciscus Verdonck en Anna Eleonora, gehuwd met de advocaat mr. Willem Hendrik Karel Mouthaan, bleven enkele stukken bewaard, die te zamen onder het hoofd: kinderen en verdere afstammelingen, achter die van hun roemruchte voorvader werden opgenomen. II Smaale Zoals reeds vermeld, trouwdeWilliam MartenWesterman in 1861 met Johanna Frederica Smaale, Zij was de dochter van Jan Hendrik Smaale Jr. en Johanna Eva Kraft. Hij dreef een handel in tapijten, eerst met goed succes, doch later met zo weinig voorspoed, dat een faillissement zijn oude dag zeer ongelukkig maakte. In de Lutherse gemeente vervulde hij verschillende functies. Met hem stief de mannelijke linie der Smaale’s uit. Zijn vader Johannes Henricus Smaale (de middelste), getrouwd met Johanna Frederica de Reus, verloor door de woelingen van de Franse tijd een groot deel van zijn fortuin en werd ambtenaar. Diens broer Frans Andries raakte in 1812, toen hij was ingedeeld bij het 24e regiment chasseurs `a cheval, in Rusland vermist. Hun vader Jan Hendrik Smaale (de oudste), getrouwd met Adriana Elisabeth de Reus, was wijnkoper en in 1762 overman van het gilde. Hij is de eerste Smaale van wie archief bewaard is gebleven. Behalve van hem en de andere genoemden zijn er nog papieren afkomstig van Theresia Smaale, dochter van Johannes Henricus Smaale (de middelste) en echtgenote van Henrik Abraham Klinkhamer, directeur van het Trippenhuis. De van leden der families Kraft, De Reus en Coster bewaarde stukken betreffen hoofdzakelijk geboorten, huwelijken en sterfgevallen. III De Flines Sijbrand Jonathan de Flines trouwde in 1832 met Sara Hendrika Blikman. In 1834, toen haar zuster Johanna Dorothea met Franciscus Casparus Westerman in het huwelijk trad, ontstond de band tussen de families De Flines en Westerman, die in de leiding van de firma Blikman en Sartorius van 1860 tot 1872 gestalte zou krijgen en er tevens toe leidde, dat betreffende enige leden van het geslacht De Flines stukken in het Westermanarchief belandden. Voor verdere gegevens over hen kan verwezen worden naar het ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van Blikman en Sartorius N.V. door mej. dr. C.C. van de Graft geschreven gedenkboek Lotgevallen van een Amsterdams Koopmanshuis 1749-1949.
META KEHRER Geboren 1890 Oct. 28 als dochter van Hermann Wilhelm Kehrer en Anna Elisabeth Jacoba Nachenius te Amsterdam. Na het doorlopen van het Gymnasium gaat zij in 1912 werken als leerling-verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis. In 1915 behaald zij het diploma verpleegsterkraamverpleegster. Van maart 1918 ’ maart 1919 werkzaam in het Burgerziekenhuis. Vandaar naar de Vereniging voor Maatschappelijk Werk in de ziekenhuizen, welke vereniging in 1921 overging naar de G.G.D. 1919-1923. Hierna volgden de eerste stappen in politie-omgeving. In 1923 ging Meta als surnumerair bij de Politie (kinderpolitie) waar zij vervolgens in 1924 als inspectrice 2e klasse werd benoemd, in 1937 tot inspectrice 1e klasse, vervolgens hoofd-inspectrice (1943 Staatsrecherche en 1946 Gemeente Politie). In 1951 gaat zij de dienst met eervol ontslag verlaten wegens de pensioengerechtigde leeftijd. Hierbij zij aangetekend dat zij vanaf de oprichting in 1926 van de Zedenpolitie daarbij is aangesteld. In hetzelfde jaar deed zij het examen voor adspirant-inspecteur van Politie met goed gevolg, hetwelk was ingesteld door de Bond van Hoogere Politie-Ambtenaren. Ook in het Bodswerk was Meta zeer actief. Naast vele bestuursfuncties en redactie-lid van de zelfstandige vereniging voor verplegenden NOSOKOMOS bekleedde zij van 1925 - 1932 de Presidents-functie, als laatste presidente der Vereniging. Bij de latere Nationale Bond van Verplegenden bekleedde zij wederom een hoofdbestuursfunctie. Als afgevaardigde bezocht zij vele congressen der International Council of Nurses o.a. in Kopenhagen, Parijs, Helsingfors, Rome enz. Vanaf de oprichting in 1937 was Meta lid van de Vereniging van Vrouwelijke Hogere Politieambtenaren en mede-oprichtster, tevens van 1946-1950 Presidente. In de Bond voor Hoogere Politie-ambtenaren was zij van 1947-1950 Hoofdbestuurslid. Het sociaal maatschappelijk werk had ook haar volle belangstelling. Zo werd zij na de bevrijding in 1945 lid van het Comit´e Zedelijk Herstel Amsterdam (Z.H.A.) waaruit ontstaan is de Stichting ’De Halte’ waarvan Meta secretaresse was. Deze Stichting had als doeleinde het opvangen van prosituees die uit het leven wilden en andere moeilijke gevallen. Ook in de Vereniging ’Hulp voor Onbehuisden’ was Meta actief n.m. lid van de afdeling Voogdij-pupillen en lid van het scheidsgerecht betreffende de rechtspositie van het personeel. Meta Kehrer was ook een groot beijveraarster voor het Soroptimisme en ook daar onttrok zij zich niet aan de verantwoordelijke functies, getuige de navolgende functies: secretaressepenningmeesteresse der Nationale Unie van Nederlandse Soroptimisten-clubs; secretaresse der Commissie Verzorging, Huisvesting voor alleenstaande Vrouwen en voorzitster van de Soroptimisten- Bouwcommissie te Amsterdam. Tussen al deze bedrijvigheid door heeft zij nog vele reizen gemaakt, o.a. naar IJsland, Rusland en Isra¨el, waarbij opgemerkt dat ook dank zij al haar bedrijvigheden zij dikwijls buiten onze grenzen vertoefde. Er zijn natuurlijk nog wel meerdere functies op te noemen, maar dit korte overzicht besluit met Meta’s werkzaamheden na de bevrijding 1945 bij het Tribunaal. Zij van lid van de Remontstrantsche Gereformeerde Gemeente. KORT GENEALOGISCH OVERZICHT Dominee D. Jansen Eyken Sluyters gaat naar de West. In Amsterdam getrouwd met Mej. Heusges. 5 kinderen in de West gekregen, weer terug, na de dood zijner vrouw, met zijn kinderen. Laat die in Holland achter, deels kostschool, deels familie Rijfsnijder. Gaat terug naar de West en hertrouwt daar met de Wed. Geijer (Geijersvlijt, Cacao-Onderneming). Na een jaar overlijdt mevrouw. De dominee keert terug naar Holland en maakt een reis met zijn 5 kinderen en zijn zwager Heusges naar Itali¨e met 2 postwagens, een kamenier en 2 zwarte knechts. Keert terug van de reis en hertrouwt met Mej. van Santen. Uit dit huwelijk een dochter, Adriane (getrouwd met Leuveling Tjeenk). Alles staat gereed om naar de West te vertrekken, dominee wordt ziek en sterft plotseling. Weduwe blijft met 6 kinderen over: Mimi, oudste dochter, getrouwd met Van der Voort, later met Willink, 2 kinderen, een uit eerste, een uit tweede huwelijk; Matthes, oudste zoon, bij de Rechtbank in de West, getrouwd met Mej. van der Hart, 4 kinderen, Alfred, Adolf, Charles en Nora; Tjark, getrouwd met Mej. Nijhoff, kinderloos; Henrietta, getrouwd met Benjamin Johan Nachenius, eerder weduwnaar van Mej. J.A. Guspin (Nettie) een kind Oom Eduard, kinderen Anna Elisabeth Jacoba (Mama), Eleonore Sophie, Dirk en Henriette Adriane; Johan, getrouwd met Mej. de Burlet, 14 kinderen, Marie Siepmanven den Berg, Hans, Tobias, Johan, (met Mej. Jarman), Cato, Betsy, Eef (kuiper van Harpen) Matthes, Adrian, Dirk, Henriette, enz. Nadat de kinderen groot waren hertrouwde mevrouw de Weduwe Eyken Sluyters-van Santen, met den Heer Heusges. dit huwelijk bleef kinderloos. Heusges gestorven te Rome in het bijzijn van zijn vrouw en zijn dochter Henriette, die voor die reis haar zuster Mimi tijdelijk verlaten had, met wie zij in Holland samenwoonde. Grootmama Heusges keerde toen met haar dochter Henriette naar Holland terug. Hierna is Henriette met Benjamin Johannes Nachenius getrouwd (grootpapa en grootmama Nachenius).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog verblijft de Nederlandse regering in ballingschap in Londen. De meeste leden van het tweede kabinet-De Geer vertrekken op 13 mei 1940, evenals Koningin Wilhelmina, naar Londen. Er zijn drie kabinetten geweest in deze periode.
Dr. Feyo Schelto Sixma baron van Heemstra (1916-1999) Van Heemstra woonde jarenlang met zijn vrouw Gerbrecht Elisabeth barones van Dedem (1916-2008) op het landhuis "De Colckhof te Laag Zuthem bij Zwolle, waar ook het archief werd bewaard. Van Heemstra voelde zich een Fries in hart en nieren, hoewel hij in Den Haag was geboren. Hij was de oudste zoon van Cornelis Schelto Sixma baron van Heemstra en Johanna gravin Schimmelpenninck. Zijn vader, die onder andere particulier secretaris van koningin Wilhelmina was, werd geboren in Leeuwarden en heeft altijd banden met de provincie Friesland gehouden. Hij was van mening dat zijn kinderen Fries moesten leren met de bedoeling dat zij altijd met personeel en pachters in hun eigen taal konden communiceren. In het buitenland had hij namelijk ervaren dat landheren niet in staat waren met hun ondergeschikten te communiceren omdat zij elkaars taal niet spraken. In een interview zei van Heemstra later: "Op it Frysk praten stie ús heit op", hoewel de omgangstaal thuis Frans was. De gelegenheid om Fries te spreken kwam, toen hij aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in Leeuwarden op kamers ging wonen bij "juffer" Sjouk Bierma. Zij was een relatie van Douwe Kalma, beiden aktief in de Jongfryske Mienskip. Zij bracht hem vlekkeloos Fries spreken bij; de afspraak was dat er bij haar thuis alleen Fries werd gesproken. Sixma van Heemstra studeerde kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en ook in Parijs. Daar kwam hij in contact met allerlei personen die aktief waren in organisaties van minderheden in Europa. Met verschillende van hen, zoals Roger Hervé (een Breton) en later Federico Krutwig Sagredo onderhield hij jarenlang een uitgebreide correspondentie. Hij had overigens al veel eerder over Europese Minderheden gehoord, want zijn vader was aan het begin van zijn carrière officier van de inlichtingendienst, die in zijn functie veel informatie over minderheden had verzameld. Tijdens zijn studie maakte hij onder leiding van prof. L.H. Grondijs een reis naar Hongarije en Roemenië. Na afloop wilde van Heemstra graag nog een tijdje in Roemenië blijven. Grondijs had voor hem een mooie studietaak in gedachten omdat hij meende dat zijn student, "in man fan oansjen op 'e kommende wei oan it Hôf wie en myn opjefte hie dêrmei fan alles út to stean". "Us heit, professor Grondijs en oaren hâldden it der doe op alle ynfloed to brûken tonei inkeld studearre lju yn Hôftsjinst ta to litten, om sa it peil fan yntellekt en kunstsin oan it Hôf omheech te heljen". Hij maakte er studie van het Ceremonieboek van de Byzantijnse keizer Constantijn VII ofwel Konstantin Porfyrogenetos (905-959), dat bouwstoffen voor het protocol aan West-Europese hoven zou kunnen bevatten. Na enige tijd vroeg Grondijs hem als secretaris te vergezellen op een reis door Bessarabië (nu Moldavië en aangrenzende gebieden). Het verslag daarvan heeft hij veel later, in 1983 uitgegeven. Van een functie aan het hof is nooit meer iets gekomen. Van Heemstra's interesse voor de Midden- en Oost-Europese cultuur en de daar wonende minderheden moet hier verder zijn aangewakkerd. In 1938 verbleef Feyo van Heemstra ook enige tijd in Budapest, waar hij diverse contacten opbouwde. Tijdens de oorlog was van Heemstra werkzaam bij het Fries Museum, als "iverder" of ijveraar van de Foriening for Fryske Folkskinst. Verder was hij aktief als medewerker van de collectie van de Oudheidkamer, later Hidde Nijland Museum genaamd, te Hindeloopen. Gedurende deze tijd verzamelde hij het materiaal voor zijn proefschrift De klederdracht van Hindelopen (1950). Korte tijd was hij nog werkzaam op kasteel Doorn, waar hij zich bezighield met de inventarisatie van de kunstwerken uit de nalatenschap van de voormalige keizer Wilhelm II. Al in de loop van de jaren veertig bleek de belangstelling van Sixma van Heemstra behalve naar de kunstgeschiedenis uit te gaan naar de etnografie en de literatuur. Na zijn carrière als wetenschappeer en leraar heeft hij zich in de jaren zestig steeds meer op deze terreinen begeven. Over zijn aktiviteiten op het gebied van de minderhedenproblematiek zijn veel stukken bewaard gebleven. Van Heemstra correspondeerde met zeer veel personen in verschillende Europese landen. In 1974 heeft hij zelfs op een congres over minderheden in Triëst een lezing gehouden in het Frans met als titel Les Frisons. Deze werkzaamheden verdienen nog verdere studie. In 1963 verscheen zijn Friestalige roman Leafdedea, die hij onder het pseudoniem Homme Eernstma uitbracht. Het boek was alleen als speciale uitgave van het avant-gardistische literataire tijdschrift Quatrebras in Amsterdam verkrijgbaar. Het was voor velen een raadsel wie de auteur was en ook de bepaald onorthodoxe inhoud viel op. De auteur zei over het boek later: "It hat in goed stik wurk west", omdat hij andere boeken wilde verbeteren. Schrijver Josse de Haan noemde het een werk dat nieuwe wegen in de Friese literatuur insloeg, juist na de uitgave van de bekende en ophef veroorzakende roman De smearlappen van Anne Wadman dat in hetzelfde jaar verscheen en FABRYK van Trinus Riemersma uit 1964. Van Heemstra was de initiatiefnemer voor het instellen van de dichterstelefoon "Operaesje Fers" in 1967. Omdat de medewerkers niet in aanmerking konden komen voor de Gysbert Japicx-priis, kende de redaktie van het blad "Trotwaer" de prijs symbolisch aan van Heemstra toe. Hij ontving deze in 1969 op de Lange Pijp te Leeuwarden. Hij was ook redakteur van de tijdschriften A-Wyt en De Jildklang. In dat laatste blad werden financieel-economische aangelegenheden behandeld. Volgens eigen zeggen was het beheer van onroerende goederen zijn grootste activiteit. In de jaren zestig verlegde hij zijn activiteiten naar België, waar hij vertaler bij de E.E.G. was. Tijdens een verblijf in Brussel werd een aanslag op hem gepleegd, waarvan de gevolgen hem nog langere tijd plaagden. Ook had hij een vertaalbureau met F.W. Sagredo. In 1972 publiceerde van Heemstra het Franstalige boek Le problème de l' vvra Linda bok, waarin hij betoogde dat de herkomst van het boek in de zeventiende eeuw lag. Hij bleef zijn gehele leven door dit werk geïntrigeerd. Toch bleef Sixma van Heemstra - in Friese literaire kringen bekend als "de baron" - actief als literator. In 1995 publiceerde hij over het Friese volkslied, waarvan hij een eigen versie vervaardigde op de muziek van It Heitelân. Opvallend daarin was de regel over Friesland, dat "alhiel frij fan amtnerij" moest zijn. Voor het lied vond hij inspiratie in het werk van de negentiende eeuwse Noordfriese activist Harro Harring (1798-1870). Een bijzonder projekt was in de jaren negentig de vertaling vanuit het Fries van de roman Leafdedea. Zijn eigen vertaling werd niet uitgegeven maar het oorspronkelijke boek werd door de Belgische schrijfster Agnes Caers vertaald onder de titel Amouramort (1997). Vervolgens bracht hij nog de "autobiografie" van zijn moeder Annie Schimmelpenninck uit, die in 1998 onder de titel Roman Hagois verscheen. Feyo Schelto Sixma baron van Heemstra overleed in 1999 te Heerenveen, toen hij nog bezig was met het bewerken van zijn boek Marginale minsken tot een toneelstuk. Hij werd begraven in Zwolle. "Foar de Fryske literatuur is van Heemstra in útsûnderlyk fenomeen", was de mening van de Friese schrijver Josse de Haan in 1985. Hector Livius Sixma baron van Heemstra (1921-2001) Baron van Heemstra werd in 1921 te Sassenheim geboren als de tweede zoon en het derde kind van het gezin. Hij werd genoemd naar zijn oom, de burgemeester van Doniawerstal, Hector Livius Sixma baron van Heemstra (1877-1933). Van deze peet-oom erfde hij onder andere de boerderij Sixma van Andlastate te Minnertsga. In familiekring was hij echter bekend als Hako. In zijn jeugd logeerde hij vaak bij zijn oom in Sint Nicolaasga en ook met zijn ouders op Fogelsanghstate te Veenklooster, die toen eigendom was van Adeline barones van Heemstra (1865-1938). Deze logeerpartijen hebben een blijvende indruk op hem gemaakt. Van Heemstra wist al op jeugdige leeftijd welk beroep hij zou kiezen, namelijk dat van burgemeester van Tietjerksteradeel. (15) Het idee van het burgemeesterschap raakte steeds meer op de achtergrond omdat hij intussen erachter was gekomen dat zo'n functie pas kon worden bekleed wanneer men de veertig was gepasseerd. In 1939, nadat hij de H.B.S. had afgerond, volgde hij de officiersopleiding bij de Marine, waar hij in de rang van adelborst begon. Hij behoorde tot de groep adelsborsten die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Engeland ontkwamen. Hij werd vervolgens al op jonge leeftijd commandant op een motortorpedoboot in Het Kanaal. Over zijn ervaringen tijdens de oorlog heeft hij later aantekeningen gemaakt. Het werkterrein van de Marine was toen niet beperkt tot de Europese wateren; ook in Nederlands Indië was men actief. Toen zijn vader in 1942 overleed, bevond van Heemstra zich in Zuid-Afrika. Hij bleef tot 1952 in dienst van de Marine. De tijd die hij daarna doorbracht, omschreef hij later als "vakantie". Van 1953-1955 was hij terug in Nederland en wel als volontair bij de gemeente Tietjerksteradeel, de gemeente die hij vroeger al in gedachten had gehad. Van zijn leermeester mr. W.M. Oppedijk van Veen leerde hij er de kneepjes van het burgemeestersvak. Deze vertelde hem: "Je kunt in ons vak met ere niks doen en je kunt je met ere ook over de kop werken". Het eerste advies heeft van Heemstra niet opgevolgd, het tweede is hem bespaard gebleven. In 1955 werd hij benoemd tot burgemeester van Fijnaart en Heijningen in Noord-Brabant. Na zijn benoeming in Fijnaart trouwde hij met Christine Carina barones van Dedem (1932-1996). Het echtpaar kreeg twee zonen, die daar beide zijn geboren. Van Heemstra's wens om naar Friesland terug te keren ging in 1964 in vervulling. In een interview zei hij later: "Sinds de lagere school al heb ik naar het Friese platteland gewild". Hij werd de nieuwe eerste burger van Gaasterland. Zijn credo was "een burgemeester hoort niet voor zichzelf maar voor de gemeente op pad te gaan". Dat heeft hij met veel inzet in de nieuwe gemeente ook waar gemaakt. Tijdens zijn ambtsperiode is er veel veranderd in Fijnaart en Gaasterland. In samenwerking met de directeur van gemeentewerken van de eerste gemeente heeft hij er veel gedaan aan volkswoningbouw. Zij haalden hiermee de landelijke pers. In het agrarische Gaasterland richtte hij zich op het ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten op recreatief gebied. Ook het verbeteren van de infrastructuur, het vernieuwen van schoolgebouwen en culturele initiatieven hadden zijn voortdurende aandacht. Het Frysk Orkest en de Vereeniging Hendrick de Keyser hadden zijn interesse. Een plan dat het hiet haalde was de realisering van het grootschalige sport- en recreatieterrein "De Wyldemerk" tussen Kippenburg en Rijs. Het college van B & W ondervond daarbij veel weerstand van de plaatselijke bevolking. Uiteindelijk zijn deze plannen niet doorgegaan nadat de provincie Friesland en de Raad van State deze hadden afgewezen. In zijn gemeente stond hij bekend om zijn gave partijen die een verschil van mening hadden, weer om de tafel te krijgen. Naast het burgemeesterschap vervulde Sixma baron van Heemstra nog veel nevenfuncties. Ook zijn vrouw was actief op maatschappelijk gebied. Zij was onder andere werkzaam in bestuursfuncties op het terrein van de kinderbescherming. Bij de gemeentelijke herindeling in Friesland in 1984 werden de oudere burgemeesters gevraagd plaats te maken. Van Heemstra was toen al 62 jaar. Hij had met de tropenjaren meegeteld al meer dan 50 dienstjaren. Bij zijn vertrek in 1983 werd hem een grootse afscheidsreceptie aangeboden. Het afscheid kenmerkte zich door een harmonieuze bijeenkomst, waarbij zelfs het met grote ruzie uit zijn partij gezette oudster raadslid voorging in de toesparken. In die tijd bleek ook dat hij, hoewel hij oorspronkelijk lid van de CHU was, al jaren geen lidmaatschap meer van een politieke partij ambieerde. De Heemstra's vestigden zich vervolgens in Zutphen. In 1990 trof hen een zware slag met het overlijden van hun oudste zoon Schelte. Barones en baron van Heemstra overleden respectievelijk in 1996 en 2001.
Op 19 juli 1903 werd door enige jeugdige voetbalbeoefenaars, wonende in de omgeving van de Oranjeboomstraat op Feyenoord, de voetbalvereniging "Wilhelmina" opgericht. In 1912, nadat de vereniging was toegelaten tot de Nederlandsche Voetbal Bond, werd de naam vastgesteld op de Rotterdamsche Voetbal Vereeniging "Feyenoord".
Voorgeschiedenis In de 17e en 18e eeuw legde de handel op Deventer, Zutphen en Amsterdam een aantal Winterswijkse koopmansfamilies geen windeieren. De wagens met linnen, vleeswaren en hout brachten als retourvracht met name koloniale waren mee zoals tabak, koffie, thee en specerijen, die niet alleen in eigen woonplaats, maar ook in de Achterhoek en het aangrenzende Westfalen winstrijk werden doorverkocht. Sommige families gingen er toe over om hun kinderen of verwanten naar Holland te sturen als zaakwaarnemers en beheerders. De handel in koloniale waren vormde voor deze Winterswijkse notabelen zo'n belangrijke bron van inkomsten, dat ze in 1795 zelfs een Oosterse koopman met scheepsanker in het nieuwe plaatselijke gemeentewapen opnamen als symbool van welvaart! Helaas heeft dat wapen de neergang van de handel in koloniale waren ten gevolge van de Franse overheersing niet overleefd. Meerdere generaties van de Winterswijkse familie Schutte waren actief in de textielnijverheid, via het Weversgilde of als linnenhandelaar. Men had medio 18e eeuw zelfs een eigen zeilschip in Amsterdam voor anker liggen en was door huwelijken verwant aan de plaatselijke familie Tenkink, die er pakhuizen bezat. Er ontstond aldus een familie- en handelsnetwerk, met o.a. ook notabele families als Abbinck, Ten Bengevoord, Hofkes en Ter Pelkwijk. Geld en goederen van de familie Schutte vererfden via de Winterswijkse rentenier Jan van Wullen op de kinderen van zijn dochter Wilhelmina Margaretha. Zij was in 1786 geschaakt door Derk Scholten, wiens voorzaten reeds handel in kruidenierswaren dreven in de Wooldstraat. Hun zoon Albert Scholten begon daar in 1820 de firma "De Hoop", genoemd naar het schip van zijn voorouders Schutte (uithangbord coll. museum Freriks, Wtw). De afbeelding sierde als logo ook de winkelzakken. Alberts zoon Willem Jan nam de familienaam Van Wullen Scholten aan. Hij vestigde zich te Wesel (D), werd suikerfabrikant en stamvader van de Duitse familietak. In 1834 werd de Winterswijkse firma uitgebreid met een afdeling textielwaren. Alberts opvolger Johannes Arnoldus ging tenslotte in 1881 geheel op manufacturen over. Ook de familie Scholten behoorde tot een uitgebreid netwerk van notabele handels- en familierelaties in de Achterhoek (Neede: Ten Hoopen, Ter Weeme; Eibergen: Smits; Groenlo: Lasonder, Huiskes; Wisch: Aalbers, Huender; Dinxperlo: Boland). Laatste naamdragers van deze familietak waren Albert jr.'s kinderen Johannes Arnoldus jr. en Harmina Margaretha, die resp. in 1973 en 1977 overleden.
Afstamming Arnold Jan Bernard van Suchtelen, heer van de Haare, behoorde tot een belangrijke Deventer regentenfamilie, waarvan leden al sinds de 16e eeuw in het stadsbestuur zaten. Hij werd op 30 oktober 1770 geboren te Olst als zoon van Jan van Suchtelen, heer van de Haare, schepen en raad van Deventer, en van Josina Cecilia van Buren 1 De havezathe de Haare bij Olst was in de familie gekomen door grootvader Arnold van Suchtelen, wijnkoper van beroep en afwisselend raad en schepen van Deventer. Hij had de Haare in 1746 op een publieke veiling aangekocht voor 7350 gulden. Na de dood van zijn oudste zoon Warnerus in 1767 werd diens broer Jan van Suchtelen de eigenaar en kon zich heer van de Haare noemen. Arnold Jan Bernard was de oudste van tien kinderen en erfde het landgoed en de titel van zijn vader Jan. Zijn nazaten werden voortaan Van Suchtelen van de- of tot de Haare genoemd. Ook al werd het huis en landgoed nog tijdens het leven van Van Suchtelen in 1840 op een openbare verkoping verkocht 2 Arnold J.B. van Suchtelen was op 22 september 1793 te 's- Gravenhage getrouwd met Antonia Henrietta van Buren. Zij overleed daar op 4 januari 1795. Van Suchtelen trad op 10 juli 1796 in Den Haag opnieuw in het huwelijk met Maria Sara van Oyen, dochter van Adriaen Leopold van Oijen en Balthasarina Wilhelmina Pasques de Chavonnes. Zij overleed op 24 mei 1826 op huis de Haere in Olst. Uit dit laatste huwelijk werden 12 kinderen geboren. De familie verhuisde waarschijnlijk pas na 1814 naar het huis de Haere. Na hun huwelijk woonden zij in Wijhe in huize de Gelder en huize Wengelo en vanaf 1803 in Olst in huize Westervoorde. Vanaf 1806 woonde de familie in Deventer in de Polstraat 3 Loopbaan Van Suchtelen was lid van de gezworen gemeente van Deventer. In 1792 werd hij voor het eerst gekozen tot een van de gemeenslieden van de Assenstraat. In de 'Franse tijd' was Van Suchtelen van 3 februari 1808 tot 26 juli 1811 adjunctmaire (wethouder) van de stad Deventer 4 Tijdens het beleg van Deventer van 1813-1814 speelde Van Suchtelen een belangrijke rol bij de onderhandelingen tussen de leiding van de Franse bezettingsmacht en de vertegenwoordigers van de Nederlandse regering. Volgens het Dagverhaal dat verslag doet van het belegerd Deventer, verliet Van Suchtelen (de stad was voor 1 D.G. van Epen, Het geslacht Van Suchtelen, 's-Gravenhage 1904. 2 Jhr. A.J. Gevers, A.J. Mensema, De Havezathen in Salland en hun bewoners, Alphen aan den Rijn 1983, p.235. 3 Deze inventaris nr. 15. De brieven van Maymat zijn aan Van Suchtelen in de Polstraat gericht (1813). In 1814 stuurde Bentinck ook een brief naar de Polstraat.) 4 GAD, Stadsarchief Franse Tijd, inv.nr. 14 f. 134-136. De eerste twee weken van mei 1811 verving hij als adjunct-maire de maire van Deventer. anderen hermetisch gesloten) tussen 6 maart en 15 april 1814 verschillende malen de stad om bij terugkomst met generaal baron Schiner en kommandant Maymat te confereren 5 In het archief zitten vrijgeleide brieven van de Franse generaal Schiner en de Nederlandse bevelhebbers Van Raesfelt en Nagel die Van Suchtelen op deze reizen meekreeg 6 Naast het lidmaatschap van de Tweede Kamer van 1815-1835 was het burgermeesterschap van Deventer de belangrijkste openbare functie door Van Suchtelen bekleed. Een post die al zo vaak door een Van Suchtelen was vervuld. Bij K.B. van 14 dec. 1815 werd hij benoemd tot presidentburgemeester van Deventer en op 3 jan. 1816 vond zijn installatie plaats. Naast hem werden nog drie andere burgemeesters benoemd. In 1824 werd met de invoering van een nieuwe reglement voor de besturen in de provincie bepaald dat een stadsbestuur voortaan uit een college van één burgemeester en een aantal wethouders zou bestaan. In Deventer werd Van Suchtelen bij Koninklijk Besluit op 28 februari 1824 tot enige burgemeester benoemd. Op 25 maart 1829 diende hij een verzoek tot eervol ontslag in bij koning Willem I. Over de motivatie van deze stap blijft Van Suchtelen in al zijn brieven vaag. Bentinck, de gouveneur van Overijssel, herhaalde ook telkens in zijn correspondentie met Van Suchtelen dat de redenen voor het vrijwillig ontslag hem nooit waren gegeven 7 Zijn eervol ontslag kreeg hij bij Koninklijk Besluit van 17 mei 1829. Hierin werden tevens zijn verdiensten voor het vaderland in de jaren 1813-1814 tijdens het beleg van Deventer genoemd. Tegelijk met zijn ontslag kreeg hij van de koning voor de tijd van één jaar een bedrag van 1400 gulden uitgekeerd 8 Koning Willem I had hem, als blijk van welwillendheid, een jaar daarvoor al een jaarlijkse toelage van 500 gulden gegeven. Deze toelage werd betaald uit de bijzondere fondsen van de koning 9 In 1830 werd, na een verzoek van Van Suchtelen om de toelage van 1400 gulden met één jaar te verlengen, bepaald dat de jaarlijks toelage van 500 gulden werd verhoogd tot 2000 gulden. Dit wachtgeld zou Van Suchtelen uitgekeerd krijgen totdat er een geschikte post voor hem vrijkwam 10 Persoonlijke conflicten Na zijn ontslag als burgemeester van Deventer gingen twee zaken het leven van Van Suchtelen beheersen. Het archief bestaat voor een belangrijk deel uit correspondentie in verband met deze zaken gevoerd. De ene zaak is een ruzie met de gouveneur van Overijssel, die hem van onbehoorlijk bestuur betichtte. De andere zaak is het probleem om voor zichzelf een geschikte bestuursfunctie te vinden. Bovendien voelde Van Suchtelen zich verantwoordelijk voor de carrières van zijn, toen al lang volwassen, zonen, die niet zo voorspoedig liepen als hij had gehoopt en waarschijnlijk op basis van het familieverleden had verwacht. Hij ijverde tot in de hoogste kringen, tot aan de koning toe, voor de promoties van zijn kinderen. Tussen de gouveneur van Overijssel, graaf B.H. Bentinck tot Buckhorst, en Van Suchtelen onstond tussen 1829-1830 een hooglopende ruzie 11 De ruzie onstond na zijn vrijwillig ontslag als burgemeester van Deventer. Volgens Bentinck deden er geruchten de ronde over het 5 Beknopt dagverhaal van het gebeurde te Deventer gedurende het Beleg in 1813 en 1814, (Deventer 1814). p.68-82. 6 Deze inventaris nr.16 7 Ibidem nr.45 8 Ibidem nr.4. Het geheim besluit van 17 juni 1830 verwees naar een geheim besluit van 17 mei 1829 (La V11) waarin Van Suchtelen voor de tijd van één jaar een som van 1400 gulden toegewezen kreeg. 9 Ibidem nr.4, Geheim Besluit La L11 van 12 apr. 1828. 10 Ibidem nr.4, Geheim Besluit La E19 17 juni 1830. 11 Ibidem nr.46 functioneren van Van Suchtelen als burgemeester. Hij insinueerde onder andere dat tijdens diens bestuur het stadszilver en stadslinnen naar de Bank van Lening waren gebracht en er lucratieve baantjes door Van Suchtelen waren vergeven. A.J.B. van Suchtelen voelde zich door Bentinck zo in zijn eer en goede naam aangetast dat hij zich, ondanks raadgevingen van vrienden om de koning niet met dit soort zaken lastig te vallen, uiteindelijk tot koning Willem I wendde voor genoegdoening en die ook kreeg op 11 mei 1830. In 1829 was Van Suchtelen nog bereid geweest om de zaak te laten rusten. Onder een brief van Bentinck aan Van Suchtelen van augustus 1829 schreef Van Suchtelen: "omdat hij een oud (B. was 75 jaar), verward en versleten man is die niet meer weet wat hij zegt zal ik het hier bij laten". Het wordt uit de stukken niet duidelijk waarom Van Suchtelen na deze berustende woorden toch door zette en zich met een lange brief tot de koning wendde. Waarschijnlijk zag hij zichzelf daartoe gedwongen, omdat zijn problemen met het vinden van een nieuwe bestuursfunctie te wijten waren aan dit conflict. Zijn vriend Van Heerdt 12 die in kringen rond de koning verkeerde, waarschuwde hem dat het anderen dan de gouveneur waren die Van Suchtelen deze onaangenaamheden hadden bezorgd. Volgens Van Heerdt hadden zij van de verminderde vermogens van de gouveneur gebruik gemaakt om hem zwart te maken met het doel een herverkiezing van Van Suchtelen voor de Tweede Kamer onmogelijk te maken. Hij schreef: "Wat zult gij overiegens met een vijfenzeeventieger aanvangen? En hoe kan ik in deese oogenblikken den Kooning met zoortgelijke particuliere en onaangenaamheden lastig vallen 13?" In een brief aan een minister schreef Van Suchtelen dat Bentinck, met wie hij vroeger goed bevriend was geweest en die hem indertijd zelf had gevraagd om burgemeester van Deventer te worden, opgestookt was door slechte intriganten 14 Deze zaak bleef Van Suchtelen waarschijnlijk achtervolgen toen hij na zijn burgermeesterschap een andere bestuursfunctie probeerde te bemachtigen. Hij was nog wel lid van de Tweede Kamer, maar het op en neer reizen tussen Brussel en Den Haag en zijn huis in Olst plus het lange vergaderen werden hem te veel. In een brief (1830?) beweerde hij dat hij eigenlijk al lang de Tweede Kamer had willen verlaten, maar dat de koning hem zelf had aangeraden te blijven omdat hij vanuit deze positie meer kans zou maken op een gouveneurschap van een van de provinciën. In september 1830 bood Van Suchtelen zijn diensten aan bij de koning. In oktober kreeg hij hierop van Binnenlandse Zaken te horen dat hij zich voor het verkrijgen van een functie maar tot de gouveneur van zijn provincie moest wenden. Uitgerekend tot graaf Bentinck, de man die zijn carrière had geprobeerd te vernietigen. Begin januari 1832 solliciteerde hij bij de koning en bij de minister van Financiën naar het opperhoutvesterschap (een post waarvan de koning twijfelde of die opnieuw moest worden opgevuld). Van Suchtelen rekende, tevergeefs, de koning en de minister voor dat deze post, mits goed vervuld, zichzelf terug zou verdienen. Tevens maakt Van Suchtelen de koning in zijn brief van januari 1832 attent op de vacante post van gouveneur van Drenthe. Eind februari maakte Van Suchtelen zijn opwachting bij koning Willem I met wie hij volgens hemzelf een lang gesprek had. Uiteindelijk leverde dit niks op want op 17 april ontving hij een brief waarin hem gemeld werd dat een hoge ambtenaar van Binnenlandse Zaken, met een wachtgeld uit de rijksschatkist (en niet zoals Van Suchtelen uit de fondsen van de koning) gouveneur van Drenthe werd. Van Suchtelen werd tot troost een ander gunstbewijs voorgespiegeld. Diezelfde dag nog stuurde Van Suchtelen een lange brief terug naar Binnenlandse Zaken, waarin hij zich uitvoerig beklaagde 12 Uit de correspondentie wordt niet duidelijk of dit W.H. baron van Heerdt, buitengewoon kamerheer van de koning, of T.C. graaf van Heerdt tot Eversberg, opperhofmaarschalk in Den Haag en opperstalmeester in Brussel van de koning moet zijn geweest. Staatsalmanak 1830. 13 Deze inventaris nr.46, brief van 27-9-1829. 14 Ibidem nr.5. over zijn ongelukkig lot en dat van zijn zonen 14). Zijn eigen afwijzingen plus de tegenwerking die zijn zonen volgens hem in hun carrière ondervonden zag Van Suchtelen eigenlijk als een complot tegen zijn familie. Zijn zonen waren allerminst gelukkig in hun carrière geweest. Een zoon werd, ondanks het feit dat hij in twee campagnes als vrijwilliger had gevochten, steeds overgeslagen met promoties. Zijn jongste zoon Constantijn had op de Militaire Academie gezeten en was page van de koning geweest, toch had hij nog steeds geen geschikte baan, terwijl het toch de gewoonte was om gewezen pages aan een betrekking te helpen. (Van Suchtelen had graag gezien dat zijn zoon officier zou zijn geworden. Hij schakelde Van Heerdt zelfs in om hiervoor te zorgen. Deze echter wees Van Suchtelen op het feit dat de jongen ongeschikt was voor de rang van officier. Hij ried hem desondanks aan om er maar eens met prins Frederik over te praten 11). Van Suchtelen vroeg uiteindelijk de minister (van Binnenlandse Zaken) zijn jongste zoon een plaats als commies bij de posterijen in Zwolle, Almelo of Kampen te bezorgen. Zijn voortdurend klagen had wel tot gevolg dat zijn tweede zoon Adriaan op 2 mei 1832 door de koning werd bevorderd tot eerste commies bij de posterijen. Zijn jongste zoon Constantijn werd op 10 juli 1832 door de gouveneur van Overijssel aangesteld tot ontvanger van de directe belastingen in Haaksbergen 17 Terloops werd ook in deze brief vermeld dat Van Suchtelen pas bij de derde stemming en met een meerderheid van slechts twee stemmen in de Provinciale Staten als afgevaardigde van Overijssel naar de Staten Generaal werd gestuurd. Hij had hier maar in berust en schreef dat het hem genoeg was als hij hiermee " 's konings welbehagen had". Na een persoonlijke inspectie door Van Suchtelen van de post in Haaksbergen vond hij dit een "ver van aantrekkelijke plaats", bovendien vielen de verdiensten veel lager uit dan hij had verwacht. In een brief aan de minister van financiën liet Van Suchtelen weten dat de post Haaksbergen "geen plaats is waer een jong, immers een fatsoendelijke educatie genoten als een man van eer gezegt, kan resideren. (…) Geef hem een post van jongste commies bij de posterijen waer het ook zijn mag egter niet in Haeksbergen", schreef de bezorgde vader. (Zijn jongste zoon was inmiddels 22 jaar oud). Op 5 augustus krijgt hij van Goudriaen (de minister van Financiën A.W.N. Tets van Goudriaan?) te horen dat de jongen in Haaksbergen is geplaatst juist op verzoek van Van Suchtelen 14 Op 28 september 1832 werd Van Suchtelen zelf (waarschijnlijk om van hem af te zijn) bij Koninklijk Besluit benoemd tot Staatsraad in buitengewone dienst 19 Op 4 december 1835 besloot de koning nogmaals om hem een wachtgeld, dit maal van 1500 gulden per jaar, toe te wijzen in afwachting van een geschikte post. Dit wachtgeld kwam waarschijnlijk bij de 500 gld. Toelage die Van Suchtelen sinds 1828 kreeg, want in een brief van 25 oktober 1844 was nog steeds sprake van een wachtgeld van 2000 gld 7 Uit een brief van 25 oktober 1844 geschreven door thesaurier van "Het huis des konings", David Ragay, een persoonlijke vriend van Van Suchtelen, blijkt dat de uitkering van het wachtgeld eerst was gehalveerd en waarschijnlijk in 1844 geheel was stopgezet. Willem II was de inmiddels in 1840 afgetreden en Willem I opgevolgd. Het wachtgeld werd uit de persoonlijke fondsen van de koning uitgekeerd en werden blijkbaar niet automatisch door zijn opvolger overgenomen. Gelukkig had de inmiddels 74-jarige Van Suchtelen nog invloedrijke vrienden in Den Haag, die hem ook wilden helpen. Een daarvan was David Ragay. Hij wist deze nog wel tot wanhoop te drijven want hij kon het weer niet laten om behalve een inkomen voor zichzelf ook 14 Ibidem nr.5 11 Ibidem nr.46 17 Ibidem nr.5, brief van 16-7-1832 14 Ibidem nr.5 19 Ibidem nr.59 7 Ibidem nr.4 een lidmaatschap van de Eerste Kamer voor een van zijn zonen te vragen. Ragay stuurde hem een conceptbrief die door Van Suchtelen alleen maar "duidelijk" moest worden nageschreven en ondertekend. Op 30 dec. 1844 kreeg Van Suchtelen daarop te horen dat hij van de koning een pensioen kreeg van 1500 gld. Per jaar 7 A.J.B. van Suchtelen overleed in Zwolle op 21-1-1849.
vorige
12
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in