gahetNA in het Nationaal Archief

Gevangenen in gevangenisarchieven

Bij het Nationaal Archief bevinden zich de archieven van een aantal Zuid-Hollandse gevangenissen. In al deze archieven bevinden zich de inschrijfregisters van de gedetineerden die er verbleven.
In wat voor instelling een gevangene verbleef is afhankelijk van de aard van het strafbare feit en de periode dat dit feit werd gepleegd. Hier vindt u een compleet overzicht van het Nederlandse gevangenisbeleid, met daarbij aangegeven voor welk misdrijf men in welke instelling werd ondergebracht.

Hoe ga ik te werk?

Wanneer u op zoekt bent naar een gedetineerde in gevangenisarchieven, is de belangrijkste vraag in welke gevangenis deze gedetineerde zijn of haar tijd heeft doorgebracht. Een veroordeelde gedetineerde kan in het hele land worden geplaatst. Dat is anders met een nog niet veroordeelde. Deze verdachte vindt u vaak vlak bij huis: afhankelijk van de aard van het strafbare feit in de strafinrichting bij het kantongerecht, bij de rechtbank of bij het provinciale gerechtshof.

Wanneer u hebt kunnen achterhalen waar de verdachte is ondergebracht, zoekt u in het inschrijfregister van de betreffende instelling. Vaak is er geen index op naam aanwezig en zult u op jaar moeten zoeken. Bij de inschrijving vindt u het signalement van de verdachte, met daarin bijvoorbeeld de kleur van haar en ogen en de vorm van de neus. Van de periode van voor 1886 zijn er soms ook aparte signalementregisters bewaard gebleven.
Naast dit signalement kunt u ook een aantekening aantreffen van de veroordeling door de rechtbank en een eventueel transport naar de (straf)gevangenis. Met deze aantekening kunt u verder zoeken in het inschrijfregister van de genoemde instelling.
Als onderzoek in de inschrijvingsregisters niet succesvol is, kan met behulp van de volgende bronnen verder gezocht worden:

  • Strafvonnissen van vredegerechten, kantongerechten, rechtbanken van eerste aanleg, arrondissementsrechtbanken, Hoven van Assisen, provinciale hoven/ gerechtshoven. Deze vonnissen berusten in de archieven van al deze colleges, die bij de provinciale archiefinstellingen te vinden zijn. U kunt het door u gezochte vonnis vinden met behulp van eigentijdse archiefinventarissen, de zogenaamde ‘rolboeken’. Bij het Nationaal Archief vindt u de archieven van de rechterlijke colleges in Zuid-Holland. Het archief van het gerechtshof is niet bewaard gebleven.
  • Het Algemeen Nederlandsch Politieblad 1852-1946 en Geheim Register van ontslagen gevangenen 1882-1897. Deze bronnen zijn te bestuderen bij het Centraal Bureau voor Genealogie. Verder kunt u ook in lokale kranten zoeken.
  • Stukken die betrekking hebben op verzoeken tot gratie of strafvermindering. Deze worden o.a. bewaard in de archieven van de Staatssecretarie, van het Kabinet des Konings/der Koningin en van het Departement van Justitie. Vooral in de tijd voor de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht in 1886 vroegen veel veroordeelden of hun verwanten tijdens de gevangenschap strafvermindering aan. Meer informatie over het opsporen van gratieverzoeken vindt u hier.

Openbaarheid

Houdt u er rekening mee dat niet alle stukken uit gevangenissen mogen worden ingezien. Ter bescherming van de privacy van nog levende personen houdt het Nationaal Archief een beperking aan van 75 jaar. Stukken jonger dan 75 jaar kunt u alleen inzien als u schriftelijk bewijs kunt tonen dat de persoon die u zoekt overleden is.

Overzicht van gevangenisarchieven bij het Nationaal Archief  

Zuid Holland:

Brielle: 1843-1889 archiefinventaris 3.05.27
Huis van Arrest. (Zeer onvolledig bewaard gebleven),

Dordrecht 1814 – 1973 archiefinventaris 3.05.01
Huis van Arrest//Huis van bewaring 1814 - 1887  
Provoosthuis 1839 – 1886
Strafgevangenis 1839 – 11972  
Huis van Bewaring 1888-1972
 
Gorinchem: 1853-1856, 1888-1933 archiefinventaris 3.05.02
Inschrijvingsregisters zijn te vinden in archieven van andere strafinstellingen, zie de inventaris.
 
Gouda 1821-1886 archiefinventaris 3.05.03
(Zeer onvolledig bewaard gebleven)

’s-Gravenhage 1814-1977 archiefinventaris 3.05.04
Prinsegracht 1882 – 1902
Huis van Bewaring 1882 - 1902
Huis van Arrest 1882 – 1887
Provoosthuis 1884 – 1887
Huis van Justitie 1882 – 1887
Strafgevangenis 1882 – 1887
Pompstationsweg 1888 – 1942 en 1945 – 1975
Strafgevangenis 1882-1942 en 1945 – 1975
Bijzondere Strafgevangenis 1911 – 1952
Cellenbarak 1919 – 1940.
Hulpgevangenis Militairen 1921 – 1923
Huis van Bewaring 1935 – 1941
Gevangenis en Huis van Bewaring ‘De Oosthoek’ 1973 - 1974
Penitentiair Centrum 1974 – 1975
Rijksasiel Kogelenbergh 1953 – 1971
Casuariestraat , Huis van Bewaring I, 1902 – 1967
St. Jacobsstraat,  Hulphuis van Bewaring 1942 - 1950
Van Alkemadelaan, Huis van Bewaring II en Gevangenis II   1940 – 1969

Leiden 1826-1954 nummer archiefinventaris 3.05.05 t/m 3.05.07
Huis van Bewaring 1826 – 1894 (3.05.05)
Huis van Militaire Detentie 1824 – 1889 (3.05.05)
Strafgevangenis 1826 – 1902 (3.05.05)
Rijkswerkinrichting 1889 – 1919 (3.05.06)
Opmerking: De rijkswerkinrichting voor vrouwen is eind 1889 van Veenhuizen naar Leiden overgeplaatst. Het gevangenenregister uit Veenhuizen is meeverhuisd naar Leiden. Inventarisnummer 1  bevat de inschrijvingen van Veenhuizen 1886 – december 1889 en daarna die van de Rijkswerkinrichting voor vrouwen te Leiden.
Rijksopvoedingsgesticht 1910 – 1926  archiefinventaris 3.05.07

Naaldwijk
Huis van Bewaring 1847-1877 archiefinventaris 3.05.08

Noordwijk
Huis van Bewaring 1861-1877 archiefinventaris 3.05.09

Rotterdam  archiefinventaris 3.05.10
Huis van Arrest 1814 – 1886
Huis van Bewaring I  1886 – 1975
Duitse afdeling 1943 – 1945
Hulpgebouw Huis van Bewaring 1943 – 1955.
Hulp-Huis van Arrest 1872 – 1886, daarna Hulphuis van Bewaring 1886 - 1900
Cellulaire Gevangenis1872 – 1886
Strafgevangenis 1886 – 1953, daarna Gevangenis 1953 - 1960
Bijzondere Strafgevangenis voor Vrouwen 1919 – 1953.
Bijzondere Strafgevangenis voor Mannen 1929 – 1953.
Bijzondere Strafgevangenis voor Jonge Vrouwen 1938 – 1953.
Gevangenis voor vrouwen 1960 - 1968
Huis van Bewaring II 1955 - 1974
Hulp-Huis van Bewaring 1940 – 1946
Arrestantenhuis 1945 – 1948

Scheveningen
zie het archief van ’s-Gravenhage archiefinventaris 3.05.04

Schiedam
Huis van Bewaring 1890-1901 archiefinventaris 3.05.12

Schoonhoven
Huis van Bewaring 1851-1888 archiefinventaris 3.05.13

Sommelsdijk
Huis van Bewaring 1888-1901 archiefinventaris 3.05.14

Strijen
Huis van Bewaring 1856-1877 archiefinventaris 3.05.15 (geen inschrijvingsregisters)

Veenhuizen
Rijkswerkinrichting 1889 – 1919 (3.05.06)
Opmerking: De rijkswerkinrichting voor vrouwen is eind 1889 van Veenhuizen naar Leiden overgeplaatst. Het gevangenenregister uit Veenhuizen is meeverhuisd naar Leiden. Inventarisnummer 1  bevat de inschrijvingen van Veenhuizen 1886 – december 1889 en daarna die van de Rijkswerkinrichting voor vrouwen te Leiden.


Wie werd waar gevangen gezet?

Vóór 1811

Van een landelijk centraal georganiseerd gevangeniswezen was vóór 1811 nog geen sprake.
Er werden vrijwel geen vrijheidsstraffen opgelegd. Men gaf de voorkeur aan lijf- en doodstraffen, onterende straffen en verbanningen. In de dorpen waren geen echte gevangenissen. Verdachten werden opgesloten in de plaatselijke raadhuizen, stadspoorten of kastelen, voordat ze op transport werden gesteld naar de tuchthuizen in de steden. Voor Holland waren dat Alkmaar, Amsterdam, Brielle, Dordrecht, Gouda, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Woerden.

1811 - 1821

In 1811 werd het Franse model voor het gevangeniswezen ingevoerd. (In Limburg gebeurde dit al in 1796.) In het Arrêté sur l’Organisation des Prisons werd een onderscheid gemaakt tussen personen die nog niet waren veroordeeld of een korte straf hadden gekregen en personen die veroordeeld waren tot lange en zware straffen. De onveroordeelden of kortgestraften verbleven in huizen van politie, huizen van arrest en huizen van justitie. De langer gestraften zaten in de verbeter- en tuchthuizen. In garnizoenssteden was het gebruikelijk dat er voor militairen aparte gevangenissen werden ingericht, de zogenaamde provoosthuizen.

1821 - 1886

In 1821 werd het gevangeniswezen gereorganiseerd. Schematisch kan een en ander als volgt worden weergegeven: De archieven van deze instellingen zijn in de meeste gevallen te vinden in het archief van de provincie waarin de instelling gehuisvest was.
1821 - 1886: Onveroordeeld of kort gestraft
Instelling    Bestemd voor
Huis van Bewaring    Personen veroordeeld tot een gevangenisstraf van maximaal vijf dagen
Personen veroordeeld wegens het plegen van een wanbedrijf tot een gevangenisstraf van maximaal één maand
Personen die wegens schulden gegijzeld zijn
Passanten met een tijdelijke verblijfplaats
Personen die op verzoek en op kosten van de familie wegens verkwisting of wangedrag zijn opgesloten
Huis van Arrest     Personen die voor een rechtbank terecht moeten staan en voor degenen die zijn veroordeeld wegens een wanbedrijf tot een gevangenisstraf van maximaal zes maanden
Huis van Justitie         Personen die veroordeeld zijn wegens het plegen van een misdrijf of wanbedrijf tot een gevangenisstraf van maximaal zes maanden
Provoosthuis    Militairen die voor een krijgsraad terecht moeten staan of zijn veroordeeld wegens het plegen van een wanbedrijf of misdrijf tot een gevangenisstraf van maximaal zes maanden
1821 – 1886: Langer gestraft
Instelling    Bestemd voor
Huis van correctie    Personen die veroordeeld zijn wegens wanbedrijven met straffen tussen de vier en zes maanden
Huis van reclusie en tuchtiging     Personen die veroordeeld zijn wegens misdrijven en voor militairen veroordeeld tot een straf
Huis van militaire detentie    Militairen die zijn veroordeeld tot straffen van meer dan vier maanden

Vanaf 1886

In het nieuwe Wetboek van Strafrecht (1886) werd het gedachtegoed inzake het cellulaire systeem vastgelegd. Er werd een onderscheid gemaakt tussen misdrijven en overtredingen.
Overtredingen moesten bestraft worden met geldboetes, hechtenis of gevangenisstraf. Veroordeelden voor het plegen van een misdrijf werden, afhankelijk van de opgelegde straf, voor de duur van minimaal 1 dag en maximaal 20 jaar opgesloten in een strafgevangenis. Een deel van de straf (maximaal 5 jaar) moest in afzondering (in een cel) worden doorgebracht.
Huizen van bewaring waren bestemd voor degenen, die wegens overtreding tot hechtenis waren veroordeeld. De straf duurde ten minste één dag en maximaal één jaar. De gevangeniscapaciteit werd flink uitgebreid. In Haarlem, Arnhem, Breda, Groningen, Zutphen, Alkmaar en ’s-Gravenhage werden nieuwe gevangenissen gebouwd. In Gorinchem (1887) werd een speciale vrouwengevangenis ingericht. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het principe dat straf cellulair moest worden ondergaan losgelaten. Naast gevangenissen kwamen er Rijkswerkinrichtingen voor bedelaars, landlopers en souteneurs in de plaatsen Hoorn, Veenhuizen en Leiden. Deze laatste inrichting was speciaal voor vrouwen. De archieven van de Rijkswerkinrichting Hoorn vindt u in het Noord-Hollands Archief. De archieven van Veenhuizen in het Drents Archief. Voor het archief van de Rijkswerkinrichting te Leiden kunt u bij het Nationaal Archief terecht.
Vanaf 1886: Onveroordeeld en kort/lang gestraft
Instelling    Bestemd voor
Huis van Bewaring    Personen met een hechtenisstraf (burgers en militairen)
Passanten
Personen die nog terecht moeten staan en wier vastzetting, aanhouding of gevangenneming is gelast
Personen die wegens schulden gegijzeld zijn
Passantenhuis    Gedetineerden in afwachting van hun definitieve bestemming
Strafgevangenis    Personen (burgers en militairen) die tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld
Bijzondere strafgevangenis    Personen die jonger waren dan achttien of ouder dan zestig, alsmede zieken, die veroordeeld waren tot een gevangenisstraf maar hun detentie niet in eenzaamheid mochten ondergaan
Rijkswerkinrichtingen (RWI)    Bestemd voor personen die naast een hechtenisstraf tot bijkomende straf van plaatsing in een RWI zijn
veroordeeld. Vaak in geval van bedelarij, landloperij, souteneurschap en openbare dronkenschap.

Bedelarij en landloperij

Van bepaalde delicten is het gemakkelijk na te gaan waar de straf is uitgezeten. Personen die veroordeeld waren wegens bedelarij en landloperij werden tot 1827 naar gevangenissen te Veere of Hoorn gestuurd en vanaf 1827 naar de bedelaarskoloniën te Ommerschans of Veenhuizen. Archieven van laatstgenoemde ‘koloniën’ worden bewaard bij het Rijksarchief in Drenthe te Assen. In de inschrijvingsregisters vindt u dan vaak de aantekening ‘naar de Schans’. Na 1886, het jaar van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, werden de dronkaards, landlopers en bedelaars ondergebracht in de Rijkswerkinrichtingen in Veenhuizen, Hoorn en Leiden.

Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog bleef  de bevoegdheid van de Nederlandse strafrechter ongewijzigd. Daarnaast kwamen er Duitse rechtbanken in bezet Nederland, met name voor berechting  van verzetsdaden tegen de Duitse overheid in de ruimste zin van het woord en in geval van delicten, die het algemeen belang, en dan vooral de voedselvoorziening, schade toe brachten. Nederlanders, die door een Duitse rechtbank  een tuchthuisstraf kregen opgelegd werden naar tuchthuizen in Duitsland ondergebracht. Wie door een Duitse rechtbank tot gevangenisstraf was veroordeeld, werd ondergebracht in Duitse afdelingen van Nederlandse gevangenissen waaronder die  te Rotterdam en Scheveningen (het beruchte ‘Oranjehotel’ ). Voor persoonsgegevens uit de archieven van deze gevangenissen en de concentratiekampen kan informatie worden gevraagd bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam en het Informatie Centrum van het Rode Kruis te ’s-Gravenhage.
Na de Tweede Wereldoorlog werden een aantal Nederlanders veroordeeld op grond van  hun collaboratie met de vijand.
In het Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (2.09.09),
 bevinden zich een aantal kleine archieven van instellingen waar deze personen werden vastgehouden; van Kamp Vught 1945 – 1948;  Rijkswerkinrichting Veenhuizen 1947 – 1948 en het  Huis van Bewaring en Bijzondere Strafgevangenis Leeuwarden 1946. 

Jongeren in gevangenissen

In het begin van de 19de eeuw werd er geen onderscheid gemaakt tussen het gevangen zetten van jongeren en volwassenen. Pas in 1833 werd er te Rotterdam een gevangenis voor jeugdige veroordeelden geopend. Vanaf 1866 werden de jongere mannen ondergebracht in Doetinchem.
Daarnaast werden er voor jongeren (jongens en meisjes) speciale rijksopvoedingsgestichten, later tuchtscholen, ingesteld zoals te Alkmaar (1854), Amersfoort (1910), Ginneken (1906), Montfoort (1858) en Ommerschans (1892). Voor zover de archieven van deze instellingen nog bestaan, kunt u deze vinden in de provinciale archiefinstelling van de betreffende provincie.

Termen:

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in